ECLI:NL:GHDHA:2026:2072

ECLI:NL:GHDHA:2026:2072

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 11-06-2026
Datum publicatie 26-06-2026
Zaaknummer 22-000270-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Het hof verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uur wegens niet-naleving van de gestelde bijzondere voorwaarden. Het hof oordeelt dat in de procedure bij de kantonrechter geen sprake is geweest van een schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor geen sprake is geweest van een eerlijk en onpartijdige behandeling van de vordering tenuitvoerlegging. Beroep op doorbreking van het wettelijk appelverbod dat volgt uit artikel 6:6:7 Wetboek van strafvordering, wordt afgewezen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000270-26

Parketnummer: 10-161295-24

Datum uitspraak: 11 juni 2026

TEGENSPRAAK

Uitspraak van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (locatie Rotterdam) van 19 januari 2026 in de zaak tegen de veroordeelde:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Procesgang

De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 5 november 2024 op tegenspraak veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Naast de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit, zijn daaraan (onder meer) de bijzondere voorwaarden gekoppeld dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming en jeugdreclassering Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- naar school zal gaan volgens rooster en zich zal houden aan de regels en afspraken van school.

Namens het Openbaar Ministerie is op 27 mei 2025 een schriftelijke vordering ingediend. Deze houdt in dat de tenuitvoerlegging van de voornoemde voorwaardelijke werkstraf zal worden gelast, aangezien de veroordeelde zich niet aan de gestelde bijzondere voorwaarde(n) heeft gehouden.

Bij beslissing van 19 januari 2026 heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam de vordering van het Openbaar Ministerie toegewezen en de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 40 uren te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.

Namens de veroordeelde is tegen voormelde beslissing hoger beroep ingesteld.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026 gevorderd dat de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen veroordeelde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, nu hoger beroep tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf wegens niet-naleving van een of meer gestelde bijzondere voorwaarden niet mogelijk is op grond van artikel 6:6:7 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de veroordeelde dient te worden ontvangen in het hoger beroep. Hiertoe stelt de raadsvrouw dat doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is, omdat fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging zijn geschonden. De veroordeelde is namelijk niet op de zitting van de kantonrechter over de tenuitvoerlegging verschenen, omdat zij de oproeping voor die zitting niet had ontvangen. De veroordeelde woont in een woning met een gedeeld portiek, waar veel post niet aankomt, waardoor het niet aan de veroordeelde te wijten is dat zij niet van de zitting bij de kantonrechter op de hoogte was. Indien zij de brieven had ontvangen dan had zij aanwezig willen zijn.

De vraag die het hof dient te beantwoorden is of er in de onderhavige zaak sprake is van een zodanige omstandigheid dat doorbreking van het appelverbod geboden is.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit artikel 6:6:7 Sv volgt dat tegen de beslissing van de kantonrechter tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van een of meer gestelde bijzondere voorwaarden geen rechtsmiddel openstaat. Doorbreking van het appelverbod is slechts gerechtvaardigd in gevallen waarin fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging zodanig worden geschonden, dat daardoor geen sprake meer is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en daarop een beroep wordt gedaan. Het hof begrijpt het betoog van de raadsvrouw aldus dat gehandeld is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde nu het aanwezigheidsrecht van de veroordeelde is geschonden.

Bij de kantonrechter is een en ander als volgt gegaan.

Op 8 oktober 2025 heeft een eerste zitting bij de kantonrechter plaatsgevonden. Hiervoor is een oproep uitgegaan naar de veroordeelde, haar ouders en de toenmalige raadsvrouw van de veroordeelde, mr. M. Nentjes. De oproep voor die zitting is rechtsgeldig betekend. Op de zitting van 8 oktober 2025 is mr. Nentjes verschenen. Zij gaf aan niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. De kantonrechter heeft daarop besloten dat het onderzoek ter terechtzitting moest worden geschorst en dat er een nieuwe zitting zou komen waarvoor de verdachte moest worden opgeroepen, zodat de verdachte een tweede kans kreeg om bij de zitting aanwezig te zijn, dan wel om haar advocaat te machtigen om namens haar het woord te voeren.

Uit het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, volgt dat zich daarna een wisseling van raadslieden heeft voorgedaan. Op 7 november 2025 heeft zich – op verzoek van de moeder van de veroordeelde – een nieuwe raadsman gesteld, te weten mr. C.Y. Kekik, die hieromtrent contact heeft gehad met mr. Nentjes. De veroordeelde heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij gehoord had dat zij de zitting in oktober 2025 had gemist en dat haar moeder een nieuwe advocaat had ingeschakeld.

Op 19 januari 2026 heeft vervolgens een tweede zitting bij de kantonrechter plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat de veroordeelde en haar ouders ook voor de zitting van 19 januari 2026 op correcte wijze zijn opgeroepen, nu de oproeping op 8 januari 2026 rechtsgeldig is betekend door middel van OM-betekening, waarbij er tevens een afschrift is verzonden naar het BRP-adres van veroordeelde. Ook naar de raadsman, mr. Kekik, is een oproep uitgegaan.

Op de zitting van 19 januari 2026 is de kantoorgenoot van mr. Kekik, mr. I.S. van Leeuwen, als raadsvrouw verschenen, waarbij zij heeft verklaard dat zij waarnam voor mr. Kekik en dat zij beiden in de aanloop van deze zitting geen contact met de veroordeelde hebben kunnen krijgen. Voorts verklaarde zij niet gemachtigd te zijn. Zij heeft de kantonrechter verzocht om aanhouding van de zaak, omdat zij dacht dat de veroordeelde wel gebruik zou willen maken van haar aanwezigheidsrecht, zonder dit verder te onderbouwen.

De kantonrechter heeft het verzoek tot aanhouding van de zaak afgewezen en de behandeling van de zaak buiten de aanwezigheid van de veroordeelde voortgezet. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat, nadat de veroordeelde op de zitting van 8 oktober 2025 niet was verschenen, zij opnieuw de mogelijkheid heeft gekregen om bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn. Desondanks is veroordeelde opnieuw en zonder opgaaf van redenen niet ter terechtzitting verschenen.

Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat in de procedure bij de kantonrechter sprake is geweest van een schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde - zoals het aanwezigheidsrecht - waardoor geen sprake is geweest van een eerlijk en onpartijdige behandeling van de vordering tenuitvoerlegging.

De veroordeelde is immers tot twee keer toe op rechtsgeldige wijze opgeroepen voor de zittingen bij de kantonrechter van 8 oktober 2025 en 19 januari 2026. Het ligt op de weg van de veroordeelde om zich beschikbaar te houden voor haar advocaten. Niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde buiten haar schuld niet op de hoogte was van de behandeling van de zaak of anderszins niet in staat is geweest haar verdedigingsrechten uit te oefenen.

Nu geen sprake is van redenen die doorbreking van het wettelijke appelverbod rechtvaardigen, verwerpt het hof het beroep op doorbreking van het appelverbod.

Derhalve zal het hof de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.A.M. Jansen, mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans en mr. N.M. Boersma, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand