Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001900-25
Parketnummers: 10-063485-24
23-000685-22 (TUL)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Voorts is beslist ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Met betrekking tot de in eerste aanleg ingediende vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling is door de rechtbank niet beslist.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 14 juni 2023 te Schiedam, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
te weten:
- 40 wikkels cocaïne met een gewicht van 21,6 gram,
- 12 gripzakjes heroïne met een gewicht van 2,9 gram,
- 68 gripzakjes cocaïne met een gewicht van 32,2 gram,
- ( contante) geldbedragen van in totaal 1415,- euro en/of
- een Audi A4 Avant;
2.hij op of omstreeks 14 juni 2023 te Schiedam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 53,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of ongeveer 2,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Nadere overweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er sprake is een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Hij heeft daartoe onder verwijzing naar het pleidooi in eerste aanleg aangevoerd dat de inbeslagname van de auto van de verdachte op 14 juni 2023 omstreeks 5:25 uur en de daaropvolgende doorzoeking onrechtmatig zijn geweest, omdat er op het moment van inbeslagname geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld of een heterdaadsituatie. Dit vormverzuim dient primair te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de als gevolg van de doorzoeking gevonden verdovende middelen en dus tot vrijspraak van het tenlastegelegde en subsidiair tot matiging van de aan de verdachte op te leggen straf.
Het hof gaat evenals de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1. Omstreeks 04.40 uur zien politieambtenaren een Audi geparkeerd staan, waarbij een persoon via het raam van de bijrijder naar binnen hangt en contact maakt met de bestuurder. De bestuurder blijkt de verdachte te zijn, die meerdere antecedenten heeft op basis van de Opiumwet. De persoon die eerder aan de bijrijderszijde stond had in 2022 bezit harddrugs op zijn naam staan. Tussen de spullen van deze persoon treft de politie vervolgens lege gripzakjes, een gripzakje met marihuana, heroïnepijpjes en allemaal kleine stukjes aluminiumfolie aan. Tevens verklaart deze persoon drugsgebruiker te zijn. De politie neemt waar dat deze persoon tijdens de controle zeer schichtig is. Op de vraag wat hij aan het doen was verklaart hij direct dat hij niks met de verdachte te maken had, hem niet kende en niets van hem gekocht had.
2. De Audi wordt met toestemming van de verdachte doorzocht. Aan de verdachte wordt meegedeeld dat de Audi werd doorzocht op verdovende middelen. Bij de doorzoeking wordt een telefoon en veel kleingeld aangetroffen. De verdachte zelf heeft ook nog geld (zeven briefjes van € 50,--) en een tweede telefoon op zak. Hierna wordt de verdachte de cautie gegeven.
3. Vervolgens wordt de Audi omstreeks 05.25 uur in beslag genomen ter waarheidsvinding en overgebracht naar het politiebureau. Later die ochtend wordt met behulp van een speurhond, gespecialiseerd op het gebied van verdovende middelen, in de Audi zakjes met verdovende middelen en een grote hoeveelheid geld aangetroffen.
Artikel 94 Sv, houdt voor zover van belang in:
1. Vatbaar voor inbeslagneming zijn alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen (…).
Artikel 96b Sv houdt voor zover van belang in:
(…)
b. het vervoermiddel vervolgens naar een daartoe door hem aangewezen plaats overbrengen (…).
Het hof stelt vast dat de betreffende opsporingsambtenaren de verdachte die nacht niet verhoord hebben in de zin van artikel 29 Sv en dat het moment waarop de cautie gegeven is, niet relevant is voor de vraag of al dan niet sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv ten aanzien van de doorzoeking van de Audi. De suggestie van de raadsman dat de opsporingsambtenaren kennelijk pas op het moment waarop zij de cautie gaven naar hun oordeel een redelijke verdenking hadden vindt geen steun in hun proces-verbaal, noch anderszins.
Naar het oordeel van het hof hebben de opsporingsambtenaren omstreeks 05.25 uur op grond van de hiervoor onder 1 en 2 weergegeven feiten en omstandigheden met recht aangenomen dat minst genomen sprake was van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, te weten het opzettelijk verkopen en/of vervoeren en aanwezig hebben van een middel genoemd op lijst I van de Opiumwet.
Voorafgaand aan de doorzoeking van de Audi is aan de verdachte meegedeeld dat deze auto werd doorzocht op verdovende middelen. Feiten of omstandigheden die zouden meebrengen dat de Audi in verband met enig ander strafbaar feit naar het politiebureau werd overgebracht ter doorzoeking zijn gesteld noch gebleken.
De verbalisanten waren gelet op de artikelen 94 en 96b Sv bevoegd om de auto van de verdachte in beslag te nemen, te doorzoeken en daartoe te doen overbrengen naar het politiebureau. Ingevolge artikel 94 Sv waren zij voorts bevoegd de bij die doorzoeking aangetroffen verdovende middelen en geldbedragen in beslag te nemen. Anders dan de rechtbank ziet het hof in de wijze van verbalisering geen zodanige onzorgvuldigheden dat op grond daarvan sprake is van een vormverzuim. Van enige onrechtmatigheid is geen sprake. Dat betekent dat er geen aanleiding is over te gaan tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering.
Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op of omstreeks 14 juni 2023 te Schiedam, in elk geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
te weten:
- 40 wikkels cocaïne met een gewicht van 21,6 gram,
- 12 gripzakjes heroïne met een gewicht van 2,9 gram,
- 68 gripzakjes cocaïne met een gewicht van 32,2 gram,
- (contante) geldbedragen van in totaal 1415,- euro en/of
- een Audi A4 Avant;
2.hij op of omstreeks 14 juni 2023 te Schiedam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 53,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne en/of ongeveer 2,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op, in eendaadse samenloop met het onder 1 bewezenverklaarde
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan de voorbereiding van de handel in en het vervoer van cocaïne en heroïne, door onder meer een hoeveelheid cocaïne en heroïne opzettelijk voorhanden te hebben. De bij de verdachte aangetroffen heroïne en cocaïne, alsmede door de verdachte verrichte overige voorbereidingshandelingen vormen een delict dat bijdraagt aan de handel in en het gebruik van heroïne en cocaïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd. Bovendien vindt een groot deel van de criminaliteit direct of indirect zijn oorsprong in het gebruik van deze middelen. De verspreiding van deze middelen dient derhalve tegengegaan te worden.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte al meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten en dat hij ten tijde van het plegen van het feit in deze zaak nog maar kort in een proeftijd liep naar aanleiding van de veroordeling van dit hof van 3 februari 2023 onder rolnummer 23-000685-22. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het feit dat in die zaak uitdrukkelijk bij wijze van laatste kans een voorwaardelijke veroordeling is uitgesproken. Voorts stelt het hof vast dat gelet op de veroordeling van 23 juli 2020 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam het taakstrafverbod zoals vermeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit alles heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich weer bezig te houden met de handel in verdovende middelen.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet anders gereageerd worden dan met een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijke strafdeel dient de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen.
Beslag
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht om de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag zoals genoemd onder 2 op bijgevoegde beslaglijst. Ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Nu het strafvorderlijk belang zich daartegen niet verzet zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van het onder 2 genoemde geldbedrag.
Ten aanzien van de onder 6 en 7 genoemde voorwerpen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.
De overige na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 februari 2023 onder rolnummer 23-000685-22 is de verdachte onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf niet aan de orde is in hoger beroep.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet aan de orde is, nu de betekening van de oproeping met betrekking tot de vordering in eerste aanleg te laat heeft plaatsgevonden en de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard er geen kennis van te hebben genomen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er geen termen zijn om de vordering toe te wijzen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat de betreffende voorwaardelijke veroordeling op 3 februari 2023 op tegenspraak is gewezen, dat de verdachte in persoon aanwezig is geweest op de terechtzitting in die zaak en dat geen rechtsmiddel tegen deze beslissing is aangewend. De proeftijd is derhalve op 18 februari 2023 aangevangen.
Blijkens de akte van uitreiking is de oproeping met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging op 23 mei 2025 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De verdachte was dus voorafgaand aan de zitting bekend met de vordering. De vordering is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal voorts besproken op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 mei 2025, waarbij de verdachte in persoon met zijn raadsman aanwezig was. De officier van justitie heeft in zijn vordering een standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging. Door de rechtbank is niet beslist op de vordering. Voorts stelt het hof vast dat op de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen ook wordt verwezen naar de vordering tot tenuitvoerlegging onder rolnummer 23-000685-22. Ter zitting in hoger beroep is de vordering eveneens expliciet besproken en door de raadsman is hiertegen verweer gevoerd.
De stelling dat de op 23 mei 2025 in persoon betekende oproep met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging niet aan de orde was in eerste aanleg op 26 mei 2025 wegens te late betekening vindt geen steun in het recht (zie Hoge Raad 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:360 en Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2357). Dit brengt mee dat de rechtbank gehouden was te beslissen op de vordering ten uitvoerlegging.
De omstandigheid dat de rechtbank niet heeft beslist op de voorliggende vordering tenuitvoerlegging staat er niet aan in de weg dat deze vordering wel deel uitmaakt van de door het hof in deze strafzaak te geven uitspraak.
In hoger beroep is vervolgens komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK zak, zoals genoemd onder 3 op bijgevoegde beslaglijst,
- 1 STK zak, zoals genoemd onder 4 op bijgevoegde beslaglijst,
- 1 STK zak, zoals genoemd onder 5 op bijgevoegde beslaglijst.
Gelast de teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1415 EUR, zoals genoemd onder 2 op bijgevoegde beslaglijst.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Geluidsapparatuur, zoals genoemd onder 6 op bijgevoegde beslaglijst,
- 1 STUK Computer, zoals genoemd onder 7 op bijgevoegde beslaglijst.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 februari 2023, rolnummer 23-000685-22, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Dit arrest is gewezen door
mr. B.P. de Boer, als voorzitter,
mr. TH.W.H.E. Schmitz en mr. A.M. Hol, leden,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2026.
Mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest te ondertekenen.