Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002220-25
Parketnummer: 10-165856-24
Datum uitspraak: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank [geboorteplaats] van 10 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts is het geschorste bevel voorlopige hechtenis opgeheven en is er een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen de borst en/of het lichaam te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een instabiele breuk van beide onderbeen botten ter hoogte van de enkel met een instabiele breuk van de enkelvork ten gevolge heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. In het bijzonder komt het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij.
Nadere bewijsoverwegingen
Voorwaardelijk opzet
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, (kort samengevat) omdat de verdachte niet het doel had om aangeefster pijn te doen of lichamelijk letsel toe te brengen en daarnaast ook omdat duwen niet zonder meer de aanmerkelijke kans op pijn of letsel oplevert. Derhalve kan – zo begrijpt het hof – het opzet niet bewezen worden en dient vrijspraak te volgen.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Het hof stelt voorop dat niet kan worden bewezen dat de verdachte vol opzet op pijn of letsel bij aangeefster heeft gehad. De vraag is of kan worden bewezen dat wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier pijn en lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte op enig moment voorafgaand aan het tenlastegelegde geld had geleend van aangeefster en dat zij op 17 mei 2024 bij de verdachte is langsgegaan om het geleende bedrag terug te krijgen. Nadat aangeefster zich op oneigenlijke wijze de toegang had verschaft tot het trapportiek van het gebouw waar de verdachte woont, is zij bij de voordeur van de woning van de verdachte in een discussie met de verdachte geraakt. De verdachte heeft haar daarbij gevraagd te vertrekken, hetgeen aangeefster weigerde (indien zij haar geld niet zou terugkrijgen). Vervolgens heeft de verdachte haar een forse duw gegeven waardoor aangeefster uit balans raakte en tegen een muur aan kwam. Nadat aangeefster de verdachte uit boosheid had teruggeduwd, heeft de verdachte aangeefster nogmaals een krachtige duw gegeven, ten gevolge waarvan aangeefster met haar hoofd tegen een muur en op de grond is terechtgekomen. Aangeefster voelde vervolgens direct een hele heftige pijn in haar rechtervoet en been. Later bleek zij een instabiele breuk van beide onderbeenbotten ter hoogte van de enkel met een instabiele breuk van de enkelvork te hebben opgelopen.
Aangeefster heeft de eerste duw als volgt omschreven:
“Ik zag en voelde dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) op mij afkwam. Ik zag en voelde dat hij zijn beide handen op mijn borst zette. Ik voelde dat [verdachte] mij een harde duw gaf. Ik voelde dat het leek alsof hij zijn hele gewicht erachter zette. Ik voelde dat ik hierdoor mijn evenwicht verloor en bij moest stappen om niet op de grond te vallen. Ik voelde dat ik half tegen de muur aankwam en half weggleed.”
De tweede duw omschrijft zij als volgt:
“Ik zag en voelde wel dat [verdachte] mij nogmaals een duw gaf. Wederom voelde ik dat hij zijn beide handen tegen mijn borst zette en (het hof begrijpt: mij) naar achter duwde. Ik voelde dat de duw net zo hard was als de eerste duw die ik van [verdachte] kreeg. Ik kan mij niet meer herinneren hoe ik gevallen ben, maar ik ben op de grond terecht gekomen.”
De verdachte heeft zelf over het duwen van aangeefster bij de politie onder meer verklaard dat hij aangeefster met heel zijn gewicht heeft geduwd. Ook verklaart hij dat hij aangeefster heeft beetgepakt en haar een flinke duw heeft gegeven, waardoor zij met haar hoofd tegen de muur op het portiek terechtkwam, een klein stukje in elkaar zakte en vervolgens op de grond zat.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster met opzet meermalen een zeer harde duw tegen de borst heeft gegeven. Een dergelijk handelen is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van pijn of letsel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de desbetreffende gevolgen heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is niet gebleken. Daarbij merkt het hof nog op dat het geven van een (zeer) krachtige duw naar algemene ervaringsregels geschikt is om iemand zodanig uit evenwicht te brengen dat deze daardoor ten val komt, hetgeen veelal enige vorm van pijn en/of letsel ten gevolge zal hebben.
Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte, door aangeefster opzettelijk en met veel kracht te duwen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster daardoor pijn en lichamelijk letsel zou oplopen. Dat de verdachte aangeefster duwde omdat hij wilde dat zij vertrok uit het trapportaal, doet daar niet aan af.
Het hof verwerpt het verweer.
Rechtvaardigingsgrond?
De verdediging heeft voorts betoogd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden dan wel ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte handelde uit noodweer, althans dat het handelen van de verdachte (waaronder het duwen van aangeefster) niet als wederrechtelijk kan worden beschouwd omdat dat gerechtvaardigd was. Het stond de verdachte vrij zijn huisrecht op deze wijze te beschermen, aldus (kort samengevat) het betoog van de raadsman.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Het hof gaat er bij de beoordeling van het hiervoor weergegeven verweer van uit dat aangeefster, zoals zij zelf ook heeft verklaard, zich op oneigenlijke wijze de toegang had verschaft tot het trapportiek van het gebouw waar de verdachte woont om een aan de verdachte uitgeleend bedrag terug te vorderen en terug te krijgen. Ook gaat het hof ervan uit dat de verdachte in de discussie die daarop volgde aangeefster heeft verzocht het pand te verlaten. Om dat verzoek (letterlijk) kracht bij te zetten, heeft de verdachte aangeefster vervolgens een (zeer) krachtige duw gegeven. Daarop heeft aangeefster gereageerd door de verdachte een duw terug te geven. Dat aangeefster de verdachte ook heeft geslagen zoals de verdachte heeft gesteld, acht het hof niet aannemelijk. Daarvoor ontbreekt iedere steun. Dat geldt overigens ook voor de stelling van de verdachte dat de moeder van aangeefster hem op enig moment heeft geduwd en voor de stelling dat aangeefster (en/of haar moeder) daadwerkelijk voet in de woning van de verdachte heeft (hebben) gezet. Kort na de duw van aangeefster heeft de verdachte aangeefster wederom een (zeer) harde duw gegeven, waardoor zij ten val is gekomen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De gestelde (dreigende) schending van het huisrecht en de daarmee gepaard gaande huisvredebreuk rechtvaardigen geen geslaagd beroep op noodweer. Artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt immers dat (slechts) degene die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, niet strafbaar is. Met de term 'goed' worden voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 BW) bedoeld (zie HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1015). De basis van het beroep op noodweer kan dus niet worden gezocht in een schending van het huisrecht (ook al gaat deze gepaard met enig fysiek geweld). Resteert de vraag of het handelen van aangeefster (waaronder de duw die zij heeft gegeven) desondanks dient te leiden tot honorering van het verweer.
Het hof beantwoordt ook die vraag ontkennend. De door aangeefster (in reactie op de eerste duw van de verdachte) gegeven duw (waarbij niet is gebleken dat die duw de verdachte in welke zin dan ook uit balans heeft gebracht) levert geen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte op waartegen het nogmaals (zeer) krachtig duwen van aangeefster als een noodzakelijke verdediging geboden was. Allereerst kan de (terug)duw van aangeefster naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet worden beschouwd als zodanig bedreigend voor de verdachte dat dat kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr, terwijl voorts niet aannemelijk is geworden dat de verdachte onder de gegeven omstandigheden moest vrezen voor verdere agressie van aangeefster dan wel van haar moeder. Daar komt nog bij dat de gedragingen van de verdachte noch op grond van diens bedoelingen, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen kunnen worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moeten worden gezien. Het was immers de verdachte die als eerste geweld heeft gebruikt door zijn voormalige vriendin/partner een zeer forse duw te geven, terwijl dat handelen niet gerechtvaardigd kon worden door een beroep op de vermeende schending van zijn huisrecht en ook overigens niet anders kan worden gezien dan als een daad van agressie.
Het handelen van aangeefster – wat daar van ook zij – ontneemt op geen enkele wijze de wederrechtelijkheid aan het duwen door de verdachte, zodat het verweer ook in zoverre wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 17 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen de borst en/of het lichaam te duwen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een instabiele breuk van beide onderbeen botten ter hoogte van de enkel met een instabiele breuk van de enkelvork ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door het slachtoffer meermalen een krachtige duw te geven. Als gevolg daarvan heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat letsel bestond uit een instabiele breuk van beide onderbeenbotten ter hoogte van de enkel met een instabiele breuk van de enkelvork. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag nog altijd de gevolgen van de mishandeling ondervindt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Hoewel het hof het de verdachte aanrekent dat hij zich (wederom) heeft schuldig gemaakt aan een geweldsdelict en het hof ook oog heeft voor de zeer nare gevolgen die dat heeft gehad voor het slachtoffer, kan het hof er ook niet omheen dat het slachtoffer een aandeel heeft gehad in de aanloop naar het bewezenverklaarde, in die zin dat het onaangekondigd voor de deur staan, nadat zij zich op oneigenlijke wijze de toegang tot het trapportaal had verschaft, het weigeren te vertrekken en het terugduwen van de verdachte, de kans op escalatie van het conflict over geld onmiskenbaar hebben vergroot. Dat is geen rechtvaardiging voor het bewezen verklaarde handelen van de verdachte, maar maakt wel dat in de bijzondere omstandigheden van het geval een onvoorwaardelijke straf - bovenop de dagen die de verdachte al heeft vastgezeten - niet passend is.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt. Met deze straf beoogt het hof enerzijds de ernst van het feit en de mate van recidive tot uitdrukking te laten komen en anderzijds recht te doen aan de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er mede toe de verdachte er van te weerhouden zich wederom aan een strafbaar feit schuldig te maken.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 39.555,10, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 39.555,10.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.071,89, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de proceskosten volgens het liquidatietarief dienen te worden toegekend.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, waarbij (meer subsidiair) ook is gewezen op de medeschuld van de aangeefster.
Het hof merkt allereerst op dat de vordering van de benadeelde partij niet bepaald uitblinkt in duidelijkheid, omdat er meerdere vorderingen in het dossier zitten. Daarbij komt dat de politierechter ook nog weer een paar andere posten heeft toegewezen, die niet in de verschillende vorderingen lijken terug te komen. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij een en ander (enigszins) verduidelijkt en heeft hij aangegeven dat bedoeld was een bedrag van € 39.555,10 te vorderen en dat uitgegaan dient te worden van het voegingsformulier gedateerd 13 januari 2025. Desondanks zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, gelet op het volgende.
Zoals hiervoor reeds overwogen, kan het hof er niet omheen dat de benadeelde partij zelf ook een aandeel heeft gehad in de aanloop naar het bewezenverklaarde. Zij heeft immers zelf de confrontatie met de verdachte opgezocht door onaangekondigd naar zijn woning te gaan. Zij heeft beneden bij de portiekdeur van zijn flat expres niet bij de verdachte zelf maar bij een van de haar bekende buren aangebeld en gevraagd of men de portiekdeur wilde openen, omdat zij wist dat de verdachte niet zou opendoen als ze bij hem zou aanbellen. Vervolgens heeft zij bij de voordeur van zijn appartement aangebeld en om haar geld gevraagd, waarmee zij hem op dat moment overrompelde. Dit werd versterkt doordat de benadeelde partij haar moeder had meegenomen. Nadat de verdachte aangaf dat hij geen geld had en de lening op dat moment niet kon terugbetalen, bleef zij aandringen. Toen de verdachte haar vroeg te vertrekken, heeft zij dit geweigerd, omdat zij haar geld nog niet had gekregen. Ook heeft zij, nadat zij de eerste duw van de verdachte had gekregen, een duw teruggegeven aan de verdachte. Dit samenstel van handelen van de benadeelde partij zelf heeft de kans op escalatie van het conflict over geld onmiskenbaar vergroot. Dientengevolge is het de vraag of daardoor op grond van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek een deel van de schade – en zo ja welk deel – voor rekening van de benadeelde partij dient te blijven. De beantwoording van die vraag is in het voorliggende geval niet eenvoudig en vergt een verdergaand onderzoek en debat. Het hof acht in dat verband ook niet verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de verschillende schadeposten en de eventuele eigen schuld genoegzaam naar voren te brengen.
Gelet op het vorenstaande levert de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, mr. B.P. de Boer en mr. A. de Lange, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juni 2026.