Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002821-24
Parketnummer: 10-054481-23
Datum uitspraak: 9 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
14 augustus 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren op [geboortedag en geboortemaand] 1972 te [geboorteland],
adres: [adres]
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 februari 2023 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, als
degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te
hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen
gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van
justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie
aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen
en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
2
hij op of omstreeks 20 februari 2023 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, Weenatunnel, een voertuig
(personenauto) met hoge snelheid rechts heeft ingehaald en/of zich vervolgens met
zijn voertuig van de rechterbaan naar de linkerbaan heeft verplaats en/of
/vervolgens tegen eerder genoemd voertuig is (aan)gereden/gebotst en/of
vervolgens de macht over het stuur verloor en/of vervolgens tegen de de wand van
de tunnel is (aan) gereden/ gebotst en/of vervolgens tegen een voor hem stilstaand
voertuig (personenauto) is (aan) gereden/ gebotst, door welke gedraging(en) van
verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,
en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak feit 1
Buiten discussie staat dat op het geval van de verdachte de situatie van toepassing is die wordt omschreven in het zevende lid van artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Van de verdachte is, kort na het ongeval in de Weenatunnel, bloed afgenomen. Dit is gebeurd door een forensisch arts, met toestemming van de hulpofficier van justitie [naam hulpofficier]. Toen de verdachte weer in staat was om toestemming te geven voor onderzoek aan het reeds van hem afgenomen bloed is die toestemming aan hem verzocht door de verbalisant [naam verbalisant] (p. 16 politiedossier). De verdachte heeft die toestemming niet gegeven. Hierna heeft de reeds genoemde hulpofficier van justitie aan de verdachte een bevel tot het verlenen van medewerking gegeven. De verdachte heeft die medewerking geweigerd.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij te Rotterdam op of omstreeks 20 februari 2023, de datum van het ongeval, geen gevolg heeft gegeven aan het zojuist bedoelde bevel. In het politiedossier is geen bevestiging te vinden voor deze pleegdatum. Voor zover er een pleegdatum wordt genoemd is dit telkens 4 april 2023. Deze datum wordt vermeld op pagina 14 en op pagina 16. Daarbij valt op dat de vermelding op pagina 16 – van 4 april 2023 als pleegdatum – plaatsvindt in een proces-verbaal dat, blijkens pagina 17, (mede) door de verbalisanten [naam verbalisant] en [naam hulpofficier] is opgemaakt en is afgesloten op 20 februari 2023.
Hoezeer ook waarschijnlijk is dat het bevel in Rotterdam is gegeven en dat de verdachte dus, zoals tenlastegelegd, in Rotterdam heeft geweigerd eraan te voldoen, is ook voor dát gegeven geen bewijs aanwezig in het politiedossier. Voor de beantwoording van de vraag op welke (exacte) locatie het bevel zou zijn gegeven en de verdachte daaraan geen gevolg zou hebben gegeven bevat het politiedossier geen enkel aanknopingspunt.
Bij gebreke van ander bewijsmateriaal op deze beide punten (plaats en tijd) dient van het bovenstaande de conclusie te zijn dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de weigering te Rotterdam heeft plaatsgevonden op of omstreeks 20 februari 2023. Dit resulteert hierin dat de verdachte van feit 1 zal worden vrijgesproken. De overige verweren van de verdediging behoeven hierdoor geen bespreking meer.
Bewijsoverweging feit 2
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw, kort samengevat, gewezen op diverse tekortkomingen in het politiedossier. Zij heeft daaraan de conclusie verbonden dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ook voor zover het betrekking heeft op feit 2, verdient het politiedossier inderdaad de volledigheidsprijs niet. Desalniettemin wijst het wél aanwezige bewijsmateriaal, in het bijzonder voor zover dit bestaat uit de getuigenverklaringen, slechts in één richting, namelijk die van een verkeersongeval met de volgende toedracht. In de Weenatunnel te Rotterdam haalt de verdachte de getuige [getuige 1], die op de linkerrijstrook rijdt, rechts in. Hij gaat daarbij te vroeg en te scherp naar links en raakt daardoor de auto van de getuige [getuige 1] aan de rechtervoorkant. De verdachte verliest hierdoor de macht over het stuur, komt tegen de linkerwand van de tunnel aan en botst uiteindelijk tegen de achterkant van de auto van de getuige [getuige 2], die in de tunnel voor een rood verkeerslicht staat te wachten. De derde getuige, [getuige 3], die ook voor het stoplicht staat (vermoedelijk vóór [getuige 2]), schetst in essentie hetzelfde beeld. Hij neemt dit waar door in zijn binnenspiegel te kijken. Als de politiefunctionarissen ter plaatse zijn, nemen zij “hevige schade aan de voorzijde van de auto” van de verdachte waar. Een van hen neemt tevens waar dat er in de voorruit van de auto van de verdachte een afdruk van binnenuit zit en dat de veiligheidsgordel in het gordelslot zit. Hij concludeert hieruit dat de verdachte zijn gordel niet droeg.
Indicaties voor een andere toedracht (een alternatief scenario) komen uit het dossier – en ook overigens – niet naar voren.
Aan de raadsvrouw kan worden toegegeven dat het dossier uitgebreider had kunnen zijn. Het proces-verbaal stelt bijlagen in het vooruitzicht die ontbreken. In het bijzonder gaat het dan om een situatietekening en een fotoblad. (Het hof heeft in dit verband kennisgenomen van het emailbericht van de raadsvrouw d.d. 12 augustus 2024 waarin zij op het ontbreken van de foto’s wijst.) Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat het denkbaar en wenselijk was geweest als er bewijsmateriaal was toegevoegd dat de getuigenverklaringen van een objectieve toets had kunnen voorzien (bijvoorbeeld een rapport van de Verkeersongevallenanalyse (inclusief technisch onderzoek), eventuele camerabeelden). Het hof erkent op zichzelf dat het onder bepaalde omstandigheden (dringend) gewenst is dat bepaald (subjectief) bewijsmateriaal – zoals verklaringen van getuigen – aangevuld wordt met objectief bewijs dat in staat is om een scenario te verifiëren of te falsifiëren. In een geval als het onderhavige evenwel, waarin het niet gaat om een misdrijf (zodat opzet en culpa geen rol spelen), waarin geen gekwantificeerde normen een rol spelen en waarin ook geen bewijsminimumregel opgeld doet, staat het ontbreken van dergelijk aanvullend materiaal niet in de weg aan een bewezenverklaring op basis van de getuigenverklaringen, gecombineerd met de waarnemingen van de politiefunctionarissen op de plaats van het ongeval. Waar het gaat om de essentie van de tenlastelegging – te weten dat de verdachte gevaarzettend rijgedrag heeft vertoond – sluiten de getuigenverklaring van [getuige 1] en [getuige 3] op elkaar aan. [Getuige 1] zegt dat hij werd ‘afgesneden’; [getuige 3] spreekt in dit verband over ‘een stuurbeweging naar links’. Dat hierbij aan de zijde van de verdachte – zoals aan hem tenlastegelegd – sprake is geweest van een ‘hoge snelheid’, zoals [getuige 1] en [getuige 3] allebei verklaren, heeft inderdaad iets normatiefs. De raadsvrouw heeft opgemerkt dat niet aan [getuige 1] is gevraagd waarop hij dit heeft gebaseerd. Desalniettemin heeft [getuige 1] verklaard dat hij waarnam dat de verdachte harder reed dan het overige verkeer (p. 11). Op die grond – en in zoverre – zal het hof de woorden ‘met hoge snelheid’ bewezen verklaren, maar het hof overweegt daarbij dat een eventuele niet-bewezenverklaring van die woorden niet tot een algehele vrijspraak zou hebben geleid. De essentie van de gevaarzetting is, zoals eerder overwogen, gelegen in het feit dat de verdachte [getuige 1] afsneed. Dat daarbij sprake is geweest van gevaar en hinder blijkt genoegzaam uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en uit datgene wat de ervaringsregels op dit punt leren. Ten slotte maakt het feit dat de getuigenverklaringen niet van handtekeningen zijn voorzien niet dat zij niet, als de inhoud van ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, voor het bewijs bruikbaar zijn.
De slotsom van het bovenstaande is derhalve dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen is.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op of omstreeks 20 februari 2023 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, Weenatunnel, een voertuig
(personenauto) met hoge snelheid rechts heeft ingehaald en/of zich vervolgens met
zijn voertuig van de rechterbaan naar de linkerbaan heeft verplaats en/of
/vervolgens tegen eerder genoemd voertuig is (aan)gereden/gebotst en/of
vervolgens de macht over het stuur verloor en/of vervolgens tegen de de wand van
de tunnel is (aan) gereden/ gebotst en/of vervolgens tegen een voor hem stilstaand
voertuig (personenauto) is (aan) gereden/ gebotst, door welke gedraging(en) van
verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,
en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Het hof stelt voorop dat het bij de bepaling van de hierna te noemen straf, mede in het licht van de vrijspraak voor feit 1, op geen enkele wijze rekening heeft gehouden met het feit dat de verdenking is ontstaan dat de verdachte feit 2 heeft begaan onder de invloed van alcohol.
De verdachte heeft op de hiervoor vermelde wijze gevaar en hinder op de weg veroorzaakt en zich aldus schuldig gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, waardoor een zeer onveilige verkeerssituatie ontstond en schade is ontstaan aan de auto’s van andere bestuurders. Daarmee heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.
Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt het hof voorts rekening met de omstandigheid dat de financiële positie van de verdachte geen ruimte biedt voor de oplegging van een geldboete.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 april 2026.