ECLI:NL:GHDHA:2026:1876

ECLI:NL:GHDHA:2026:1876

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer 200.358.202/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:14067

Samenvatting

Verzoek tot verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een ten laste van de Russische vennootschap Gazprom International Ltd gewezen Oekraïens vonnis waarin Gazprom is aangemerkt als alter ego van de Russisiche Federatie en hoofdelijk met deze laatste is veroordeeld tot vergoeding van door deze laatste veroorzaakte schade. Aan de Russische Federatie komt in dat verband geen immuniteit van jurisdictie toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.358.202/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/679433 / HA RK 25-44

Beschikking van 9 juni 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Oekraïne Asset Management Company Slavutich-Invest,

gevestigd in Zaporizja, Oekraïne,

appellante,

advocaat: mr. M.C. van Leyenhorst, kantoorhoudend in Leiden,

tegen

de rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie Gazprom International Limited,

gevestigd in Kaliningrad, Kaliningrad Oblast, Russische Federatie,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.Ph. de Korte, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Slavutich en Gazprom.

1. De zaak in het kort

Slavutich verzoekt om verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een ten laste van (onder anderen) Gazprom gewezen Oekraïens vonnis. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof in deze beschikking dat in deze geen immuniteit van jurisdictie moet worden verleend aan de Russische Federatie. Het hof verwijst de zaak daarom terug naar de rechtbank voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift van 18 augustus 2025, op dezelfde dag bij het hof ingekomen, waarmee Slavutich in hoger beroep is gekomen van de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2025, met producties 1 tot en met 10;

het verweerschrift van Gazprom, met producties 14 tot en met 19;

de akte overlegging producties van Slavutich, met producties 11 tot en met 26;

de akte overlegging producties van Gazprom, met producties 20 tot en met 54;

de bladzijden 1 en 13 tot en met 16 van de conclusie van antwoord van Farm Syu Zhnyva in het bevoegdheidsincident van Gazprom in de procedure voor de rechtbank Den Haag met zaak- en rolnummer C/09/689969 25/705, die Slavutich met toestemming van Gazprom in het geding heeft gebracht in reactie op een vraag van het hof tijdens de hierna vermelde mondelinge behandeling.

Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3. Feitelijke achtergrond

Slavutich is eigenaar van acht percelen grond in de gemeente Melitopol in de regio Zaporizja in Oekraïne (hierna: de percelen).

Gazprom is een vennootschap naar Russisch recht waarvan de aandelen voor 50,33% middellijk worden gehouden door de Russische Federatie. Gazprom heeft verschillende vermogensbestanddelen in Nederland.

In het voorjaar van 2022 is de Russische Federatie een oorlog begonnen tegen Oekraïne. Zij heeft daarbij onder andere de regio Zaporizja bezet.

Op 31 januari 2023 heeft Slavutich bij de handelsrechtbank voor het district Zaporizja (hierna: de rechtbank Zaporizja) een vordering ingesteld tegen de Russische Federatie tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig onteigenen van haar percelen. In deze procedure is de Russische Federatie niet verschenen. De rechtbank Zaporizja heeft de Russische Federatie bij verstekvonnis van 4 mei 2023 (hierna: het Oekraïense RF-vonnis) veroordeeld tot schadevergoeding. Zij heeft daarbij onder andere geoordeeld dat aan de Russische Federatie wat die vordering betreft geen beroep toekomt op immuniteit van jurisdictie. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

Slavutich heeft op 15 mei 2024 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag verlof gekregen om ten laste van Gazprom conservatoir beslag te leggen op vermogensbestanddelen van Gazprom in Nederland.

Op 22 mei 2024 heeft Slavutich bij de rechtbank Zaporizja een vordering ingesteld tegen drie Gazprom-entiteiten, waaronder Gazprom, tot hoofdelijke vergoeding van dezelfde schade op grond van dezelfde onrechtmatige daad. Zij heeft daarbij gesteld dat die Gazprom-entiteiten wat de betrokken aansprakelijkheid betreft moeten worden aangemerkt als alter ego’s van de Russische Federatie en om die reden hoofdelijk met haar aansprakelijk zijn voor de betaling van de schadevergoedingsveroordeling uit het Oekraïense RF-vonnis.

In de procedure tegen de Gazprom-entiteiten c.s. heeft de rechtbank Zaporizja die entiteiten bij verstekvonnis van 15 augustus 2024 (hierna: het Oekraïense Gazprom-vonnis) hoofdelijk met de Russische Federatie veroordeeld tot betaling aan Slavutich van de schadevergoedingsveroordeling uit het Oekraïense RF-vonnis. Zij heeft daartoe onder andere geoordeeld dat de Gazprom-entiteiten wat de aansprakelijkheid van de Russische Federatie betreft aangemerkt moeten worden als alter ego’s van deze laatste. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

4. Procedure bij de rechtbank

Slavutich heeft de rechtbank verzocht om het Oekraïense Gazprom-vonnis te erkennen en verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging daarvan in Nederland. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dat vonnis in Nederland voor erkenning en tenuitvoerlegging in aanmerking komt op grond van artikel 985 Rv in combinatie met het Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke of handelszaken van 2 juli 2019 (hierna: het Erkenningsverdrag), waarbij Nederland en Oekraïne partij zijn.

Gazprom heeft onder andere een beroep gedaan op de aan de Russische Federatie toekomende immuniteit van jurisdictie.

De rechtbank heeft dat beroep gehonoreerd, zich onbevoegd verklaard en Slavutich veroordeeld in de proceskosten. Zij heeft daartoe onder andere als volgt geoordeeld: - de rechter die moet oordelen over een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging (hierna: de exequatur-rechter) moet in voorkomend geval (ambtshalve) beoordelen of immuniteit van jurisdictie van een vreemde staat zich verzet tegen zijn bevoegdheid;- de Russische Federatie geniet in Nederland die immuniteit als het gaat om tegen haar gerichte vorderingen, gebaseerd op de onrechtmatigheid van militair optreden;- die immuniteit is hier in het geding is omdat de Russische Federatie weliswaar geen partij is in deze exequatur-procedure, maar wel materieel, omdat de Gazprom-entiteiten in het Gazprom-vonnis uitsluitend op grond van een vereenzelviging met de Russische Federatie zijn veroordeeld tot hoofdelijke betaling van de schade waarvoor de Russische Federatie aansprakelijk is volgens het RF-vonnis.

5. Vorderingen in hoger beroep

Slavutich is hiervan in hoger beroep gekomen en vordert vernietiging van de bestreden beschikking en terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank, met veroordeling van Gazprom tot terugbetaling van datgene wat Slavutich haar heeft betaald ter uitvoering van de bestreden beschikking.

6. Beoordeling in hoger beroep

De inzet van het hoger beroep is dat Slavutich van mening is dat de rechtbank ten onrechte het beroep van Gazprom op de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie heeft aanvaard. De grieven hebben alle betrekking op die beoordeling en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Gazprom verwijst naar de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie. Zij doet dat, naar het hof begrijpt:- primair op de grondslag dat de Russische Federatie in deze exequatur-procedure als formele procespartij moet worden aangemerkt omdat Gazprom in het ten uitvoer te leggen Oekraïense Gazprom-vonnis is aangemerkt als een alter ego van haar (rechtstreekse immuniteit); en - subsidiair via het leerstuk van indirect impleading. Slavutich betwist beide grondslagen voor immuniteit.

De immuniteit van jurisdictie in exequatur-procedures voor de Nederlandse rechter

Artikel 13a Wet AB bepaalt ten overvloede dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de uitvoerbaarheid van rechterlijke vonnissen worden beperkt door de uitzonderingen die in het volkenrecht zijn erkend. Tot de bronnen van het volkenrecht behoort het internationaal gewoonterecht.

De regel dat een staat immuniteit van jurisdictie geniet voor typische overheidshandelingen (zogeheten acta iure imperii) heeft de status van internationaal gewoonterecht. Zij is gebaseerd op het beginsel van soevereine gelijkheid van staten, in die zin dat een staat niet tegen zijn zin kan worden onderworpen aan de rechtsmacht van een andere staat (par in parem non habet imperium). Een andere regel van internationaal gewoonterecht is de immuniteit van executie, die inhoudt dat eigendommen van een andere staat niet vatbaar zijn voor beslag en executie tenzij en voor zover is vastgesteld dat deze een bestemming hebben die daarmee niet onverenigbaar is. Het gaat daarbij om onderscheiden regels die afzonderlijk van elkaar moeten worden toegepast.

Als een derde staat betrokken is bij een verzoek tot exequatur moet de exequatur-rechter zijn internationale bevoegdheid beoordelen in het licht van de immuniteit van jurisdictie, en niet van executie. Anders dan Slavutich aanvoert, is die regel eigen aan het internationaal gewoonterecht, aangezien dat gewoonterecht onbestreden een onderscheid maakt tussen immuniteit van jurisdictie enerzijds en van executie anderzijds. Hoewel de exequatur-rechter in beginsel niet zelf beslist over de zaak ten gronde, maar slechts over de vraag of een buitenlands vonnis op zijn grondgebied kan worden tenuitvoergelegd, oefent hij daarbij namelijk niettemin rechtsmacht uit die ertoe kan leiden dat aan het buitenlandse vonnis in de aangezochte staat gevolgen worden verbonden die overeenstemmen met de gevolgen van een vonnis ten gronde van een rechter van de aangezochte staat. Immuniteit van executie komt pas daarna aan de orde, als sprake is van een tenuitvoerlegbaar vonnis, en moet in dat latere stadium afzonderlijk worden beoordeeld per vermogensbestanddeel waarop verhaal wordt gezocht.

Daarbij geldt als maatstaf dat die exequatur-rechter zich moet afvragen of de derde staat immuniteit van jurisdictie geniet met het oog op de aard van de zaak die tot het ten uitvoer te leggen vonnis heeft geleid, in die zin dat hij moet beoordelen of hij zelf aan die staat immuniteit van jurisdictie had moeten verlenen indien hij zelf zou zijn aangezocht om een beslissing te nemen met betrekking tot een geschil gelijk aan datgene wat het voorwerp was van het ten uitvoer te leggen vonnis.

Geen rechtstreekse immuniteit van jurisdictie

Anders dan Gazprom aanvoert, kan het feit dat de Gazprom-entiteiten in het Oekraïense Gazprom-vonnis zijn aangemerkt als alter ego’s van de Russische Federatie er niet toe leiden dat aan deze laatste immuniteit van jurisdictie moet worden verleend als formele procespartij. Slavutich wijst er namelijk terecht op dat, gelet op de ingenomen stellingen in deze procedure, tussen partijen vaststaat dat Gazprom een eigen, van de Russische Federatie afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, met eigen vennootschapsrechtelijke organen en met deels andere aandeelhouders dan de Russische Federatie. Daar komt bij dat het gevraagde verlof tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom, verleend in een beschikking met als verweerster Gazprom, er hoe dan ook niet toe kan leiden dat Slavutich zich in Nederland verhaalt op vermogensbestanddelen van de Russische Federatie.

Geen immuniteit van jurisdictie via het leerstuk van indirect impleading

Aan de Russische Federatie komt om de volgende redenen evenmin een beroep toe op immuniteit van jurisdictie via het leerstuk van indirect impleading.

Het leerstuk van indirect impleading

Dat leerstuk houdt in dat immuniteit van jurisdictie moet worden toegepast in een geschil waarin “a state, without being a party, is said to be "indirectly impleaded" because some relevant interest of that state is directly engaged”. Gazprom verwijst in dat verband naar het verbod op indirect impleading als regel van internationaal gewoonterecht, zoals die regel onder andere volgt uit artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: VN-Verdrag), dat volgens haar op dit punt een codificatie inhoudt van dat internationaal gewoonterecht. Deze bepaling luidt in de authentieke Engelstalige versie als volgt:

“A proceeding before a court of a State shall be considered to have been instituted aginst another State if that other State:

(…)

(b) is not named as a party to the proceeding but the proceeding in effect seeks to affect the property, rights, interests or activities of that other State.”

Slavutich erkent dat het leerstuk van indirect impleading een inherente variant is op de regel van internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie, maar voert aan dat dat leerstuk er niet toe kan leiden dat die immuniteit wordt verleend in een situatie waarin (i) de vreemde staat geen partij is in de betrokken procedure en (ii) die procedure niet kan leiden tot een aantasting van rechten van die staat. Zij voert aan dat het VN-Verdrag nog niet in werking is getreden en dat het internationaal gewoonterecht niet voorziet in immuniteit van jurisdictie in geschillen waar geen property of rights van een vreemde staat in het geding zijn.

Het bepalen van een regel van internationaal gewoonterecht

Het VN-Verdrag is nog niet in werking getreden, waardoor het niet rechtstreeks kan worden ingeroepen. Immuniteit van jurisdictie kan daarom in deze procedure alleen voortvloeien uit internationaal gewoonterecht.

Dat internationaal gewoonterecht moet daarom op dit punt nader worden bepaald. Een regel van internationaal gewoonterecht bestaat als sprake is van een algemene statenpraktijk en van een daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging (zogeheten opinio iuris).

De algemene statenpraktijk “should have been both extensive and virtually uniform in the sense of the provision invoked”, in die zin dat zij een “settled practice” moeten opleveren.Wat immuniteit betreft zijn daarbij onder andere relevant de rechtspraak van nationale rechters, de wetgeving van landen die immuniteit bij wet hebben geregeld, het beroep van staten op immuniteit en de verklaringen die door staten zijn afgelegd in het kader van de besprekingen van de International Law Commission die hebben geleid tot het ontwerp voor het VN-Verdrag en van de onderhandelingen in het kader van de vaststelling daarvan.

Wat de daarmee overeenstemmende rechtsovertuiging betreft moet de betrokken settled practice aldus hebben plaatsgevonden “as to show a general recognition that a rule of law or legal obligation is involved”, oftewel “as to be evidence of a belief that this practice is rendered obligatory by the existence of a rule of law requiring it”.Wat de immuniteit van jurisdictie betreft kan die rechtsovertuiging worden gevonden in het beroep van staten op immuniteit op grond van gewoonterecht en in de aanvaarding daarvan.

De voor het bepalen van de betrokken regel van internationaal gewoonterecht in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden

De zaak The Parlement Belge uit 1880 had betrekking op een geschil voor de Engelse rechter met betrekking tot een aanvaring door het gelijknamige schip, dat eigendom was van de Belgische kroon en gebruikt werd voor publieke doeleinden. De daarvoor geldende procedure was naar Engels recht een procedure in rem, die formeel wordt gericht tegen het betrokken schip maar kan leiden tot aansprakelijkheid van zijn eigenaar. In het Court of Appeal formuleerde LJ Brett het internationaal gewoonterechtelijk aanvaarde beginsel van immuniteit van jurisdictie als het door een rechter niet kunnen uitoefenen van territoriale jurisdictie over “the person of any sovereign (…) of any State, or over the public property of any State which is destined to public use (…), though such sovereign (…) or property be within its territory” (p. 214-215). Hij oordeelde vervolgens dat de Belgische kroon door de actie in rem tegen het schip werd impleaded, met het volgende, met het oog op de immuniteit van jurisdictie onaanvaardbare gevolg: “To implead an independent sovereign in such a way is to call upon him to sacrifice either his property or his independence” (p. 219).

In 1938 ging het in The Cristina om een vordering in rem voor wederom de Engelse rechter, ingesteld door de eigenaren van een door de Spaanse regering publiekrechtelijk gevorderd schip. In het House of Lords gaf Lord Atkin de volgende weergave van het leerstuk van de directe en indirecte impleading in het kader van de beginselen van immuniteit van jurisdictie (het eerste hierna door hem bedoelde beginsel) en van executie (het tweede hierna bedoelde beginsel):

“The first is that the courts of a country will not implead a foreign sovereign, that is, they will not by their process make him against his will a party to legal proceedings whether the proceedings involve process against his person or seek to recover from him specific property or damages. The second is that they will not by their process, whether the sovereign is a party to the proceedings or not, seize or detain property which is his or of which he is in possession or control.” (p. 490).

Lord Wright verduidelijkte daarbij:

“[T]he rule is not limited to ownership. It applies to cases where what the Government has is a lesser interest, which may be not merely not proprietary but not even possessory”. (p. 507).

In 1952 ging het in Dollfus Mieg, wederom voor de Engelse rechter, om een actie van de Franse vennootschap Dollfus Mieg & Cie tegen de Bank of England met betrekking tot door deze gehouden goudstaven, primair tot revindicatie en subsidiair tot vervangende schadevergoeding. Die goudstaven waren tijdens de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk geroofd door Duitse troepen en bij de bevrijding door de Westerse geallieerde mogendheden in bezit genomen en in bewaring gegeven (lodged on bail) aan de Bank of England hangende verdere besluitvorming. In hoger beroep bij de House of Lords ging het om de vraag of Frankrijk en de Verenigde Staten, die in dat hoger beroep waren tussengekomen, zich via het leerstuk van indirect impleading konden beroepen op immuniteit van jurisdictie.

a. Lord Porter verduidelijkte in dat verband dat dat leerstuk in onder andere The Cristina weliswaar was ontwikkeld in verband met een actie in rem met betrekking tot een schip, maar niet daartoe beperkt is: het kan betrekking hebben op elk type goed (chattel) en elk type actie (p. 612). Lord Radcliffe citeerde met instemming de volgende regel uit een Brits handboek conflictenrecht: “any action or proceeding against the property of [a foreign sovereign] is an action or proceeding against such person”, met de vermelding dat die regel het voordeel heeft dat zij verduidelijkt:

“that the property of a sovereign enjoys no immunity in legal proceedings except in so far as those proceedings amount in one way or another to a suit against a sovereign." (p. 616 en 617).

Hij beschreef ook dat de reikwijdte van het leerstuk van indirect impleading zich sinds The Parlement Belge als volgt was uitgebreid in de rechtspraak op dat punt:

“It has been applied even when the sovereign had not claimed, let alone proved, that he was the owner of the property that was the subject of the action. It has been regarded as sufficient to stay the proceedings (1) that he had de facto possession of the property or such rights of direction and control, without possession, as arise from requisitioning, and (2) that the nature of the proceedings is such that, if successful, they would result in an order of the court affecting that possession or those other rights." (p. 617, verwijzingen niet aangehaald).

Met betrekking tot de primaire vordering tot revindicatie aanvaardde het House of Lords het beroep op immuniteit omdat Frankrijk en de Verenigde Staten via de inbewaringgeving in bezit (possession) waren gebleven van de goudstaven, althans omdat hun status als inbewaringgever (bailor) in het geding was in een actie tegen de inbewaringnemer (bailee).

Ook met betrekking tot de subsidiaire vordering to schadevergoeding aanvaardde het House of Lords het beroep op immuniteit. Indien de Bank of England tot schadevergoeding zou worden veroordeeld, zou die bank namelijk bij betaling van die vergoeding het eigendomsrecht van Dollfus Mieg & Cie over de staven verwerven en die titel tegen de Westerse geallieerde mogendheden kunnen inroepen wanneer deze om teruggave zouden vragen. Frankrijk en de Verenigde Staten zouden daarom in hun rechten worden aangetast, omdat zij dan zouden moeten kiezen tussen het zich wenden tot de Britse rechter om de staven alsnog terug te krijgen of het prijsgeven van hun rechten.

In 1978 heeft het Verenigd Koninkrijk de State Immunities Act 1978 vastgesteld. De artikelen 1 en 6 daarvan luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

1. General immunity from jurisdiction

(1) A State is immune from the jurisdiction of the courts of the United Kingdom except as provided in the following provisions of this Part of this Act.

(…)

6. Ownership, possession and use of property

(…)

(4) A court may entertain proceedings against a person other than a State notwithstanding that the proceedings relate to property -

(a) which is in the possession or control of a State; or

(b) in which a State claims an interest,

if the State would not have been immune had the proceedings been brought against it (…).”

In 1991 heeft de International Law Commission in zijn 43e sessie een ontwerp met bijbehorend commentaar (hierna: ILC-commentaar) aangenomen voor het VN-Verdrag. Dat ontwerp bevatte de regeling van artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) zoals uiteindelijk vastgesteld en het commentaar daarbij luidde, voor zover van belang, als volgt:

“(11) Without closing the list of beneficiaries of State immunities, it is necessary to note that actions involving seizure or attachment of public properties or properties belonging to a foreign State or in its possession or control have been considered in the practice of States to be proceedings which in effect implicate the foreign sovereign or seek to compel the foreign State to submit to the local jurisdiction. Such proceedings include not only actions in rem or in admiralty against State-owned or State-operated vessels used for defence purposes and other peaceful uses, but also measures of prejudgement attachment or seizure (saisie conservatoire) as well as execution or measures in satisfaction of judgement (saisie exécutoire). (…)

(12) As has been seen, the law of State immunities has developed in the practice of States not so much from proceedings instituted directly against foreign States or Governments in their own name, but more indirectly through a long line of actions for the seizure or attachment of vessels for maritime liens or collision damages or salvage services. State practice has been rich in instances of State immunities in respect of their men-of war, visiting forces, ammunitions and weapons and aircraft. The criterion for the foundation of State immunity is not limited to the claim of title or ownership by the foreign Government, but clearly encompasses cases of property in actual possession or control of a foreign State. The Court should not so exercise its jurisdiction as to put a foreign sovereign in the position of choosing between being deprived of property or else submitting to the jurisdiction of the Court.

(13) Subparagraph (b) applies to situations in which the State is not named as a party to the proceeding, but is indirectly involved, as for instance in the case of an action in rem concerning State property, such as a warship. The wording adopted on first reading has been simplified on second reading. First, the clause "so long as the proceeding in effect seeks to compel that ... State ... to submit to the jurisdiction of the court" was deleted as it was, in the case under consideration, meaningless. The words "to bear the consequences of a determination by the court which may affect", in the last part of the sentence was also deleted, because it appeared to create too loose a relationship between the procedure and the consequences to which it gave rise for the State in question and could thus result in unduly broad interpretations of the paragraph. To make the text more precise in that regard, those words have therefore been replaced by the words "to affect". (…).”

In 1992 is dat ontwerpverdrag besproken in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Australië heeft opgemerkt dat het voorgestelde artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) te breed was en dat een nauwere bewoording wenselijk was. De Verenigde Staten hebben opgemerkt dat in het ILC-commentaar werd verwezen naar vorderingen tot revindicatie van of beslag op staatseigendommen die in feite gevolgen hebben voor een vreemde staat, terwijl de bepaling niet daartoe beperkt is en ook betrekking heeft op vorderingen die gevolgen hebben voor de “interests and activities” van een vreemde staat, en dat dat punt aandacht behoefde. Zwitserland, ten slotte, heeft in het algemeen met betrekking tot het gebruik van het woord “interests” in het ontwerpverdrag opgemerkt dat die term buitengewoon vaag is, niet gedefinieerd is en daarom overal zou moeten worden vervangen door “rights”, in de zin van “legally protected interests”.

In 1998 deed het Noorse Borgarting Lagmannsrett uitspraak in een geschil waarin aandeelhouders van een Sierra Leoonse vennootschap vergoeding vorderden van de Noorse vennootschap Scancem International ANS (hierna: Scancem) van de schade die zij stelden te hebben geleden als gevolg van de onteigening van de activa van die vennootschap door de Sierra Leoonse autoriteiten en de overdracht daarvan aan Scancem. Scancem beriep zich op de immuniteit van jurisdictie van Sierre Leone. Het Borgarting Lagmannsrett verwierp dat beroep als volgt, in de niet betwiste, door Slavutich in het geding gebrachte Engelse vertaling:

“The rules on state immunity do not lead to dismissal of the case. Scancem International ANS naturally does not benefit from immunity and has its registered office in Oslo.

Nor is the claim for compensation linked to an assumption that the expropriation decree is illegal under Sierra Leone’s domestic law. (…) However, if the City Court, as part of its assessment of Scancem’s conduct and the basis for compensation, finds that it must take a position on the legality of the expropriation, this will not affect the immunity Sierra Leone had under international law.”

Het VN-Verdrag is in 2004 door de Algemene Vergadering van de VN aangenomen. Artikel 1 van dat verdrag bepaalt: “The present Convention applies to the immunity of a State and its property from the jurisdiction of the courts of another State”. Artikel 6 lid 2 van dat verdrag luidt zoals in 1991 voorgesteld.

Anders dan andere bepalingen die op een bijzondere lijst zijn geplaatst en waarover nader is onderhandeld is artikel 6 lid 2 na 1992 niet meer onderwerp van discussie geweest.

Geen land heeft bij die bepaling een voorbehoud gemaakt.

De Britse en Zuid-Afrikaans rechters hebben geoordeeld dat het VN-Verdrag “is the most authoritative statement available on the current international understanding of the limits of state immunity in civil cases”, en de Hoge Raad heeft als gezegd geoordeeld dat de bepalingen van het VN-Verdrag weliswaar een codificatie van het internationaal gewoonterecht behelst, maar dat niet al zijn bepalingen als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde meer in het bijzonder dat er geen grond is om aan te nemen dat artikel 6 VN-Verdrag als regel van internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt, maar uit de context van dat oordeel blijkt dat het betrekking had op het eerste lid van die bepaling, waarin is voorgeschreven dat de rechter ambtshalve toepassing moet geven aan het recht op immuniteit van jurisdictie, en niet op het tweede lid.

In de literatuur is de betrokken bepaling onder andere als volgt besproken. - Angelet merkte op dat het VN-Verdrag “undoubtedly codifies customary international law”. Met betrekking tot indirect impleading merkte hij het volgende op:

“[J]urisdictional immunity is not triggered by the exercise of jurisdiction in isolation of imperium. The relevant exercise of imperium can take various forms. In occurs when the judgment sought disposes of the foreign State’s rights, e.g., in the case of a property dispute. It also occurs when the foreign state is deprived of the effective exercise of its rights or when that exercise is seriously undermined.” (p. 93).

- Fox en Webb stellen voor dat enige onzekerheid bij de toepassing van die bepaling verholpen zou moeten worden door te erkennen dat "'interests' should be limited to a claim for which there is some legal foundation and not merely to some political or moral concern of the State in the proceedings".- Grant bespreekt dat “some specifically legal effect should be required as distinct from a social, economic or political effect”.

In 2013 moest het Hof van Beroep Brussel zich buigen over een vordering tot schadevergoeding die door een reder was ingesteld tegen de Belgische staat omdat een deel van zijn riviervloot was geblokkeerd als gevolg van NAVO-bombardementen over de Donau in 1999. België beriep zich op de immuniteit van jurisdictie van de NAVO als volkenrechtelijke organisatie, en op die van de NAVO-lidstaten. Het Hof van Beroep verwierp dat beroep als volgt:

“Dans la mesure où la faute reprochée à l’État belge consiste à avoir pris part à une décision (en refusant de s’y opposer) prise par une organisation internationale, juger de la licéité de cette décision implique nécessairement que soit indirectement appréciée la licéité de la décision de cette organisation et de ses États membres. Pour autant, il ne peut être considéré que cette appréciation emporte une atteinte aux biens, droits, intérêts ou activités des États membres de l’organisation. L’État belge se méprend dès lors en affirmant que la demande des appelantes implique de la part des juridictions belges de juger de la responsabilité de l’OTAN et de ses États membres, seule sa responsabilité propre étant en cause”. (r.o. 9).

In 2015 moest de Court of Appeal for British Columbia in Canada zich uitspreken in een geschil tussen Mexicaanse leden van een Canadese vakbond en die vakbond, waarin de vakbond had gesteld dat de Mexicaanse autoriteiten zich oneigenlijk hadden gemoeid met het stemgedrag van die vakbondsleden. Mexico was in dat geschil tussengekomen met een beroep op immuniteit van jurisdictie: volgens Mexico was zijn positie in het geding door een mogelijk oordeel over het zich oneigenlijk moeien. Het Court of Appeal definieerde het leerstuk van indirect impleading onder verwijzing naar Cristina en The Parlement Belge als “proceedings in which the state is not named as a party but in which proceedings are brought in relation to property in the state’s ownership, possession or control” (punt 42). Het verwees met instemming naar het oordeel van het Britse Court of Appeal in de hierna te bespreken zaak Belhaj waarin dat gerecht met betrekking tot indirect impleading op zijn beurt met instemming had verwezen naar literatuur waarin werd uiteengezet dat “the legal effects engaged should be specifically legal effects, such as the imposition of a lien or declaration of title, rather than social, economic or political effects” en dat “[s]imilarly, the relevant state interests should be confined to legal interests, as opposed to “interests in some more general sense” (punt 46). Het Court of Appeal verwierp immuniteit omdat zijn oordeel geen gevolgen zou kunnen hebben voor “property in the ownership, possession or control of Mexico” of voor Mexico’s “legal interests” (punt 49).

In 2017 deed de Britse Supreme Court in de zaak Belhaj uitspraak over onder andere de correcte toepassing van de Britse State Immunity Act 1978 in het licht van het internationaal gewoonterecht. Het ging daar om een vordering van natuurlijke personen tegen Britse bewindspersonen en overheden tot schadevergoeding wegens de gestelde betrokkenheid van de Britse overheid bij het in handen brengen van die personen van autoriteiten van derde landen, door wie die natuurlijke personen stellen te zijn onderworpen aan marteling en onmenselijke behandeling. De Britse overheid beriep zich op immuniteit van jurisdictie van de betrokken buitenlandse autoriteiten.

Zij verwees daarbij in de eerste plaats naar de woorden “interests and activities” in artikel 6 lid 2 onder (b) VN-Verdrag om te betogen dat die immuniteit zich verder uitstrekte dan alleen vorderingen met betrekking tot eigendom of andere, daaraan gerelateerde rechten.

De Britse overheid verwees voor dat beroep op immuniteit ook naar twee arresten van het IGH: Monetary Gold removed from Rome en East Timor. In Monetary Gold removed from Rome stond vast dat goud dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in Rome was geroofd door Duitsland aan Albanië toebehoorde. Nadat de Westerse geallieerde mogendheden hadden afgesproken dat dat goud aan het Verenigd Koninkrijk zou worden overhandigd ter voldoening van een proceskostenveroordeling van Albanië in een eerder geschil voor het IGH, tenzij Albanië of Italië een vordering op dat goud zouden instellen. Albanië deed dat niet. Italië deed dat wel, maar betoogde dat het IGH geen rechtsmacht had omdat de beoordeling van de Italiaanse vordering gevolgen zouden hebben voor de rechtsverhouding tussen Albanië en Italië, en het IGH daar niet over zou kunnen oordelen bij afwezigheid van Albanië. Het IGH gaf Italië gelijk:

“In the present case, Albania's legal interests would not only be affected by a decision, but would form the very subject matter of the decision. (…) Where, as in the present case, the vital issue to be settled concerns the international responsibility of a third state, the court cannot, without the consent of that third state, give a decision on that issue binding upon any state, either the third state, or any of the parties before it.” (p. 32-33).

East Timor had betrekking op een geschil tussen Portugal en Australië met betrekking tot de status van Portugal als door de VN gemandateerde administrateur van Oost-Timor, dat in 1975 door Indonesië was bezet. Ook hier verklaarde het IGH zich onbevoegd. Zijn oordeel “"would imply an evaluation of the lawfulness of the conduct of another State which is not a party to the case" en, net als in Monetary Gold, "Indonesia's rights and obligations would (...) constitute the very subject-matter of such a judgment made in the absence of that party's consent" (p. 102).

Naast een beroep op immuniteit van jurisdictie deed de Britse overheid met betrekking tot het handelen van vreemde mogendheden ook een beroep op de Foreign Act of State Doctrine, die inhoudt dat een nationale rechter geen oordeel mag vellen over de rechtmatigheid of geldigheid van het handelen van een vreemde mogendheid.

Lord Sumption erkende het leerstuk van indirect impleading in de volgende termen:

“The principle that a state is impleaded by proceedings against its property (…) reflects the broader rule that if the relief claimed would directly affect a foreign state's interest in property, it makes no difference whether the action is framed in rem or in personam, and no difference whether it is brought against the state or someone else who is in possession or control of the property.” (punt 188).

Lord Mance en Lord Sumption oordeelden dat uit het ILC-commentaar en de context (onder verwijzing naar de woorden “immunity of a State and its property” in artikel 1) en wordingsgeschiedenis van artikel 6 lid 2 onder (b) VN-Verdrag volgt dat die bepaling niet te ruim moet worden uitgelegd en ondanks de woorden “interests and activities” uitsluitend betrekking heeft op “property in which states claim an interest” (punten 26 resp. 195). Lord Sumption vervolgde:

“The essential point about the property cases is that they have the potential directly to affect the legal interests of states notwithstanding that they are not formally parties. In the case of an action in rem, this is obvious. The court's decision binds all the world. But although perhaps less obvious it is equally true of an action in personam, where the court is asked to recognise an adverse title to property in someone else or award possession of property as of right to another. (…) [T]he law cannot consistently with the immunity of states require a state to appear before a domestic court as the price of defending its legal interests. None of this reasoning, however, applies in a case where the foreign state has no legal interest to defend because the court's decision in its absence cannot directly affect its legal interests.” (punt 196)

Lord Mance oordeelde dat de omstandigheden die in Monetary Gold en East Timor hadden geleid tot onbevoegdheid van het IGH zich in Belhaj niet voordeden, omdat de Supreme Court anders dan in die zaken niet werd gevraagd om een oordeel te vellen over de titel tot bepaalde goederen of gebieden (punten 27 en 28). Lord Sumption oordeelde daarover als volgt:

“Both cases had two features which in combination account for the outcome. First, the rights or liabilities of the non-party state were the very subject matter of the dispute between the parties. Secondly, although the judgment would have bound only the parties, each of the parties would have been bound to deal with the non-party in accordance with it. Even on the assumption (and it is a large one) that the principle applied in these cases can readily be transposed to the domestic law plane, the mere fact that the rights or liabilities of the non-party were in issue would not be enough.” (punt 193).

Lord Mance verwierp het beroep op immuniteit in de volgende termen:

“The present appeals involve no issues of proprietary or possessory title. All that can be said is that establishing the appellants' liability in tort would involve establishing that various foreign states through their officials were the prime actors in respect of the alleged torts. But, unlike the position in Dollfus Mieg, that would have no second order legal consequences for the relationship between the respondents and the foreign states in question or their officials. None of the above domestic and international cases carries the concept of "interests" so far as to cover any reputational or like disadvantage that could result to foreign states or their officials from findings as between the appellants and respondents.(…) For the reasons given, I consider that the issues now before the Supreme Court do not attract state immunity, because the legal position of the foreign states (…) will not be affected in any legal sense by proceedings to which they are not party.” (punten 29 en 31).

Lord Sumption deed dat als volgt:

“No decision in the present cases would affect any rights or liabilities of the four foreign states in whose alleged misdeeds the United Kingdom is said to have been complicit. The foreign states are not parties. Their property is not at risk. The court's decision on the issues raised would not bind them. The relief sought, namely declarations and damages against the United Kingdom, would have no impact on their legal rights, whether in form or substance, and would in no way constrict the exercise of those rights. It follows that the claim to state immunity fails.” (punt 197).

Lord Sumption merkte het volgende op met betrekking tot het verschil tussen de immuniteit van jurisdictie en de Foreign Act of State Doctrine:

“Unlike state immunity, act of state is not a personal but a subject matter immunity. It proceeds from the same premise as state immunity, namely mutual respect for the equality of sovereign states. But it is wholly the creation of the common law. Although international law requires states to respect the immunity of other states from their domestic jurisdiction, it does not require them to apply any particular limitation on their subject matter jurisdiction in litigation to which foreign states are not parties and in which they are not indirectly impleaded. The foreign act of state doctrine is at best permitted by international law. It is not based upon it.” (punt 200, verwijzing naar literatuur weggelaten).

In 2017 nam het Zuid-Afrikaanse High Court in de zaak NM Cherry Blossom rechtsmacht aan met betrekking tot een vordering tot revindicatie van de Sahrawi Arabische Democratische Republiek en het Polisario Front tegen (onder anderen) de Marokkaanse vennootschappen OCP SA (hierna: OCP) en Phosboucraa SA (hierna: Phosboucraa). OCP had het monopolie over de winning van fosfaat in Marokko en haar aandelen werden voor 94,12 % gehouden door de Marokkaanse staat. Phosboucraa was op haar beurt een 100% dochtervennootschap van OCP en exploiteerde een fosfaatmijn in de plaats Boucraa in de Westelijke Sahara. De revindicatievordering had betrekking op een partij fosfaat die Phosboucraa in die mijn had gewonnen en die was geladen op het schip de NM Cherry Blossom, dat in een Zuid-Afrikaanse haven gemeerd lag. OCP en Phosboucraa beriepen zich op immuniteit van jurisidictie van de Marokkaanse staat via het leerstuk van indirect impleading, omdat een oordeel over het eigendom van de partij fosfaat een oordeel zou inhouden over de rechtmatigheid van het Marokkaanse gezag over de Westelijke Sahara. Het High Court verwees naar een uitspraak uit 2016 waarin het Zuid-Afrikaanse Supreme Court of Appeal de immuniteit van jurisdictie had erkend als regel van internationaal gewoonterecht, met inbegrip van het leerstuk van indirect impleading (punt 61). Het wees het beroep op immuniteit om de volgende redenen af: - de Marokkaanse staat had geen proprietary interest in de partij fosfaat (punt 83);- zijn oordeel over de rechtmatigheid van de betrokken fosfaatwinning kon geen gevolgen hebben voor de legal rights van de Marokkaanse staat: “It is after all OCP’s and Phosboucraa’s case that they conduct their activities as incorporated legal entities wholly separate from the state of Morocco” (punt 84); en- “It may well be so that such a determination carries with it an affect upon the interests of Morocco but such affects fall within the realm of political or moral interests and cannot have legal effect” (punt 85).

In 2020 deed het Duitse Bundesverwaltungsgericht uitspraak in een geschil waarin Jemenitische burgers in een bestuursrechtelijke procedure tegen de Duitse staat hadden gevorderd dat deze geschikte maatregelen moet nemen om te waarborgen dat de Verenigde Staten hun op Duits grondgebied gelegen luchtmachtbasis Ramstein gebruiken om drone-aanvallen in Jemen slechts in overeenstemming met het volkenrecht te plegen. Daarbij speelde onder andere de vraag of de immuniteit van jurisdictie de nationale rechter verbiedt om de te oordelen over de volkenrechtelijke rechtmatigheid van het handelen van een andere staat. Het Bundesverwaltungsgericht beantwoordde deze vraag ontkennend:

[Das Handeln anderer Staaten] ist (…) einer inzidenten rechtlichen Prüfung durch nationale Gerichte nicht von vornherein entzogen; denn der völkergewohnheitsrechtlich anerkannte Grundsatz, dass ein Staat keiner fremden nationalen Gerichtsbarkeit unterworfen ist (Grundsatz der Staatenimmunität) verbietet nicht die gerichtliche Entscheidung über die Rechtmäßigkeit von Hoheitsakten anderer Staaten im Rahmen von Vorfragen.” (punt 59, onder verwijzing naar Bundesverfassungsgericht 10 juni 1997, BvR 1516/96, BVerfGE 96, 68, punt 90).

In 2025 moest de Supreme Court of Appeal van Zuid-Afrika in de zaak EAC/MTN oordelen over een geschil tussen de Nederlandse vennootschap East Asian Consortium B.V. (hierna: EAC) en een aantal gedaagden (hierna: MTN c.s.) met betrekking tot door EAC gestelde, door MTN geïnstigeerde fraude bij de toekenning van een GSM-licentie door het Iraanse ministerie van PTT. MTN had in relatie tot de Iraanse staat een beroep gedaan op het Zuid-Afrikaanse Foreign States Immunities Act 87 of 1981 in het licht van artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) VN-Verdrag. De High Court had dat beroep aanvaard. Het Supreme Court vernietigde.

a. Na een analyse van de Belhaj-uitspraak van de Britse Supreme Court gaf Unterhalter JA namens de meerderheid het volgende samenvattend antwoord op de vraag wat het leerstuk van indirect impleading inhoudt en of het kan worden uitgebreid naar meer dan rights in property:

“The proceedings in question must affect the legal interest of the foreign state, even though it is not a party to the proceedings. The foreign state has such an interest if the proceedings might affect the legal right (or liabilities) of the foreign state. Other interests, such as political, moral or diplomatic interests, do not register as relevant interests because courts of law do not give judgments or issue orders that redeem these interests. The foreign state’s rights in property fall within the class of legal rights that might indirectly implead the foreign state. That is so because the parties to the proceedings may claim property rights that, if recognised by a court and reflected in orders, may thereby diminish the bundle of rights in property to which the foreign state claims entitlement. With Lord Sumption, I do not hold that the class of rights of the foreign state that may give rise to a foreign state being indirectly implead is confined to rights in property. However, the rights of the foreign state that might qualify for inclusion in the class must have the attributes that the property cases exemplify. In particular, the proceedings must be such that the legal rights of the foreign state would be affected because the judgment and order of the court may diminish or otherwise adversely affect the foreign states’ entitlement to these rights, or their exercise” (punten 54 en 55).

Hij oordeelde vervolgens dat een oordeel van de Supreme Court of Appeal geen gevolgen kon hebben voor rechten of aansprakelijkheden van de Iraanse staat:

“The issue that then arises for consideration is whether the action instituted by EAC concerns the legal rights of Iran, and whether any judgment and order that may issue from a South African court seized of the matter may adversely affect Iran, in the sense that I have described. The claims of EAC in delict are not made against Iran. That alone does not mean that Iran is not indirectly impleaded. EAC’s particulars of claim, as I have explained, allege that EAC acquired contractual rights against the government of Iran and that Iran was induced to breach those rights. The government of Iran is also alleged to have acted unlawfully, in concert with the defendants, to deprive EAC of the fruits of the GSM license that it would otherwise have enjoyed as a shareholder of the operating company. Ultimately, EAC seeks an order for the payment of damages by the defendants for the loss sustained by it as a result of being deprived of this opportunity.” (punt 56).

Molema P reageerde voor de minderheid als volgt op punt 55 van Unterhalter JA:

“My inclination, too, is that the class of rights of the foreign state that may give rise to a foreign state being indirectly impleaded should not be confined to rights in property and should be extended to a protectable legal interest. In my opinion, it suffices if the pleaded case is of such a nature that the legal rights of the foreign state would be affected because the judgment and/or order of the court might implicate the foreign state’s entitlement to those rights, or the exercise thereof. Under such circumstances, the foreign government (and in the circumstances of this case, the Iranian government and / or MTN International) can seek intervention by way of state immunity on the basis that they have a legal interest to defend themselves against the imputation of delictual liability. I therefore disagree that the rights of the foreign state that qualify for inclusion in the class must have the attributes that the property cases exemplify.” (punt 139, verwijzingen weggelaten).

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot goedkeuring van het VN-Verdrag bevat op het punt van indirect impleading geen andere toelichting dan een woordelijke herhaling van artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) in de Nederlandstalige versie.

Conclusies met betrekking tot het leerstuk van indirect impleading

Uit deze feiten en omstandigheden kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Er bestaat een bestendige, algemene statenpraktijk waarbij immuniteit van jurisdictie wordt verleend in procedures waarin een vreemde staat weliswaar niet is gedagvaard als verweerder, maar wel wordt geraakt in zijn belangen doordat zijn bezittingen, rechten of aansprakelijkheden in het geding zijn.

Staten zoals Frankrijk en de Verenigde Staten in Dollfus Mieg en Mexico in het Canadese vakbondgeschil hebben in geschillen voor vreemde rechters waar zij niet partij bij waren uitdrukkelijk een beroep gedaan op immuniteit op deze grondslag.

De rechters van het Verenigd Koninkrijk, Canada en Zuid-Afrika hebben die regel uitdrukkelijk toegepast en de Duitse, Noorse en Belgische rechters hebben dat impliciet gedaan door aan die regel toepassing te geven, zonder met zoveel woorden te vermelden dat het daarbij gaat om een regel van internationaal gewoonterecht.

Het Verenigd Koninkrijk heeft die regel gecodificeerd in artikel 6 gelezen in samenhang met artikel 1 van zijn State Immunities Act 1978.

De International Law Commission heeft die grondslag in 1991 in zijn commentaar bij het ontwerp voor artikel 6 lid 2 VN-Verdrag beschreven als een algemene statenpraktijk.

De VN-lidstaten, verenigd in de Algemene Vergadering, hebben het VN-Verdrag aangenomen, met daarin artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b). Die bepaling is – behalve opmerkingen van drie landen die voor een beperkte uitleg van “interests and activities” hebben gepleit – na 1991 geen onderwerp geweest van discussie en bij het vaststellen van het VN-Verdrag heeft geen land bij die bepaling een voorbehoud gemaakt.

Deze statenpraktijk omvat geschillen die, onder de algemene aanduiding “legal interest”. betrekking hadden:

eigendom over property;

minder ver reikende aanspraken over property, zoals possession or control; en

[i] overige rechten en [ii] aansprakelijkheden, mits het daarbij gaat om aspecten waarover een rechter beslissingen kan nemen die de rechtspositie van de betrokken staat aantasten, en dus verder gaan dan politieke, morele , diplomatieke of economische belangen.

In sommige gevallen kan het gaan om belangen die niet rechtstreeks worden geraakt door de betrokken vorderingen, maar wel noodzakelijk worden geraakt als afgeleid gevolg van die vorderingen, door sommige rechters aangeduid als second order legal consequences.

Die statenpraktijk is gestoeld op de overtuiging dat zij verplicht is. Vanaf Brett LJ in The Parlement Belge hebben de in de vorige alinea’s bedoelde nationale rechters die praktijk beschreven als een noodzakelijk uitvloeisel van de immuniteit van jurisdictie, in die zin dat die immuniteit op dezelfde wijze als in rechtsreeks tegen een vreemde staat gerichte procedures in het geding is wanneer een vordering betrekking heeft op bezittingen, rechten of aansprakelijkheden van een vreemde staat. Die rechters hebben daarbij verduidelijkt dat die vreemde staat door zo’n vordering namelijk in een positie wordt gebracht waarin hij moet kiezen tussen het prijsgeven van zijn juridisch belang of het zich onderwerpen aan de rechtsmacht van een vreemde rechter. De International Law Commission heeft deze ratio legis in punt 12 van zijn commentaar ook uitdrukkelijk ten grondslag gelegd aan zijn voorstel voor artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) VN-Verdrag.

De Foreign Acts of State doctrine maakt geen deel uit van het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie, maar is een afzonderlijk leerstuk uit de common law traditie dat niet is gericht op rechtsmacht, maar op de beoordeling ten gronde van het handelen van een vreemde staat. De regel van immuniteit van jurisdictie houdt niet in dat het een rechter verboden is te oordelen over de rechtmatigheid van het handelen van een vreemde staat.

Toepassing van dat leerstuk in de onderhavige zaak

De Russische Federatie is in deze exequatur-procedure niet indirectly impleaded, aangezien het gevraagde verlof tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis geen gevolgen kan hebben voor bezittingen, rechten of aansprakelijkheden van de Russische Federatie in Nederland.

Haar (middellijke) eigendomsrecht op de aandelen in Gazprom worden door die tenuitvoerlegging niet aangetast, en de uitoefening van dat eigendomsrecht evenmin. Het gevraagde verlof kan weliswaar leiden tot verhaal op vermogensbestanddelen van Gazprom, waarvan de aandelen voor 50,33% middellijk worden gehouden door de Russische Federatie, maar het verband tussen die vermogensbestanddelen en deze laatste is te ver verwijderd om te kunnen aannemen dat enige property van haar in het geding is. Het is mogelijkerwijs zo dat de waarde van het indirecte aandelenbezit van de Russische Federatie in Gazprom kan afnemen als gevolg van uitwinning van vermogensbestanddelen van deze laatste, maar daarmee wordt hooguit een economisch belang, en niet een legal interest van de Russische Federatie geraakt. Zoals uit het voorgaande naar voren komt – zie o.m. de r.o. 6.18, 6.20d, 3e gedachtestreepje, 6.22 en 6.23 sub e – is er geen grond om aan te nemen dat er een regel van internationaal gewoonterecht bestaat dat ook daarvoor immuniteit moet worden verleend.

Dat de Oekraïense rechter in het Oekraïense Gazprom-vonnis onder andere Gazprom heeft aangemerkt als alter ego van de Russische Federatie, maakt het voorgaande niet anders. Dat oordeel ligt weliswaar ten grondslag aan de in dat vonnis uitgesproken en volgens het exequatur-verzoek in Nederland ten uitvoer te leggen veroordelingen, maar maken niet dat die veroordelingen een andere uitwerking krijgen op bezittingen, rechten of aansprakelijkheden van de Russische Federatie.

Datzelfde geldt voor het feit dat het Oekraïense Gazprom-vonnis onlosmakelijk is verbonden met het Oekraïense RF-vonnis, waarvan de veroordelingen zijn uitgesproken ten laste van uitsluitend de Russische Federatie.

Gazprom voert aan dat Slavutich het recht van de Russische Federatie op immuniteit van jurisdictie heeft omzeild door de vorderingen tegen de Russische Federatie en de Gazprom-entiteiten kunstmatig op te knippen in twee procedures en door de Russische Federatie niet mee te dagvaarden in de procedure die heeft geleid tot het Oekraïense Gazprom-vonnis, maar daarbij wel vorderingen in te stellen die zijn gericht op het handelen van de Russische Federatie en waarvan toewijzing inbreuk zou maken op dier soevereiniteit. Daarbij heeft de Oekraïense rechter volgens Gapzrom ten onrechte geweigerd om in zijn RF-vonnis immuniteit te verlenen aan de Russische Federatie. Ook deze stellingen stuiten af op het voorgaande: een en ander maakt het concrete gevolg van de tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis in Nederland namelijk niet anders.

Gazprom voert ook aan dat het Oekraïense Gazprom-vonnis een veroordeling bevat tot betaling van een schadevergoeding hoofdelijk met de Russische Federatie, en dat tenuitvoerlegging van dat vonnis daarom zal leiden tot een vordering van Gazprom tegen de Russische Federatie tot regres of vrijwaring, waardoor deze hoe dan ook in haar rechtspositie zal worden geraakt. Dat belang is echter onvoldoende om immuniteit van jurisdictie te verlenen. Gazprom zou die regres- en vrijwaringsvorderingen namelijk eerst geldend moeten maken, hetzij voor de Russische rechter, in welk geval de Russische Federatie zich niet zou hoeven te onderwerpen aan de rechtsmacht van een vreemde rechter, hetzij voor een vreemde rechter, die immuniteit zou verlenen. De situatie in de onderhavige zaak onderscheidt zich in zoverre van het deel van de zaak Dollfus Mieg waarin het subsidiair ging om vervangende schadevergoeding, dat betaling van die schadevergoeding door de Bank of England naar Engels recht van rechtswege tot gevolg zou hebben gehad dat deze de eigendomstitel van Dollfus Mieg & Cie over de betrokken goudstaven zou hebben verworven en deze aan Frankijk en de Verenigde Staten had kunnen tegenwerpen ingeval van terugvordering van die staven, in welk geval deze staten zich alsnog tot de Britse rechter hadden moeten wenden om die staven terug te krijgen. Dat doet zich hier niet voor.

Voor zover de hiervoor onder 6.23 onder b. beschreven rechtsregel uit Monetary Gold removed from Rome en East Timor geacht moet worden niet alleen een regel van internationaal procesrecht voor het IGH te zijn, maar een onderdeel van het internationaal gewoonterecht inzake immuniteit van jurisdictie, geldt dat ook deze regel hier niet tot die immuniteit kan leiden. In de onderhavige exequatur-procedure staat (indirect) weliswaar het handelen van de Russische Federatie centraal, maar deze procedure vertoont niet het tweede kenmerk dat, zoals Lord Sumption terecht opmerkte in Belhaj, noodzakelijk is voor toepassing van die regel, namelijk dat “although the judgment would have bound only the parties, each of the parties would have been bound to deal with the non-party in accordance with it” (zie hiervoor onder 6.23 onder f.). Het verlof tot tenuitvoerlegging zou hier inhouden dat Slavutich zich in Nederland kan verhalen op vermogensbestanddelen van Gazprom, maar zou geen van partijen jegens elkaar verplichten tot het volgen van een bepaalde gedragslijn in verhouding tot de Russische Federatie.

Dat de Nederlandse exequatur-rechter, door verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis, indirect zou treden in de beoordeling van de rechtmatigheid van het soevereine handelen van de Russische Federatie maakt het voorgaande niet anders. Uit de voorgaande beoordeling volgt dat die toets vreemd is aan de als regel van internationaal gewoonterecht erkende immuniteit van jurisdictie. Het gaat bij die toets veeleer om de Foreign Act of State Doctrine, die een common law-leerstuk is en in Nederland niet geldt.

Gazprom heeft een beroep gedaan op artikel 18 Weens Verdragenverdrag. Voor het geval waarin een staat een verdrag heeft ondertekend dat nog niet in werking is getreden bepaalt dat artikel dat die staat zich moet onthouden van handelingen die dat verdrag zijn voorwerp en zijn doel zouden ontnemen. Dat beroep kan Gazprom om de volgende redenen niet baten.

De maatstaf die voor een schending van artikel 18 Weens Verdragenverdrag moet worden aangelegd is niet of de betrokken lidstaat een verdragsbepaling wel of niet in acht heeft genomen, maar of de staat verder gaat dan dat en handelingen verricht die de correcte toekomstige toepassing van het betrokken verdrag frustreren. Als het enkele handelen in strijd met de bepalingen van een verdrag zou leiden tot strijd met artikel 18 van het Weens Verdragenverdrag, zou latere bekrachtiging immers overbodig zijn. Het in een individueel geval niet toepassen van een nog niet in werking getreden verdrag kan dan ook niet worden aangemerkt als een met het voorwerp en doel daarvan strijdige handeling.

Daar komt bij dat uit het ILC-commentaar, de overige wordingsgeschiedenis en context van artikel 6 lid 2 aanhef en onder (b) VN-Verdrag en de uitleg die daaraan is gegeven door Lord Mance en Lord Sumption in Belhaj en in de literatuur volgt dat het niet verlenen van immuniteit voor aantasting van interests and activities die geen legal interests vormen, niet een handeling is die kan worden aangemerkt als zijnde strijdig met voorwerp en doel van het VN-verdrag. Het hof heeft in de voorgaande alinea’s geoordeeld dat geen dergelijk legal interest van de Russische Federatie in het geding zou zijn bij tenuitvoerlegging van het Oekraïense Gazprom-vonnis in Nederland.

Het voorgaande samenvattend faalt het beroep van de Russische Federatie op immuniteit van jurisdictie. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het exequatur-verzoek kennis te nemen. Voor de inhoudelijke beoordeling daarvan zal de zaak worden terugverwezen naar de rechtbank.

De vraag of het Oekraïense Gazprom-vonnis in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd, gelet op de grondslag in het onrechtmatig handelen van de Russische Federatie en de vereenzelviging van de Gazprom-entiteiten met de Russische Federatie naar Oekraïens aansprakelijkheidsrecht, zal na die terugverwijzing worden beoordeeld in het licht van diverse bepalingen van het Erkenningsverdrag. Maar het gaat daar om de beoordeling van de zaak ten gronde en niet om de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.

Gazprom heeft tijdens de mondelinge behandeling vermeld dat de Russische rechter zich internationaal exclusief bevoegd heeft verklaard om te oordelen over de vraag of beweerde crediteuren van de Russische Federatie verhaal kunnen nemen op het vermogen van Gazprom, en dat die Russische rechter ook heeft geoordeeld dat die beweerde crediteuren dat niet kunnen. Zij heeft tijdens die mondelinge behandeling ook betwist dat Slavutich eigenaar was van de percelen Voor zover zij daarmee heeft bedoeld te reageren op de grieven van Slavutich heeft zij dat te laat gedaan, want niet bij memorie van antwoord en zonder aan te voeren dat zich met betrekking tot die stellingen en betwistingen een grond voordoet tot doorbreking van de tweeconclusieregel. Overigens kunnen deze stellingen de Russische Federatie niet baten, aangezien de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van artikel 24 lid 5 Verordening Brussel I bis en/of artikel 985, laatste volzin, Rv en het eigenaarschap van het betrokken graan alleen in het kader van de – na terugverwijzing te behandelen – erkenningsvraag aan de orde kan zijn.

Slotsom en proceskosten

Het hoger beroep van Slavutich slaagt. Het hof gaat voorbij aan het aanbod van Gazprom om getuigen te horen omdat Gazprom dat aanbod niet heeft gespecificeerd zoals dat in hoger beroep is vereist. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen, het beroep van Gazprom op de immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie verwerpen en de zaak terugverwijzen naar de rechtbank voor de behandeling ten gronde. Bij deze stand van zaken heeft de rechtbank Slavutich ten onrechte veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg. Omdat de rechtbank zich bevoegd had behoren te verklaren maar nog niet over het verzoek ten gronde heeft beslist is er nog geen aanleiding om een proceskostenveroordeling in eerste aanleg uit te spreken. Gazprom moet als de in het ongelijk gestelde partij wel worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Omdat partijen zich niet hebben uitgelaten over de waarde van de vermogensbestanddelen van Gazprom waarop Slavutich zich in Nederland zou kunnen verhalen, gaat het hof daarbij uit van tariefcategorie II. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Slavutich daarom op:

griffierecht € 827,-

salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 3.596,-

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing. Het verzoek om Gazprom te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen Slavutich haar heeft betaald ter uitvoering van de bestreden beschikking is toewijsbaar. Gelet op het principiële belang van deze zaak zal het hof ambtshalve tussentijds cassatieberoep openstellen.

7. Beslissing

Het hof:

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.H. Speyart van Woerden, mr. M.Y. Bonneur en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand