ECLI:NL:GHDHA:2026:1820

ECLI:NL:GHDHA:2026:1820

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 200.360.137/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:14120

Samenvatting

Wijziging zorgregeling en bekrachtiging vervangende toestemming aan de vader om de minderjarige uit te schrijven van de internationale school. Van een ouder mag niet verwacht worden dat hij meebetaalt aan de hoge kosten voor privéonderwijs als hij het niet eens is met die schoolkeuze. Vernietiging wat betreft de beslissing dat de ouders in onderling overleg bepalen op welke school de minderjarige zal worden ingeschreven. Vervangende toestemming aan vader om de minderjarige in te schrijven op een school in zijn woonplaats.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.360.137/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 25-2795

zaaknummer rechtbank : C/09/683562

beschikking van de meervoudige kamer van 18 maart 2026

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. T.Y. Tsang te Den Haag,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.T.R.J. Bracke te Den Haag.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio [regio] ,

locatie: [vestigingslocatie]

hierna te noemen: de raad.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

De moeder is op 9 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

De vader heeft op 18 december 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 27 januari 2026 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

De raad is, overeenkomstig zijn brief van 20 januari 2026, niet ter mondelinge behandeling verschenen.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

een journaalbericht van de zijde van de moeder (met bijlage) van 16 oktober 2025, ingekomen op 20 oktober 2025;

een journaalbericht van de zijde van de moeder (met bijlage) van 7 november 2025, ingekomen op 12 november 2025;

een journaalbericht van de zijde van de moeder (met bijlage) van 22 januari 2026, ingekomen bij het hof op 23 januari 2026.

De voorzitter heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven. Hij heeft zijn mening op 11 december 2025 schriftelijk aan het hof kenbaar gemaakt.

De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- [tolk] als tolk in de [taal] taal voor de moeder;

- [tolk] als tolk in de [taal] taal voor de vader.

3. De feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

- Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd in [plaats] , [land] . Bij beslissing van de rechtbank te [plaats] , [land] , van [datum] is de

echtscheiding tussen partijen uitgesproken, die op [datum] definitief is

geworden.

- Partijen zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).

- De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

- Blijkens de Basisregistratie Personen hebben de vader, de moeder en de minderjarige de [nationaliteit] nationaliteit.

4. De omvang van het geschil

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang):

bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;

bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:

o in week 1: van dinsdag uit school tot woensdagavond na het eten en van vrijdag uit school tot maandag naar school;

o in week 2: van dinsdag uit school tot woensdagavond na het eten.

een regeling vastgelegd waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte zijn verdeeld;

vervangende toestemming verleend aan de vader om [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2026/2027 uit te schrijven van de [internationale school] ;

bepaald dat [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2026/2027 zal worden ingeschreven op een Nederlandse school, waarbij de ouders in onderling overleg bepalen welke school dat zal zijn;

partijen verwezen naar een mediator ter verbetering van hun onderlinge communicatie;

de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De grieven van de moeder richten zich tegen de beslissingen over de zorgregeling en de vervangende toestemming aan de vader om [minderjarige] uit te schrijven van de [internationale school] . De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen waar het de zorgregeling en de vervangende toestemming aan de vader voor het uitschrijven bij de [internationale school] betreft, en opnieuw rechtdoende:

- een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] bij de vader zal zijn:

o in week 1: van vrijdag na school tot maandag naar school;

o in week 2: van donderdag na school tot vrijdag na het avondeten, waarbij [minderjarige] uiterlijk om 19:30 uur bij de moeder terug dient te zijn;

De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder in het principaal hoger beroep. Hij vindt dat de moeder niet-ontvankelijk is in het principaal hoger beroep dan wel dat het principaal hoger beroep van de moeder moet worden afgewezen.

De vader richt in het incidenteel hoger beroep grieven tegen de beslissing over de zorgregeling en de beslissing dat de ouders in onderling overleg [minderjarige] met ingang van het schooljaar 2026/2027 moeten inschrijven op een Nederlandse school. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen waar het gaat over de zorgregeling en de inschrijving op een school, en opnieuw rechtdoende – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :

- te bepalen dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:

o in week 1: van vrijdag uit school tot woensdagavond 20:00 uur;

o in week 2: van maandagmiddag uit de BSO (tussen 16:15 en 16:30) tot woensdagavond 20:00 uur;

dan wel een reguliere zorgregeling te bepalen die het hof in goede justitie juist acht;

- aan de vader vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de moeder vervangt – om [minderjarige] voor het schooljaar 2026/2027 in te schrijven op de [school] te [plaats] , dan wel andere geschikte Nederlandse openbare school.

De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader in het incidenteel hoger beroep. Zij vindt dat de vader in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoek moet worden afgewezen.

Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5. De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op de voorliggende verzoeken. Het Nederlands recht is op die verzoeken van toepassing.

Zorgregeling

De ouders zijn het er over eens dat de door de rechtbank vastgelegde zorgregeling te onrustig is, maar verschillen van mening over de invulling van een rustigere regeling. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen waar het gaat om de zorgregeling en opnieuw rechtdoende bepalen dat de minderjarige voortaan een aaneengesloten periode bij de vader zal verblijven:

de ene week van vrijdag uit school t/m dinsdag 20:00 uur;

de andere week van maandag na de BSO t/m dinsdag 20:00 uur.

Het hof acht deze zorgregeling in het belang van de minderjarige, omdat de minderjarige met deze regeling minder vaak hoeft te wisselen tussen de ouders en daarnaast op de vrije woensdagmiddag bij de moeder kan zijn in plaats van bij de BSO. Daarnaast heeft de vader op zitting bevestigd dat hij op dinsdag en op vrijdag thuiswerkt. Het hof ziet geen reden om de zorgregeling zo te wijzigen dat de minderjarige minder vaak bij de vader zal verblijven, zoals de moeder heeft verzocht. Het hof ziet evenmin reden om de regeling zo te wijzigen dat de minderjarige langer bij de vader verblijft, zoals hij heeft verzocht. Bij de wijzigingen in het dagelijks leven die de minderjarige in de nabije toekomst zal ondervinden – zoals die uit het navolgende blijken – acht het hof het belangrijk voor het overige niet teveel wijzigingen aan te brengen in de hoeveelheid tijd die hij nu gewend is bij de ene en de andere ouder te zijn.

Onderwijs

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen waar de rechtbank aan de vader vervangende toestemming heeft verleend om de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 uit te schrijven van de [internationale school] . Daarnaast zal het hof de bestreden beschikking vernietigen waar het gaat om de beslissing dat de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 zal worden ingeschreven op een Nederlandse school, waarbij de ouders in onderling overleg bepalen welke school dat zal zijn en opnieuw rechtdoende aan de vader vervangende toestemming verlenen om de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 in te schrijven bij de [school] in [plaats] . De verzoeken van de moeder op dit punt, worden afgewezen. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.

Tussen de ouders is in geschil of de minderjarige internationaal onderwijs kan blijven volgen of dat het nodig is dat hij de overstap maakt naar Nederlands onderwijs. Als hij de overstap zal moeten maken naar Nederlands onderwijs, is tussen de ouders in geschil op welk moment hij dan van school zou moeten wisselen.

De minderjarige is nu negen jaar oud, en wordt op [geboortedatum] tien jaar oud. Ter zitting is door de ouders aan het hof uitgelegd dat de [internationale school] een ander systeem volgt dan Nederlandse scholen. De minderjarige zit nu op de primary school in de vierde klas (vergelijkbaar met groep 6 op de Nederlandse school). In totaal zijn er vijf klassen. Als hij naar de [internationale school] blijft gaan, zal hij vanaf het schooljaar 2027/2028 naar de secundary school gaan. De secundary school duurt zeven jaar. Het onderwijs van de [internationale school] loopt dus niet synchroon met het Nederlandse stelsel van een basisschool tot groep 8 en daarna een middelbare school. Door de vader is toegelicht en met stukken onderbouwd, dat de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 op de [school] kan instromen in de taalklas, in groep 7. De verwachting van de [school] is dat de minderjarige na een jaar onderwijs in de taalklas in het jaar erna kan doorstromen naar de gewone groep 8. Hij kan in dat geval dus zonder vertraging als hij twaalf jaar is naar de middelbare school. Zowel de [internationale school] als de [school] hebben de ouders geadviseerd om de minderjarige, indien hij van onderwijs wisselt, met ingang van het schooljaar 2026/2027 te laten wisselen.

Gelet op deze informatie acht het hof het van belang van de minderjarige dat hij, als hij van onderwijs wisselt, met ingang van het schooljaar 2026/2027 van onderwijs zal wisselen. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij dit niet in het belang van [minderjarige] acht omdat hij dan zijn vrienden moet achterlaten en hij onvoldoende Nederlands spreekt om op een Nederlandse school aan te sluiten bij zijn klasgenoten. De moeder vindt dat [minderjarige] , als hij van onderwijs wisselt, beter pas kan wisselen wanneer hij oud genoeg is om naar de middelbare school te gaan, en dat hij dan naar een school met tweetalig onderwijs kan gaan. Daarbij miskent de moeder dat tweetalig onderwijs bedoeld is voor kinderen die al vloeiend Nederlands spreken, en die goed Engels willen leren spreken. De examens worden ook bij het tweetalig onderwijs in het Nederlands afgenomen. Een dergelijke (niet gefaseerde) overgang naar Nederlands onderwijs acht het hof daarom niet in het belang van [minderjarige] . Daarnaast zal de minderjarige als hij naar de [school] gaat, in een klas met kinderen komen die net als hij de Nederlandse taal nog onvoldoende machtig zijn. De [school] heeft aangegeven dat kinderen in de [klas] gemiddeld genomen binnen een jaar vloeiend Nederlands spreken. Daar komt bij dat de vader de minderjarige heeft voorbereid op de overstap naar het Nederlands onderwijs door onder andere privélessen Nederlands voor hem te regelen.

Dan rest de vraag of [minderjarige] van onderwijs moet wisselen. Dit is een beslissing over de uitoefening van het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW moet het hof een zodanige beslissing nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De vader heeft naar voren gebracht dat het internationaal onderwijs particulier onderwijs is, en vele malen duurder dan het Nederlands openbaar onderwijs. De vader heeft met een printscreen van de website van de [internationale school] aangetoond dat de primary school dit schooljaar € 8.240,- kost en de secundary school € 12.360,-. De kosten stijgen jaarlijks. Daar komen ook nog allerlei kosten bij zoals canteen fees. De hoge kosten voor het internationaal onderwijs vormen een van de redenen voor de wens van de vader om de minderjarige van school te laten wisselen. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij de kosten voor het onderwijs sinds 2021 helemaal zelf betaalt, dus dat de vader dit argument niet kan gebruiken als onderbouwing van zijn verzoek. Het hof stelt vast dat de vader heeft aangetoond dat hij tot en met 2022 ruim de helft van de schoolkosten is blijven betalen (school fees en canteen fees) en dat hij in de jaren 2023 en 2024 ook nog € 1.650 respectievelijk € 1.241,- aan schoolkosten (voornamelijk canteen fees) heeft betaald, deels direct aan de school en deels door het geld over te maken aan de moeder. Voor de periode daarna heeft de vader niet betwist dat de moeder de kosten zelf betaalt. De vader heeft aangevoerd dat hij de kosten niet langer kan betalen, omdat hij de woonlasten van de moeder en zijn eigen woonlasten betaalt, alsmede kinderalimentatie en advocaatkosten voor de vier verschillende juridische procedures tussen partijen.

Het hof is van oordeel dat van een ouder niet verwacht mag worden dat hij meebetaalt aan de hoge schoolkosten voor privéonderwijs als hij het niet eens is met die schoolkeuze, terwijl er ook passend openbaar onderwijs beschikbaar is. Hoewel de moeder sinds 2025 de schoolkosten helemaal zelf betaalt, betwijfelt het hof of de moeder die kosten kan blijven dragen. De moeder miskent met haar stelling dat zij het onderwijs zelf betaalt, dat tot op heden de vader de hypotheeklasten van de echtelijke woning nog helemaal draagt. De moeder heeft daardoor thans geen woonlasten. Over de verdeling van de woning en het overige huwelijksvermogen is een andere procedure tussen partijen aanhangig. Wanneer de woning verkocht is, zal de moeder haar eigen woonlasten moeten dragen. De moeder stelt zelf dat zij met haar parttime baan onvoldoende inkomen heeft om een huurwoning te kunnen betalen. Ook stelt zij dat zij in de toekomst de schoolkosten zou kunnen betalen uit het vermogen dat zij uit de verdeling van het huwelijksvermogen ontvangt en dat zij fulltime wil gaan werken. De moeder heeft haar stelling dat zij het privéonderwijs in de toekomst kan blijven betalen niet nader met stukken onderbouwd, en de vader heeft dit betwist. Het hof kan niet vaststellen wat de financiële situatie van de moeder is, en of het realistisch is dat zij het onderwijs kan blijven betalen totdat de minderjarige 18 jaar is. Het hof acht het, gelet op de adviezen van de [internationale school] en de [school] niet in het belang van [minderjarige] dat hij op een later moment alsnog zal moeten overstappen naar het Nederlands openbaar onderwijs als blijkt dat de moeder de kosten niet langer kan dragen.

Daarnaast vindt de vader het belangrijk dat de minderjarige goed kan integreren in de Nederlandse maatschappij. Hij vindt het voor de toekomst van de minderjarige daarom belangrijk dat hij naar een Nederlandse school gaat. De moeder vindt dat niet nodig. Wat haar betreft is niet zeker of de ouders en de minderjarige op de langere termijn in Nederland blijven wonen. Het hof acht dit argument van de vader, naast het financiële argument, ook een plausibele reden om de minderjarige van onderwijs te laten wisselen. De minderjarige is geboren in Nederland en is zijn hele leven hier opgegroeid. Geen van partijen heeft vermeld dat er thans concrete plannen zijn om met de minderjarige naar een ander land te verhuizen. Uit onder meer de door de scholen gegeven adviezen blijkt naar het oordeel van het hof in voldoende mate dat de verwachting gerechtvaardigd is dat [minderjarige] de overgang naar een andere school uiteindelijk goed zal kunnen maken.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij met ingang van het schooljaar 2026/2027 naar de [school] gaat.

Aangezien de moeder niet wil meewerken aan de aanmelding van [minderjarige] bij een Nederlandse school, zal het hof aan de vader vervangende toestemming verlenen om de minderjarige bij de [school] in te schrijven.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking waar het de reguliere zorgregeling betreft, en bepaalt opnieuw rechtdoende dat de minderjarige bij de vader verblijft:

bekrachtigt de bestreden beschikking waar het betreft de toestemming aan de vader om de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 uit te schrijven van de [internationale school] ;

vernietigt de bestreden beschikking waar het betreft de beslissing dat de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 zal worden ingeschreven op een Nederlandse school, waarbij de ouders in onderling overleg bepalen welke school dat zal zijn, en verleent, opnieuw rechtdoende, aan de vader vervangende toestemming om de minderjarige met ingang van het schooljaar 2026/2027 in te schrijven bij de [school] in [plaats] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in het hoger beroep verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, A.F. Mollema en Z. Gademan, bijgestaan door mr. S. Richtersz als griffier en is op 18 maart 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Richtersz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand