ECLI:NL:GHDHA:2026:1802

ECLI:NL:GHDHA:2026:1802

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 28-05-2026
Datum publicatie 28-05-2026
Zaaknummer 22-004205-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor groepsbelediging en belediging via Twitterbericht door opiniemaakster. Vrijspraak voor smaad(schrift). Overwegingen omtrent art. 10 EVRM. Geen chilling effect.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-004205-24

Parketnummer: 09-285990-23

Datum uitspraak: 28 mei 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 december 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1994,

adres: [adres].

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 mei 2023 tot en met 12 mei 2023 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een zwarte huidskleur, wegens hun ras, door via haar, verdachtes, Twitteraccount , althans een social media netwerk, de volgende tekst te delen: "Wéér een blanke man op straat in elkaar getrapt door een groep negroide primaten. Hoe veel weerloze blanken moeten nog slachtoffer worden? Talloze waarschijnlijk: de open grenzen-elite importeert dit volk met bosjes, met alle gevolgen van dien”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.zij op of omstreeks 27 maart 2023 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland en/of in Zweden, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [naam] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door via haar, verdachtes, Twitteraccount, althans een social media netwerk, de volgende tekst te delen: "Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @[twitteraccount] "Kleuterneuker" werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid gestraft en rent het system alleen voor je als je lid bent van D66. Typisch.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 27 maart 2023 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland en/of Zweden, opzettelijk, [naam], in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding, heeft beledigd, door via haar, verdachtes, Twitteraccount, althans een social media netwerk, de volgende tekst te delen: “Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @[twitteraccount] “kleuterneuker” werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid gestraft en rent het system alleen voor je als je lid bent van D66. Typisch.”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Nadere bewijsoverwegingen

De verdachte heeft op 10 mei 2023 en op 27 maart 2023 op haar Twitteraccount de onder 1 en de onder 2 subsidiair tenlastegelegde uitlatingen gedaan. Haar wordt verweten dat zij zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan respectievelijk groepsbelediging als bedoeld in artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr), smaad in de zin van artikel 261 Sr en eenvoudige belediging als bedoeld in artikel 266 Sr.

Juridisch kader

Bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan wegens groepsbelediging in de zin van artikel 137c Sr, respectievelijk smaad in de zin van artikel 261 Sr en eenvoudige belediging in de zin van artikel 266 Sr, dient volgens rechtspraak van de Hoge Raad acht te worden geslagen op de bewoordingen van die uitlating, alsmede op de context waarin zij is gedaan. Daarbij dient onder ogen te worden gezien of de gewraakte uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat of een uitlating is van artistieke expressie. Tevens dient onder ogen te worden gezien of de uitlating in dat verband niet onnodig grievend is.

Een veroordeling voor een uitingsdelict kan een inbreuk vormen op de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In dit geval gaat het om de vrijheid van meningsuiting van een journalist/opiniemaker. De vraag is of een dergelijke inbreuk in de gegeven omstandigheden voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden.

Het hof zal beoordelen of de verdachte, gegeven het wettelijk en verdragsrechtelijk kader alsmede de jurisprudentie, de tenlastegelegde uitlatingen heeft mogen doen of dat zij daarmee te ver is gegaan.

Feit 1: Groepsbelediging

Is de uitlating beledigend?

Een uitlating kan als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam.

Bij groepsbelediging gaat het om het aantasten van de eigenwaarde of het openlijk in diskrediet brengen van een groep mensen, in dit geval om de enkele reden dat die van een bepaald ras is of een bepaald raskenmerk, zoals huidskleur, heeft. Of sprake is van een uitlating die de strekking heeft een ander aan te randen in zijn eer en goede naam, hangt, indien sprake is van woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, af van de context waarin de uitlating is gedaan. Zo kan de context maken dat een uitlating die in het algemene of gangbare spraakgebruik niet zonder meer als beledigend heeft te gelden, toch als zodanig wordt aangemerkt.

Naar het oordeel van het hof zijn de bewoordingen “negroïde” en “primaten” op zichzelf niet beledigend. De woorden dienen echter niet slechts op zichzelf beoordeeld te worden, maar het gaat ook om hun onderlinge combinatie en de uitlating als geheel. Het woord “negroïde” is gelet op de algemeen bekende historische achtergrond van het woord (en aanverwante woorden) een beladen begrip. Juist door deze term te gebruiken in samenhang met de termen “primaten” en “dit volk” – in de onderhavige uitlating, afgezet tegen het begrip “blanke man” – wordt hieraan evident een racistische strekking gegeven, waarbij de suggestie wordt gewekt dat mensen met een donkere huidskleur onontwikkeld en inferieur zijn. Gelet hierop is de uitlating van de verdachte denigrerend en kwetsend voor mensen van kleur, die hierdoor collectief worden getroffen in wat voor hen als groep kenmerkend is, namelijk hun ras of kleur.

Context: publiek debat – onnodig grievend

Nu de uitlating op 10 mei 2023 naar het oordeel van het hof een beledigend karakter heeft dient het hof vervolgens te beoordelen of de uitlating is gedaan in een context die het strafbare karakter ervan kan wegnemen. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de context waarin een uitlating is gedaan het strafbare karakter van de uitlating weg kan nemen, bijvoorbeeld indien de uitlating een bijdrage kan leveren aan het publiek debat.

Tot uitlatingen die dienstig kunnen zijn aan het publiek debat behoren in elk geval kritiek op de overheid. Meer in het algemeen gaat het om uitlatingen die in een democratie van publiek belang kunnen zijn, bijvoorbeeld omdat daarmee een misstand aan de kaak wordt gesteld of een minderheidsstandpunt voor het voetlicht wordt gebracht.

In een democratie mag uit het kwetsende karakter van bepaalde uitlatingen niet te snel een rechtvaardiging voor een beperking van het in artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting worden afgeleid.

Het hof acht hierbij de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 9 mei 2023 is door de voorzitter in de Tweede Kamer ingegrepen in een debat over racisme en discriminatie in de politieorganisatie nadat een Tweede Kamerlid de woorden “negroïde primaten” gebruikte. Het Kamerlid verwees hierbij naar een video van een incident op 5 mei 2023, waarbij een groep jongeren een man mishandelt. De politieke partij waartoe het Kamerlid behoort heeft vervolgens een twitterbericht geplaatst over het feit dat hem het woord is ontnomen. Ook de verdachte heeft naar aanleiding hiervan enkele twitterberichten geplaatst, waaronder een reactie op de twitterbericht van de politieke partij.

Op 10 mei 2023 kwamen er opnieuw beelden online van een incident, waarbij meerdere jongeren een man mishandelden. Daarop plaatste de verdachte het ten laste gelegde twitterbericht.

Het hof neemt bij de beoordeling in aanmerking dat ten tijde van de ten laste gelegde uitlating een maatschappelijke discussie werd gevoerd over het migratiebeleid in Nederland en – onder meer naar aanleiding van de gang van zaken bij het Tweede Kamerdebat – ook over vrijheid van meningsuiting. De verdachte heeft gesteld dat zij dit maatschappelijke debat met haar twitterbericht wilde aanzwengelen en het hof gaat daarvan uit. Daarmee is haar uitlating gedaan binnen de context van een publiek debat over zaken van algemeen belang, waaraan deze een bijdrage zou kunnen leveren. Echter is ook in de context van het publiek debat het recht op vrijheid van meningsuiting niet onbeperkt. Zij vindt haar begrenzing daar waar de uitlatingen onnodig grievend zijn.

Bij de beoordeling van de vraag of de uitlating onnodig grievend is, dient onder ogen te worden gezien dat deelnemers aan het publieke debat in staat moeten zijn over zaken van algemeen belang een mening te uiten die door anderen als kwetsend, choquerend of verontrustend kan worden ervaren. Ook mogen uitlatingen provocerend zijn, echter mogen zij bepaalde grenzen niet overschrijden, vooral waar het gaat om het respect voor de eer en goede naam en de rechten van anderen. Ten aanzien van uitlatingen van journalisten of opiniemakers geldt dat in nog sterkere mate, gelet op hun belangrijke rol in de verstrekking van nieuws en het voeren van het publieke debat.

Beledigende uitlatingen die als (impliciete) bedoeling hebben te stigmatiseren en/of die de gelijke menselijke waardigheid van leden van minderheidsgroepen aantasten, gaan verder dan tolerabel is.

Binnen de hiervoor geschetste context van het publieke debat acht het hof het twitterbericht van de verdachte onnodig grievend, met name ook gelet op de sterk negatieve associaties die deze uitlating oproept. Door de gekozen bewoordingen kunnen gevoelens van vijandigheid en afkeer worden oproepen tegen mensen van kleur. Niet valt in te zien waarom het in het licht van het debat over migratie en de vrijheid van meningsuiting aangewezen zou zijn om mensen van kleur op deze stigmatiserende wijze te kenmerken. Het hof overweegt ook dat er voor de verdachte eenvoudig andere mogelijkheden open stonden om zonder beledigende teksten als de onderhavige een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat.

Ten aanzien van het betoog van de verdachte dat zij slechts het onbeschaafde gedrag van de personen op de video onder de aandacht wilde brengen, overweegt het hof, wat daar verder ook van zij, dat dit voor de ontvangers van het bericht, gelet op de inhoud van dat bericht, niet kenbaar was. Het hof gaat daarom aan deze duiding van de uitlating voorbij.

Opzet

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat bij de verdachte het opzet ontbrak op het beledigen van een groep personen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud en de context van de uitlating, de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar uitlating als beledigend werd ervaren door een groep mensen vanwege hun ras. Bovendien gold de verdachte als een gewaarschuwd mens, nu zij reeds bekend was met de omstandigheid dat het Kamerlid het woord was ontnomen naar aanleiding van het gebruik van de gewraakte termen.

Conclusie

Op grond van bovenstaande verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer. Het onder 1 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2 primair – smaad(schrift)

Aan de verdachte is onder 2 primair tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan smaad(schrift), door op 27 maart 2023 op haar twitteraccount de volgende tekst te plaatsen: "Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @[twitteraccount] "Kleuterneuker" werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid gestraft en rent het system alleen voor je als je lid bent van D66. Typisch."

Voor de context is van belang dat zowel de veroordeling waar de verdachte naar verwijst als haar twitterbericht dat daarop ingaat, verband houden met het terugtreden van een lid van de Tweede Kamer vanwege beschuldigingen die – kort samengevat – inhouden dat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan ontoelaatbaar seksueel gedrag met minderjarigen.

Voor bewezenverklaring van smaad(schrift), als bedoeld in artikel 261 Sr is vereist dat sprake is van (tenlastelegging van) “een bepaald feit”. Daarvan is sprake indien de aangever door de verdachte wordt beschuldigd van een duidelijk te onderkennen concrete gedraging.

Naar het oordeel van het hof is daarvan in de gegeven omstandigheden geen sprake. Het hof begrijpt de uitlating aldus dat de verdachte daarmee kritiek heeft willen leveren op een veroordeling van iemand die “kleuterneuker” had gezegd tegen het voormalig Kamerlid. De kritiek bestaat eruit, aldus de twitterbericht van de verdachte, dat het zeggen van de waarheid strafbaar is.

Hoewel het begrip “kleuterneuker” in de letterlijke betekenis feitelijke gedragingen impliceert, is, in de gegeven context, niet duidelijk welke concreet aangeduide gedragingen dan aan de orde zouden zijn. Deze zijn niet specifiek gemaakt of concreet aangeduid.

Indien wordt uitgegaan van een minder letterlijke betekenis van de term ‘kleuterneuker’ – als een suggestieve term of een vorm van overdrijving – dan is deze term in de gegeven context evenmin voldoende onderscheidend om te kunnen oordelen dat daarmee door de verdachte een of meerdere concrete gedraging(en) aan de aangever werden ten laste gelegd.

De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden bewezen dat de verdachte een bepaald feit aan een ander ten laste heeft gelegd, zodat niet is voldaan aan dat vereiste van smaad(schrift). Gelet hierop zal de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Feit 2 subsidiair – belediging

Beoordeling van het beledigende karakter

Het hof is van oordeel dat over een ander beweren dat het predicaat “kleuterneuker” de waarheid is, in beginsel beledigend is. Dat geldt zowel indien van de letterlijke betekenis van de term kleuterneuker wordt uitgegaan, als indien wordt uitgegaan van de betekenis in overdrachtelijke zin, die de verdachte eraan stelt te hebben willen toekennen (kort gezegd: iemand die schuldig maakt aan ontoelaatbaar seksueel gedrag met minderjarigen). De term ‘kleuterneuker’ houdt immers een beschuldiging in aan het adres van de aangever van een misdrijf of een gedraging die in het maatschappelijk verkeer als moreel verwerpelijk wordt beschouwd. Het hof is van oordeel dat de uitlating daarmee de strekking heeft om de eer en/of goede naam van de aangever aan te tasten.

Neemt de context het beledigende/strafbare karakter van de uitlating weg?

De verdachte stelt dat haar uitlating geoorloofd is nu zij daarmee – vanuit haar hoedanigheid als public watchdog – in het publiek debat aan de kaak stelt dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam ten onrechte de vrijheid van meningsuiting inperkt. Het aanduiden als kleuterneuker van een Tweede Kamerlid dat was teruggetreden wegens beschuldigingen van seksueel ontoelaatbaar gedrag met minderjarigen had volgens haar, gegeven de beschuldigingen aan het adres van dat Kamerlid, niet bestraft moeten worden. Daarnaast wilde zij met haar uitlating, zo begrijpt het hof, institutionele discriminatie in de strafrechtspleging aan de kaak stellen, omdat daarin verboden onderscheid zou worden gemaakt tussen linkse en rechtse verdachten wanneer het gaat om het doen van maatschappijkritische uitspraken.

Het hof stelt voorop dat in een democratische samenleving het uiten van kritiek op rechterlijke uitspraken en de rechtspleging als geheel geoorloofd is, voor eenieder en in het bijzonder ook voor journalisten/opiniemakers. Dergelijke uitingen van kritiek verdienen in beginsel een hoge bescherming onder de vrijheid van meningsuiting.

De verdachte heeft echter in haar twitterbericht de aanduiding van de aangever als kleuterneuker bestempeld als de waarheid. Door dit te doen heeft de verdachte gezegd dat het waar is dat de aangever een kleuterneuker is. Daarmee heeft zij de term kleuterneuker overgenomen en heeft zij deze gebruikt in de letterlijke betekenis van het woord.

De verdachte heeft aangevoerd dat zij nooit heeft bedoeld te zeggen dat de aangever daadwerkelijk een kleuterneuker is, in de letterlijke zin van het woord (te weten: iemand die seksuele handelingen verricht met kinderen in de leeftijd van ongeveer vier tot zes jaar).

Zij heeft er in dit verband op gewezen dat de term “kleuterneuker” in haar uitlating tussen aanhalingstekens is geplaatst.

Het hof is echter van oordeel dat de letterlijke betekenis door het gebruik van de term ‘de waarheid’ besloten ligt in de uitlating en dat deze betekenis van de uitlating onafhankelijk bestaat van de achteraf gegeven toelichting van de verdachte dat zij de term kleuterneuker niet in letterlijke zin bedoelde te gebruiken. Die betekenis wordt niet teniet gedaan door het gegeven dat de aan het adres van de betrokken geuite beschuldigingen niet zagen op ontoelaatbare handelingen met kleuters. Dat de term “kleuterneuker” tussen aanhalingstekens is geplaatst doet naar het oordeel van het hof evenmin afbreuk aan de letterlijke betekenis, nu de verdachte deze term in dezelfde zin (zonder aanhalingstekens) van het predicaat ‘de waarheid’ heeft voorzien. Dat de uitlating (uitsluitend) figuurlijk bedoeld was of begrepen moest worden blijkt verder nergens uit.

Door in het openbaar over de aangever te beweren dat het predicaat kleuterneuker de waarheid is, is niet alleen sprake van kritiek op een rechterlijk vonnis, maar heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van het teruggetreden Kamerlid.

De verdachte heeft over deze Tweet bij de politie verklaard dat ook moet worden gekeken naar de voorgeschiedenis. Zij heeft verklaard dat de aangever haar veel professionele schade heeft toegebracht. Via de officiële wegen heeft zij getracht hem het zwijgen op te leggen in het publieke debat, maar daar is niets mee gedaan, terwijl verschillende aangiften van zijn kant wel zijn opgepakt. Dit was iets waar zij kwaad over was. Op de vraag op welke manier haar tweet bijdraagt aan het maatschappelijke debat, heeft de verdachte in eerste instantie verklaard: “Dit is vooral een persoonlijk iets waar het om gaat.”

Het hof heeft in ogenschouw genomen dat het voormalig Kamerlid, dat zichzelf als publiek figuur actief betoont in het publiek debat, meer kritiek moet kunnen verdragen dan niet-publieke figuren en dat hij hierbij sneller zal moeten dulden dat zijn privéleven wordt becommentarieerd. Ook uitingen over een publieke figuur mogen echter niet onnodig grievend zijn. De verdachte heeft dit wel gedaan door te beweren dat het predicaat kleuterneuker de waarheid is. De uitlating is naar het oordeel van het hof dan ook onnodig grievend. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de verdachte op eenvoudige wijze kritiek had kunnen uiten op de veroordeling voor het zeggen van kleuterneuker, zonder daarbij te beweren dat de term waarvoor veroordeeld was de waarheid is.

Het hof is daarom van oordeel dat de uitlating van de verdachte, ook voor zover deze in de context van het maatschappelijke debat is gedaan, niet toelaatbaar is. Het sanctioneren daarvan levert geen schending op van artikel 10 EVRM.

Opzet

De verdachte heeft over de aangever beweerd dat hem aanduiden met kleuterneuker de waarheid is. Uit het gebruik van deze woorden volgt naar het oordeel van het hof reeds het opzet om de aangever te beledigen. Daarbij komt dat de verdachte (in haar verklaring bij de politie) heeft aangegeven dat het vooral een persoonlijk iets was.

De verdachte heeft het bericht geplaatst op haar openbaar account op Twitter, een account met veel volgers. Op deze wijze heeft zij de inhoud van het bericht ter kennis

van het publiek gebracht en daarmee onmiskenbaar het doel gehad om ruchtbaarheid te

geven aan het schenden van de eer en/of goede naam van de aangever.

Conclusie

De verweren van de verdachte worden verworpen. Ook het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft, indien het hof niet tot een vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging voor het onder 2 tenlastegelegde zou beslissen, verzocht om de aangever wederom als getuige te horen, nu hij de aangever niet effectief heeft kunnen ondervragen, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid aanhef en onder d EVRM.

Het hof overweegt dat de aangever op verzoek van de verdediging als getuige is gehoord bij de raadsheer-commissaris op 4 maart 2026, welk verhoor, na afwijzing van een wrakingsverzoek, is voortgezet op 13 april 2026. Daarmee heeft de raadsman de gelegenheid gehad de getuige te ondervragen. Dat de getuige niet alle vragen heeft willen beantwoorden en zich deels op zijn verschoningsrecht heeft beroepen brengt nog niet mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken. Het verzoek tot het opnieuw horen van de aangever wordt door het hof afgewezen en deze afwijzing leidt er naar het oordeel van het hof niet toe dat de verdachte geen eerlijk proces heeft gehad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 mei 2023 tot en met 12 mei 2023 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten mensen met een zwarte huidskleur, wegens hun ras, door via haar, verdachtes, Twitteraccount, althans een social media netwerk, de volgende tekst te delen: "Wéér een blanke man op straat in elkaar getrapt door een groep negroïde primaten. Hoe veel weerloze blanken moeten nog slachtoffer worden? Talloze waarschijnlijk: de open grenzen-elite importeert dit volk met bosjes, met alle gevolgen van dien”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2. zij op of omstreeks 27 maart 2023 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland en/of Zweden, opzettelijk, [naam], in het openbaar bij geschrift en/of bij afbeelding, heeft beledigd, door via haar, verdachtes, Twitteraccount, althans een social media netwerk, de volgende tekst te delen: “Vandaag is er een voorwaardelijke straf uitgesproken door de Rechtbank Rotterdam omdat @[twitteraccount] “kleuterneuker” werd genoemd op Twitter. In onze tijd wordt het benoemen van de waarheid gestraft en rent het system alleen voor je als je lid bent van D66. Typisch.”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras.

Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in het openbaar beledigend uitgelaten over personen wegens hun ras door middel van het door haar geplaatste Twitterbericht. De verdachte stelt als journalist/opiniemaker maatschappelijke kwesties aan de orde en zij draagt bij aan het publieke debat. In dit verband is het recht van vrijheid van meningsuiting een belangrijk recht, maar de verdachte heeft zich bij de uitoefening daarvan te onthouden van groepsbelediging.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging door een Twitterbericht te plaatsen met de tekst dat door de Rechtbank Rotterdam een voorwaardelijke straf is opgelegd omdat de aangever “kleuterneuker” zou zijn genoemd op Twitter, en dat het benoemen van de waarheid gestraft wordt. In haar bericht haalt zij het Twitterprofiel van de aangever aan. Hiermee heeft de verdachte de aangever in zijn eer en goede naam aangetast.

Te meer rekent het hof de verdachte aan dat de uitlatingen zijn gedaan op een openbaar en voor een breed publiek toegankelijk platform, Twitter, waar de verdachte een aanzienlijk aantal volgers had.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk strafdeel dient er toe om de verdachte te weerhouden van het opnieuw begaan van strafbare feiten in de toekomst. De uitlatingen van de verdachte zijn voorts dermate grievend dat naar het oordeel van het hof naast het voorwaardelijk deel, een onvoorwaardelijke strafdeel passend is.

Het hof is bij deze straf van oordeel dat hiermee wordt gewaarborgd dat het strafrechtelijk optreden als geheel proportioneel is en niet zo ingrijpend dat daarvan een chilling effect uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.

Vordering tot schadevergoeding [naam]

In het onderhavige strafproces heeft [naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.950,00 (bestaande uit

€ 550,00 aan materiële schade en € 7.400,00 immateriële schade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 1.550,00 (€ 550,00 materiële schade en € 1.000,00 immateriële schade).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

De immateriële schade

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op de betwisting daarvan van de zijde van de verdachte, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 550,00 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2026 (de dag waarop de aangifte is gedaan) tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 550,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 137c en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [naam]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam], ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 maart 2026.

Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, en mr. M.S. Lamboo en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.S. Lamboo
  • mr. F.W. Pieters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand