GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.357.548/01
Zaak- en rekestnummer rechtbank : C/09/678097/ HA RK 25-6
Beschikking van 26 mei 2026
in de zaak van
1. Regenboog Apotheek Bavel B.V.,
gevestigd in Bavel,
2. Vereniging Afbouwmedicatie,
gevestigd in Apeldoorn,
3. [verzoekster 1],
wonend in [woonplaats] ,
4. [verzoeker],
wonend in [woonplaats] , en
5. [verzoekster 2],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaat: mr. P. Beerda, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
1. Zorgonderzoek Nederland (ZonMw),
gevestigd in Den Haag,
2. [verweerder 1],
wonend in [woonplaats] ,
3. Stichting Amsterdam UMC,
gevestigd in Amsterdam,
4. [verweerder 2],
wonend in [woonplaats] ,
5. [verweerder 3],
wonend in [woonplaats] ,
verweerders,
advocaat verweerders sub 1 en 2: mr. C.G. Top, kantoorhoudend in Den Haag,
advocaat verweerders sub 3, 4 en 5: mr. S.F. Tiems, kantoorhoudend in Leiden.
Verzoekers worden hierna gezamenlijk ‘verzoekers’ en ieder afzonderlijk ‘Regenboog Apotheek’, ‘de Vereniging’, ‘ [verzoekster 1] ’, ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verzoekster 2] ’ genoemd. Verweerders sub 1 en 2 worden hierna gezamenlijk ‘ZonMw c.s.’ en ieder afzonderlijk ‘ZonMw’ en ‘ [verweerder 1] ’ genoemd. Verweerders sub 3, 4 en 5 worden hierna gezamenlijk ‘Amsterdam UMC c.s.’ en ieder afzonderlijk ‘Amsterdam UMC’, ‘ [verweerder 2] ’ en ‘ [verweerder 3] ’ genoemd. ‘ZonMw c.s.’ en ‘Amsterdam UMC c.s.’ worden gezamenlijk verweerders genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak betreft een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te houden.
Verzoekers wensen met getuigenverhoren te onderzoeken of verweerders tegenover hen onrechtmatig hebben gehandeld in het kader van het onderzoek naar afbouwmedicatie voor personen met depressieve klachten (het TEMPO-onderzoek). Van onrechtmatigheid kan volgens verzoekers sprake zijn indien verweerders het TEMPO-onderzoek zijn gestart en voortzetten in de wetenschap dat vergoeding van taperingstrips hierdoor wordt uitgesteld, terwijl zij weten dat i) dit onderzoek om diverse redenen niet tot het beloofde resultaat zal leiden (te weten: duidelijkheid over de vraag of geleidelijk afbouwen van medicatie beter werkt dan het niet of minder geleidelijk afbouwen van medicatie) en ii) het onderzoek op ethische gronden niet had mogen worden toegestaan.
De rechtbank heeft geoordeeld dat verzoekers geen belang hebben bij toewijzing van het verzoek. Toewijzing van het verzoek zou leiden tot een fishing expedition waarvoor het voorlopig getuigenverhoor niet is bedoeld. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. Er zijn afwijzingsgronden van toepassing.
2. Procesverloop in hoger beroep
Bij beroepschrift (met producties), ter griffie ingekomen op 30 juli 2025, zijn verzoekers in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
ZonMw c.s. en Amsterdam UMC c.s. hebben ieder een verweerschrift ingediend (Amsterdam UMC met producties), die beide op 8 december 2025 zijn ontvangen ter griffie van het hof.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten. Verzoekers en Amsterdam UMC c.s. hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Verzoekers hebben bij brief van 22 april 2026 opmerkingen bij het proces-verbaal gemaakt. De spreekaantekeningen, het proces-verbaal en de brief met opmerkingen maken deel uit van het procesdossier.
Ten slotte is de datum voor de beschikking nader bepaald op vandaag.
3. Feitelijke achtergrond
De rechtbank is in de bestreden beschikking onder 2.1 tot en met 2.20 van een aantal feiten uitgegaan. Met grief 1 klagen verzoekers dat de rechtbank een aantal essentiële feiten niet heeft opgenomen en dat het verzoek van verzoekers daardoor niet ten volle is samengevat. Het hof overweegt dat de rechtbank niet gehouden was alle feiten te vermelden, reden waarom deze klacht niet tot vernietiging kan leiden. Bovendien is het aan de rechter de tussen partijen vaststaande feiten te selecteren die voor de beoordeling van het geschil relevant zijn. Dat neemt niet weg dat het hof, voor zover het daartoe aanleiding ziet, rekening zal houden met wat verzoekers in de toelichting op hun eerste grief naar voren hebben gebracht. Aangezien de in de beschikking vastgestelde feiten verder niet zijn betwist, zijn deze in hoger beroep niet in geschil en dienen zij ook het hof als uitgangspunt. De feiten komen daarmee neer op het volgende.
Regenboog Apotheek exploiteert een apotheek. Zij heeft zich gespecialiseerd in apotheekbereidingen op maat voor psychoactieve medicatie, zoals antidepressiva.
De Vereniging stelt zich volgens haar statuten onder meer het volgende ten doel:
‘a. het behartigen van de belangen en het in en buiten rechte vertegenwoordigen van patiënten die tegen belemmeringen aanlopen bij de af- en/of opbouw van hun medicatie als gevolg van het onvoldoende aanwezig, beschikbaar en/of toegankelijk zijn van afbouwdoseringen van voornoemde medicatie, alsmede kennis daaromtrent en vergoeding daarvan;
(…)
c. het bevorderen van bekendheid over de bestaande belemmeringen bij de af- en/of opbouw van medicatie, bij de voorschrijvers van medicatie, patiënten en andere belanghebbenden;
d. zorg te dragen voor zowel toegang tot vergoeding als declaratie en inning van kosten die af- en/of opbouwmedicatie met zich brengen, en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.’
ZonMw is een publiekrechtelijke organisatie. Zij heeft op grond van artikel 3 lid 1 van de Wet op de organisatie ZorgOnderzoek Nederland de taak het doen uitvoeren en het subsidiëren of het verlenen van opdrachten met betrekking tot projecten, experimenten, onderzoek en ontwikkeling op het terrein van gezondheid, preventie en zorg. ZonMw bewaakt daarbij de kwaliteit en de samenhang en bevordert tevens het gebruik van de resultaten. Meer in het bijzonder verstrekt ZonMw subsidies ten behoeve van projecten die vallen onder een door het bestuur van ZonMw vastgesteld en door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) goedgekeurd programma.
In 2012 heeft de minister van VWS het programma Goed Gebruik Geneesmiddelen (hierna: GGG) goedgekeurd. Het GGG-programma is gericht op het effectiever, veiliger en doelmatiger inzetten van bestaande geneesmiddelen.
[verweerder 1] is clusterhoofd geneesmiddelen bij ZonMw en verantwoordelijk voor de uitvoering van het GGG-programma.
Regenboog Apotheek heeft in samenwerking met UMC Utrecht zogenoemde taperingstrips ontwikkeld, die het – kort gezegd – mogelijk maken om antidepressiva stap voor stap af te bouwen door voor iedere dag een specifieke (lagere) dosis aan te bieden. De taperingstrips worden op maat gemaakt en zijn sinds 2013 verkrijgbaar. De taperingstrips worden momenteel, op DSW en Salland na, niet vergoed door zorgverzekeraars.
[verzoekster 1] , [verzoeker] en [verzoekster 2] hebben in het verleden taperingstrips gebruikt om hun gebruik van antidepressiva af te bouwen. Die taperingstrips hebben zij niet vergoed gekregen van hun zorgverzekeraars.
De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie (hierna: de KNMP), MIND Landelijk Platform Psychische Gezondheid (hierna: MIND), het Nederlands Huisartsen Genootschap (hierna: het NHG) en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (hierna: de NVvP) hebben een werkgroep opgericht, die in 2018 het Multidisciplinair document ‘Afbouwen SSRI’s & SNRI’s’ (hierna: het MDD) heeft samengesteld. Het MDD is op 26 september 2018 opgeleverd.
Het MDD heeft als doel te voorzien in concrete handvatten voor artsen, patiënten en apothekers voor het afbouwen van antidepressiva, meer specifiek SSRI’s (selectieve serotonine-heropnameremmers) en SNRI’s (serotonine-noradrenaline-heropnameremmers).
In het MDD zijn voorbeelden van afbouwschema’s opgenomen. Tabel 2 van het MDD bevat voorbeelden van afbouwschema’s bij afwezigheid van risicofactoren voor ADS (afkorting voor het antidepressivumdiscontinueringssyndroom, dat wil zeggen: het optreden van onttrekkingsverschijnselen). Volgens die tabel kan afgebouwd worden met geregistreerde sterktes. Tabel 3 van het MDD bevat voorbeelden van afbouwschema’s bij aanwezigheid van risicofactoren voor ADS. In dat geval wordt aanbevolen een geleidelijker afbouwschema te hanteren. Voor afbouw conform Tabel 3 zijn lagere doses nodig. Deze zijn in het MDD geformuleerd in Tabel 5. Doses die afwijken, worden uitsluitend door Regenboog Apotheek bereid in de vorm van taperingstrips.
In de jaren na de publicatie van het MDD hebben Regenboog Apotheek en de Vereniging diverse pogingen gedaan om taperingstrips vergoed te krijgen. Daarbij hebben zij onder meer contact gezocht met de media, de Tweede Kamer, het ministerie van VWS, het Zorginstituut Nederland (hierna: ZiN), de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa) en verschillende zorgverzekeraars. De Vereniging heeft in voornoemd verband ook gerechtelijke procedures gevoerd tegen zorgverzekeraar VGZ. Dit alles heeft niet geleid tot vergoeding van taperingstrips.
In het kader van het GGG-programma heeft Amsterdam UMC op 3 maart 2020 een subsidieaanvraag ingediend bij ZonMw voor de uitvoering van een onderzoek genaamd “Comparing antidepressant (AD) tapering strategies for paroxetine and venlafaxine: the TAPER-AD trial”, nu bekend als het TEMPO-onderzoek (hierna ook op deze wijze aangeduid).
Het TEMPO-onderzoek is een gerandomiseerd en dubbelblind onderzoek in twee groepen naar de vraag hoe de antidepressiva paroxetine en venlafaxine kunnen worden afgebouwd.
De website van ZonMw heeft het volgende over het TEMPO-onderzoek vermeld:
‘ Afbouw strategieën voor de antidepressiva venlafaxine en paroxetine: de TEMPO studie*
Antidepressiva worden veel voorgeschreven bij angst en depressie. Lang niet iedereen hoeft ze langdurig te gebruiken. Een deel van de patiënten die antidepressiva wil afbouwen lukt dit niet. Maar hoe kan iemand het beste afbouwen? Met de gebruikelijke afbouw met bestaande doseereenheden of een langzamere afbouw met steeds kleinere doseereenheden? Welke van deze twee afbouwstrategieën het beste is, is onbekend.
Onderzoek
Daarom vergelijkt het TEMPO onderzoek deze twee afbouwmethodes bij twee veelgebruikte antidepressiva (paroxetine en venlafaxine) in een landelijk dubbelblind onderzoek bij patiënten die hersteld zijn van een eerdere depressie, maar deze antidepressiva nog slikken. Er wordt gekeken welke methode (gebruikelijk of langzamer) het beste helpt om succesvol af te bouwen, of er verschillen zijn in onttrekkingsklachten en of de depressie terugkomt.
Verwachte uitkomst
TEMPO zal opheldering geven over hoe afbouw van antidepressiva het beste kan. Met deze kennis zijn patiënten, artsen én beleidsmakers geholpen.’
Bij besluit van 30 september 2020 is positief beslist op de subsidieaanvraag voor het TEMPO-onderzoek. Aan Amsterdam UMC is een subsidie van maximaal € 1.484.215 toegekend.
[verweerder 2] en [verweerder 3] zijn de hoofdonderzoekers en projectcoördinatoren van het TEMPO-onderzoek. [verweerder 2] is werkzaam als hoogleraar en psychiater bij Amsterdam UMC en [verweerder 3] als psychiater-epidemioloog bij Radboud-UMC.
Op 26 april 2023 heeft ZonMw op verzoek van Amsterdam UMC een aanvullende subsidie van maximaal € 308.771 verstrekt voor het TEMPO-onderzoek. Daarbij is vermeld dat de aanvullende subsidie wordt uitbetaald als 65% van het totaal te includeren patiënten in het TEMPO-onderzoek is geïncludeerd.
In een brief van 20 juni 2023 hebben de (toenmalige) voorzitter van de Vereniging en [naam] , onderzoeker/ervaringsdeskundige bij UMC Utrecht, aan Amsterdam UMC hun zorgen geuit over het TEMPO-onderzoek dat volgens hen grote – onaanvaardbare – risico’s voor de proefpersonen meebrengt. Zij hebben Amsterdam UMC daarbij verzocht om het TEMPO-onderzoek op te schorten. Daar is geen gevolg aan gegeven.
De minister van VWS heeft op 18 januari 2024 een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over (de vergoeding van) afbouwmedicatie, met onder meer de volgende inhoud:
‘Meldingen NZa en vervolg
In het Commissiedebat Geneesmiddelenbeleid van 22 maart 2023 (Kamerstuk 29 477, nr. 828) heeft mijn voorganger, naar aanleiding van een vraag van het lid Paulusma (D66) over knelpunten in het afbouwen van geneesmiddelen, aangegeven dat eventuele meldingen over knelpunten gedaan kunnen worden bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Bij de NZa zijn 94 unieke meldingen binnen gekomen. In deze meldingen werd aangegeven dat zorgverzekeraars het afbouwen van medicatie, met de gekozen methode, niet vergoeden. Het overgrote deel van de meldingen ging over het gebruik van taperingstrips. Wanneer bij de melding de afwijsgrond van de zorgverzekeraar bijgevoegd was, ging dit zonder uitzondering om een afwijzing op basis van het niet voldoen aan de voorwaarden voor vergoeding, namelijk de voorwaarde van rationele farmacotherapie.
De NZa concludeert hieruit dat er onbegrip bestaat bij patiënten en zorgaanbieders over de vergoeding van afbouwmedicatie, al dan niet via taperingstrips. De NZa heeft de Minister geadviseerd om het Zorginstituut een (voorlopig) standpunt in te laten nemen over de vergoeding van deze zorg. Een standpunt van het Zorginstituut zal leiden tot een uitspraak over de stand van wetenschap en praktijk van afbouwmedicatie en zal direct effect hebben op de aanspraak van patiënten op deze zorg. Aangezien wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp beperkt is, bestaat er een reëel risico dat het Zorginstituut zal oordelen dat afbouwmedicatie niet voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk. In dat geval mag deze zorg niet langer worden vergoed door zorgverzekeraars vanuit de basisverzekering. Ik acht dat risico voor patiënten te groot . Van veldpartijen begrijp ik dat veel patiënten baat hebben bij deze zorg en zonder de vergoeding hiervan niet kunnen minderen of stoppen met het gebruik van antidepressiva. Ik wil deze patiënten deze zorg, die in hun situatie passend kan zijn, niet ontnemen. Om deze reden geef ik op dit moment geen opvolging aan het advies van de NZa en vraag het Zorginstituut nu niet om een standpunt over de vergoeding van afbouwmedicatie in te nemen.
Ik verwacht dat in de komende jaren meer onderbouwing gegeven kan worden voor welke manieren van afbouwen effectief zijn en bij welke patiënten. Ik wijs in dit geval op de TEMPO-studie die vanuit het Radboudumc en het Amsterdam UMC sinds 2021 loopt. Hier wordt gekeken welke manieren van afbouwen effectief zijn en welke patiënten last krijgen van onttrekkingsverschijnselen die bekend staan als het antidepressivumdiscontinueringssyndroom (ADS). In de eerdergenoemde Kamerbrief van 7 maart 2023 heeft mijn voorganger uw Kamer ook geïnformeerd over deze studie.’
Regenboog Apotheek en de Vereniging hebben getracht om (onder meer van ZonMw) via een Wob-verzoek inzage te verkrijgen in het volledige onderzoeksprotocol van het TEMPO-onderzoek, in verband met bezwaren die zij hebben tegen dit onderzoek. Dat verzoek is afgewezen. In dit kader is een procedure aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin op 22 november 2024 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De uitspraak in die procedure is, naar het hof door partijen is voorgelicht, voor onbepaalde tijd aangehouden.
4. Procedure bij de rechtbank
Verzoekers hebben de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten met acht getuigen. Aan het verzoek hebben zij in de kern ten grondslag gelegd dat zij willen onderzoeken of verweerders tegenover hen onrechtmatig hebben gehandeld.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking het verzoek afgewezen en verzoekers in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat verzoekers geen enkel concreet aanknopingspunt naar voren hebben gebracht ter onderbouwing van hun vermoedens dat de vergoeding van taperingstrips door verweerders actief wordt tegengewerkt. Voor de stelling van verzoekers dat het TEMPO-onderzoek wetenschappelijk ontoelaatbaar zou zijn, bestaan volgens de rechtbank evenmin aanknopingspunten. Voor zover verzoekers wensen aan te tonen dat het TEMPO-onderzoek op inhoudelijke gronden dient te stoppen, is het houden van een voorlopig getuigenverhoor daarvoor niet het geëigende middel. De rechtbank concludeert dat verzoekers geen belang hebben bij toewijzing van het verzoek en dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot een fishing expedition waarvoor het voorlopig getuigenverhoor niet is bedoeld.
5. Verzoek in hoger beroep
Verzoekers hebben in hoger beroep zes grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Zij vragen het hof de beschikking van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor met de acht getuigen genoemd in het inleidende verzoekschrift alsnog toe te wijzen, met hoofdelijke veroordeling van verweerders in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
Volgens verzoekers hebben er zich mogelijk feiten en omstandigheden voorgedaan waaronder rondom het TEMPO-onderzoek, die tegenover hen als onrechtmatig kwalificeren en een voorlopig getuigenverhoor noodzakelijk maken. Verzoekers vermoeden dat andere belangen dan patiëntbelangen, waaronder financiële en persoonlijke overwegingen, ervoor zorgen dat een besluit over vergoeding van taperingstrips wordt uitgesteld. Zij wijzen op de brief van 18 januari 2024 van de minister van VWS waarin het TEMPO-onderzoek als een belangrijke reden is aangedragen om het ZiN op dat moment niet te vragen om een standpunt in te nemen of taperingstrips vergoed moeten worden, wat verzoekers bevreemdt, omdat zorgverzekeraars – op twee na – de taperingstrips toch al niet vergoeden. Verzoekers stellen dat omdat het TEMPO-onderzoek centraal staat in het besluit van de minister, verweerders – allen betrokken bij het TEMPO-onderzoek – bij dat besluit indirect een belangrijke rol spelen. Bovendien hebben sommigen van hen zich in het verleden op een manier uitgelaten waaruit antipathie tegen verzoekers blijkt. Verzoekers wensen te onderzoeken of verweerders tegenover hen onrechtmatig hebben gehandeld en schade aan hen hebben berokkend. Of dit het geval is, zal moeten blijken uit het voorlopig getuigenverhoor, aldus verzoekers.
Amsterdam UMC c.s. vraagt het hof verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het appelverbod van artikel 200 lid 2 Rv en wanneer het hof het beroepschrift ontvankelijk acht, de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van verzoekers tot betaling van de proceskosten.
ZonMw c.s. stelt voorop dat [verweerder 1] in persoon niet als belanghebbende in de procedure kan worden aangemerkt. Verder verzoekt ook zij het hof verzoekers niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder verbetering van gronden, met veroordeling van verzoekers in de kosten van het hoger beroep.
6. Beoordeling in hoger beroep
Ontvankelijkheid van verzoekers in het hoger beroep
Verweerders betogen dat verzoekers niet-ontvankelijk zijn in het verzoek in hoger beroep. Amsterdam UMC c.s. doet daarbij een beroep op het (nieuwe) rechtsmiddelenverbod in artikel 200 lid 2 Rv. Daaruit zou volgen dat, omdat verzoekers zonder verlof van de rechtbank hoger beroep hebben ingesteld en niet binnen de termijn van vier weken na de bestreden beschikking, de verzoekers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Verzoekers menen dat zij wel ontvankelijk zijn.
Niet ter discussie staat dat het beroepschrift aan de hand van het nieuwe bewijsrecht beoordeeld moet worden, omdat het na 1 januari 2025 bij het hof is ingediend (artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). Partijen verschillen van mening over de beantwoording van de vraag of het nieuwe bewijsrecht ook gevolgen heeft voor de concrete mogelijkheid van verzoekers om een rechtsmiddel in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank en de termijn voor het instellen daarvan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 februari 2026 over een vergelijkbare kwestie met betrekking tot het overgangsrecht het volgende geoordeeld:
‘Bij gebreke van een specifieke overgangsrechtelijke bepaling in de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht met betrekking tot het openstaan van rechtsmiddelen en de termijn voor het instellen daarvan, moet in zoverre worden teruggegrepen op algemene uitgangspunten van civielrechtelijk overgangsrecht. In dit verband is relevant het uitgangspunt dat het van toepassing worden van een nieuwe wettelijke regeling geen gevolgen heeft voor reeds vóór dat tijdstip aangevangen procedures voor zover het betreft de bevoegdheid van de rechter, de aard van het geding, en de rechtsmiddelen tegen de uitspraak (vgl. art. 74 lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek). Dit uitgangspunt brengt voor de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht mee dat wanneer na 1 januari 2025 wordt beslist op een verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens (of een andere voorlopige bewijsverrichting) dat vóór 1 januari 2025 is gedaan, op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen gedurende de gehele procedure – ook in eventuele volgende instanties – het vóór 1 januari 2025 op dat punt geldende recht van toepassing blijft.’
In deze zaak is het verzoek in eerste aanleg vóór 1 januari 2025 gedaan, waarmee het vóór 1 januari 2025 geldende recht van toepassing is op de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen. De bestreden beschikking dateert van 2 mei 2025. Het beroepschrift is op de griffie binnengekomen op 30 juli 2025. Dit maakt dat verzoekers tijdig opgekomen zijn tegen de – voor hoger beroep vatbare – bestreden beschikking. Zij zijn dan ook ontvankelijk in het hoger beroep.
Beoordelingskader
Het hof ziet aanleiding om de grieven 3, 4 en 5 eerst samen te behandelen. Deze grieven richten zich tegen het beoordelingskader dat de rechtbank heeft gehanteerd. Verzoekers klagen erover dat de rechtbank de lat voor toewijzing van een voorlopig getuigenverhoor te hoog heeft gelegd, waar de rechtbank in de beschikking vereist dat verzoekers reeds met een zekere mate van zekerheid aantonen dat er onrechtmatig is gehandeld tegenover hen door de personen waartegen het verzoek zich richt. Daarnaast is de rechtbank daarmee volgens verzoekers ten onrechte vooruitgelopen op de uitkomst van een eventuele procedure: een voorlopig getuigenverhoor dient juist om helderheid te scheppen voordat sprake is van dergelijke concrete aanknopingspunten. Het dient volgens hen ook om vast te stellen óf er mogelijk onrechtmatig is gehandeld en/of door wie. In de kern vragen verzoekers daarmee om een herbeoordeling van het verzoek.
Vooropstaat dat in de memorie van toelichting bij het nieuwe bewijsrecht het belang van vroegtijdige feitenopheldering, het bepalen van de eigen rechtspositie en het vastleggen van bewijsmateriaal wordt benadrukt. Dit brengt mee dat de rechter een verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel toewijst. Maar de rechter moet daarbij ook rekening houden met de bescherming van de belangen van andere betrokkenen en zogenaamde “fishing expeditions” voorkomen. Kortom, het recht op een voorlopige bewijsverrichting is, ook onder het nieuwe bewijsrecht, niet onbegrensd.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, indien het verzoek aan de eisen die de wet daaraan stelt voldoet en voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een voorlopige bewijsverrichting bevelen. Uit artikel 196 lid 2 Rv volgt dat de rechter een dergelijk verzoek toewijst, tenzij de rechter van oordeel is dat:
a. de verlangde informatie onvoldoende bepaald is;
er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
Deze vijf gronden voor afwijzing zijn bedoeld als een samenhangend geheel. Zij lopen min of meer in elkaar over en kunnen naast elkaar van toepassing zijn.
Artikel 197 lid 2 Rv bepaalt in het algemeen wat het verzoek moet inhouden, zo dient een verzoek onder meer te bevatten een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek (sub a; dit moet op straffe van niet ontvankelijkheid in acht worden genomen) en de aard en het beloop van de vordering (sub b). Verzoekers dienen het feitelijk gebeuren waarover zij getuigen willen doen horen, zodanig te omschrijven dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal plaatsvinden, en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben.
Het verzoek wordt afgewezen, omdat er afwijzingsgronden van toepassing zijn
Het hof is van oordeel dat er in dit geval afwijzingsgronden van toepassing zijn, zodat het verzoek niet toewijsbaar is. Daarvoor is het volgende redengevend.
Het vermoeden van onrechtmatig handelen door verweerders in relatie tot de verlangde informatie is door verzoekers onvoldoende concreet bepaald (artikel 196 lid sub a Rv). Verzoekers hebben (ook) in hoger beroep geen enkel concreet, vaststaand, feitelijk aanknopingspunt naar voren gebracht waaruit een gerechtvaardigd vermoeden kan worden afgeleid dat het TEMPO-onderzoek is geïnitieerd en/of wordt uitgevoerd en voortgezet om vergoeding van taperingstrips (voor lange tijd) onmogelijk te maken en/of om Regenboog Apotheek en/of de Vereniging en/of patiënten die gebruik hebben gemaakt van taperingstrips (bewust) te benadelen. Verzoekers hebben eveneens (ook) in hoger beroep niet voldoende concreet kunnen omschrijven waarom de aangedragen getuigen gehoord moeten worden, zo maken verzoekers hun (mogelijke) betrokkenheid bij een bepaald voorval of concrete situatie niet duidelijk, maar spreken verzoekers slechts in algemene termen over de betrokkenheid ‘bij het TEMPO-onderzoek’.
Verzoekers hebben evenmin duidelijk weten te maken hoe in dit verband de door hen aangedragen brief van de minister van VWS van 18 januari 2024 een aanknopingspunt geeft voor het vermoeden van verzoekers, dat verweerders het TEMPO-onderzoek gebruiken om vergoeding van taperingstrips te voorkomen of uit te stellen. De vermoedens en/of veronderstellingen vinden geen grondslag in concrete feiten of omstandigheden die kunnen worden nagegaan of uitgevraagd bij de getuigen. Verzoekers blijven hangen in speculatie waarom de taperingstrips niet worden vergoed.
Verweerders hebben er bovendien op gewezen dat het de zorgverzekeraars zijn, en niet verweerders, die besluiten over het al dan niet vergoeden van de taperingstrips. Verzoekers hebben daartegenover in hoger beroep niets concreets naar voren gebracht om het vermoeden te staven dat er een causaal verband bestaat tussen de eventuele schade van verzoekers als gevolg van het feit dat taperingstrips niet vergoed worden en het TEMPO-onderzoek en/of de rol van verweerders daarbij.
Het hof deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat de door Regenboog Apotheek en de Vereniging kennelijk ervaren blijken van antipathie van verweerders (zoals het niet toelaten tot bepaalde bijeenkomsten waar de onderzoekers van het TEMPO-onderzoek bij betrokken zijn) in ieder geval onvoldoende zijn voor een gerechtvaardigd vermoeden dat verweerders het vergoeden van taperingstrips (actief) tegenwerken.
Voor zover verzoekers met een voorlopig getuigenverhoor als voorlopige bewijsverrichting wensen aan te tonen dat het TEMPO-onderzoek op ethische gronden niet aan de vereisten voldoet, hebben zij daarbij onvoldoende belang (artikel 196 lid 2 sub b Rv). Zij hebben hun belang, en waarom daarvoor het voorlopig getuigenverhoor hier het geëigende middel is, verder niet of nauwelijks toegelicht. Zij hebben enkel aan hun verzoek een mogelijke schadevergoedingsvordering ten grondslag gelegd die is gebaseerd op mogelijk onrechtmatig handelen tegenover hen in verband met de vergoedbaarheid van taperingstrips.
Naar het oordeel van het hof heeft het verzoek trekken van een fishing expedition en daarmee van misbruik van bevoegdheid door verzoekers (artikel 196 lid 2 sub d Rv). Van een fishing expedition is sprake als ten eerste een directe connectie tussen de gevraagde informatie en een concrete vordering ontbreekt en ten tweede informatie wordt gezocht die nog niet bekend is bij degene die de informatie zoekt. Het voorlopig getuigenverhoor wordt dan een gelegenheid waarbij de verzoeker met oneigenlijke bedoelingen op goed geluk allerlei informatie van de getuigen verzamelt, in de hoop dat hij informatie aantreft die relevant is voor een procedure die hij op het moment van het voorlopig getuigenverhoor nog niet overweegt of voldoende kan omlijnen. Zoals verweerders terecht aanvoeren, willen verzoekers alles wat ook maar enigszins verband houdt met het TEMPO-onderzoek te weten komen in de hoop aanknopingspunten te vinden voor een aansprakelijkheidsstelling van verweerders. Daarvoor is een voorlopig getuigenverhoor niet bedoeld. Immers, niet alleen maken verzoekers onvoldoende duidelijk met het oog op welke te bewijzen concrete feiten en omstandigheden verzoekers aan verweerders vragen willen stellen, maar ook sturen verzoekers erop aan om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over de gang van zaken rondom het TEMPO-onderzoek in de breedste zin, zonder dit in verband te brengen met een mogelijke vordering uit onrechtmatige daad of specifieke vragen over te bewijzen feiten die ten grondslag kunnen worden gelegd aan een dergelijke vordering tegen verweerders.
Daar komt overigens bij dat uit het verzoek, het aangedragen verweer en de mondelinge behandeling is gebleken dat verzoekers al bekend zijn met (veel van) de feiten en omstandigheden die het TEMPO-onderzoek betreffen. Verzoekers merken zelf op dat zij bij een toewijzing van het verzoek geen vragen zullen stellen over het protocol en de onderzoeksarmen die de blindering en randomisatie in gevaar zouden brengen, nu zij hierover inmiddels door verkregen schriftelijke informatie voldoende weten. Tijdens de mondelinge behandeling is door verweerders toegelicht welke informatie over het onderzoek reeds openbaar is. Dit brengt mee dat verzoekers ook zonder het verzochte voorlopige getuigenverhoor voldoende in staat moeten worden geacht om hun positie te bepalen en te beoordelen of het zinvol is een vordering in te stellen tegen Amsterdam UMC c.s. en ZonMW c.s.
Proceskosten in eerste aanleg en overige grieven
Verzoekers komen op tegen de proceskostenveroordeling die de rechtbank heeft uitgesproken (grief 6). Omdat het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigt, blijft die veroordeling in stand, waarmee ook grief 6 ongegrond is.
De overige grieven kunnen niet tot een ander oordeel leiden, zodat zij verder geen bespreking behoeven.
Conclusie en proceskosten
Het hoger beroep van verzoekers slaagt niet. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking. Als de in het ongelijk gestelde partijen worden verzoekers veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De proceskosten worden voor ZonMW c.s. en Amsterdam UMC c.s. voor elk van hen begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-.
7. Beslissing
Het hof:
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J.M. Verburg, G.C. de Heer en H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.