Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000694-24
Parketnummer: 09-030233-23
Datum uitspraak: 3 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum 1] 1978,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg beslist over de vorderingen van de benadeelde partijen en de in beslag genomen voorwerpen, zoals vermeld in het vonnis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 22 februari 2024 is het hoger beroep niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing tot vrijspraak van het onder
2 tenlastegelegde. Ook het openbaar ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de vrijspraak.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 29 januari 2022 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en/of die een kind was dat verdachte verzorgde of opvoeddde als behorend tot zijn gezin en/of die aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het
- betasten van haar borsten en/of vagina,
- ( tong)zoenen met die [slachtoffer] ,
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] , althans zijn penis door haar laten betasten,
- brengen van zijn vinger(s), tong en/of penis in haar vagina, althans tegen haar clitoris, althans tussen haar schaamlippen,
- brengen van zijn vinger in haar anus en/of
- brengen van zijn penis in haar mond.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. In het bijzonder zal het hof de bewijsvoering anders vormgeven en komt het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Bewijsoverwegingen
Juridisch kader bewijs in zedenzaken
Bij de beoordeling van het bewijs stelt het hof voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen.
Ingevolge het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er is steunbewijs nodig.
Wat betreft het vereiste van steunbewijs kan uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken worden afgeleid dat niet is vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring van het vermeende slachtoffer en het overige bewijsmateriaal mag echter niet een te ver verwijderd verband bestaan.
Het hof zal eerst toetsen of de verklaring van aangeefster (hierna ook: [slachtoffer] ) betrouwbaar kan worden geacht. Het hof zal vervolgens beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs, afkomstig van een andere bron, en dat er met dit bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaat ten opzichte van de verklaring van [slachtoffer] .
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. In dit verband heeft de verdediging er op gewezen dat de verklaringen van [slachtoffer] inconsistent, niet accuraat en onderling tegenstrijdig zijn. Het hof is, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] .
heeft naar het oordeel van het hof in voldoende mate gedetailleerd en consistent verklaard over de seksuele handelingen tussen haar en de verdachte en ook hoe de opbouw van het seksueel contact is verlopen. Over de kern van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt, namelijk het langdurig plegen en laten verrichten van seksuele ontuchtige handelingen, en over de aard van de handelingen, zijn haar op verschillende momenten afgelegde verklaringen in grote lijnen consistent en ook voldoende gedetailleerd. Het hof ziet in de verklaringen geen aanwijzingen dat [slachtoffer] dingen heeft verzonnen of de verdachte ten onrechte in een kwaad daglicht stelt dan wel bepaalde zaken heeft aangedikt. De verdachte heeft overigens desgevraagd te kennen gegeven zelf ook geen idee te hebben waarom [slachtoffer] de beschuldigingen zou verzinnen. De verklaringen zijn evenmin voor tweeërlei uitleg vatbaar en niet tegenstrijdig. Het hof constateert dat de aangeefster over bepaalde details - zoals tijdstippen waarop het misbruik plaatsvond en waar haar moeder ten tijde van het misbruik was - inderdaad enigszins wisselend en mogelijk niet accuraat heeft verklaard, maar dit doet naar het oordeel van het hof evenwel geen afbreuk aan de kern van de verklaringen van het slachtoffer, namelijk dat de verdachte haar langdurig seksueel heeft misbruikt. Dit kan te wijten zijn aan de leeftijd van [slachtoffer] destijds, de veelheid en de emotionele impact van de seksuele handelingen en/of het tijdsverloop. Dit maakt in elk geval naar het oordeel van het hof de verklaringen van [slachtoffer] niet onbetrouwbaar.
Verder acht het hof het voor zijn oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn van belang dat in het dossier voldoende steunbewijs voorhanden is, te weten de resultaten van het DNA-onderzoek (aangaande het vaderschap van de baby van [slachtoffer] ) en hetgeen is verklaard over de wijze waarop de seks met de verdachte meestal plaatsvond. Daarop wordt hieronder nader ingegaan.
De door en/of namens de verdachte ingebrachte “printscreens” van vermeend berichtenverkeer tussen hem en aangeefster laat het hof buiten beschouwing. De authenticiteit van die berichten kan niet voldoende worden vastgesteld, terwijl aangeefster ten overstaan van de rechter-commissaris heeft ontkend dergelijke berichten te hebben verstuurd. Ook overigens ziet het hof in hetgeen door de verdediging in dit verband is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
Het hof komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de verklaringen van [slachtoffer] als betrouwbaar en geloofwaardig kunnen worden aangemerkt en tot uitgangspunt kunnen worden genomen bij de beantwoording van de vraag of het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.
Steunbewijs
De volgende vraag die het hof moet beantwoorden, is of de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal dat niet in een te ver verwijderd verband staat met haar verklaring over het gestelde misbruik. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Nadat [slachtoffer] op [datum] is bevallen, heeft er een DNA-verwantschapsonderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) plaatsgevonden. Bij dit onderzoek zijn de DNA-profielen van de verdachte, [slachtoffer] en de baby betrokken. Het NFI heeft op grond van het onderzoek geconcludeerd dat de verdachte de biologische vader van het kind kan zijn en dat de kans op de verkregen autosomale DNA-profielen, onder de aanname dat [slachtoffer] de biologische moeder van de baby is, meer dan 1 miljard keer groter is wanneer de verdachte de biologische vader van de baby is, dan wanneer een willekeurige man, niet verwant aan de verdachte, de biologische vader van de baby is. Hoewel de conceptie (zoals in hoger beroep uit het rapport van prof. Reiss is gebleken) mogelijk na de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden, geeft het gegeven dat de verdachte de vader van het kind is naar het oordeel van het hof niettemin steun aan de verklaring van [slachtoffer] over het ten laste gelegde seksueel misbruik en past dat daar ook bij voor wat betreft de periode waarin dat misbruik volgens [slachtoffer] zou hebben plaatsgevonden (te weten vanaf haar 14e tot kort na haar 16e verjaardag). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het vaderschap in (een niet te ver verwijderd) verband staat met de door aangeefster beschreven seksuele gedragingen welke in de ten laste gelegde periode zijn begaan. De kern van de beschuldiging is immers seksueel contact tussen aangeefster en de verdachte over een langere periode en het vaderschap biedt daaraan steun.
Overigens kan ook steun voor de verklaring van [slachtoffer] worden gevonden in de verklaringen van de moeder van [slachtoffer] en van de verdachte zelf. [slachtoffer] geeft aan dat de seksuele handelingen vaak het zogeheten ‘standje 69’ betroffen. De moeder van [slachtoffer] (en toenmalige partner van de verdachte) heeft hierover verklaard dat als zij seks met de verdachte had, zij meestal de ‘69 houding’ aannamen (zie verhoor op p. 70 van het procesdossier). Dat hij op die wijze seks had met zijn partner, is bevestigd door de verdachte. Dat seks met de verdachte volgens [slachtoffer] meestal op die wijze plaatsvond, is een opvallend detail dat dus (voor wat betreft de kennelijke voorkeur van de verdachte op dat gebied) bevestiging vindt in onder meer de verklaring van de moeder van [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] daar niet met haar moeder over had gesproken (zie verklaring [slachtoffer] bij rechter-commissaris op 17 oktober 2023, randnummer 22).
Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] niet op zichzelf staat en wordt ondersteund door het NFI- rapport waaruit volgt dat de verdachte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de vader van de baby van [slachtoffer] is en door de verklaringen van de verdachte en de moeder van [slachtoffer] over de kennelijke voorkeur bij de seksuele handelingen voor ‘standje 69’.
Alternatief scenario niet aannemelijk geworden
De verdachte heeft (pas) ter zitting verklaard dat [slachtoffer] na haar zestiende verjaardagsfeest in [maand 1] 2022 seks met hem zou hebben gehad toen hij (na te hebben gedronken) op de bank lag te slapen. Hij zou een halve liter zelfgestookte Poolse drank hebben gedronken. De verdachte verklaart zich niet te herinneren dat hij seks met haar heeft gehad, maar alleen dat hij naast haar wakker werd.
Het hof merkt in navolging van de rechtbank op dat het verhaal van de verdachte is veranderd naarmate hij meer bekend is geworden met de inhoud van het dossier. Initieel verklaarde hij aan de moeder van [slachtoffer] , nadat bekend was geworden dat [slachtoffer] zwanger was en zij haar moeder had verteld dat de verdachte de vader was, dat [slachtoffer] provocerend gedrag zou hebben vertoond richting hem en dat zij zich al een langere periode aan hem opdrong. Ter zitting verklaarde hij echter dat van (seksueel) provocerend gedrag van [slachtoffer] geen sprake van was. Ook wisselt de datum waarop de seks volgens de verdachte zou zijn voorgevallen. In november 2022 verklaarde hij dat het in maart/april 2022 zou zijn gebeurd, mogelijk op basis van de omstandigheid dat initieel werd uitgegaan van een vroeggeboorte van de baby na 34 weken. Ter zitting verklaarde de verdachte echter dat de seks zou hebben plaatsgevonden na het verjaardagsfeest van [slachtoffer] in [maand 2] of [maand 1] 2022. Dat de verdachte verschillende feestjes door elkaar kan hebben gehaald omdat die allemaal op elkaar leken en daar steeds hetzelfde bezoek kwam, zoals de verdachte heeft betoogd, wordt overigens weersproken door [slachtoffer] , die bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij haar verjaardag niet met [persoon 1] en [persoon 2] (die volgens de verdachte zowel met Pasen als op het verjaardagsfeestje van [slachtoffer] aanwezig waren) heeft gevierd. Zij heeft, bevraagd naar de lezing van de verdachte, ook uitdrukkelijk ontkend dat zij ooit uit zichzelf naar de verdachte is toegegaan.
Daar komt nog bij dat de verdachte op de zitting in eerste aanleg uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen andere reden heeft om te denken dat hij seks met [slachtoffer] heeft gehad dan dat zij naast hem lag toen hij wakker werd, terwijl de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij zich wel degelijk herinnert dat hij een stijve penis had gehad, omdat hij pijn zou hebben gehad. Die wisselende verklaringen van de verdachte doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte, terwijl het door de verdachte opgevoerde scenario reeds op voorhand als zeer onwaarschijnlijk te bestempelen is.
Ook het hof vindt het uiterst onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] – die heeft verklaard nog nooit met iemand anders seks te hebben gehad – ervoor heeft gezorgd dat de verdachte in zijn slaap een erectie heeft gekregen en vervolgens seks met hem heeft gehad waarbij hij in haar is klaargekomen, zonder dat de verdachte daar tijdens de seks ook maar iets van heeft gemerkt. Daarbij komt dat, als het echt zo is gegaan als de verdachte beweert en hij met een erectie wakker werd terwijl [slachtoffer] naast hem lag, het onwaarschijnlijk is dat hij hier met geen enkel woord met haar moeder over heeft gesproken en bovendien is vergeten na welk feestje dit was gebeurd. In elk geval dit aspect – of misschien wel juist dit aspect – maakt dat het feestje dan anders was dan de andere feestjes. Dat er in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen steun voor de lezing van de verdachte kan worden gevonden, verbaast dan ook niet.
Het hof concludeert evenals de rechtbank dat de lezing van de verdachte over hoe het kan dat [slachtoffer] zwanger van hem is geraakt in het geheel niet aannemelijk is geworden en schuift deze als ongeloofwaardig terzijde.
Ontucht
Nu het hof de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar acht en deze verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door de overige bewijsmiddelen, terwijl de lezing van de verdachte over hoe [slachtoffer] zwanger is geraakt als ongeloofwaardig terzijde is gesteld, zal het hof uitgaan van de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 29 januari 2022 in Den Haag ontucht heeft gepleegd met zijn stiefdochter [slachtoffer] , die hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin. De verdachte heeft in die periode de ontuchtige handelingen stapsgewijs opgebouwd, beginnend bij het betasten van de borsten en vagina over de kleding en daarna eronder. Geleidelijk aan heeft de verdachte dit doen overgaan in (tong)zoenen met [slachtoffer] , het zich laten aftrekken door [slachtoffer] en het vingeren en oraal bevredigen van [slachtoffer] , waarna de ontuchtige handelingen zijn overgaan in seks met [slachtoffer] en orale bevrediging door [slachtoffer] van de verdachte.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op één of meerdere momenten in of omstreeks de periode van 1 oktober 2020 tot en met 29 januari 2022 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en/of die een kind was dat verdachte verzorgde of opvoeddde als behorend tot zijn gezin en/of die aan de zorg of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het
- betasten van haar borsten en/of vagina,
- ( tong)zoenen met die [slachtoffer] ,
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] , althans zijn penis door haar laten betasten,
- brengen van zijn vinger(s), tong en/of penis in haar vagina, althans tegen haar clitoris, althans tussen haar schaamlippen,
- brengen van zijn vinger in haar anusen/of
- brengen van zijn penis in haar mond.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, Sv wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder en grotendeels in navolging van de rechtbank, het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik gedurende een periode van meer dan een jaar van [slachtoffer] , een jong meisje dat door hem werd opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Het misbruik begon toen zij veertien jaar oud was en heeft geduurd tot haar zestiende jaar. Er was soms sprake van penetratie, soms van orale bevrediging, soms van andere ontuchtige handelingen en soms van een combinatie daarvan.
De verdachte heeft in het geheel geen rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van [slachtoffer] en uitsluitend gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Met zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Het vertrouwen dat [slachtoffer] in haar stiefvader zou moeten kunnen stellen, is in zeer ernstige mate beschaamd. Daarnaast heeft hij haar gedurende een lange periode een zeer onveilige thuissituatie bezorgd.
Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik een grote invloed heeft op de slachtoffers daarvan en, zeker bij jongeren in de puberteit, tot psychische en relationele problemen kan leiden op latere leeftijd. Het behoeft geen betoog dat ook [slachtoffer] ernstig is beschadigd door het handelen van de verdachte. Haar puberjaren zijn haar ontnomen en zij heeft haar eerste seksuele ervaringen met haar stiefvader beleefd, waardoor geen sprake is geweest van een vrije seksuele ontwikkeling. Uit de slachtofferverklaringen die namens [slachtoffer] zijn voorgedragen volgt dat het handelen van de verdachte een zeer grote impact op haar heeft gehad en dat zij nog steeds de nadelige gevolgen van het misbruik ondervindt en met zich meedraagt. Ze ervaart – ook door de proceshouding van de verdachte – gevoelens van woede, verdriet, pijn en machteloosheid. Ze is onder behandeling van een psycholoog en heeft onder meer EMDR-therapie gevolgd. Haar vertrouwen in mensen heeft een flinke deuk opgelopen en zij kan zich niets voorstellen bij een relatie. Ze is nog steeds bang voor de verdachte en ziet op tegen het moment waarop hij vrijkomt.
De persoon van de verdachte
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2026 is hij niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 30 juni 2023, 16 mei 2025 en 16 februari 2026, en van het Pro Justitia rapport van psycholoog drs. R. de Vries van 11 mei 2023.
De verdachte is volgens de psycholoog lijdende aan een psychische stoornis van zijn geestvermogens, in diagnostische zin te omschrijven als een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk theatrale- (histrionische), hysterische-, borderline- en antisociale trekken, bij een onrijp gevoelsleven. Er is geen sprake van pedofilie, omdat een uitgesproken seksuele gerichtheid van de verdachte op pre-puberale meisjes (tot dertien jaar) ontbreekt. De aan de verdachte tenlastegelegde seksuele gedragingen worden vooral gezien als opportunistisch van aard, vanuit een sterke, wat kinderlijke behoefte aan affectie en bevestiging, bij een verhoogde seksuele aandrift en een meer algemeen gebrek aan remming van impulsen, bij een overigens intacte gewetensfunctie. Voor het verkrijgen van warmte en seksuele bevrediging is de verdachte zich meer en meer gaan richten op zijn stiefdochter. Hierbij speelt de persoonlijkheid van de verdachte in lichte mate een rol, maar vooral opportunisme: het willens en wetens misbruiken en daarmee beschadigen van zijn stiefdochter voor eigen genot. De kern van de machtsongelijkheid was gelegen in het grote leeftijdsverschil en de verdachte zijn verzorgende ouderrol.
Door de psycholoog wordt geadviseerd het tenlastegelegde bij bewezenverklaring in ten hoogste licht verminderde mate toe te rekenen.
De reclassering schrijft in het meest recente rapport – waarin wordt gekeken naar eventuele voorwaarden in het geval van een voorwaardelijke invrijheidsstelling – dat het als gevolg van de houding van de verdachte niet mogelijk is om, zoals de pro-Justitia rapporteur adviseerde, een behandeling in te zetten en daarmee te werken aan gedragsverandering en verlaging van het risico op recidive. Het risico op onttrekking aan de voorwaarden schat de reclassering in als hoog. De verdachte lijkt volgens de reclassering geen probleembesef te hebben waardoor het aannemelijk is dat behandeling niet van de grond zal komen. De reclassering adviseert daarom tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, omdat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met bijzondere voorwaarden de risico's tijdens de proeftijd te beperken.
De op te leggen straf
Nu de conclusies van de psycholoog gedragen worden door de (ook recente) bevindingen van de reclassering en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt het hof deze over en legt die conclusies mede aan haar oordeel over de straftoemeting ten grondslag. De verdachte wordt in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf verder rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum. Tot slot heeft het hof gekeken naar wat strafrechters in Nederland in vergelijkbare zaken hebben opgelegd.
Het hof houdt in strafverzwarende zin rekening met de volgende omstandigheden:
Het hof neemt dit alles de verdachte zeer kwalijk.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Hoewel het samenstel van de hiervoor genoemde strafverzwarende factoren daarvoor aanleiding zou kunnen geven, ziet het hof gelet op de licht verminderde toerekenbaarheid van de verdachte ervan af een hogere straf op te leggen dan is gevorderd en in eerste aanleg aan de verdachte is opgelegd.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Voor de oplegging van een contactverbod ziet het hof geen mogelijkheid. De duur van de op te leggen gevangenisstraf biedt geen ruimte voor het opleggen van een contactverbod als bijzondere voorwaarde, terwijl naar het oordeel van het hof ook niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
Verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte
De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Gelet op de bewezenverklaring en de op te leggen straf, en nu de bezwaren en gronden nog steeds aanwezig zijn, wijst het hof dit verzoek af.
Vorderingen tot schadevergoeding van [slachtoffer] en [benadeelde partij]
In het onderhavige strafproces hebben [slachtoffer] en [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde. Voordat het hof de vorderingen van [slachtoffer] en [benadeelde partij] per schadepost zal bespreken, maakt het hof eerst nog twee opmerkingen die op beide vorderingen zien.
Posten die betrekking hebben op de zwangerschap, de bevalling en de adoptie
Vaststaat dat [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ) op [datum] is bevallen van een dochtertje waarvan blijkens het rapport van het NFI de verdachte met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid de biologische vader is. De verdachte heeft dit ook niet ontkend. Het hof gaat daar dan ook van uit.
In hoger beroep is echter gebleken dat de conceptiedatum van deze zwangerschap niet eenduidig is vast te stellen. Uit het rapport van neonatoloog prof. dr. I.K.M. Reiss (dat in hoger beroep aan het dossier is toegevoegd) volgt dat de conceptie mogelijk heeft plaatsgevonden ná de 16e verjaardag van [slachtoffer] . Daarmee ligt de conceptiedatum in de periode van hetgeen aan de verdachte onder feit 2 ten laste was gelegd, terwijl de verdachte van dat feit is vrijgesproken door de rechtbank, omdat de rechtbank op basis van de toen beschikbare stukken van oordeel was dat de conceptiedatum vóór de 16e verjaardag van [slachtoffer] lag. Deze vrijspraak staat vast en is voor het hof onaantastbaar.
Als gevolg van de onaantastbare vrijspraak voor feit 2 kan het hof geen oordeel (meer) geven over de schade die is veroorzaakt door gebeurtenissen van ná de 16e verjaardag van [slachtoffer] . Alleen al om die reden zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het deel van hun vordering dat ziet op de zwangerschap, de bevalling en de adoptie. Daarnaast geldt dat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren als de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid zou worden gesteld om te proberen aan te tonen dat de conceptiedatum toch vóór de 16e verjaardag van [slachtoffer] lag.
Gelet op het vorenstaande zal het hof de benadeelde partijen dan ook niet-ontvankelijk verklaren voor zover de gevorderde schade samenhangt met de zwangerschap, de bevalling en de adoptie. Het hof zal ook niet overgaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in verband met dit deel van de gevorderde schade, nu ook die beslissing niet te verenigen is met de vrijspraak voor feit 2.
Dat wil niet zeggen dat deze schade niet (ook) door de verdachte moet worden vergoed. De benadeelde partijen kunnen deze vorderingen wel aan de civiele rechter voorleggen, die, anders dan de strafrechter, (in beginsel) niet aan het onderscheid (enkel) op basis van de leeftijd, zoals ten laste gelegd, van [slachtoffer] gebonden is.
De posten “Nader te onderbouwen schade”
[slachtoffer] heeft in haar vordering een post “Nader te onderbouwen schade” van € 25.000,00 opgenomen. In de toelichting bij deze post staat:
“Voor een eventuele hoger beroep procedure vordert Asia een vergoeding voor de nader te onderbouwen schade een bedrag van € 25.000,00. Dit is schade die nog niet is gevorderd, dan wel niet bekend is, dan wel toekomstig is. Het betreft zowel materiële- als immateriële schade.”
In hoger beroep heeft de advocaat van [slachtoffer] aangegeven dat zij die post nader wilde specificeren/invullen met aanvullende schadeposten, namelijk de post “eigen risico 2025 & 2026” (van in totaal € 750,00) en de post “aanvullende reiskosten nieuwe psycholoog” van € 75,00. Deze posten worden daarmee in hoger beroep gevorderd, naast de andere, in eerste aanleg al gevorderde posten. De post “Nader te onderbouwen schade” wordt vervolgens met die bedragen verlaagd tot € 24.175,00, waarbij is aangegeven dat [slachtoffer] voor dat deel van deze post niet-ontvankelijk kan worden verklaard, aangezien dat deel nog slechts is opgenomen in verband met een eventuele cassatie.
Het hof overweegt ten aanzien van de post “Nader te onderbouwen schade” als volgt.
Deze post is in eerste aanleg onvoldoende geconcretiseerd. De omschrijving – “zowel materiële- als immateriële schade” – is zeer breed en algemeen. In zijn arrest van 29 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1819) heeft de Hoge Raad overwogen dat het “eerst in hoger beroep opgeven van een bedrag ter zake van een pro memorie post heeft te gelden als verhoging van het bedrag van de in eerste aanleg opgevoerde schadepost tengevolge waarvan de grenzen van de eerste vordering in strijd met art. 421, derde lid, Sv worden overschreden.” Het hof is van oordeel dat door de algemene omschrijving bij de post “Nader te onderbouwen schade” deze post enkel van een pro memorie post verschilt, doordat er een (tot op zekere hoogte willekeurig) bedrag bij genoemd is. Dat is echter niet voldoende.
Naar het oordeel van het hof dient de nadere invulling van deze post daarmee te worden aangemerkt als een verhoging van de vordering ten opzichte van het in eerste aanleg gevorderde, hetgeen – overeenkomstig het genoemde arrest van de Hoge Raad – in strijd is met artikel 421 lid 3 Sv. Om die reden zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof ziet ook geen aanleiding om de uit artikel 421 lid 3 Sv voortvloeiende beperkingen te omzeilen door voor de hier aan de orde zijnde schadeposten wel de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Ook [benadeelde partij] heeft een post “Nader te onderbouwen schade” met dezelfde toelichting in haar vordering opgenomen, maar dan voor een bedrag van € 2.500,00, welk bedrag ter zitting in eerste aanleg nog is verhoogd naar € 12.500,00. In hoger beroep is deze post niet nader gespecificeerd. Ook [benadeelde partij] zal, gelet op het vorenstaande, niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 104.980,92, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is in hoger beroep – na verlaging van de post eigen risico 2024 met € 55,40 – gehandhaafd, zodat deze tot een bedrag van € 104.925,52 ter beoordeling aan het hof voorligt. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van € 5.750,52 aan materiële schade, een bedrag van € 75.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 24.175,00 aan nader te onderbouwen schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 40.941,98, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijk-verklaring van de benadeelde partij in het overige gevorderde.
De verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair de onevenredige belasting van het strafgeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij is ook ten aanzien van een tweetal materiële schadeposten betwist. Ten aanzien van de immateriële schade is namens de verdachte (meer subsidiair) bepleit die te matigen tot maximaal € 20.000,00.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade van in totaal € 5.750,52
Ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 62,00)
Zoals hiervoor reeds overwogen, dient de benadeelde partij naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, voor zover die ziet op de schade die samenhangt met de zwangerschap, de bevalling en de adoptie. De ziekenhuisdaggeldvergoeding van € 62,00 is zo’n schadepost, zodat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Vakantie Polen (€ 151,08)
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op basis van objectieve gegevens niet kan worden vastgesteld of de vordering ten aanzien van de vakantie in Polen, kosten zijn die zijn gemaakt ter beperking van de psychische schade van [slachtoffer] en derhalve als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt. De verdachte heeft deze post bovendien betwist. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Reiskosten (€ 625,38)
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een bedrag van in totaal € 550,38 voor gemaakte reiskosten gevorderd. In hoger beroep is de post nader te onderbouwen schade (onder meer) nader onderbouwd doordat de benadeelde partij een bedrag van € 75,00 aan verdere reiskosten heeft gevorderd. Daarmee komt het totaal aan gevorderde reiskosten op een bedrag van € 625,38.
Voor zover het reiskosten naar de huisarts en het ziekenhuis betreft – wat neerkomt op een bedrag van € 30,60 – is het hof van oordeel dat dit, net als de ziekenhuisdaggeldvergoeding, schade betreft die (enkel) samenhangt met de zwangerschap, de bevalling en de adoptie. De benadeelde partij zal daarom voor dit deel van de gevorderde reiskosten niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, geldt voor de nader onderbouwde schade in de vorm van reiskosten voor een bedrag van € 75,00 dat dit een niet-toegestane verhoging van de vordering betreft. Ook dat deel van de gevorderde reiskosten zal niet-ontvankelijk worden verklaard.
De overige reiskosten zijn niet betwist. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat deze reiskosten tot een bedrag van € 519,78 zijn gemaakt en deze kosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.
Eigen risico 2024, 2025 en 2026 (€ 1.079,60)
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een bedrag van € 385,00 gevorderd voor het eigen risico in 2024. In hoger beroep is deze post verlaagd tot een bedrag van € 329,60. Daarnaast is de post nader te onderbouwen schade, zoals gezegd, nader onderbouwd doordat de benadeelde partij ook het eigen risico voor 2025 en 2026 vordert, in totaal een bedrag van € 750,00. Daarmee komt het totaal aan gevorderd eigen risico op een bedrag van € 1.079,60.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het de nader onderbouwde schade in de vorm van het eigen risico van 2025 en 2026 betreft.
Het eigen risico voor 2024 van € 329,60 is door de verdachte niet betwist, de benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt en deze kosten vormen een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 329,60 worden toegewezen.
Verplaatste schade (€ 3.832,46)
De door de benadeelde partij gevorderde verplaatste schade van € 3.832,46 ziet op posten die primair door de moeder van [slachtoffer] , [benadeelde partij] , zijn gevorderd en het betreft ook schade die (voor zover die voor toewijzing in aanmerking komt) door haar is geleden. Gelet daarop zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Totaal toe te wijzen materiële schade
De gevorderde materiële schade zal gelet op het vorenstaande tot het bedrag van in totaal € 849,38 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2024 (de datum van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg) tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze schade kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade van € 75.000,00
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij neemt het hof in de eerste plaats de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking. Het gaat om langdurig en vergaand seksueel misbruik gepleegd door de stiefvader van de benadeelde partij, terwijl zij nog geen 16 jaar oud was.
Voor zover de aard en ernst van de normschending niet al meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, neemt het hof in aanmerking dat de benadeelde partij de gevolgen daarvan met voldoende concrete gegevens heeft onderbouwd. In dat verband wijst het hof op de onderbouwing van de vordering, waarin onder meer wordt gesproken over een ongespecificeerde aanpassing-psychotrauma-stressor gerelateerde stoornis, angstgevoelens en het in verband met het seksueel misbruik volgen van EMDR-therapie.
Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 januari 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij heeft het hof enkel gekeken naar de immateriële schade die het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit en dus niet ook naar de immateriële schade als gevolg van de zwangerschap, de bevalling en de adoptie. Een en ander gelet op de onaantastbare vrijspraak, zoals eerder overwogen. Gelet op de opbouw van de ernst van de ontuchtige handelingen, heeft het hof de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald op de einddatum van de bewezen verklaarde periode.
Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze schade kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nader te onderbouwen schade van € 24.175,00
Zoals hiervoor reeds is overwogen, zal het hof de benadeelde partij voor de post “nader te onderbouwen schade” van € 24.175,00 niet-ontvankelijk verklaren. Deze schade kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.849,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]
heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade tot een bedrag van in totaal € 35.105,34, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd, zodat deze in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorligt.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.105,34, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige gevorderde.
De verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gelet op de bepleite vrijspraak en de onevenredige belasting van het strafgeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van een tweetal materiële schadeposten betwist. Ten aanzien van de immateriële schade is namens de verdachte (meer subsidiair) bepleit die te matigen tot maximaal € 5.000,00.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade van in totaal € 5.105,34
Reiskosten voor dochter [naam dochter] (€ 76,06); Reiskosten voor begeleiding [slachtoffer] naar gemeente i.v.m. noodopvang (€ 5,28).
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat in elk geval tot een bedrag van € 81,34 materiële schade is geleden, te weten: reiskosten voor dochter [naam dochter] (€ 76,06) en reiskosten voor de begeleiding [slachtoffer] naar gemeente i.v.m. noodopvang (€ 5,28). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde en is door de verdachte niet betwist. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 81,34 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 januari 2024 (de datum van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg) tot aan de dag der algehele voldoening.
DNA-onderzoek (€ 179,00); Reiskosten voor begeleiding [slachtoffer] naar ziekenhuis en huisarts (€ 30,60); Eigen reiskosten (€ 32,80); Eigen risico 2023 & 2024 (€ 770,00); Kosten psycholoog (€ 335,00); Kosten verstrekken medische informatie (€ 59,02).
Zoals hiervoor reeds overwogen, dient de benadeelde partij naar het oordeel van het hof niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op de schade die samenhangt met de zwangerschap, de bevalling en de adoptie. Het DNA-onderzoek van € 179,00, de reiskosten voor de begeleiding [slachtoffer] naar ziekenhuis en huisarts van € 30,60, de eigen reiskosten van € 32,80, het eigen risico 2023 & 2024 van € 770,00, kosten verstrekken medische informatie (€ 59,02) en de kosten psycholoog van € 335,00 zijn dergelijke schadeposten (zie hierna ook de motivering bij de post immateriële schade), zodat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Verhuiskosten (€ 3.117,78)
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 3.117,78 gevorderd aan materiële schade in de vorm van verhuiskosten. Deze schade is door de verdachte betwist, waarbij – kort gezegd – is aangevoerd dat geen schade is geleden, aangezien het bedragen zijn die zijn besteed aan nieuwe inboedel, terwijl die inboedel ook eigendom is geworden van de benadeelde partij. Daarmee zou het volgens de verdediging geen schade zijn. Het hof verwerpt dit verweer. Deze kosten zijn gemaakt omdat de benadeelde partij op stel en sprong moest verhuizen als gevolg van de ontdekte ontucht met haar dochter, waarbij de gezamenlijke inboedel van haar en de verdachte achterbleef in de woning van de verdachte. Zodoende was zij gedwongen om nieuwe inboedel aan te schaffen. Voldoende is komen vast te staan dat deze kosten zijn gemaakte en zijn aan te merken als (noodzakelijke) verhuiskosten en schade voor de benadeelde partij ten gevolge van de (door het bewezenverklaarde ingegeven) gedwongen verhuizing.
Waar de verdediging aangeeft de “redenatie van de rechtbank, dat aansluiting moet worden gezocht bij het genoemde in artikel 7:275 lid 4 BW” niet te kunnen volgen, omdat het daar om een forfaitair bedrag gaat, terwijl de benadeelde partij de daadwerkelijk gemaakte kosten voor aangeschafte inboedel vordert, berust dit op een onjuiste lezing van de overweging van de rechtbank. Omdat de vordering is betwist en niet is onderbouwd met bonnetjes, heeft de rechtbank gekeken of het gevorderde bedrag dan naar billijkheid kan worden toegewezen. Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of het gevorderde bedrag billijk is, heeft de rechtbank gekeken naar de vergoeding voor huurders van o.a. zelfstandige woningen die volgt uit de ministeriële regeling waarnaar artikel 7:275 lid 4 BW verwijst. Op grond van dat artikel kan de rechter een bedrag vaststellen dat een verhuurder aan een huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten bij een gedwongen verhuizing. Dat bedrag komt, aldus de rechtbank, neer op een bedrag van € 7.156,00. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag is nog minder dan de helft van dat forfaitaire bedrag, zodat de rechtbank heeft geoordeeld dat het bedrag voor de inboedel die moest worden aangeschaft naar billijkheid op het gevorderde bedrag kan worden vastgesteld. Het hof sluit zich aan bij dit oordeel van de rechtbank en zal de vordering van de benadeelde partij van de verhuiskosten derhalve tot het gevorderde bedrag van € 3.117,78 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verlies verdienvermogen (€ 499,80)
Namens de verdachte is de post “verlies verdienvermogen” gemotiveerd betwist. De benadeelde partij heeft de vordering naar aanleiding van deze betwisting niet nader onderbouwd, terwijl de betwisting daar wel toe noopt. De benadeelde partij daartoe alsnog in de gelegenheid stellen leidt tot een onevenredige belasting, zodat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Totaal toe te wijzen materiële schade
De gevorderde materiële schade zal gelet op het vorenstaande tot het bedrag van € 3.199,12 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze schade kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade van in totaal € 17.500,00
Weliswaar is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het handelen van de verdachte. Echter, anders dan bij [slachtoffer] is het hof van oordeel dat niet zonder meer valt vast te stellen dat de geleden immateriële schade ook het gevolg is van “enkel” de ontuchtige handelingen met haar dochter vóór haar 16e verjaardag. Dat het heftig is als blijkt dat je kind misbruikt is door jouw partner en dat dat psychische gevolgen voor een moeder zal hebben, spreekt voor zich. Maar of dit psychische gevolgen zijn die maken dat sprake is van immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt, dan wel dat deze schade ook of misschien zelf wel grotendeels door de zwangerschap, de geboorte en de adoptie is veroorzaakt – hetgeen ook uit de toelichting lijkt te kunnen worden afgeleid en waarover het hof dus niet meer mag oordelen is niet eenvoudig vast te stellen. De beantwoording van die vraag vormt dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze schade kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nader te onderbouwen schade van € 12.500,00
Zoals hiervoor reeds is overwogen, zal het hof de benadeelde partij voor de post “nader te onderbouwen schade” van € 12.500,00 niet-ontvankelijk verklaren. Deze schade kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.199,12 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Beslag
De voorwerpen op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemd en omschreven als “2 STK Simkaart
van zaktelefoon” en “1 STK Telefoontoestel” zullen worden teruggegeven aan de verdachte.
De verdachte is rechthebbende daarvan en het belang van strafvordering verzet zich niet
tegen teruggave.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.849,38 (twintigduizend achthonderdnegenenveertig euro en achtendertig cent) bestaande uit € 849,38 (achthonderdnegenenveertig euro en achtendertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 20.849,38 (twintigduizend achthonderdnegenenveertig euro en achtendertig cent) bestaande uit € 849,38 (achthonderdnegenenveertig euro en achtendertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 127 (honderdzevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 januari 2024 en van de immateriële schade op 29 januari 2022.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.199,12 (drieduizend honderdnegenennegentig euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 3.199,12 (drieduizend honderdnegenennegentig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 januari 2024.
Beslag
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen:
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. J.A.M. Jansen en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 juni 2026.
Mr. Birkhoff is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.