Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002526-25
Parketnummers: 10-128726-25 en 09-170724-24 (TUL)
Datum uitspraak: 2 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2025 (zoals hersteld in het herstelvonnis van 14 oktober 2025) en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
adres: [adres] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de reeds eerder opgelegde voorwaardelijke straffen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 26 april 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer 1] met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 26 april 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen [slachtoffer 2] met een mes in zijn been heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 26 april 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer 1] met een mes in zijn bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 26 april 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [slachtoffer 2] met een mes in zijn been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting heeft de raadsman – overeenkomstig zijn pleitnota – aangevoerd dat de verdachte, ten aanzien van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken van de poging doodslag, en ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet gericht en met kracht met een mes in de buik van [slachtoffer 1] heeft gestoken, waarmee de verdachte dan ook niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 1] dodelijk zou treffen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van poging tot zware mishandeling onder feit 1. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer 2] zwaar letsel zou toebrengen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte op een druk terras bij een café in confrontatie is geraakt met een beveiliger van het café, [slachtoffer 1] . De verdachte had die avond alcohol gedronken en MDMA gebruikt. Op enig moment, nadat de verdachte meerdere keren met de vuist werd geslagen door [slachtoffer 1] , pakt de verdachte een mes met een lemmet van negen centimeter in zijn hand, klapt het open en maakt met een gestrekte arm met kracht een snelle zwaaiende beweging in de richting van de buik van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft [slachtoffer 1] daarbij met het mes in zijn buik gestoken. [slachtoffer 1] heeft hierdoor een steekwond van vier centimeter diep opgelopen waarbij schade is toegebracht aan een slagader in zijn buik, met een actieve bloeding als gevolg. [slachtoffer 2] is in de confrontatie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte betrokken geraakt, waarbij hij op enig moment tussen beiden in kwam te staan. Hij is daarbij in zijn bovenbeen geraakt door het mes van de verdachte. [slachtoffer 2] heeft daarbij een steekwond in zijn bovenbeen opgelopen, waarbij het vlies dat om de spier zit door de messteek is geperforeerd.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] .
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] , dient het hof te beoordelen of de verdachte door het steken van [slachtoffer 1] in zijn buik zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood als gevolg daarvan zou intreden en dat de verdachte die kans ook heeft aanvaard. Daarvoor moet worden gekeken naar de omstandigheden van het geval.
Het is een feit van algemene bekendheid dat de buik een kwetsbaar deel van het lichaam is en dat zich in de buik vitale organen en slagaders bevinden.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] in het leven heeft geroepen, nu de verdachte naar algemene ervaringsregels, in het bijzonder gelet op het hard zwaaien met het mes in de richting van de buik van [slachtoffer 1] , vitale organen en slagaders in het lichaam had kunnen raken. Ten aanzien van een slagader heeft dit risico zich daadwerkelijk verwezenlijkt. Het handelen van de verdachte kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan het hof niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg willens en wetens heeft aanvaard. Het hof stelt daarmee vast dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het overlijden van het slachtoffer. Het impliciet primair tenlastegelegde onder feit 1 is wettig en overtuigend bewezen.
Gelet op het feit dat de verdachte zich tijdens koningsnacht op een druk terras bevond, heeft hij door daar een of meer (zwaaiende) stekende bewegingen met een mes te maken, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij ook aan een ander die tussen hem en [slachtoffer 1] in zou komen, in dit geval [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel toe zou brengen. Het hof stelt daarmee vast dat de verdachte ook het voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Het onder 2 tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen.
De verweren van de verdediging worden daarmee verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte
Ter terechtzitting heeft de raadsman – overeenkomstig zijn pleitnota – aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), dan wel noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, Sr. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en dat er sprake is geweest van een noodweersituatie.
Het hof overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, wanneer aan alle eisen van noodweer is voldaan, met uitzondering van de proportionaliteitseis, en indien die overschrijding het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feitelijke gang van zaken.
Het hof heeft op de camerabeelden buiten het café waargenomen dat [slachtoffer 1] en de verdachte op 26 april 2025 kort in gesprek raakten met elkaar. Kort daarna draait de verdachte zich om, weg van [slachtoffer 1] . Enkele seconden later raken de verdachte en [slachtoffer 1] opnieuw met elkaar in gesprek. Getuigen verklaren dat zij op dit moment dicht bij elkaar staan. [slachtoffer 2] komt er bij staan. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat [slachtoffer 1] met een stevige vuistslag uithaalt naar de verdachte. In reactie daarop slaat de verdachte terug in de richting van [slachtoffer 2] , die tussen beiden in is komen te staan. De verdachte loopt vervolgens achteruit, iets weg van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] lopen echter beiden achter de verdachte aan. [slachtoffer 1] stapt voor [slachtoffer 2] , in de richting van de verdachte en haalt voor een tweede keer met zijn vuist uit naar de verdachte. De verdachte staat op dat moment achter op het terras tegen de met panelen/hekken afgezette rand van het terras aan. [slachtoffer 1] komt opnieuw voor de verdachte te staan, en [slachtoffer 2] naast hen. Op de beelden is te zien dat op dat moment de verdachte zijn arm met een zwaai van achter naar voren beweegt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij denkt dat dit het moment van steken is geweest. [slachtoffer 2] stapt ertussenuit, en [slachtoffer 1] valt op de grond. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zijn mes pakte omdat hij in paniek was, geen andere uitweg meer zag en in de richting van [slachtoffer 1] met een zwaaiende snelle beweging heeft gestoken. Hij heeft voorts verklaard dat hij dit deed, ter verdediging van hemzelf.
De geweldshandelingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , te weten het tot twee keer toe met een harde vuistslag uithalen naar de verdachte en het duwen van de verdachte, kunnen naar het oordeel van het hof in de kern en in samenhang bezien als aanvallend worden aangemerkt. Daarnaast stelt het hof vast dat de heer [slachtoffer 1] breed en zwaar van postuur is, in tegenstelling tot de tengere verdachte. De klappen die de verdachte van [slachtoffer 1] kreeg, waren flink en dreven hem, tezamen met het gezamenlijk optreden van [slachtoffer 2] , naar achter, de hoek in van het terras van waaruit hij moeilijk kon wegkomen, omdat daar een begrenzing rond het terras was. Er was aldus sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte bevond zich aldus in een noodweersituatie. Anders dan de rechtbank kan het hof niet vaststellen dat die noodweersituatie was geëindigd nadat de verdachte na de eerste vuistslag van [slachtoffer 1] had teruggeslagen, nu zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zich daarna dreigend jegens de verdachte bleven gedragen. De verdachte heeft zich tegen deze aanranding uiteindelijk verdedigd door met een mes in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te steken. Naar het oordeel van het hof staat het steken met een mes echter niet in een redelijke verhouding tot de klappen die [slachtoffer 1] daaraan voorafgaand aan de verdachte heeft uitgedeeld. Daarmee is niet voldaan aan de vereiste proportionaliteit die de verdachte bij zijn verdediging in acht diende te nemen, zodat het beroep op noodweer niet kan slagen.
Niettemin is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de verdachte bij dit alles heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging die ontstond op het moment dat [slachtoffer 1] – en in mindere mate ook [slachtoffer 2] – hem aanvielen, en die ook door de aanval werd veroorzaakt. Zo heeft de verdachte bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij op dat moment in paniek was, dat het hem zwart voor de ogen werd en dat hij voor zijn leven vreesde en hij geen andere uitweg zag dan het gebruiken van zijn mes. Het hof neemt hierbij in zijn beoordeling mee dat de psycholoog heeft gerapporteerd dat de verdachte niet altijd een goede zelfcontrole heeft, bekend is met impulsief handelen en een gebrek aan copingvaardigheden heeft. Daarbij heeft de psycholoog aangegeven dat ook sprake is van een lichte verstandelijke beperking, waarbij ter onderbouwing de polikliniek wordt geciteerd waar de verdachte eerder een behandeling heeft ondergaan. Die kliniek heeft opgemerkt dat er “(…) deficiënties in het adaptief functioneren (worden) waargenomen die ertoe leiden dat client niet kan voldoen aan de ontwikkelings- en sociaal-culturele standaarden van (…) sociale verantwoordelijkheid. Zonder ondersteuning wordt het functioneren van client beperkt in onder andere zijn communicatie (…)”. De lichte verstandelijke beperking heeft waarschijnlijk dan ook een rol gespeeld bij het gedrag van de verdachte, aldus de psycholoog. Dat de verdachte gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, acht het hof daarom verontschuldigbaar. Het beroep op noodweerexces slaagt.
De verdachte is dan ook niet strafbaar ter zake van het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde. Gelet op het voorgaande moet de verdachte dus worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als [benadeelde partij 1] gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.533,80.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 6.739,80, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de [benadeelde partij 1] is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, terwijl ook geen toepassing aan artikel 9a Sr is gegeven.
Het hof zal dan ook bepalen dat [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als [benadeelde partij 2] gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.201,62.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 2] , met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van [benadeelde partij 2] is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op artikel 361, tweede lid, aanhef en onder a Sv, [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat aan de verdachte geen straf op maatregel wordt opgelegd, terwijl ook geen toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is gegeven.
Het hof zal dan ook bepalen dat [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 5 juni 2024 onder parketnummer 09-170724-24 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 weken en tot 1 week voorwaardelijke hechtenis, beide met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf en die hechtenis niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder (onder meer) de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van de niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Nu de verdachte niet strafbaar wordt geacht voor het begaan van de bewezenverklaarde feiten zal het hof de vordering afwijzen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Heft op het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2025 gestelde bijzondere voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht.
Vordering van [benadeelde partij 1]
Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 1] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 1] in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van [benadeelde partij 2]
Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 2] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 2] in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst af de vordering van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag van 30 juni 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 5 juni 2024, parketnummer 09-170724-24, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 weken en de voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van 1 week.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, als voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. G.C. Haverkate, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 april 2026.