ECLI:NL:GHDHA:2026:1801

ECLI:NL:GHDHA:2026:1801

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 22-003617-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:22294

Samenvatting

Veroordeling wegens het openbaar maken van foto’s van seksuele aard en het bedreigen van politieagenten. Oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, en van de maatregel inhoudende een contactverbod met de slachtoffers voor de duur van vijf jaren op grond van art. 38v Sr. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen en toewijzing TUL.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003617-25

Parketnummer: 09-220566-25

22-001388-22 (TUL)

Datum uitspraak: 20 mei 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 november 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1991,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts is aan de verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod, opgelegd, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep. Verder is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Ten slotte is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

2.hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2025 tot en met 29 juli 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een visuele weergave van seksuele aard, te weten een foto van een persoon, te weten [slachtoffer] , waarop te zien was dat die [slachtoffer] met ontblote borsten, althans een ontbloot bovenlijf stond, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadeling voor die [slachtoffer] kon zijn

3.hij in of omstreeks de periode van 8 juli 2025 tot en met 2 augustus 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] heeft bedreigd met

- een of meer misdrijven omschreven in de artikelen 241 en 243 Wetboek van Strafrecht

- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

- gijzeling

door:

- die [politieambtenaar 1] berichten te sturen met de volgende inhoud:

i. Je gegevens zijn bekend, kijken we binnenkort hoe stoer je zonder collega's bent en/of

ii. Is toch anders wanneer men je gegevens van jou, je familieleden, en collega's heeft. Moest er bijna 3000 euro voor betalen. Maar dat is het sowieso waard. Tot snel.

en/of

- het contactcentrum van de politie berichten te sturen met de volgende inhoud:

iii. Er is zo'n hoerenzoon agent [politieambtenaar 3] van politiebureau [plaats] . Adres van die dwerg hoerezoontje is gelekt en/of

iv. Ik verkracht zijn dochter terwijl hij mag toekijken en/of

v. Kijken wat ze betekenen zonder die joden kleren en/of

vi. En die hulpofficier [politieambtenaar 2] dan. Zijn adres is ook al paar werken bekend en/of

vii. Iedereen in dat conflict gaat iets merken in zijn privéleven en/of

viii. Dankzij me buurjongen alle adressen gekregen ahhaha... is niet moeilijk wanneer je mensen hebt die in alle systemen kunnen. Ze wonen 11km vanaf politiebureau. Denken dat ze veilig zijn. en/of

ix. Ik moet 1 van die joden ff bespioneren,

in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest en met oplegging van de maatregel in de zin van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers voor de duur van vijf jaar.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

zover inhoudende (p. 241 - 247):

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2025 tot en met 29 juli 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, een visuele weergave van seksuele aard, te weten een foto van een persoon, te weten [slachtoffer] , waarop te zien was dat die [slachtoffer] met ontblote borsten, althans een ontbloot bovenlijf stond, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer] kon zijn

3.hij in of omstreeks de periode van 8 juli 2025 tot en met 2 augustus 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] heeft bedreigd met

- een of meer misdrijven omschreven in de artikelen 241 en 243 Wetboek van Strafrecht

- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

- gijzeling

door:

- die [politieambtenaar 1] berichten te sturen met de volgende inhoud:

i. Je gegevens zijn bekend, kijken we binnenkort hoe stoer je zonder collega's bent en/of

ii. Is toch anders wanneer men je gegevens van jou, je familieleden, en collega's heeft. Moest er bijna 3000 euro voor betalen. Maar dat is het sowieso waard. Tot snel.

en/of

- het contactcentrum van de politie berichten te sturen met de volgende inhoud:

iii. Er is zo'n hoerenzoon agent [politieambtenaar 3] van politiebureau [plaats] . Adres van die dwerg hoerezoontje is gelekt en/of

iv. Ik verkracht zijn dochter terwijl hij mag toekijken en/of

v. Kijken wat ze betekenen zonder die joden kleren en/of

vi. En die hulpofficier [politieambtenaar 2] dan. Zijn adres is ook al paar weken bekend en/of

vii. Iedereen in dat conflict gaat iets merken in zijn privéleven en/of

viii. Dankzij me buurjongen alle adressen gekregen ahhaha... is niet moeilijk wanneer je mensen hebt die in alle systemen kunnen. Ze wonen 11km vanaf politiebureau. Denken dat ze veilig zijn. en/of

ix. Ik moet 1 van die joden ff bespioneren,

in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het proces-verbaal met het nummer [nummer 1] , van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd pagina I t/m 248).

Ten aanzien van feit 2 en feit 3:

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 augustus 2025, voor

Op 2 augustus 2025 werd [verdachte] aangehouden in zijn woning aan de [woonadres] te [woonplaats] . Na de aanhouding volgde een doorzoeking waarbij de volgende digitale gegevensdragers in beslag werden genomen:

1) Samsung Galaxy J7 ( [nummer 6] )

Uit onderzoek bleek dat op deze telefoon meerdere "selfies” van [verdachte] stonden en andere persoonlijke gegevens van [verdachte] . Tevens bleek uit onderzoek dat aan deze smartphone de het e-mailadres [e-mailadres 1] gekoppeld was.

Op de telefoon werden foto’s aangetroffen van [slachtoffer] , waaronder foto’s waarop zij (deels) ontbloot was.

2) Samsung Galaxy A41 ( [nummer 3] )

Ik zag dat er aan de telefoon een Whatsapp-account was gekoppeld met de naam

“ [Watsapp naam] ”. Aan dit account was het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het e-mailadres [e-mailadres 2] gekoppeld.

Ik zag tussen de contactpersonen een contactpersoon die opgeslagen was als " [contactpersoon 1] ” en het telefoonnummer [telefoonnummer 2] had.

Ik zag in de data van de telefoon een kopie van een verzonden aangifte inkomstenbelasting van het jaar 2020 met daarin de gegevens van [verdachte] . Ik zag dat er op de volgende datums een GPS-locatie in de telefoon werd geregistreerd.

Dit kon alleen als het toestel toen actief was.

3) Samsung Galaxy A40 ( [nummer 4] )

Uit onderzoek bleek dat aan deze smartphone de naam ’ [naam verdachte] ' en het e-mailadres [e-mailadres 1] gekoppeld waren.

Op de telefoon werd een schermafbeelding gevonden van een contactpersoon die opgeslagen was als “ [contactpersoon 2] ". Bij deze contactpersoon stond het telefoonnummer van de politieambtenaar die aangifte deed van bedreiging en doxing. Ook de foto van de politieambtenaar, die door de verdachte naar hem gestuurd werd, werd op de telefoon aangetroffen.

Op de telefoon werden de foto’s aangetroffen die de Facebook-gebruiker “ [Facebook-account 1] ” op zijn profiel had, inclusief de naaktfoto.

Op woensdag 13 augustus 2025 deed ik, verbalisant [verbalisant] , aanvullend onderzoek in de gegevens van de telefoon. Ik zag dat de foto waarop de politieambtenaar te zien was, de bestandsnaam " [bestandsnaam 1] " had. Hieruit maakte ik op dat de afbeelding een schermafbeelding betrof die op 8 juli 2025 om 11:34 uur gemaakt werd vanuit de applicatie Whatsapp. Ik zag dat de foto waarop het telefoonnummer van de politieambtenaar te zien was, de bestandsnaam ” [bestandsnaam 2] " had. Hieruit maakte ik op dat de afbeelding een schermafbeelding betrof die op 8 juli 2025 om 11:35 uur gemaakt werd vanuit de applicatie Contacts.

Ik zag dat met dit toestel op 7 juli 2025 om 13:05 en 16:03 uur contact was gemaakt met wifi-toegangspunt [wifi-toegangspunt] Ook op 11 juli 2025 om 22:43 uur werd er met dit wifi-toegangspunt contact gemaakt. Uit onderzoek bleek dit wifi-toegangspunt zich vermoedelijk te bevinden in of rondom de woning van [verdachte] .

4) Samsung Galaxy A15 ( [nummer 5] )

Uit onderzoek bleek dat aan deze smartphone onder andere het e-mailadres

[e-mailadres 3] was gekoppeld.

Ten aanzien van feit 2:

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 11 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 40 - 52):

Ik doe aangifte tegen een toenmalige vriend genaamd [verdachte] . Tussen september 2018 en maart 2019 begon [verdachte] mij te stalken. Van de stalking is aangifte gedaan bij de politie in maart/april 2019. Het onherroepelijke vonnis heb ik binnengekregen op woensdag 9 juli 2025.

Op donderdag 10 juli 2025 om 11:42 uur werd ik geappt door een vriendin van mij. Ik hoorde dat mijn vriendin zei dat [verdachte] had gereageerd op een foto op Facebook die ik op 10 augustus 2018 op mijn Facebook pagina had geplaatst. Ik kreeg de reactie van [verdachte] doorgestuurd van mijn vriendin. Ik zag dat [verdachte] foto's van mij had geplaatst onder mijn foto. Ik zag ook dat [verdachte] een foto had geplaatst van mij in een ontbloot bovenlichaam.

U vraagt mij wat de accountnaam op Facebook is van degene die de reactie onder mijn foto had geplaatst. Dit is [Facebook-account 2]

3. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, opgemaakt op 31 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 55 - 60):

Op 31 juli 2025 werd [slachtoffer] gehoord. De aangever verklaarde: Eergisteren heeft hij wederom een nieuw facebookprofiel gemaakt -> [Facebook-account 1] . Maar eergisteren kreeg mijn moeder een nieuw vriendenverzoek genaamd [Facebook-account 1] . Toen mijn moeder op de naam [Facebook-account 1] klikte kon zij het account zien. Zij zag foto’s van mij. Mijn moeder schrok heel erg en heeft mij gelijk een bericht gestuurd.

Toen mijn moeder me een foto van het facebook account stuurde zag ik:

-een foto collage van mij.

-Foto’s van mij met vriendinnen (van bruiloften, uitjes ect, ik deelde deze met hem toendertijd in vertrouwen en nu plaatst hij die te pas en on te pas.

Mijn blote foto. Je ziet een foto van mij met één ontblote borst en de ander wordt afgeschermd door mijn hand. Ik heb dus een ontbloot bovenlijf. Ik heb deze foto vroeger in vertrouwen naar hem toegestuurd via Whatssap. Ik wist niet dat hij deze na al die jaren nog had, ik heb nooit toestemming gegeven om deze foto te plaatsen op internet.

En onderaan zie je een recente foto van mij. Deze foto heb ik nooit naar hem toegestuurd maar zal hij van facebook afgehaald hebben. Ik heb het idee dat hij deze erbij geplaatst heeft zodat de mensen zien dat de andere persoon op die fotocollage ook ik ben. Zodat mensen gelijk weten dat ik het ben.

Naaktfoto

[verdachte] heeft een 'naaktfoto' van mij op facebook gezet. Ik heb in 2018 deze foto naar [verdachte] toegestuurd, mogelijk rond mei/juni. Ik heb toen via Whatsapp die foto naar hem toegestuurd. Ik heb deze foto nooit naar iemand anders toegestuurd dan naar [verdachte] . Deze foto kan alleen van hem af komen.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 65 - 66):

Op zaterdag 2 augustus 2025 om 18:16 uur werd verdachte [verdachte] aangehouden. Aansluitend vond er een doorzoeking plaats op zijn inschrijvingsadres, te weten [woonadres] te [woonplaats] . Op een bureau in de woonkamer werd een mobiele telefoon aangetroffen. Dit betrof een donkerblauwe Samsung telefoon. Deze mobiele telefoon werd in beslag genomen ter waarheidsvinding en geregistreerd onder goednummer [nummer 5] .

Gekoppelde useraccounts

[e-mailadres 3]

5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 67 - 71):

Op zaterdag 2 augustus 2025 om 18:16 uur werd verdachte [verdachte] aangehouden. Aansluitend vond er een doorzoeking plaats op zijn inschrijvingsadres, te weten [woonadres] te [woonplaats] . Op een bureau in de woonkamer werd een mobiele telefoon aangetroffen. Dit betrof een witte Samsung telefoon en voorzien van plakband aan de achterzijde. Deze mobiele telefoon werd in beslag genomen ter waarheidsvinding en geregistreerd onder goednummer [nummer 4] .

Gegevens toestel

Device user: [naam verdachte]

Last logged in: 30-07-2025

User accounts: [e-mailadres 1]

Ik onderzocht in de media gegevens naar relevante afbeeldingen. Ik trof een aantal relevante afbeeldingen aan in de media galerij welke hieronder worden weergegeven:

Ik zag dat afbeelding 1 een screenshot van een media galerij betrof. Ambtshalve herken ik deze foto’s die de aangever [slachtoffer] heeft verstrekt tijdens haar tweede aangifte (d.d. 31 juli 2025).

Ik zag dat afbeelding 2 een foto van een dame met ontbloot bovenlijf betrof. Ambtshalve herken ik deze foto die de aangever [slachtoffer] heeft verstrekt tijdens haar tweede aangifte (d.d. 31 juli 2025).

Deze aangetroffen foto’s werden gebruikt bij een Facebookprofiel " [Facebook-account 1] " die laster berichten verspreidde over de aangeefster [slachtoffer] .

Ten aanzien van feit 3:

6. Het proces-verbaal van aangifte van [politieambtenaar 1] , opgemaakt op 8 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 16 - 20):

Op dinsdag 8 juli 2025 om 11.14 uur was ik thuis. Ik kreeg meerdere WhatsApp berichten van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Ik kreeg deze berichten op mijn diensttelefoon. Ik heb de berichten als volgt weergegeven:

[telefoonnummer 2] 11:14 - Je gegevens zijn bekend, kijken we binnenkort hoe stoer je zonder collega's bent

[telefoonnummer 2] 11:20 - Is toch anders wanneer men je gegevens van jou, je familieleden, en collega's heeft. Moest er bijna 3000 euro voor betalen. Maar dat is het sowieso waard. Tot snel

Ik zag dat het eerste bericht dat ik ontving, een foto betrof van mij en mijn vrouw. In de berichten werd gesteld dat er betaald zou zijn voor mijn gegevens en de gegevens van mijn familie. Ook werd gesteld dat er kennelijk iets ophanden is. Ik voel mij bedreigd door de gestuurde berichten en voel mij niet meer veilig. Gelet op de zinnen: "kijken we binnenkort hoe stoer je zonder collega’s bent" en "Tot snel", daar krijg ik een zeer angstig gevoel door. Mede met de wijze waarop de persoon zijn gesprek afsluit: "Joodje" en "snotneus", impliceert mijn inziens dat de persoon die mij kennelijk snel zou willen zien niet komt voor een gezellig praatje. Ik merk dat ik door deze berichten word gedwongen mijn dagelijkse gewoontes te veranderen. Ik voel mij er niet prettig bij als mijn vrouw alleen naar buiten gaat. Ik maak mij zorgen om haar veiligheid en die van mijn naasten. Ik merk ook dat ik word gedwongen mijn verdere privé-situatie anders in te delen en dat ik niet meer ongestoord mijn dagelijkse bezigheden op een normale wijze kan voortzetten, zoals ik gewend ben en dat kennelijk alleen maar omdat ik mijn werk als politieman doe. of heb gedaan. Van de verstuurde berichten heb ik een fotografische opname gemaakt en verstrek deze bij mijn aangifte om te gebruiken in het onderzoek. Ik begrijp dat op initiatief van de politie de betreffende foto die de verdachte mij stuurde, onherkenbaar is gemaakt middels een wit vlak.

7. Het proces-verbaal van aangifte van aangever [aangever] opgemaakt op 4 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 75- 80):

Op zaterdag 2 augustus, te 13.05 uur, werd er door het Contact centrum van het politie werving en selectiecentrum melding gedaan dat er via het whatsapp nummer, welke aangegeven wordt op de website van de politie, een bericht binnengekomen was die betrekking had op politiemedewerkers. De tekst van het bericht luidde:

- Er is zo'n boerenzoon agent [politieambtenaar 3] van politiebureau [plaats] . Adres van die dwerg hoerezoontje is gelekt

- Ik verkracht zijn dochter terwijl hij mag toekijken

- Kijken wat ze betekenen zonder die joden kleren

- En die hulpofficier [politieambtenaar 2] dan. Zijn adres is ook al paar werken bekend

- Iedereen in dat conflict gaat iets merken in zijn privé leven

- Dankzij me buurjongen alle adressen gekregen ahhaha . is niet moeilijk wanneer je mensen hebt die in alle systemen kunnen Ze wonen 11 km vanaf de politiebureau. Denken dat ze veilig zijn..

- Ik moet l van die joden ff bespioneren.

Dit voornoemde bericht is verstuurd door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

8. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 24 - 25):

Uit onderzoek in de politiesystemen werd duidelijk dat telefoonnummer [telefoonnummer 2] gekoppeld staat aan een opsporingsonderzoek aangaande stalking/bedreiging uit 2019/2020. Uit deze registratie blijkt onder andere dat:

- [slachtoffer] aangifte doet van stalking/bedreiging gepleegd tussen september 2018 en oktober 2019 door een toenmalige vriend [verdachte] :

- [verdachte] contact met haar bleef zoeken middels Whatsapp, sms en mail;

- telefoonnummers [telefoonnummer 2] worden gebruikt om haar onder andere dreigende berichten te sturen;

Tevens heeft [politieambtenaar 1] tijdens het lopende opsporingsonderzoek telefonisch contact gehad met de moeder van [verdachte] . Dit telefonische contact verliep middels het diensttelefoonnummer waarop op 8 juli 2025 ook de bedreigingen werden ontvangen van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

Uit onderzoek in de politiesystemen werd duidelijk dat telefoonnummer [telefoonnummer 2] gekoppeld staat aan een opsporingsonderzoek aangaande stalking/bedreiging uit 2021. Uit deze registratie blijkt onder andere dat;

- [slachtoffer] wederom aangifte doet van stalking/bedreiging gepleegd door [verdachte] ;

- [slachtoffer] wederom bedreigende berichten ontvangt van telefoonnummer [telefoonnummer 2] .

9. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 83- 85):

De betrokkenheid van politieambtenaar [politieambtenaar 1] in het benoemde opsporingsonderzoek uit 2019/2020 bestond onder andere uit;

- Het binnentreden van de woning van de verdachte [verdachte] ;

- Het aanhouden van de verdachte [verdachte] ;

- Het verhoren van de verdachte [verdachte] ;

Tevens werd duidelijk dat [politieambtenaar 1] op 20 februari en 22 februari 2020 voicemailbericht en twee (2) sms berichten ontving van [verdachte] . [verdachte] maakte gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Het telefoonnummer behorende bij de diensttelefoon van [politieambtenaar 1] werd niet aan [verdachte] versterkt. Het vermoeden ontstond dat [verdachte] het diensttelefoonnummer van [politieambtenaar 1] heeft verkregen van zijn moeder [naam moeder] . Dit vermoeden komt voort uit het telefonisch contact welke heeft plaats gevonden tussen [politieambtenaar 1] en [naam moeder] na de aanhouding van [verdachte] .

Uit onderzoek werd vervolgens duidelijk dat [verdachte] buiten heterdaad werd aangehouden in zijn woning gelegen aan de [woonadres] te ’ [woonplaats] . Uit de politiesystemen werd duidelijk dat voor deze aanhouding op 6 maart 2020 een machtiging tot binnentreden was afgegeven waar drie (3) politieambtenaren in werden benoemd:

- [politieambtenaar 2] , in de functie van hulpofficier van justitie;

- [politieambtenaar 3] , in de functie van opsporingsambtenaar, gemachtigd tot het binnen treden van de woning ter aanhouding van [verdachte] ;

- [politieambtenaar 1] , in de functie van opsporingsambtenaar, gemachtigd tot het binnen treden van de woning ter aanhouding van [verdachte] .

Resume

Uit onderzoeksgegevens blijkt dat de drie (3) politieambtenaren [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 2] , welke bedreigd zijn door de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer 2] een directe connectie hebben met een aanhouding van [verdachte] .

10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 248):

[aangever] heeft politiemedewerkers [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] geïnformeerd over de bedreigingen. Daarbij is ze de inhoud van de bedreigingen medegedeeld. Tevens is aan hen medegedeeld dat politiemedewerker [politieambtenaar 1] ook eerder bedreigd is. Daarbij is aan hen ook de inhoud van deze bedreigingen medegedeeld. [politieambtenaar 3] . [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] zijn dus op de hoogte van de inhoud van de bedreigingen welke tegen alle drie zijn binnengekomen op 8 juli 2025 en 2 augustus 2025.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 2: openbaar maken visuele weergave van seksuele aard

Ter terechtzitting in hoger beroept heeft de raadsvrouw – overeenkomstig haar pleitnota – aangevoerd dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsvrouw - kort gezegd - aangevoerd dat wettig bewijs ontbreekt voor het feit dat de verdachte een of meerdere foto’s van seksuele aard van aangeefster openbaar zou hebben gemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte en de aangeefster kenden elkaar vanaf 2018 vanwege het feit dat hij haar rijinstructeur was. Op enig moment hebben zij ruzie gekregen en is de verdachte de aangeefster gaan stalken. Hij is hiervoor veroordeeld, welke veroordeling door het arrest van de Hoge Raad d.d. 1 juli 2025 onherroepelijk is geworden. De aangeefster heeft hiervan op 9 juli 2025 bericht gekregen.

Het hof stelt vast dat uit het procesdossier volgt dat op 10 juli 2025 via het Facebookaccount ‘ [Facebook-account 2] ’ onder andere een foto van aangeefster met ontbloot bovenlichaam is geplaatst als reactie onder een oudere foto op het Facebookaccount van aangeefster. Uit het procesdossier volgt voorts dat op 29 juli 2025 via het Facebookaccount ‘ [Facebook-account 1] ’ onder andere een foto van aangeefster met ontbloot bovenlijf op het Facebookaccount ‘ [Facebook-account 1] ’ is geplaatst. Deze foto’s waren voor gebruikers van Facebook zichtbaar, en in ieder geval voor de moeder en de vriendin van aangeefster. Via hen is aangeefster de foto onder ogen gekomen. Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij deze foto in het verleden, in vertrouwen, naar de verdachte heeft toegestuurd en nooit iemand anders. Deze foto’s zouden dus alleen van de verdachte afkomstig kunnen zijn, aldus de verklaring van aangeefster.

Op 2 augustus 2025 werd de verdachte aangehouden op het adres waar hij samen met zijn moeder woonde. In de woning vond ook een doorzoeking plaats, waarbij vier telefoons door de politie in beslag werden genomen. De blootfoto van aangeefster is aangetroffen in de media-galerij op een van deze telefoons (te weten een witte Samsung Galaxy A40, met goednummer [nummer 4] ), samen met andere foto’s die door de gebruiker van Facebookaccount ‘ [Facebook-account 1] ’ op Facebook zijn geplaatst.

Het hof stelt vast dat de verdachte de gebruiker van deze telefoon was. Het hof leidt dit af uit het feit dat deze telefoon op het woonadres van de verdachte is aangetroffen, waar hij ten tijde van de aanhouding ook verbleef, dat de gebruiker van het toestel, de zogeheten device user, ‘ [naam verdachte] ’ betreft en dus grote overeenkomst vertoont met verdachtes naam en dat het e-mailadres ‘ [e-mailadres 1] ’ als account op het toestel is aangetroffen.

Op een andere telefoon die tijdens de doorzoeking op het woonadres van de verdachte is aangetroffen (te weten een blauwe Samsung Galaxy A15, met goednummer [nummer 5] ), is onder meer het gekoppelde user account ‘ [e-mailadres 3] ’ aangetroffen. Het hof merkt op dat ‘ [naam emailadres] ’ opmerkelijke gelijkenis vertoont met de naam van het Facebookaccount ‘ [Facebook-account 1] ’, waarvan de gebruiker de blootfoto van aangeefster op Facebook heeft geplaatst. Ook deze telefoon is dus in verband te brengen met de blootfoto.

Zonder aannemelijke, andersluidende verklaring - die is uitgebleven - kan het voorgaande niet anders worden uitgelegd dan dat de verdachte degene is geweest die de blootfoto met de verschillende accounts op Facebook heeft geplaatst. Dit deed hij voor de eerste keer de dag nadat bekend werd dat de veroordeling voor stalking onherroepelijk was geworden. Gelet hierop, en de aard van de foto heeft hij dat gedaan met het doel aangeefster te vernederen of in verlegenheid te brengen, en kan het niet anders dan dat hij wist dat het openbaar maken van de foto nadelig kon zijn voor aangeefster.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 10 tot en met 29 juli 2025 een visuele weergave van seksuele aard, te weten een foto van aangeefster waarop zij te zien is met ontbloot bovenlichaam, openbaar heeft gemaakt, terwijl de verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor aangeefster was.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Ten aanzien van feit 3: bedreiging van politieambtenaren

Ter terechtzitting in hoger beroept heeft de raadsvrouw – overeenkomstig haar pleitnota – aangevoerd dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe heeft de raadsvrouw – kort gezegd - aangevoerd op grond van het procesdossier niet is komen vast te staan dat de verdachte degene is die de berichten heeft gestuurd. Tevens stelt de raadsvrouw zich, ten aanzien van de bedreiging op het standpunt dat met de berichten niet wordt gedreigd met zware mishandeling, een misdrijf tegen het leven gericht of gijzeling. De uitlatingen zijn onvoldoende om een redelijke vrees daarvoor op te wekken, aldus de raadsvrouw. Tevens voert de raadsvrouw aan ten aanzien van [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 2] dat zij pas na de tenlastegelegde periode op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging. Gelet daarop zou vrijspraak moeten volgen.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een veroordeling voor bedreiging als bedoeld in artikel 285 Sr is onder meer vereist dat de verdachte de tenlastegelegde uitingen heeft gedaan, dat deze uitingen in redelijkheid de vrees konden opwekken dat de gebeurtenis waarmee is gedreigd zich zou voordoen en dat de bedreigde op de hoogte is geraakt van de bedreiging.

Afzender van de berichten

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de tenlastelegging vermelde berichten zijn verstuurd naar het telefoonnummer van de diensttelefoon van [politieambtenaar 1] en naar het telefoonnummer dat gekoppeld was aan de wervingssite van de politie.

Het hof stelt vast dat de berichten zijn gestuurd met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , welk nummer volgens de politiesystemen in verband kan worden gebracht met de eerdere, per 1 juli 2025 onherroepelijk geworden veroordeling voor belaging van aangeefster [slachtoffer] door de verdachte in 2019 en - 2020. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de politieambtenaren die in de ten laste gelegde berichten worden genoemd allen betrokken zijn geweest naar het opsporingsonderzoek naar de verdachte met betrekking tot de genoemde belaging van aangeefster.

Op de eerdergenoemde witte Samsung Galaxy A40 (met goednummer [nummer 4] ) (met gebruikersnaam ‘ [naam verdachte] ’ en het gekoppelde e-mailadres [e-mailadres 1] ) is een schermafbeelding aangetroffen van een contactpersoon die in de telefoon opgeslagen was als “ [contactpersoon 2] ”. Bij deze contactpersoon stond het telefoonnummer van de politieambtenaar [politieambtenaar 1] . Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat de foto van [politieambtenaar 1] , die naar hem gestuurd was door het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , op de betreffende telefoon werd aangetroffen. Op 8 juli 2025 is van deze foto op de betreffende telefoon een schermafbeelding gemaakt vanuit de applicatie Contacts. Ten slotte stelt het hof vast dat met de telefoon op 7 juli 2025 en op 11 juli 2025 contact werd gemaakt met een wifi-toegangspunt, waarvan uit onderzoek is gebleken dat dit zich vermoedelijk bevindt in of rondom de woning van de verdachte. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van deze telefoon in zijn woning met daarop belastend materiaal.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het, gelet op al het bovenstaande, de verdachte is geweest die de in de tenlastelegging vermelde berichten heeft verstuurd.

Op de hoogte geraakt

Zoals hiervoor aangegeven moeten de bedreigingen die worden geuit, de ontvanger hebben bereikt.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit het procesdossier blijkt dat de berichten naar de diensttelefoon van [politieambtenaar 1] zijn gezonden. Hijzelf heeft op 8 juli 2025 aangifte gedaan van bedreiging. Het hof stelt daarmee vast dat de berichten [politieambtenaar 1] hebben bereikt. [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 2] zijn, blijkens het proces-verbaal van bevindingen, niet later dan 13 augustus 2025 op de hoogte gesteld van de bedreigingen die aan hen geuit zijn. Ook zij waren derhalve op de hoogte van de bedreigingen.

Uitlatingen met een bedreigende inhoud

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij het vereiste van redelijke vrees moet worden uitgegaan van een contextuele benadering. Is de aard van een uitlating of gedraging op zich onvoldoende om als bedreiging te kunnen worden aangemerkt, dan kunnen de omstandigheden zodanig zijn dat zij, bezien de context waarin die uitlating is gedaan of die gedraging heeft plaatsgevonden, aan die uitlating of gedraging het bedreigende karakter geven.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de berichten die de verdachte heeft verzonden naar de politieambtenaren blijkt dat de verdachte op zoek is gegaan naar de gegevens van de betrokken politieambtenaren. [politieambtenaar 1] heeft een foto ontvangen die duidelijk in de privésfeer is genomen. Dat maakt dat de bedreiging heel persoonlijk gericht is. Ten aanzien van [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 2] zijn de tenlastegelegde berichten binnengekomen via een algemener nummer, het werving- en selectiecentrum van de politie. Maar wel werden de politieambtenaren genoemd bij naam en geeft de verdachte eveneens in deze berichten te kennen dat hij over de adressen van deze politieambtenaren beschikt. De verdachte laat niet alleen merken dat hij gegevens van de politieambtenaren kent, maar hint ook op een ontmoeting.

Hier komt bij dat, zoals gezegd, de berichten zijn gericht aan politieambtenaren, die allen als verbalisant betrokken waren bij een eerder opsporingsonderzoek naar de verdachte en met naam en toenaam werden genoemd op de vordering binnentreden in dit eerdere opsporingsonderzoek. Vanaf het moment dat de veroordeling in die zaak op 1 juli 2025 onherroepelijk bleek te zijn door het arrest van de Hoge Raad, werden de bedreigende berichten verstuurd.

Hoewel de ten laste gelegde berichten op zichzelf genomen niet steeds zonder meer als bedreigend in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt, is het hof gelet op de omstandigheden waaronder de berichten zijn verzonden en bezien in de context waarin deze zijn verzonden, van oordeel dat daardoor bij [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 2] de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, zouden worden gegijzeld, dan wel dat een familielid zou worden verkracht of aangerand.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

het openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van een persoon, terwijl diegene weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling, verkrachting en bedreiging met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openbaar maken van een foto van seksuele aard van de aangeefster door deze foto op Facebook te plaatsen. Dit is een ernstig strafbaar feit en het heeft een grote impact gehad op de aangeefster, hetgeen ook blijkt uit haar aangifte. De psychische gevolgen voor slachtoffers van misbruik van seksueel beeldmateriaal kunnen ernstig en langdurig zijn. Zij kampen veelal met gevoelens van schaamte, onmacht, onveiligheid en wantrouwen. Eenmaal verspreid materiaal kan vaak niet (volledig) verwijderd en vernietigd worden, waardoor slachtoffers nog lange tijd na de publicatie van het materiaal hiermee geconfronteerd kunnen worden. Dat over de verwijdering en vernietiging van het beeldmateriaal geen volstrekte zekerheid bestaat is op zichzelf al een voor slachtoffers belastend gegeven. De verdachte heeft ondanks dit alles de naaktfoto waarover hij beschikte openbaar gemaakt.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan bedreiging van drie politieambtenaren die in het verleden betrokken zijn geweest bij een opsporingsonderzoek naar de verdachte. De verdachte heeft hen dreigende berichten gestuurd. Door aldus te handelen heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen bij de slachtoffers. Naar aanleiding hiervan zijn er door de politieorganisatie beveiligingsmaatregelen getroffen in de privé-omgeving van een van de politieambtenaren. Dergelijk gedrag is volkomen onacceptabel. Politieambtenaren moeten ongehinderd hun werk kunnen doen.

Strafblad

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor de belaging van aangeefster. Aan hem is een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Deze veroordeling is op 1 juli 2025 onherroepelijk geworden, waarmee de proeftijd is aangevangen. De onderhavige feiten heeft de verdachte zeer kort na het aanvangen van de proeftijd gepleegd. De verdachte heeft zich hierdoor dus kennelijk niet laten weerhouden.

Persoon van de verdachte

Voorts heeft het hof kennisgenomen van een reclasseringsrapportage over de verdachte van 4 november 2025. Daaruit volgt dat de reclassering geen inzicht heeft kunnen krijgen in de persoonlijkheidsstructuur, denkpatronen en drijfveren van de verdachte omdat hij heeft geweigerd mee te werken aan een verdiepend psychologisch onderzoek. Hoewel de reclassering de risico’s niet goed kan inschatten, wordt er wel aanleiding gezien om deze als aanwezig en aanzienlijk te beschouwen. De reclassering adviseert onder meer om bij veroordeling aan de verdachte een contactverbod met de slachtoffers voor vijf jaren op te leggen.

Straf

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.

Maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid

Voorts ziet het hof aanleiding om naast een gevangenisstraf aan de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen.

De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan zeer kort nadat hij voor belaging van de aangeefster (onherroepelijk) was veroordeeld. Het hof is gelet hierop, en mede gelet op het advies van de reclassering, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een dergelijk strafbaar feit zal plegen of zich op een andere manier belastend naar personen toe zal gedragen.

Daarom zal het hof, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contactverbod zoals bedoeld in artikel 38v Sr aan de verdachte opleggen voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de periode dat de genoemde maatregel reeds van kracht is geweest. Het hof beoogt hiermee te voorkomen dat de verdachte nog op enigerlei wijze contact met een of meer van de slachtoffers zal opnemen en hen aldus zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vrijwaren van nieuw belastend en/of strafbaar gedrag van de kant van de verdachte.

Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met [slachtoffer] , [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] .

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen, nu er - gelet op de omstandigheid dat de feiten aangevangen zijn meteen nadat de Hoge Raad op 1 juli 2025 arrest gewezen had en gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens aangevers gedraagt. De tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit arrest onderworpen is geweest aan de door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel zal bij de uitvoering van de thans op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel in mindering worden gebracht.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, (1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: [nummer 4] ) en 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: [nummer 5] )), zoals deze vermeld zijn op de lijst van in beslag genomen voorwerpen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 2 en 3 bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [politieambtenaar 1]

In het onderhavige strafproces heeft [politieambtenaar 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof overweegt als volgt.

Art. 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten, voor zover hier van belang:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(…)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

(…)”

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de inhoud van het procesdossier van oordeel dat niet voldoende concrete gegevens, zoals verklaringen uit de curatieve- of GGZ-sector, zijn aangevoerd, op basis waarvan naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Evenmin is namens de benadeelde partij met concrete gegevens onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan in het onderhavige geval voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is, terwijl naar het oordeel van het hof de aard en de ernst van de bewezenverklaarde bedreiging niet meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 28 maart 2023 onder parketnummer

22-001388-22 is de verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit arrest is met het arrest van de Hoge Raad op 1 juli 2025 onherroepelijk geworden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 38v, 38w, 57, 254ba en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ) en de politieambtenaren [politieambtenaar 1] , [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 2] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vordering van de benadeelde partij [politieambtenaar 1]

Verklaart de benadeelde partij [politieambtenaar 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage van 1 juli 2025, parketnummer 22-001388-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een

gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. TH.W.H.E. Schmitz, als voorzitter, mr. H.C. Wiersinga en mr. L.C. van Walree, leden, in bijzijn van de griffiers mr. E. Savans en mr. C.F. Kuiper.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 mei 2026.

mr. H.C. Wiersinga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.C. Wiersinga
  • mr. L.C. van Walree

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand