Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002200-24
Parketnummers: 10-323906-23
10-201491-23 (TUL)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest en is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is beslist ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en over de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van de zaak of “het vonnis”, wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 4 december 2023 te Dordrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
- met een stuk kluif/bot, althans een soortgelijk scherp en/of hard voorwerp, tegen het hoofd heeft geslagen en/of
- tegen het lichaam heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 december 2023 te Dordrecht, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
- met een stuk kluif/bot, althans een soortgelijk scherp en/of hard voorwerp, tegen het hoofd te slaan en/of
- tegen het lichaam te schoppen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 8 maanden met aftrek van voorarrest, dat de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden conform het advies van de reclassering zal worden opgelegd, dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal worden opgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter voor wat betreft de bewezenverklaring op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden in zoverre behoort te worden bevestigd. Voor het overige zal het hof het vonnis vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering en de op te leggen maatregelen
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn vader, door hem meermalen met een hondenbot tegen het hoofd te slaan en hem te schoppen. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast veroorzaken misdrijven als de onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de maatschappij in het algemeen.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Gedurende de procedure in hoger beroep is nader onderzoek verricht naar de geestvermogens van de verdachte. Dat is gebeurd door dezelfde deskundigen die in eerste aanleg over de verdachte hebben gerapporteerd; in dit geval heeft de verdachte volledig meegewerkt aan de totstandkoming van de rapportages. In navolging van dat nadere onderzoek, heeft de reclassering over de verdachte gerapporteerd.
Het hof heeft in dat kader in het bijzonder acht geslagen op de volgende rapportages:
- een aanvullend psychiatrisch onderzoek pro justitia d.d. 5 december 2025 opgemaakt en ondertekend door A.C. Hoek (verder Hoek), psychiater;
- een psychologisch onderzoek pro justitia d.d. 8 december 2025 opgemaakt en ondertekend door drs. G.J.H. Poncin (verder Poncin), GZ-psycholoog;
- een reclasseringsadvies (Fivoor) TBS met voorwaarden d.d. 17 maart 2026.
Gedragsdeskundigen Hoek en Poncin hebben gerapporteerd met betrekking tot het tenlastegelegde feit. Zij hebben in hun rapportages geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis (in vroege remissie in een gereguleerde omgeving) en een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of psychotische stoornis. Zij adviseren om het ten laste gelegde feit, indien bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Hoek beschrijft dat het recidiverisico op gewelddadig gedrag op de korte, middellange en langere termijn als hoog wordt ingeschat indien de situatie ongewijzigd blijft. Er is sprake van verslavingsproblematiek, persoonlijkheidsproblematiek en beperkt ziekte-inzicht, waarbij de verdachte beperkt intrinsiek gemotiveerd is voor behandeling. Er is beperkt probleembesef en de verdachte kan zich moeilijk inleven in de gevolgen van zijn gedrag voor een ander. In het verleden heeft hij meerdere malen voorwaarden geschonden en is hij afspraken bij de reclassering niet nagekomen. Voorwaarden en een reclasseringstoezicht hebben recidive niet kunnen voorkomen. De verdachte heeft nauwelijks beschermende factoren. De verdachte heeft een geschiedenis van problemen met gewelddadig en antisociaal gedrag in de adolescentie en volwassenheid, problemen met intieme en niet-intieme relaties, problemen met werk, problemen met middelengebruik, problemen met een ernstige psychische stoornis, een persoonlijkheidsstoornis en traumatische ervaringen. De verdachte heeft recente problemen met inzicht in de stoornis en inzicht in het risico van gewelddadig gedrag. Er zijn recente problemen met symptomen van een psychische stoornis, problemen met affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit. Er zijn recente problemen met de respons op behandeling of toezicht. Vooralsnog is er geen behandeltraject gestart, aangezien de verdachte momenteel in detentie verblijft. De psychosociale omstandigheden op dit moment zijn ongunstig. Buiten detentie heeft hij geen betaald werk en er is nauwelijks een steunend netwerk. Er worden problemen verwacht in de toekomstige professionele ondersteuning. De verdachte heeft namelijk problemen in het opbouwen van een (behandel)relatie en met afhankelijkheid. Daarnaast heeft hij zich in het verleden regelmatig teleurgesteld en gekrenkt gevoeld. Ook worden er problemen verwacht bij de verdachte in het omgaan met stressvolle omstandigheden en gebeurtenissen.Voorts komt naar voren dat er bij de verdachte thans in enige mate sprake is van motivatie voor behandeling. Hij heeft positieve levensdoelen.
Poncin beschrijft dat er bij de verdachte geen sprake is van een cognitieve beperking zoals een licht verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid. Hij lijkt in zijn functioneren (gezien de behandeling in het verleden) baat te hebben bij structuur, toezicht en ondersteuning. De verdachte heeft een zeer instabiele opvoedingssituatie gehad en heeft niet veel vertrouwen in andere personen en de hulpverlening. Er is sprake van een beperkt probleembesef en
probleeminzicht, doordat hij zijn gedrag externaliseert en bagatelliseert waardoor hij geen verantwoordelijkheid neemt. De verdachte heeft moeite met autoriteit en is zelfbepalend. Gunstig is dat de verdachte momenteel psychisch stabiel lijkt te functioneren zonder medicatiegebruik. Hij beschikt buiten detentie niet over werk, een dagbesteding of een adequate dagstructuur. Het sociale netwerk is zeer beperkt. De verdachte zal naar verwachting een geringe mate van steun ervaren vanuit zijn sociale netwerk, maar zij hebben niet kunnen voorkomen dat hij weer met justitie in aanraking kwam. Ook kan er buiten detentie zonder hulpverlening niet de structuur, het toezicht en de begeleiding worden geboden die hij behoeft om stabiel te kunnen functioneren. De eerdergenoemde condities en factoren beïnvloeden elkaar in behoorlijke mate.
Hoek beschrijft verder dat behandeling van de aanwezige persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek noodzakelijk is om het recidiverisico te doen verlagen. De verdachte heeft inmiddels een strafblad, waarbij de delicten in ernst toenemen. Klinische behandeling binnen een FPA in het kader van een voorwaardelijke veroordeling en een zorgmachtiging in het verleden zijn niet succesvol gebleken. De verdachte heeft, vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, onvoldoende adequate copingmechanismen om met gevoelens van boosheid en krenking en andere stressfactoren om te gaan. Daarnaast is er sprake van ernstig gebruik van cannabis. Hij blijkt niet in staat om zijn emoties op adequate wijze te reguleren. Behandeling is gegarandeerd noodzakelijk om zijn inadequate copingmechanismen te bespreken en te veranderen om niet opnieuw in verslavingsgedrag en delictgedrag te vervallen. Daarbij is het van belang dat de verdachte wordt gestimuleerd introspectieve vermogens te ontwikkelen. Hierbij dient hij zijn gevoelens en verlangens te leren onderzoeken en onder woorden te brengen. Tijdens deze behandeling kan primair worden gewerkt aan het onderzoeken van het delictscenario. De verdachte kan hierdoor meer zelfinzicht ontwikkelen in de factoren, zoals het ontstaan van emoties en de hierop volgende gedragingen. Ook dient in de behandeling te worden gewerkt aan het verbeteren van de copingvaardigheden, door hem andere oplossingsvaardigheden aan te leren dan het gebruik van middelen en daarmee gepaard gaand delictgedrag. De verdachte zal vaardigheden moeten ontwikkelen om negatieve emoties bespreekbaar te maken. Voorts kan er tijdens behandeling in de toekomst aandacht worden besteed aan problemen met het netwerk en omgaan met relaties, welke ook worden gezien als risicoverhogend. Hoek is van mening dat deze intensieve behandeling dient te starten op een forensische psychiatrische afdeling met een voldoende hoog beveiligingsniveau. De inschatting is dat de klinische fase van deze behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte voldoende veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij. Ook tijdens de resocialisatiefase zal er aandacht moeten zijn voor de stressfactoren en relatievorming, en hoe hij hier op een adequate manier mee kan leren omgaan.
De inschatting is dat behandeling binnen het kader van een voorwaardelijke straf onvoldoende lang en intensief zal zijn om het recidiverisico voldoende te verlagen. Een stringenter strafrechtelijk kader is noodzakelijk om de behandeling en resocialisatie succesvol te laten verlopen, zodat de verdachte zich blijft conformeren aan voorwaarden. Een TBS-maatregel wordt noodzakelijk geacht. De afweging tussen TBS met voorwaarden en TBS met dwangverpleging is met zorgvuldigheid gedaan. Hoek adviseert de verdachte TBS met voorwaarden op te leggen. Tbs met dwangverpleging wordt vanuit gedragsdeskundig oogpunt momenteel niet noodzakelijk geacht, aangezien de aard van het risico voldoende concreet is, de verdachte het feitelijke delictgedrag erkent en de risicofactoren en beschermende factoren concreet en geïdentificeerd zijn. De delictdynamiek is behoorlijk duidelijk. Het is duidelijk onder welke condities het gevaar toeneemt en afneemt. De dynamische risicofactoren zijn specifiek genoeg om te managen, en wel in eerste instantie in de vorm van (externe) controle en via gerichte interventies gaandeweg ook in de vorm van geïnternaliseerd risicomanagement. De verdachte is momenteel met name extern gemotiveerd voor behandeling, vooral vanwege het verblijf in detentie en de relatie met zijn kind. Gezien de problematiek van de verdachte is het voorstelbaar dat het voor hem moeilijk zou kunnen zijn zich duurzaam aan voorwaarden te blijven conformeren. De verdachte is nog jong, zijn kind is momenteel een sterke externe motivator voor hem om zich aan voorwaarden te houden en de verdachte wil absoluut geen TBS met dwangverpleging. Om deze redenen wordt verwacht dat de verdachte, aanvankelijk extern, gemotiveerd zal zijn zich behandelbaar op te stellen en dat de veiligheid van de maatschappij voldoende wordt gewaarborgd middels TBS met voorwaarden. Behandeling binnen het kader van een zorgmachtiging is niet passend. De problematiek is te ernstig om een passende behandeling aan te kunnen bieden binnen de reguliere ambulante of klinische geestelijke gezondheidszorg. De verwachting is dat dit niet toereikend zal zijn om het recidiverisico te doen verlagen. Een zorgmachtiging biedt onvoldoende bescherming van de maatschappij en onvoldoende bewerking van de risicofactoren. Daarnaast is de duur van een zorgmachtiging zes maanden en niet doelmatig binnen een behandeling van antisociale persoonlijkheidsproblematiek. De inschatting is dat de duur van zes maanden onvoldoende lang zal zijn om het recidiverisico voldoende te doen verlagen, zodat de verdachte weer kan deelnemen aan de maatschappij.
Voorts adviseren de gedragsdeskundigen het strafrecht voor volwassenen toe te passen.
Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof onderschrijft deze bevindingen en de getrokken conclusies en maakt die tot de zijne.
Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is het hof van oordeel dat die ziekelijke stoornis de gedragskeuzes en het handelen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde zodanig hebben beïnvloed dat het feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog moet worden ingeschat.
Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde - een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld - alsmede hetgeen hiervoor over de persoon van de verdachte is overwogen en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel tot TBS eist.
Het hof heeft tevens acht geslagen op het advies van de Reclassering van 17 maart 2026. Daaruit volgt dat het risico op recidive ook door de reclassering wordt ingeschat als hoog. De verdachte kampt met problematiek waarvoor behandeling is geïndiceerd. Eerdere interventies middels justitieel ingrijpen hebben onvoldoende impact gehad noch gedragsverandering weten te bewerkstelligen of het risico op recidive weten terug te dringen. Vermoedelijk is er sprake van een (grotendeels) extrinsieke motivatie tot het voorkomen van TBS met dwangverpleging. Daarnaast is zijn dochter een grote motivator tot het willen beteren van zijn leven, het bereiken van stabilisatie en het aangaan van behandeling gericht op gedragsverandering. De verwachting heerst dat zijn motivatie op intrinsiek niveau vergroot kan worden gedurende het verloop van een (klinische) behandeling. De verdachte wil zich committeren aan een tbs met voorwaarden met de voorwaarden zoals ze in onderhavig reclasseringsrapport zijn opgesteld. Dit maakt dat er sprake lijkt te zijn van een behandelcommitment. Hoewel er sprake is van (m)eerdere negatief beëindigde reclasseringstoezichten, wordt het karakter van een TBS met voorwaarden passend bevonden. Het betreft een stringenter kader met een grotere kans om de behandeling en resocialisatie succesvol te laten verlopen, mede door de grote(re) gevolgen bij het niet naleven van de voorwaarden.
De gedragsdeskundigen en de reclassering adviseren positief over TBS met voorwaarden. Voorts kan de reclassering hierop het toezicht uitoefenen en heeft de verdachte zich bereid verklaard tot medewerking aan deze voorwaarden.
Gelet op al het voorgaande, is het hof van oordeel dat de algemene veiligheid van personen thans niet eist dat de verdachte in het kader van de terbeschikkingstelling van overheidswege wordt verpleegd, doch dat die veiligheid voldoende kan worden beschermd met de nader in het dictum aan te geven - in het reclasseringsrapport van 17 maart 2026 geadviseerde - voorwaarden.
Voor het geval de verdachte zich ondanks zijn bereidverklaring niet aan (één of meer van) de voorwaarden mocht houden, overweegt het hof dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat betekent dat wanneer de verdachte zich niet aan (één of meer van) de voorwaarden houdt en de dwangverpleging alsnog wordt bevolen, de duur van de maatregel niet gemaximeerd is.
Het hof zal op grond van het bepaalde in artikel 38, zesde lid, Sr bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Daartoe is redengevend dat het vanwege het recidiverisico vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is de verdachte onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren.
Oordeel van het hof over de op te leggen GVM
Aan de wettelijke vereisten voor de opleggen van de GVM als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. De verdachte wordt ter beschikking gesteld. Daarnaast heeft het volgende te gelden.
Gelet op de aard van de bij de verdachte bestaande problematiek is het hof van oordeel dat langdurige waarborgen met het oog op toekomstige risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen noodzakelijk zijn. Daarom acht het hof het geraden om naast de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden de GVM zoals bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. Daarmee kan - indien dit met het oog op alsdan bestaande risico’s noodzakelijk is - worden bewerkstelligd dat de verdachte na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht wordt gesteld. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan de verdachte opgelegde tbs met voorwaarden plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
Het hof stelt vast dat de verdachte op 5 december 2023 in verzekering is gesteld en sindsdien tot op heden in voorlopige hechtenis heeft verbleven. Op 20 juni 2024 heeft de rechtbank vonnis gewezen. In eerste aanleg heeft geen overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden.
Op 24 juni 2024 is hoger beroep ingesteld door de verdachte. Inzet van het hoger beroep is aanvullende rapportage door de deskundigen dan wel, subsidiair, observatie in het Pieter Baan Centrum. De deskundigen hebben gerapporteerd op 5 respectievelijk 8 december 2025, waarna de reclassering op 17 maart 2026 advies heeft uitgebracht. Het hof doet uitspraak op 2 juni 2026. In het licht van deze omstandigheden constateert het hof dat de redelijke termijn voor de berechting van strafzaken in eerste aanleg niet is overschreden. In hoger beroep is deze termijn van 16 maanden wel overschreden, maar gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden volstaat het hof met de constatering dat deze termijn is overschreden zonder daar verdere consequenties aan te verbinden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - die de verdachte reeds in voorarrest volledig heeft ondergaan - in combinatie met de te gelasten TBS met voorwaarden en de te gelasten GVM een passende en geboden reactie vormen.
De voorlopige hechtenis
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte te schorsen met ingang van het moment dat de verdachte geplaatst kan worden in een FPK of op een overbruggingsplek.
Het hof zal het verzoek van de advocaat-generaal afwijzen.
Het hof stelt vast dat tussen de advocaat-generaal en de raadsman gecorrespondeerd is over de mogelijkheden tot plaatsing op een overbruggingsplek of in een FPK.
Het hof wijst op het feit dat de verdachte in het kader van de tenuitvoerlegging van de zaak met rolnummer 22-001675-23 nog 38 dagen detentie heeft openstaan. Het hof acht het uiterst onwenselijk dat de executie van deze detentie mogelijk zal plaatsvinden na de aanvang van de behandeling van de verdachte.
Het komt het hof voor dat deze 38 dagen detentie samen met de periode waarin de voorlopige hechtenis vermoedelijk doorloopt na het wijzen van dit arrest (de termijn voor het instellen van cassatie) volstaan om een overbruggingsplek of een plaats in een PFK te vinden.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 254,13.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 254,13.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij bedrag, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij komt ook niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 254,13 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .
Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 november 2023 onder parketnummer 10-201491-23 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof zijn er echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering, gelet op de lange duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en het belang om zo spoedig mogelijk te kunnen beginnen met de behandeling van de verdachte.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen omtrent de strafbaarheid van het feit, de strafbaarheid van de verdachte, de opgelegde straf en maatregel en de beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
1. De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt in:
De verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
De verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
De verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4. De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. De verdachte laat zich, zo lang als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen in een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. De verdachte laat zich behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
7. De verdachte verblijft, zo lang als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
8. De verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9. De verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
10. De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 254,13 (tweehonderdvierenvijftig euro en dertien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 254,13 (tweehonderdvierenvijftig euro en dertien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 december 2023.
Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 november 2023, parketnummer 10-201491-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - voor het overige.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door
mr. TH.W.H.E. Schmitz, als voorzitter,
mr. B.P. de Boer en mr. A.M. Hol, leden,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2026.
Mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest te ondertekenen.