Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002288-25
Parketnummers: 09-315141-24 en 22-001656-22 (TUL)
Datum uitspraak: 20 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],
[adres],
thans gedetineerd in [naam PI] te [plaats].
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgelegd voor de duur van vijf jaren, zoals nader omschreven in het vonnis van beroep. Ten slotte is beslist omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp in de buik en/of het bovenlichaam en/of het been, althans het lichaam, te steken en/of te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair;
hij op of omstreeks 1 oktober 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [het slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig en/of snijdend voorwerp in de buik en/of het bovenlichaam en/of het been, althans het lichaam, te steken en/of te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is gevorderd dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege en dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van vijf jaren.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de oplegging van de straf en maatregelen en de motivering daarvan.
In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
Aanvulling
Het hof voegt aan de in het vonnis opgesomde bewijsmiddelen als bewijsmiddel toe:
Een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut “Forensisch-medisch onderzoek betreffende [het slachtoffer], geboren [geboortedag]”, te Den Haag, nr. 2024.11.15.137, d.d. 23 januari 2025, opgemaakt en ondertekend door forensisch arts [naam]. Dit rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 203):
III. Gevaarzetting van de causale geweldshandelingen.
Indien sprake is van een schermutseling waarbij het slachtoffer zich verweert en
probeert te onttrekken aan de belaging, verliest de belager door onvoorziene
bewegingen van het slachtoffer de controle over de (eventueel bedoelde)
insteeklocaties en de perforatiediepte. Hierdoor moet het zeer wel mogelijk worden
geacht dat ook delen buiten het bevonden letselgebied beschadigd zouden kunnen
worden.
Gezien de lichaamsdelen waarop het geweld in de onderhavige casus gericht is
geweest, moet het mogelijk worden geacht dat perforaties waren opgetreden van
het hart of de grote bloedvaten in de buik of de liezen. Door perforatie van het hart
en/of genoemde bloedvaten, kan binnen korte tijd ernstig bloedverlies optreden. Bij
perforatie van het hart cq. het hartzakje kan bovendien harttamponade ontstaan.
Genoemde complicaties verlopen in veel gevallen fataal, tenzij op zeer korte termijn
adequate medische hulpverlening kan worden toegepast.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.
Motivering van de op te leggen straf en maatregelen
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer thuis in diens slaapkamer aan te vallen, waarbij de verdachte met een mes in het bovenlichaam, buik en benen van het slachtoffer heeft gestoken. Het slachtoffer heeft daarbij levensbedreigende verwondingen opgelopen, waarna de verdachte hem hulpeloos heeft achtergelaten. Enkel het adequate handelen van het slachtoffer zelf, een te hulp schietende omwonende en het optreden door de hulpdiensten hebben een fatale afloop voor het slachtoffer kunnen voorkomen.
De verdachte heeft door zijn handelen een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Het slachtoffer is meermaals geopereerd aan de verwondingen aan zijn darmen, heeft meerdere drains en een tijdelijke stoma voor duur van bijna vier maanden gehad, heeft extra zuurstof toegediend gekregen en was afhankelijk van kunstmatige voeding en verzorging door anderen. Het misdrijf vond plaats in de eigen woning van het slachtoffer, bij uitstek de plek waar hij zich veilig moet kunnen voelen.
Tot op de dag van vandaag ondervindt het slachtoffer zowel fysieke als psychische gevolgen van de aanval. Het moet voor het slachtoffer extra wrang zijn dat hij de verdachte in de jaren voorafgaand aan dit feit onverplicht financieel heeft ondersteund, en dat uiteindelijk juist de verdachte zich op deze wijze tegen hem heeft gekeerd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een geweldsfeit.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen over de persoon van de verdachte is gerapporteerd door pro Justitia rapporteurs drs. [naam], GZ-psycholoog (hierna: de
psycholoog), en prof. dr. [naam], psychiater (hierna: de psychiater). Zij hebben op 7 en
12 juni 2025 een pro Justitia (dubbel)rapportage opgemaakt, waaraan de verdachte in beperkte mate heeft meegewerkt. Zij rapporteren, onder meer en zakelijk weergegeven, het volgende.
Beide gedragsdeskundigen omschrijven de verdachte als iemand die niet het achterste van
zijn tong laat zien en heel achterdochtig is. De verdachte bagatelliseert zijn situatie en gaat
niet in op inconsistenties of tegenstrijdige informatie. Ook schetst hij een sociaal wenselijk en rooskleurig beeld van zichzelf, zijn levensloop en (psychisch) functioneren. De verdachte
houdt vragen over zijn gevoelsleven en psychische klachten af, is defensief in contact en
geeft ontwijkende antwoorden wanneer hij wordt gewezen op inconsistenties of
tegenstrijdige informatie, aldus de gedragsdeskundigen.
Beide gedragsdeskundigen concluderen in hun rapportages dat er bij de verdachte sprake is
van een ongespecificeerde psychotische stoornis. Er is beperkt zicht gekomen op het
ontstaan en beloop van zijn psychotische pathologie. Daarmee is bijvoorbeeld schizofrenie
niet vast te stellen. Het psychotisch beeld wordt gekenmerkt door verwardheid, achterdocht,
vreemd en onbegrepen gedrag, maar ook verhoogde agitatie, intimiderend en agressief
gedrag. Hallucinaties zijn volgens de deskundigen niet uit te sluiten en het is aannemelijk
dat deze pathologie al langere tijd bestaat.
Verder concludeert de psycholoog in zijn rapportage dat het zeer aannemelijk is dat de
ongespecificeerde psychotische stoornis al langere tijd, en daarmee ook ten tijde van het
tenlastegelegde, aanwezig was. Ook volgens de psychiater was deze stoornis aanwezig ten
tijde van het tenlastegelegde. Hoewel volgens de deskundigen dus sprake is van een
gelijktijdigheidsverband, onthouden zij zich van een advies ten aanzien van de mate van
toerekening, omdat het niet duidelijk is geworden op welke manier en in welke mate de
psychotische stoornis een rol heeft gespeeld bij het bewezen verklaarde. Daarbij is van
belang dat de verklaring van de verdachte en de verklaring van de aangever over de
gebeurtenissen te sterk uiteenlopen. De deskundigen achten het weliswaar aannemelijk dat
de stoornis de gedragingen ten tijde van het bewezen verklaarde heeft beïnvloed, maar
kunnen dit niet met zekerheid vaststellen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg zijn beide gedragsdeskundigen als deskundigen
gehoord en hebben zij beiden overeenkomstig hun rapportages verklaard over het bestaan
van voornoemde stoornis bij de verdachte en de aannemelijkheid van de doorwerking van
de stoornis in het bewezenverklaarde.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof neemt deze bevindingen en conclusies dan ook over. Hoewel de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij van mening is dat hem niets mankeert en dat hij geen hulp nodig heeft, is het hof van oordeel dat de mening van de verdachte op dit punt minder zwaar weegt dan de bevindingen en conclusies van de deskundigen.
Nu er sprake is van gelijktijdigheid van de psychotische stoornis en het delict, alsmede gelet
op hetgeen wordt omschreven in de deskundigenrapportages en hetgeen door de
gedragsdeskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg is verklaard, acht het hof het aannemelijk dat de stoornis van invloed is geweest op het handelen van de verdachte voorafgaand en/of tijdens het begaan van het feit. Het hof neemt bovendien in aanmerking dat de aangever heeft verklaard dat de verdachte een vreemde blik in zijn ogen had op het moment dat hij op de aangever instak. De aangever omschrijft dit als "razernij". Dit sterkt het hof in de overtuiging dat er sprake was van doorwerking van de stoornis in het handelen van de verdachte.
Gelet op het voormelde, zal het hof het bewezen verklaarde feit dan ook in
verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Strafoplegging
Het hof is – alles afwegende - van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich meebrengt. Het hof zal aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaren opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof komt dus tot een lagere straf dan de straf die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal in hoger beroep is geëist. De door het hof op te leggen straf stelt de verdachte in staat eerder met de noodzakelijke behandeling te beginnen, welke behandeling gelet op het nog steeds geheel ontbrekend ziekte-besef bij de verdachte naar verwachting geruime tijd kan duren (zie verder hierna). Het hof heeft sterk rekening gehouden met de verminderde mate van toerekenbaarheid in de hoogte van de op te leggen straf.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Oordeel van het hof over de op te leggen tbs-maatregel
Uit de hiervoor genoemde rapportages blijkt dat beide deskundigen het risico op toekomstig
gewelddadig gedrag als hoog inschatten. De verdachte is dakloos en heeft geen baan of
structurele daginvulling. Daarnaast heeft hij totaal geen probleeminzicht en weinig
copingsvaardigheden. In dit verband rapporteren de gedragsdeskundigen dat de verdachte
zich verzet tegen een diagnose van een psychose en dat hij geen (antipsychotische)
medicatie wil gebruiken. Hij probeert vooral de indruk te wekken niets te mankeren
(psychisch noch lichamelijk) en ook geen hulp nodig te hebben. Dit maakt dat het bij de
verdachte volledig ontbreekt aan probleem- en ziektebesef en -inzicht. Het risico dat hij zijn
medicatie stopt wanneer hij hiertoe niet gedwongen wordt, is groot, en daarmee het risico op
psychotische decompensatie. Ingeschat wordt dat de verdachte dan zo snel mogelijk stopt met inname van antipsychotische medicatie en dat hij dan verwarder wordt, hetgeen het risico op recidive doet toenemen.
De psycholoog concludeert dat een langdurig klinisch traject binnen een forensische setting
met een hoog beveiligingsniveau geïndiceerd is bij de verdachte. De verdachte zal in eerste
instantie adequaat behandeld moeten worden voor zijn psychotische stoornis. Daarnaast is
voortzetting van de antipsychotische medicatie essentieel en is het noodzakelijk dat het
ziektebesef en -inzicht van de verdachte worden vergroot. Ook zal lopende de behandeling
nadere diagnostiek moeten plaatsvinden ten aanzien van de etiologie van de psychotische
pathologie, maar ook ten aanzien van zijn persoonlijkheid en intelligentie. Op basis van
deze nadere diagnostiek kan de behandeling ook nader vorm worden gegeven.
Een traject binnen een voorwaardelijk kader acht de psycholoog niet haalbaar. Immers, de
verdachte is van mening geen hulp van welke aard dan ook nodig te hebben. Hij is derhalve
niet gemotiveerd en bovendien zorgmijdend waardoor elk voorwaardelijk kader gedoemd is
te mislukken. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging is volgens de psycholoog eveneens te beperkt qua intensiteit en duur. Zodoende ziet hij geen andere
mogelijkheid dan de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van
overheidswege te adviseren.
De psychiater concludeert in zijn rapportage eveneens dat een minder dwingend kader dan
de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet haalbaar is, gelet op het ontbreken van
enige bereidheid bij de verdachte zich aan voorwaarden te houden. Ook hij ziet geen andere
mogelijkheid dan een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van
overheidswege te adviseren voor de verdachte om tot een reële vermindering te komen van
het hoge risico op recidive.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte
van 5 juni 2025, waaruit volgt dat sprake is van psychiatrische problematiek en van een
hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte negatief ten
aanzien van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de maatregel van terbeschikkingstelling
met voorwaarden.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een maatregel van terbeschikkingstelling als benoemd in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. Er is sprake van een misdrijf (poging tot doodslag) als benoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2 Sr. Uit de pro Justitia rapportages is gebleken dat de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten een ongespecificeerde psychotische stoornis, welke stoornis zoals het hof hiervoor heeft geoordeeld in ieder geval in enige mate heeft doorgewerkt in het bewezenverklaarde. Bovendien eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Uit de hiervoor aangehaalde rapportages blijkt immers dat er bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico ten aanzien van geweldsdelicten, dat een langdurige klinische behandeling noodzakelijk is om dat risico te verlagen en dat die behandeling het beste in het kader van een maatregel van terbeschikkingstelling kan plaatsvinden.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen, dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege moet worden opgelegd.
Het hof overweegt verder dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging
van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar
veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten poging tot
doodslag. Daaruit vloeit voort dat sprake is van een ongemaximeerde maatregel van
terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.
Vrijheidsbeperkende maatregel 38v Sr
Het hof ziet, ter bescherming van de aangever en ter voorkoming van (vergelijkbare)
strafbare feiten, eveneens aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een
vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen voor de duur van 5 jaren, inhoudende een
contactverbod. Het contactverbod houdt in dat de verdachte op geen enkele manier - direct
of indirect - contact opneemt met de aangever (de heer [naam]). Voor iedere keer
dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd
voor de duur van één week, met een maximum van zes maanden. Omdat er, gezien het hiervoor besproken hoge risico op recidive, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, zal het hof bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 mei 2024 onder parketnummer 22-001656-22 is de verdachte veroordeeld tot 40 uren taakstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis, met bevel dat die taakstraf niet tenuitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof is het evenwel, gelet op de op te leggen gevangenisstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, niet opportuun die vordering toe te wijzen.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf, maatregelen en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [naam], geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats].
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Den Haag van 30 december 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 mei 2024, parketnummer 22-001656-22, voorwaardelijk opgelegde straf.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, als voorzitter, mr. TH.W.H.E. Schmitz en mr. L.C. van Walree, leden, in bijzijn van de griffier mr. E. Savans.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 mei 2026.
mr. H.C. Wiersinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.