Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003783-21
Parketnummer: 10-750106-19 en 99-000321-30 (VI)
Datum uitspraak: 7 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2021, in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [geboortedatum] 1971,
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
laatst opgegeven adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ten slotte is de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij, in of omstreeks de periode van 01 maart 2019 tot en met 13 september 2019 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer gebruikershoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, in of omstreeks de periode van 01 maart 2019 tot en met 13 september 2019 te Schiedam en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne en/of een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde (telkens) een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, een weegschaal en/of meerdere gripzakjes en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) en/of zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte het gebouw van zijn garagebedrijf (aan de [straatnaam 1] te Schiedam) ter beschikking gesteld voor overdracht en/of verkoop en/of opslaan van verdovende middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 13 september 2019 te Rotterdam en/of Schiedam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
a. a)
van een of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal) Euro 493.840,46 en/of een personenvoertuig ( Land Rover met [kenteken 1] ), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verborgen heeft gehouden of heeft verhuld wie de rechthebbende op deze/dit voorwerp(en) is en/of deze/dit voorwerp(en) voorhanden heeft gehad dan wel
b)
een of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal) Euro 493.840,46 en/of een personenvoertuig ( Land Rover met [kenteken 1] ), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of van een of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal) Euro 493.840,46 en/of een personenvoertuig ( Land Rover met [kenteken 1] ), gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven; 3.hij, op of omstreeks 9 juli 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een tuinhuisje aan de [straatnaam 2] ) 7,8 kilogram, althans een hoeveelheid, hashish/hennep en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
4.hij, op of omstreeks 09 juli 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk/type Zoraki Glock 25, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de aan de verdachte opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
van een of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal) Euro 493.840,46 en/of een personenvoertuig ( Land Rover met [kenteken 1] ), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verborgen heeft gehouden of heeft verhuld wie de rechthebbende op deze/dit voorwerp(en) is en/of deze/dit voorwerp(en) voorhanden heeft gehad dan wel
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij, in of omstreeks de periode van 01 maart 2019 tot en met 13 september 2019 te Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer gebruikershoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende een ander middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 13 september 2019 te Rotterdam en/of Schiedam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
a. a)
b)
een of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal) Euro 425.840,46 en/of een personenvoertuig ( Land Rover met [kenteken 1] ),
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of
van een of meerdere voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal) Euro 493.840,46 en/of een personenvoertuig ( Land Rover met [kenteken 1] ), gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) (telkens) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven;
3.hij, op of omstreeks 9 juli 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een tuinhuisje aan de [straatnaam 2] ) 7,8 kilogram, althans een hoeveelheid, hashish/hennep en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
4.hij, op of omstreeks 09 juli 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder sub 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool, van het merk/type Zoraki Glock 25, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Ten aanzien van feit 2
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de alternatieve lezing van de verdachte omtrent de herkomst van het geld niet eenvoudig terzijde kan worden geschoven. De verdediging heeft in eerste aanleg immers stukken overgelegd, waaruit blijkt dat er een plausibele verklaring was voor de contante geldbedragen die de verdachte (deels) heeft aangewend om auto's in te kopen, te weten een geldlening van 125.000 euro, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van witwassen, zoals aan de verdachte ten laste is gelegd, vereist is dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de aangetroffen geldbedragen en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het is in dat geval aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen waaruit die feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.
Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geld. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt echter niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier dat sprake is van een vermoeden van
witwassen. Uit de analyse van de financiën van de garage van de verdachte binnen de ten laste gelegde periode volgt dat er uitgaven zijn gedaan en dat de verdachte over een hoeveelheid geld heeft beschikt die niet overeenkomt met de inkomsten van de garage. Uit de analyse volgt dat de verdachte in die periode kon beschikken over een onverklaarbaar vermogen van (opgeteld) 228.161,16 euro. Daarnaast is er in een verborgen ruimte in een Volkswagen Transporterbus met [kenteken 2] , waarvan de feitelijke beschikkingsmacht in de ten laste gelegde periode bij de verdachte en diens zoon [naam zoon] lag, een geldbedrag van 265.679,30 euro aangetroffen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij naar Koerdistan is gegaan en daar 125.000 euro heeft geleend. Hij heeft dat geld in gedeelten gekregen. Een deel daarvan, 20.000 of 30.000 euro, heeft hij via Dubai op zijn ING-rekening gekregen. Het resterende bedrag hebben mensen die op vakantie gingen naar Koerdistan in contanten voor hem meegenomen. Zij namen per keer 10.000 tot 20.000 euro mee. De verdediging heeft stukken over deze lening overgelegd. Ten aanzien van de overige geldbedragen heeft de verdachte geen verklaring afgelegd over de alternatieve (legale) herkomst ervan. Dat betekent dat reeds daarom het witwasvermoeden is blijven bestaan.
Door het Openbaar Ministerie is vervolgens onderzoek verricht naar de door de verdediging overgelegde stukken met betrekking tot de geldlening. Uit het ter zake door de politie opgemaakte proces-verbaal volgt onder meer dat onder het logo [verwijzing naar het logo] staat vermeld, terwijl op Facebook geen bedrijf terug te vinden is met de naam [bedrijfsnaam 1] . Er is wel een facebookpagina met de naam [bedrijfsnaam 2] , gevestigd in Koerdistan , maar de telefoonnummers van dat bedrijf komen niet overeen met de telefoonnummers op de lening en ook de oprichtingsdatum komt niet overeen.
Gelet op het voorgaande acht het hof het niet geloofwaardig dat het geldbedrag van
125.000 euro afkomstig is van de door hem gestelde geldlening.
Daarnaast is de wijze waarop de verdachte, volgens zijn verklaring, het geld van deze lening heeft ontvangen een volkomen ongebruikelijke manier om aan geld te komen.
Indien daadwerkelijk sprake zou zijn van een (legale) geldlening, zoals gesteld door de verdachte, valt immers niet in te zien waarom een dergelijk omvangrijk bedrag niet simpelweg op de bankrekening van de verdachte kon worden gestort. De verklaring van de verdachte over de wel gevolgde handelwijze, te weten dat er slechts een gering deel (in Dubai) op zijn bankrekening zou zijn gestort, terwijl het restant telkens in delen en in contanten zou zijn meegenomen door ‘mensen die naar Koerdistan op vakantie gingen’, is niet alleen niet verifieerbaar, maar bovendien brengt het fysieke vervoer van degelijke forse geldbedragen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich, dat simpelweg te vermijden is indien die bedragen op een bankrekening worden gestort. Voor de reden waarom dit niettemin op deze wijze zou hebben plaatsgevonden heeft de verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven.
Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld en dat in dat verband gebruik wordt gemaakt van contant geld teneinde de papertrail te onderbreken of onzichtbaar te maken.
Het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – leidt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van in totaal € 425.840,46, uit misdrijf afkomstig was en dat de verdachte dit wist.
Ten aanzien van feiten 3 en 4
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde pleitaantekeningen, aangevoerd dat de verklaring van de broer van de verdachte niet mag worden betrokken bij het bewijs, nu hij zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, waardoor de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad om zijn betrouwbaarheid te kunnen toetsen en er derhalve niet gesteld kan worden dat het proces “as a whole” voldoende eerlijk is geweest.
Het hof volgt dit verweer van de raadsman niet, nu de broer van de verdachte, [naam broer] , op 9 september 2024 in aanwezigheid van de verdediging is gehoord bij de raadsheer-commissaris, waarbij hij zich niet op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
witwassen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan handel in verdovende middelen. Daarnaast heeft de verdachte een hoeveelheid softdrugs aanwezig gehad. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ten slotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van (zware) criminaliteit.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het witwassen van grote geldbedragen van in totaal 425.840,46 euro. Door zijn handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen. Vuurwapens worden – zeker in combinatie met drugshandel – steeds vaker gebruikt bij het plegen van ernstige misdrijven. Vuurwapenbezit daarvan brengt onder burgers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit niet zelden leidt tot het (ondeskundig) gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen voor anderen. Daarbij bestaat bovendien een groot risico dat onschuldige omstanders worden getroffen.. Gelet op het hoge gevaarzettend karakter daarvan, dient tegen vuurwapenbezit daarom streng te worden opgetreden.
Justitiële documentatie
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Redelijke termijn
Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 13 september 2019 en het eindvonnis op 24 december 2021 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 3 maanden overschreden. Het hof heeft voorts geconstateerd dat de redelijke termijn ook in hoger beroep is overschreden; met ruim 2 jaar en 4 maanden. Namens de verdachte is immers op 29 december 2021 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 7 mei 2026 arrest.
Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de hoogte van de op te leggen straf in die zin, dat het hof in plaats van een in beginsel passende en geboden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren zal opleggen.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een Land Rover en geldbedragen, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu zij geheel of grotendeels door middel van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde zijn verkregen.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
De veroordeelde is bij vonnis van 1 april 2011 door de Isleworth Crown Court in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, ter zake van medeplegen van overtreding van de Opiumwet en deelname aan een criminele organisatie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat de aan hem in het Verenigd Koninkrijk opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd. Aangezien de buitenlandse straf het Nederlandse strafmaximum overschrijdt, is de straf aangepast aan de maximumstraf die in Nederland geldt voor het gepleegde delict, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.
De officier van justitie in Rotterdam heeft op 3 maart 2017 de verdere tenuitvoerlegging van dit vonnis gelast.
Aan de verdachte is voorwaardelijke invrijheidstelling verleend per 18 november 2018. De voorwaardelijke invrijheidstelling is feitelijk geëffectueerd op 16 november 2018, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De officier van justitie heeft op 21 november 2019 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Rotterdam voor een periode van 2825 dagen. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de in deze zaak ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie, in afwijking van de eerdere vordering, de gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 700 dagen gevorderd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de beperking van de ingediende vordering tot de duur van 700 dagen.
In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Daarmee is er een grondslag voor toewijzing van de vordering aanwezig.
Het hof overweegt dat voor de geloofwaardigheid van de regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling het in zijn algemeenheid van groot belang is dat aan overtreding van de gestelde voorwaarden gevolgen worden verbonden. Zoals hierboven uiteengezet, is de verdachte in het Verenigd Koninkrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur, voor een feit dat vergelijkbaar is met de vier (als een samenhangend geheel te beschouwen) feiten die het hof zojuist bewezen heeft verklaard. De verdachte heeft zich kort na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in 2018 opnieuw schuldig gemaakt aan ernstige delicten met betrekking tot de Opiumwet. Gelet op het bovenstaande en in aanmerking genomen zowel enerzijds de persoonlijke omstandigheden van de verdachte als anderzijds de ernst van de thans bewezen verklaarde feiten ziet het hof geen aanleiding tot slechts een gedeeltelijke herroeping. Het hof acht een volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 2825 dagen op zijn plaats en zal dan ook dienovereenkomstig beslissen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 24, 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
1. Personenauto [kenteken 1] Land Rover 2016, kleur wit ( [nummer 1] );
2. Geldbedrag van 13.280,00 euro ( [nummer 2] );
3. Geldbedrag van 264.850,00 euro ( [nummer 3] );
4. Geldbedrag van 910 Zwitserse Frank, waarde 780,62 euro ( [nummer 3] ).
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling
Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten: 2825 (tweeduizend achthonderdvijfentwintig) dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, als voorzitter, en mr. R. Brand en
mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 mei 2026.
Mr. R. Brand is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.