GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 4 maart 2026
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/111
in het geding tussen:
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 januari 2025, nummer SGR 23/7920.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 12.745 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een (te laag) griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van 184 aan eiseres te vergoeden;
draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een (te laag) griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft op 2 en 3 februari 2026 nadere stukken ingediend en belanghebbende heeft op 3 februari 2026 een nader stuk ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 22 november 2021 aangifte voor de bpm gedaan ter zake van een terreinwagen Mercedes-Benz AMG G 63 (de auto). De datum van eerste toelating is 18 augustus 2020. De aangifte vermeldt als datum van keuring door de RDW 14 november 2021. Een medewerker van de RDW heeft de Inspecteur per e-mail meegedeeld dat het een versnelde individuele inschrijving betrof, dat de aanvraag op 29 november 2021 is ingediend en op 15 december 2021 is beoordeeld door de RDW. De auto is na de Mercedes-fabriek te hebben verlaten aangepast door het bedrijf Brabus GmbH (Brabus). Brabus heeft onder meer het vermogen van de motor verhoogd, de auto verbreed, een andere motorkap aangebracht, en andere velgen en banden op de auto gezet. Het merk Brabus is geen automerk, maar een Duits tuningmerk. Brabus is het grootste onafhankelijke bedrijf ter wereld voor het tunen van Mercedes-Benz auto’s. De auto heeft op de grille en de velgen het logo van Brabus.
In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van 15 november 2021 van [naam taxateur] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 274.173 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 149.487 (koerslijst Eurotax). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 47.118,14 en is, met uitzondering van € 250 voor gebruikerssporen op basis van een tabel, voor 100% in aanmerking genomen), en een vermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand RDW’ (€ 4.000) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 98.620. De fysieke opname (expertise) heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 5 november 2021.
Het taxatierapport vermeldt onder meer:
“HET ONDERGHAVIGE OBJECT BETREFT EEN MERCEDES-BENZ G-KLASSE DIE OMGEBOUWD IS DOOR TUNINGSBEDRIJF BRABUS GMBH. HET VOERTUIG WERD VOORZIEN VAN AANBOUWDELEN WELKE O.A. ZORGEN VOOR EEN BREDERE KOETS, DAARNAAST WERD HET MOTORVERMOGEN VERHOOGD.”
De inkoopfactuur is niet verstrekt.
De volgens de aangifte te betalen bpm is berekend op € 26.630 en is door belanghebbende voldaan.
De datum van keuring door de RDW is 15 december 2021, waarbij de kilometerstand 9.315 km bedroeg. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 299 gr/km NEDC en 344 g/km WLTP.
De aangifte is geselecteerd voor een controle. Belanghebbende is op 21 december 2021 uitgenodigd om het voertuig te tonen bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) op 22 december 2021. Belanghebbende heeft het voertuig niet getoond.
De deskundige van DRZ heeft de waarde bepaald op basis van de koerslijst, aan de hand van het SilverDAT VIN-informatie Rapport. Het DRZ-rapport van 23 december 2021 vermeldt een historische nieuwprijs van € 273.163, een netto catalogusprijs van € 151.325 en een handelsinkoopwaarde van € 148.731 (koerslijst Eurotax XchangeNet). DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen.
Op basis van de rapportage van DRZ heeft de Inspecteur de te betalen bpm berekend en vastgesteld op € 39.375. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag van € 12.745 opgelegd.
Het rapport van [naam taxateur] vermeldt onder meer:
“Interieur : Het interieur is voor zover waarneembaar in een redelijke staat.
(…)
Bekleding : De bekleding van het voertuig is voor zover waarneembaar in een redelijke staat.”
De schadecalculatie in het rapport aan de hand van het systeem Audatex vermeldt onder meer:
“4535
STOELBEKLEDING V L
+463 910 7907 9E38
1220.37
4589
LEUNINGBEKLEDING V L
+463 910 8107 9E38
1314.22
4957
HEMELBEKLEDING V
463 690 8502 9H93
2412.06
(…)
1000
BRBS 23 INCH VELGEN
EXCL. BANDEN
11400.00
1000
SET BANDEN
4X
20%
1590.00"
Oordeel van de Rechtbank
Immateriële schadevergoeding
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Waardevermindering wegens schade
10. Eiseres stelt dat de verschuldigde Bpm op een te hoog bedrag is berekend, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld. De bewijslast daartoe rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
11. De rechtbank stelt ten eerste vast dat eiseres in haar aangifte een onjuiste datum van keuring door de RDW heeft vermeld, namelijk 14 november 2021 (datum volgens aangifte) in plaats van 15 december 2021 (feitelijke datum keuring). Dat betekent ook dat de fysieke opname door eiseresses taxateur (5 november 2021) heeft plaatsgevonden méér dan een maand voor de keuring door de RDW. Verweerder stelt terecht dat dat het taxatierapport daarmee in feite te oud is en dat om die reden ook niet kan worden vastgesteld dat de toestand tijdens de fysieke opname ook de toestand op het moment van belastbaar moment is. Dat doet reeds af aan de overtuigingskracht van het taxatierapport.
12. Verder is komen vast te staan, naar verweerder eerst op heeft gewezen in zijn nader stuk van 11 december 2024 en eiseresses gemachtigde ter zitting ook heeft erkend, dat de auto waarvoor eiseres aangifte heeft gedaan (als Mercedes-Benz AMG G 63) in feite een Brabus (Mercedes-Benz) betreft. Brabus is een ander bedrijf dan Mercedes-Benz en maakt high-end en zeer exclusieve voertuigen van de originele Mercedes-Benz AMG G 63, waarbij tussen de voertuigen een groot prijs en kwaliteitsverschil zit, aldus verweerder. Verweerder wijst in dit verband ook op een passage die hij heeft van [website autobedrijf] , een gerenommeerd autobedrijf, waarin – onder meer – staat weergegeven: “Er zijn maar 25 exemplaren van de Brabus G-klasse gemaakt. Wat een nieuwe Mercedes G-Klasse Brabus kost? De prijs voor de G63 Brabus bedroeg in Duitsland zo’n 480.000 euro.”.
Eiseres heeft ter zitting erkend dat de Brabus-variant aanmerkelijk duurder is dan de uitvoeringen van Mercedes-Benz zelf, maar stelt dat de door Brabus aangebrachte verbeteringen voor de Bpm buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat dit geen verbeteringen/opties/toevoegingen zijn die door de fabrikant zijn aangebracht, en voor de Bpm moet worden aangehaakt bij de prijs/waarde van de fabrikant.
13. De rechtbank leidt uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en overgelegd af dat de Brabus-variant van een Mercedes-Benz een eigensoortig voertuig is, omdat, naar ter zitting onweersproken is verklaard, na de door Brabus aangebrachte wijzigingen (óók op het vermogen van de auto) een keuring van het bewuste voertuig moet plaatsvinden waarbij (individuele) goedkeuring moet worden verleend voor toelating op de weg. Daar komt bij dat Brabus-voertuigen ook als zodanig (dus onder die naam en niet als Mercedez-Benz) te koop worden aangeboden en ook als zodanig kenbaar zijn. Immers, naar ook duidelijk blijkt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s voert een Brabus niet de kenmerkende ster van Mercedes maar in plaats daarvan de ‘B’, van Brabus.
Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank van de waarde van het voertuig als Brabus-variant worden uitgegaan. De rechtbank verwerpt aldus het tegengestelde standpunt van eiseres zoals hiervoor onder 13. weergegeven. Voor dat geval geldt dat, naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd, de waarde van de auto dan zoveel hoger is dan die van de aangegeven Mercedes-Benz dat reeds daarom de naheffingsaanslag niet te hoog is, ook niet indien eiseres zou worden gevolgd in haar standpunt(en) over in aanmerking te nemen schade.
14. De rechtbank volgt eiseres hierbij ook niet in haar stelling dat door alsnog uit te gaan van de Brabus-variant sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Ten eerste omdat eiseres haar aangifte ook niet juist en volledig is; zij heeft immers zelf een onjuiste datum van keuring door de RDW vermeld. Ten tweede omdat eiseres in haar aangifte niets heeft vermeld over de Brabus-variant. En ten derde omdat verweerder noch DRZ voorafgaand aan het nadere stuk van verweerder in dit verband ooit enige toezegging of uitlating hebben gedaan aan eiseres. Het enkele feit dat verweerder of DRZ niet eerder dit standpunt hebben ingenomen, is onvoldoende om een beroep op het vertrouwensbeginsel te kunnen doen.
(…)
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
18. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 19 april 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 29 januari 2025 gedaan. Dat is dus afgerond 34 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 10 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend.
19. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.
Proceskosten
20. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[3] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).
(…)
[3] ECLI:NL:HR:2023:1526.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of:
- de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, en
- de Rechtbank de proceskosten tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag, vergoeding van immateriële schade en vergoeding van de kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
Ter bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto heeft (de taxateur van) belanghebbende de taxatiemethode toegepast en is daarbij uitgegaan van de koerslijstwaarde van een Mercedes-Benz AMG G 63 onder aftrek van een schadebedrag, zonder rekening te houden met de door Brabus aan de auto aangebrachte wijzigingen (het Brabus-pakket).
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto in onbeschadigde staat op het moment van registratie in Nederland een veel hogere waarde heeft dan de door de taxateur van de kant van belanghebbende en DRZ in aanmerking genomen waarde. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank, in het hogerberoepschrift en ter zitting van het Hof erkend dat de Brabus-variant aanmerkelijk duurder is dan een “gewone” uitvoering van een Mercedes-Benz AMG G 63 af-fabriek.
Partijen verschillen echter principieel van mening over het antwoord op de vraag of voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto met het Brabus-pakket rekening moet worden gehouden. Belanghebbende stelt dat moet worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van een “gewone” uitvoering en dat de door Brabus aangebrachte wijzigingen (verfraaiingen) voor de bpm niet relevant zijn. Hij wijst daarbij op artikel 9, lid 10, van de Wet op de personenauto’s en motorrijwielen 1992 waarin staat dat de waarde van voorzieningen die niet zijn aangebracht door of namens de fabrikant of de importeur niet in de catalogusprijs wordt begrepen. De Inspecteur stelt daartegenover dat met de aanpassingen rekening moet worden gehouden.
Een in een koerslijst opgenomen handelsinkoopwaarde is slechts een uitgangspunt. Binnen de taxatiemethode zal de getaxeerde waarde van die koerslijstwaarde verschillen vanwege meer dan normale gebruiksschade en/of andere bijzondere of afwijkende kenmerken en eigenschappen van het te waarderen motorrijtuig ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. Dergelijke kenmerken en eigenschappen leiden tot een bij de taxatie in aanmerking te nemen verschil ten opzichte van de koerslijstwaarde voor zover zij in die waarde niet of niet volledig zijn verdisconteerd. De invloed van dergelijke kenmerken en eigenschappen kan zowel waardedrukkend als waardeverhogend zijn (vgl. HR 12 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:692, r.o. 2.4.3, en HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.7).
Vast staat dat de Brabus-uitvoering van de Mercedes-Benz AMG G 63 niet voorkomt op een van de in Nederland in de handel algemeen toegepaste koerslijsten. Het Hof is, gelet op de hiervoor vermelde rechtsoverwegingen in de arresten van de Hoge Raad, met de Inspecteur en de Rechtbank van oordeel dat wel degelijk rekening moet worden gehouden met het Brabus-pakket. Door het Brabus-pakket beschikt de auto immers over bijzondere of afwijkende kenmerken ten opzichte van gebruikte motorrijtuigen zoals deze in de regel op de binnenlandse markt worden ingekocht. De gebruikte motorrijtuigen betreffen de gewone variant Mercedes-Benz AMG G 63 zonder de aanpassingen door Brabus. Het Brabus-pakket is waardeverhogend. Het taxatierapport van belanghebbende kan voor wat betreft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat derhalve niet dienen.
De afschrijving van de auto kan dus niet worden vastgesteld aan de hand van een koerslijst dan wel een bruikbaar taxatierapport. Het Hof ziet daarin aanleiding de handelsinkoopwaarde van de auto in goede justitie te bepalen (vergelijk HR 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.3.3). De Inspecteur heeft aan de hand van informatie van de website www. [website autobedrijf] onweersproken gesteld dat een Mercedes-Benz AMG G 63 met Brabus-pakket in Duitsland € 480.000 kost. Dit is dus exclusief de niet in geschil zijnde historische bruto bpm van € 74.057. Het Hof bepaalt de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat, gelet op de leeftijd van de auto, de kilometerstand, de historische nieuwprijs van een “gewone” Mercedes-Benz AMG G 63 en het Brabus-pakket, in goede justitie op € 350.000.
Schade
Het Hof acht niet al de door de taxateur van belanghebbende gecalculeerde schade aannemelijk gemaakt, maar zelfs als het gehele schadebedrag in aanmerking wordt genomen, evenals de door belanghebbende gestelde “Correctie vanwege 'geen oordeel' kilometerstand RDW-voertuigrapport” van € 4.000, leidt het verschil tussen de historische nieuwprijs van de auto en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op het moment van de registratie van de auto in Nederland niet tot de conclusie dat de naheffingsaanslag ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is opgelegd. In het midden kan dan ook blijven of de historische nieuwprijs € 274.173 bedraagt, zoals belanghebbende stelt, of € 273.163, zoals de Inspecteur stelt.
Het Hof wijst overigens erop dat het eventueel vaststellen van de afschrijving aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel ook tot de conclusie zal leiden dat de naheffingsaanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Inspecteur heeft niet expliciet, via DRZ, de toezegging gedaan dat bij het bepalen van de verschuldigde bpm zou worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van een “gewone” uitvoering van een Mercedes-Benz AMG G 63 en evenmin dat de naheffingsaanslag op een lager bedrag zou worden vastgesteld. De vraag is dan of de Inspecteur voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag had moeten zien dat sprake was van de Brabus-variant. Naar het oordeel van het Hof is dat niet het geval. De foto’s die DRZ en de Inspecteur aanvankelijk onder ogen kregen bij de aangifte zijn niet al te groot en niet al te duidelijk wat de omvang laat staan de toegevoegde waarde van het Brabus-pakket betreft, zodat het niet onwaarschijnlijk is dat het Brabus-logo hun niet is opgevallen. Het taxatierapport van de kant van belanghebbende vermeldt overal Mercedes-Benz AMG G 63, maar slechts zijdelings, in een enkele zin, de ombouw door Brabus. Derhalve is naar het oordeel van het Hof ook impliciet geen vertrouwen gewekt. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt.
Proceskostenvergoeding in eerste aanleg
Belanghebbende stelt terecht dat de Rechtbank een onjuist tarief per punt heeft toegepast bij de berekening van de proceskosten (€ 875 in plaats van € 907). Het Hof zal deze kosten dan ook opnieuw berekenen.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in beroep en hoger beroep.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 233,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt à € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak in beroep)) en € 467 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten x € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak in hoger beroep)). Het Hof ziet, gelet op de eenvoud van de zaak (het toepassen van een onjuist tarief), aanleiding om de factor zeer licht toe te passen.
De griffier van het Hof dient, in verband met de misslag van de Rechtbank, het in hoger beroep betaalde griffierecht terug te betalen.
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar alleen voor zover deze uitspraak betrekking heeft op de vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor de behandeling van het beroep,
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 233,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep, vastgesteld op € 467 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- bepaalt dat de griffier van het Hof het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 289 terugbetaalt.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 4 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.