ECLI:NL:GHDHA:2026:1836

ECLI:NL:GHDHA:2026:1836

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 22-002446-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Doodslag. Vrouwelijk slachtoffer. Strafmaatappel OM. Verminderde toerekenbaarheid. Combinatie gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. Benadeelde partijen. Schokschade.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-002446-25

Parketnummers: 09-232505-24 en 09-043094-23 (TUL)

Datum uitspraak: 2 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 juli 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de [verblijfplaats].

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde (gekwalificeerd als doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, en is de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege gelast. Daarnaast is de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Tevens is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 18 juli 2024 te Zoetermeer, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk (en met voorbedachten rade) van het leven heeft beroofd, door met een mes, [slachtoffer] althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in het gezicht en/of het hoofd en/of de hals en/of de nek en/of het lichaam van die te steken/snijden.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde (gekwalificeerd als doodslag) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest, en dat de terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de motivering ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte, de opgelegde straf en maatregelen, alsmede beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tenuitvoerlegging, en de motivering hiervan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden recht gedaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan doodslag op de 22-jarige [slachtoffer]. De verdachte heeft daardoor aan [slachtoffer] het kostbaarste bezit, haar leven, ontnomen.

De wijze waarop het feit is gepleegd, behoort qua geweldstoepassing en gruwelijkheid tot de absolute buitencategorie. De verdachte heeft [slachtoffer] in haar woning en in aanwezigheid van hun 13 dagen oude baby een zeer groot aantal steek- en snijletsels toegebracht. Ook heeft de verdachte een video van [slachtoffer] gemaakt, toen zij op de plek lag waar zij uiteindelijk zou komen te overlijden en terwijl hij nog een aantal geweldshandelingen toebracht.

Als gevolg van het voorgaande is aan de nabestaanden een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan zoals blijkt uit de diverse in het dossier opgenomen slachtofferverklaringen. Het jonge kind van de verdachte en [slachtoffer] zal door het handelen van verdachte zonder zijn moeder door het leven moeten gaan.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder een veroordeling bij vonnis van 8 mei 2024 voor mishandeling van [slachtoffer] en vernieling van haar eigendommen.

Bevindingen deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid

In deze zaak is in eerste aanleg een Pro Justitia rapportage (Triple onderzoek) d.d. 19 februari 2025 uitgebracht over de persoon van de verdachte. Ook zijn de rapporteurs,

F. Verstraeten, psychiater, en H.E.W. Koomstra, GZ-psycholoog (hierna: deskundigen/rapporteurs) als deskundigen gehoord ter terechtzitting in hoger beroep. De

bevindingen en conclusies van de deskundigen houden - voor zover hier van belang - het

volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking (LVB), een andere

gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, antisociale en vermijdende

kenmerken en een andere gespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische

stoornis. Daarnaast is sprake van een (in ieder geval lichte) stoornis in het gebruik van

cannabis.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat de licht verstandelijke beperking en de

persoonlijkheidsstoornis aanwezig waren ten tijde van het gepleegde feit. Daarnaast was

sprake van een psychose; er waren duidelijk wanen en mogelijk ook hallucinaties bij de

verdachte. Verder is bij de verdachte mogelijk sprake van een schizofreen proces, dat later

verder onderzocht zal moeten worden.

De deskundigen hebben het causale verband tussen de problematiek van de verdachte en het

gepleegde feit in de rapportage beschreven en ter terechtzitting nader toegelicht. De

verdachte was vanuit zijn LVB in combinatie met een hechtingstoornis die uitmondde in persoonlijkheidsproblematiek, niet in staat tot het aangaan van een intieme relatie. De steeds verder oplopende frustratie en spanning ten gevolge van de verwijdering in de relatie met het slachtoffer, werd voor hem steeds lastiger te hanteren. Zowel vanuit de LVB als de persoonlijkheidsproblematiek vervaagden de grenzen met de realiteit, mogelijk aangejaagd door cannabisgebruik, en toonde hij zich achterdochtig waarbij in de relatie sprake was van toenemend agressief gedrag. Zijn achterdocht heeft de vorm van een waan aangenomen waarbij hij alles wat het slachtoffer deed negatief inkleurde en zij hem in zijn ogen steeds meer misbruikte en zelfs bedreigend voor hem werd. Op 18 juli 2024 bereikten de opgebouwde spanning en frustratie van de verdachte een hoogtepunt.

De geweldsuitbarsting, het gepleegde feit, moet volgens de deskundigen worden gezien als

een combinatie van de persoonlijkheidsproblematiek, de LVB, en de psychose. In de rapportage wordt geconcludeerd dat niet duidelijk is geworden welke componenten in welke mate een rol speelden bij het gepleegde feit, met name betreffende de psychose. Daarom is geen precies advies gegeven in welke mate het gepleegde feit toe te rekenen is aan de verdachte, al wordt in de rapportage wel geadviseerd om het feit “in ieder geval” verminderd aan de verdachte toe te rekenen.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben beide deskundigen deze conclusie nader toegelicht. Hierbij hebben zij verklaard dat de LVB en de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte alleen al leiden tot de conclusie dat het feit verminderd aan de verdachte is toe te rekenen. Omdat de doorwerking van de psychose ten tijde van het plegen van het feit evenwel deels onduidelijk is gebleven, en omdat deze achteraf ook niet meer is vast te stellen, blijven de deskundigen bij de conclusie dat het feit in ieder geval verminderd aan de verdachte dient te worden toegerekend, maar dat dit niet verder valt te specificeren.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof zijn de rapporten van de psychiater en de psycholoog op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies over de toerekenbaarheid van het feit aan de verdachte gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof neemt gelet hierop de conclusies van de gedragsdeskundigen over en maakt die tot de zijne.

Het hof stelt, op basis van de genoemde adviezen van de deskundigen, vast dat bij de verdachte sprake is van een LVB, een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis en een psychotische stoornis.

De deskundigen hebben geconcludeerd dat sprake is van een direct verband tussen de genoemde stoornissen en het gepleegde feit, hoewel onduidelijk blijft welke stoornis in welke mate een rol speelde. Het gepleegde feit staat daarmee in direct verband met de ten tijde van het gepleegde feit aanwezige stoornissen. Het hof is gelet hierop van oordeel dat het causale verband tussen de stoornissen en het strafbare feit voldoende aannemelijk is geworden.

Alles in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat het gepleegde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

TBS met dwangverpleging

In voornoemd Pro Justitia rapport hebben de rapporteurs het risico

op recidive op geweld door de verdachte ingeschat op hoog. Hierover hebben zij het

volgende gerapporteerd.

De verdachte heeft moeite zich (adequaat) te hechten aan anderen en in relaties met anderen

wordt zijn persoonlijkheidsproblematiek getriggerd, waarbij hij gedragingen van anderen

vanuit zijn LVB niet goed kan plaatsen en vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek negatief

interpreteert - hetgeen zijn psychotische kwetsbaarheid voedt. Indien dan een waan ontstaat,

kan hij zich niet meer losmaken van zijn negatieve gedachten ten aanzien van de ander.

Voor wat betreft de vraag binnen welk kader interventies die het recidivegevaar kunnen beperken zouden kunnen worden gerealiseerd, geven de deskundigen aan dat er bij de verdachte sprake is van complexe problemen, die elkaar negatief beïnvloeden. Voor die

problemen zal een langdurige behandeling nodig zijn. Middels een (inzichtgevende)

psychotherapie zoals schematherapie kan de verdachte meer inzicht krijgen in de patronen

die vanaf zijn jeugd ontstaan zijn en van waaruit hij denkt, voelt en handelt. Hij zal

gestimuleerd moeten worden om zijn gedachten bij anderen te toetsen en zich open te stellen

ten aanzien van zijn sociale contacten. De rapporteurs bevelen aan om het gebruik van anti

psychotische medicatie voort te zetten. Verder dient volgens hen op termijn onderzocht te worden of bij de verdachte sprake is van een schizofreen proces. Het zal voor hem, mede vanwege zijn LVB en mogelijk ook vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek, moeilijk zijn om de waan ten aanzien van [slachtoffer] geheel los te laten. Verder passen zijn gedragingen en het gepleegde feit niet bij het beeld dat de verdachte van zichzelf heeft en

zal het om die reden ook moeilijk voor hem zijn om zijn eigen gedrag te beschouwen. Ter

terechtzitting hebben de deskundigen benadrukt dat de behandeling van de verdachte een

zeer ingewikkeld proces zal worden, mede omdat zijn verstandelijke vermogens zeer

beperkt zijn.

De verwachting is dat een behandeling van de verdachte, zoals deze door de deskundigen is

omschreven, langdurig zal zijn, en deze behandeling dient volgens de rapporteurs klinisch te

beginnen. Indien sprake zou zijn van een schizofreen proces, zal het behandelverloop daarop

aangepast moeten worden.

De verdachte wordt niet in staat geacht mee te werken aan een behandeling in een kader van

tbs met voorwaarden. Hij heeft geen ziektebesef en -inzicht, wil geen medicatie nemen en

heeft de afgelopen jaren ook laten zien niet mee te werken aan de opgelegde voorwaarden.

De rapporteurs hebben daarom geadviseerd om de behandeling van de verdachte op te

leggen in het kader van tbs met dwangverpleging.

Het hof heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van de verdachte van

27 maart 2025. Ook in deze rapportage wordt het risico op recidive, zolang de verdachte

niet adequaat wordt behandeld, ingeschat op hoog. Verder wordt in deze rapportage

aangesloten bij de conclusies van de Pro Justitia rapporteurs, dat de verdachte door

middel van een langdurige klinische opname behandeld zal moeten worden voor zijn

complexe problematiek. De reclassering heeft een maatregel tot tbs met dwangverpleging

het meest passende kader geacht om de verdachte de hulp te bieden die nodig is en het risico

op recidive terug te dringen.

Het hof neemt de conclusies uit de Pro Justitia rapportage en van de reclassering over, maakt die tot de zijne en legt die ten grondslag aan het oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de deskundigen

beschreven, noodzakelijk is.

Het hof stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs.

De verdachte had ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis. Daarnaast

betreft het bewezen verklaarde feit een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Het hof is voorts van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de

algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens

geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat het begane feit zeer

ernstig is, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte,

die daaraan ten grondslag ligt, intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling

vereist.

Het hof zal dan ook – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, ten aanzien waarvan de verdediging zich heeft gerefereerd - de maatregel tbs met dwangverpleging opleggen. De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel van tbs met verpleging van overheidswege is om die reden niet beperkt tot een periode van maximaal vier jaren.

Voor het aanvullend opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, ziet het hof, anders dan de rechtbank, evenwel geen aanleiding. Onderbouwd noch gebleken is dat in dit geval de op te leggen tbs-maatregel onvoldoende waarborgen zal bieden ter voorkoming van recidive.

Duur gevangenisstraf

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Gelet op de buitengewone ernst van dit feit is het hof van oordeel dat in beginsel alleen een gevangenisstraf van langere duur een passende en geboden reactie vormt. Zoals hiervoor overwogen neemt het hof de conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en acht het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het feit. Dit heeft een matigende doorwerking op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Het hof houdt daarnaast rekening met de doelen van de op te leggen gevangenisstraf, waaronder vergelding en algemene en speciale preventie en overweegt als volgt.

Uit de rapportage en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft. Uit de verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat uitstel hiervan prognostisch een ongunstige doorwerking heeft in de te verwachten duur van de behandeling en de kans op het welslagen hiervan. Uitstel zou onder andere kunnen leiden tot het verharden van de psychotische stoornis, terwijl gelet op de relatief jonge leeftijd van de verdachte en de daarmee gepaard gaande flexibiliteit van het brein een snelle start van de behandeling meer kans van slagen heeft. Vanuit behandelperspectief is het derhalve wenselijk om zo spoedig mogelijk met de behandeling te kunnen starten. Het hof stelt evenwel vast dat de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep niet hebben gesteld dat sprake is van een acute behoefte aan behandeling, zolang de verdachte in het PPC gestabiliseerd blijft door middel van medicatie, zoals thans het geval lijkt. In dit opzicht zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte nu anders dan ten tijde van de behandeling in eerste aanleg.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat er een spanning bestaat tussen enerzijds het belang van voorkoming van recidive (de speciale preventie), dat gebaat is bij spoedige behandeling van de verdachte en anderzijds het belang van de vergelding van het bewezenverklaarde feit vanuit het oogpunt van de nabestaanden en de samenleving en het belang van de afschrikking en normbevestiging (algemene preventie), welke laatste belangen gebaat zijn bij de oplegging van een hoge gevangenisstraf.

Anders dan door de advocaat-generaal en de verdediging betoogd, zal het hof voor de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf niet uitgaan van een hypothetische situatie waarin ditzelfde feit gepleegd zou zijn door een volledig toerekeningsvatbare dader, om vervolgens een vermindering van de op te leggen straf toe te passen aan de hand van de mate van ontoerekeningsvatbaarheid. De gruwelijkheid van het feit is naar het oordeel van het hof namelijk zo vervlochten met de bij de verdachte vastgestelde stoornis en persoonlijkheidsproblematiek dat een dergelijke mathematische exercitie naar het oordeel van het hof niet past.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf zal het hof derhalve acht moeten slaan op alle relevante factoren, te weten de ernst van het feit en de heftige gevolgen hiervan voor het slachtoffer, de nabestaanden en de samenleving, de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de toerekenbaarheid, alsmede de belangen van vergelding en generale en speciale preventie.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Vermeld wordt dat tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, indien en voor zover nog aan de orde, volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, in voorkomend geval tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Vorderingen tot schadevergoeding

Beoordelingskader schokschade

Door alle benadeelde partijen is schokschade gevorderd. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade sluit het hof aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.

Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Het hof overweegt vervolgens ten aanzien van de vorderingen van de respectieve benadeelde partijen als volgt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

Zoon van het overleden slachtoffer

In het onderhavige strafproces heeft (de voogd van) [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 196.611,53. In hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij de vordering deels beperkt en deels van een andere omschrijving/grondslag voorzien. De vordering is aan de orde tot de volgende bedragen:

Materieel:

Kosten uitvaart € 1.200,00

Levensonderhoud tot 21 jaar € 25.000,00

Immaterieel:

Aantasting in de persoon € 30.000,00

Affectieschade € 20.000,00

Schokschade € 25.000,00

De advocaat-generaal heeft hieromtrent als volgt geconcludeerd:

De advocaat-generaal heeft zich niet uitgelaten over de in hoger beroep gevorderde schokschade á € 25.000,00.

De verdediging heeft zich ten aanzien van alle posten die in hoger beroep aan de orde zijn, gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 1.200,00 materiële schade is geleden ter zake van kosten voor de uitvaart van het overleden slachtoffer. Het bestaan en de omvang van de gestelde schadepost “kosten voor levensonderhoud tot 21 jaar” is door de verdediging in hoger beroep niet weersproken, zodat het hof deze als vaststaand aanneemt, groot € 25.000,00.

Deze materiële schadeposten, totaal belopende € 26.200,00, zijn een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening. De wettelijke rente voor de post “kosten voor levensonderhoud” zal ingaan per 18 juli 2024 en met ingang van 6 augustus 2024 voor de post “kosten uitvaart” (datum factuur).

Met betrekking tot de gevorderde bedragen ter zake vergoeding van immateriële schade overweegt het hof dat het gevorderde bedrag van € 20.000,00 voor affectieschade gelet op het Besluit toewijzing affectieschade voor toewijzing in aanmerking komt.

In hoger beroep is de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd en ter terechtzitting nader toegelicht. De verdediging heeft zich ten aanzien van deze schadepost gerefereerd aan het oordeel van het hof. Naar het oordeel van het hof is voldoende aangetoond dat bij de benadeelde partij, die bij het bewezenverklaarde feit aanwezig was, een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe confrontatie met het bewezenverklaarde en/of met de ernstige gevolgen daarvan. Deze gebeurtenis heeft blijkens een overgelegd zorgplan na intake d.d. 11 mei 2026 van twee psychologen geleid tot klachten als het zoeken naar fysieke nabijheid, slaapproblemen en in algemene zin, achterblijvende ontwikkeling. Men adviseert een behandeling ter zake traumaverwerking middels pre-verbale EMDR om de ingrijpende gebeurtenissen te verwerken en de trauma gerelateerde klachten te verminderen om van daaruit de ontwikkeling op gang te brengen. Naar het oordeel van het hof is voldoende aangetoond dat sprake is van geestelijk letsel. Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hof is van oordeel dat de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 25.000,00.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag ter zake van aantasting in de persoon overweegt het hof dat op grond van hetgeen is aangevoerd thans niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij behoudens waarop de hiervoor toegewezen vergoedingen zien, overigens nog geestelijk letsel heeft ondervonden of op andere wijze is aangetast in de persoon als direct gevolg van het bewezenverklaarde. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in deze gevorderde schadepost.

De vordering ter vergoeding van immateriële schade zal aldus worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 45.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegewezen vergoeding voor immateriële schade zal het hof bepalen dat dit bedrag moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening, met een zogenaamde BEM-clausule.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 71.200,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

Zus van het overleden slachtoffer

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 25.000,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. Deze vordering bestaat uit de volgende bedragen:

Immaterieel:

Schokschade € 20.000,00

Nader te onderbouwen schade € 5.000,00

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering tot een bedrag van € 10.000,00.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard, en subsidiair dat deze dient te worden toegewezen tot het door de rechtbank toegekende bedrag van € 5.000,00.

Oordeel van het hof

In hoger beroep is de vordering tot vergoeding van schokschade nader onderbouwd. Ook is de vordering ter terechtzitting nader toegelicht. Het hof acht voldoende aangetoond dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe gevolgen van het feit, namelijk door de confrontatie met het door verwondingen aangetaste lichaam van het slachtoffer in het mortuarium. Dat heeft blijkens een overgelegde verwijsbrief van de huisarts (poh-ggz) d.d. 3 juli 2025 geleid tot een verwijzing naar de GGZ. Uit een overgelegd behandelplan van 16 oktober 2025 volgt dat onder andere sprake is van (trekken van) een posttraumatische stressstoornis mede als gevolg van de moord op haar zus. Daarbij speelt een rol het beeld wat zij had toen haar zus in het mortuarium lag. Naar het oordeel van het hof is voldoende aangetoond dat sprake van geestelijk letsel.

Gelet daarop kan de benadeelde partij aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hof is van oordeel dat de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00. Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering tot vergoeding van immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal daarom de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering zal aldus worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

Moeder van het overleden slachtoffer

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 66.812,60.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. Deze vordering bestaat uit de volgende bedragen:

Materieel:

Kosten lijkbezorging € 4.312,60

Immaterieel:

Schokschade € 40.000,00

Affectieschade € 17.500,00

Nader te onderbouwen schade € 5.000,00

De advocaat-generaal heeft hieromtrent als volgt geconcludeerd:

De verdediging hieromtrent als volgt gepleit:

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 4.312,60 materiële schade is geleden ter zake van kosten voor de lijkbezorging van het slachtoffer. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 17.500,00 ter zake van affectieschade is het hof van oordeel dat dit gelet op het Besluit toewijzing affectieschade voor toewijzing in aanmerking komt.

Voor wat betreft de posten schokschade en nader te onderbouwen schade overweegt het hof dat uit de gegevens op het voegingsformulier van de benadeelde partij en uit de daarbij overgelegde stukken niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden afgeleid. Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering zou nader onderzoek noodzakelijk zijn. Het hof is gelet daarop van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade niet kan worden behandeld zonder het onderhavige strafgeding onevenredig te belasten. Het hof zal daarom de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 21.812,60 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2023 onder parketnummer 09-043094-23 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel – gelet op de in de onderhavige zaak op te leggen straf en maatregel - geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van het feit, ten aanzien van de oplegging van straf en maatregel, alsmede ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 71.200,00 (eenenzeventigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 26.200,00 (zesentwintigduizend tweehonderd euro) materiële schade en € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat het toegewezen bedrag á € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) ter zake van immateriële schade moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij (geboren 5 juli 2024) te openen rekening met een BEM-clausule.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 71.200,00 (eenenzeventigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 26.200,00 (zesentwintigduizend tweehonderd euro) materiële schade en € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 265 (tweehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ten bedrage van € 1.200,00 (“Kosten uitvaart”) op 6 augustus 2024.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ten bedrage van € 25.000,00 (“Levensonderhoud tot 21 jaar”) op 18 juli 2024.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juli 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 19 (negentien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juli 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 21.812,60 (eenentwintigduizend achthonderdtwaalf euro en zestig cent) bestaande uit € 4.312,60 (vierduizend driehonderdtwaalf euro en zestig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 21.812,60 (eenentwintigduizend achthonderdtwaalf euro en zestig cent) bestaande uit

€ 4.312,60 (vierduizend driehonderdtwaalf euro en zestig cent) materiële schade en

€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 81 (eenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

6 augustus 2024 en van de immateriële schade op 18 juli 2024.

Wijst af de vordering van de officier van justitie, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 8 mei 2023 (parketnummer 09-043094-23) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één week.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, mr. M.A.J. van de Kar en

mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.A.J. van de Kar
  • mr. K. Versteeg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand