ECLI:NL:GHDHA:2026:175

ECLI:NL:GHDHA:2026:175

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 30-01-2026
Datum publicatie 11-02-2026
Zaaknummer 22-001197-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Poging zwaar lichamelijk letsel. Voor zover het letsel te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel, constateert het hof dat dit niet onder de tenlastelegging te brengen is, reeds omdat de tenlastelegging uitgaat van een poging tot zwaar lichamelijk letsel en niet van een voltooid delict.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 10 april 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,

adres: [woonadres] [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals nader beschreven in het vonnis waarvan beroep. Alsmede een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Ook is er een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 september 2024 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (met kracht) meermalen met een vleeshamer op zijn hoofd en/of zijn lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 september 2024 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) meermalen met een vleeshamer op zijn hoofd en/of zijn lichaam te slaan.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden, zoals nader beschreven in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast vordert de advocaat-generaal een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 11 september 2024 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (met kracht) meermalen met een vleeshamer op zijn hoofd en/of zijn lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota bepleit dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever.

Vast is komen te staan dat de verdachte de aangever heeft geslagen met een vleeshamer. Hij is met de vleeshamer in zijn hand, in grote ergernis op het slachtoffer af gestormd en hij heeft hem in die gemoedstoestand met kracht, meermalen en gericht op het hoofd geslagen. De verdachte heeft door het met kracht slaan op het hoofd – één van de meest kwetsbare delen van het lichaam - van het de aangever, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het handelen aanzienlijke lichamelijke gevolgen kon hebben. Het hof is van oordeel dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat volgens de verdachte sprake was van een ‘lichte’ vleeshamer doet aan dat oordeel niet af gelet op de agressieve/ontremde aard van de gedraging en het daarbij op het hoofd gerichte slaan door de verdachte. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Het hof merkt op dat uit het dossier blijkt dat de aangever letsel heeft opgelopen aan zijn vinger/hand. Voor zover dit letsel te kwalificeren is als zwaar lichamelijk letsel, constateert het hof dat het niet onder de tenlastelegging te brengen is, reeds omdat de tenlastelegging uitgaat van een poging tot zwaar lichamelijk letsel en niet van een voltooid delict.

Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnota bepleit dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde een beroep toekomt op noodweer.

Het hof gaat uit van de volgende, aan wettig bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 11 september 2024 richting de verkeersregelaar - aangever - is gelopen en heeft gevraagd of ze hem met rust wilden laten. Volgens de verdachte bleven de aangever en de mannen die aan het werk waren op het [locatie] toch naar hem kijken. Hij heeft toen de vleeshamer van de tafel gepakt, is naar buiten gelopen en de straat overgestoken richting het plein, is aldaar over het hek gestapt/gesprongen en naar de aangever toegaan met de vleeshamer in zijn hand terwijl hij die in de lucht zwaaide. Op de camerabeelden die zich in het dossier bevinden is te zien dat de verdachte al zichtbaar zwaar geagiteerd was voordat hij over het hek sprong en in die gemoedstoestand naar de verkeersregelaar rent. Ook is te zien dat de verdachte met kracht uithaalt en daarbij de aangever raakt. Dit laatste wordt ook bevestigd door de aangever zelf en door de getuige [getuige] . Op de foto’s in het dossier is te zien dat de aangever is geraakt op zijn hoofd en dat daarop een bult is ontstaan. Het hof is van oordeel dat op grond van het voorgaande duidelijk is geworden dat de verdachte de agressor was en als eerste tot geweld is overgegaan en daarmee dat het de verdachte is geweest die aangever ogenblikkelijke en wederrechtelijke heeft aangerand en niet andersom.

Voor zover er door de aangever of andere betrokkenen geweld is gebruikt jegens de verdachte, is dat geweest nádat de verdachte als eerste heeft geslagen. Dit heeft de verdachte ter zitting in hoger beroep ook verklaard.

In tegenstelling tot de raadsvrouw is het hof dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen hij zich moest verweren.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Het primair bewezenverklaarde is strafbaar en lever top:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar pleitnota subsidiair bepleit dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde een beroep toekomt op noodweerexces, dan wel putatief noodweer.

Gelet op voorgaande overweging ter zake het gestelde noodweer – er was geen noodweersituatie – wordt het beroep op noodweerexces reeds daarom verworpen.

Ten aanzien van het beroep op putatief noodweer geldt het volgende. Er is sprake van putatief noodweer indien de verdachte abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich tegen de aangever moest verdedigen, omdat hij zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld. Hij moet verontschuldigbaar hebben gedwaald over het bestaan van een noodzaak tot verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding. Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden waarvan het hof is uitgegaan, was van een dergelijke situatie geen sprake. Ook het beroep op putatief noodweer slaagt daarom niet.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door meermalen met een vleeshamer op het hoofd van het slachtoffer te slaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Daarnaast was het slachtoffer aan het werk als verkeersregelaar en hoort veilig en ongestoord zijn werk te kunnen verrichten.

Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Bovendien worden door geweld op straat in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 22 november 2024 blijkt dat er bij de verdachte sprake is psychische ontregeling door middelen gebruik (grote hoeveelheid alcohol en cannabis) en van andere persoonlijkheidsproblematiek en een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij een veroordeling om hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, meewerken aan middelencontrole, begeleiding door een coach van Welzijn E25 ten behoeve van het vinden van een passende dagbesteding. Deze voorwaarden zijn ook door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte na het instellen van hoger beroep, op vrijwillige basis met alle voorwaarden, waaronder ambulante behandeling, middelengebruik controle en begeleiding/coaching, zoals in het vonnis waarvan beroep is bepaald, is doorgegaan en dat hij zich houdt aan alle aanspraken. De verdachte heeft hier zichtbaar en merkbaar van geprofiteerd en flinke vooruitgang geboekt; hij heeft een stabiele indruk gemaakt en zo voelt de verdachte zich ook. Om die reden ziet het hof geen aanleiding om de verdachte opnieuw te veroordelen tot een taakstraf. Wel acht het hof het van belang dat de verdachte zijn therapie doorzet en aan de andere opgelegde voorwaarden voor zover naar het oordeel van het hof nog van belang, blijft voldoen en het hof zal om die reden een deels voorwaardelijke straf opleggen met daarbij de door de reclassering in het reclasseringsrapport d.d. 22 november 2024 nader omschreven bijzondere voorwaarden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van

€ 6.989,91 (bestaande uit € 1.989,92 materiele schade en € 5.000,00 immateriële schade.

In hoger beroep is de vordering materiële schade verminderd met € 385,00 ter zake van het eigenrisico, tot een bedrag van € 1.604,91. Voor het overig is de vordering gehandhaafd. Aan de orde is derhalve een vordering tot € 6.604,91 (bestaande uit € 1.604,91 materiele schade en € 5.000,00 immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot een gehele toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,00 en een toewijzing van de materiele schade tot een bedrag van € 1.194,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.

Door de benadeelde partij zijn stukken overlegd om aan te tonen dat materiele schade is ontstaan als gevolg van het tenlastegelegde. Deze gestelde schade is echter geen rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde nu de verdachte, vanwege de aard en inhoud van de tenlastelegging, is vrijgesproken van het slaan op het lichaam (vinger/hand) van het slachtoffer. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden materiele schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich in aanmerking nemend deze bewezenverklaring - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal bepalen dat benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde schade aan de vinger/hand. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 30 (dertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN te Den Haag.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet) en alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek en ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door een coach van Welzijn E25 in het zoeken naar passende dagbesteding en het behouden hiervan. De veroordeelde houdt zich aan de regels en afspraken die met de coach en de reclassering hierover zijn afgesproken.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij terzake de materiële en voor het overige terzake de immateriële schade, niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

11 september 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, als voorzitter, mr. O.M. Harms en

mr. A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.W.J. Cramer.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. O.M. Harms
  • mr. A.J.P. van Beurden

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?