Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002875-25
Parketnummer: 10-165070-25
Datum uitspraak: 22 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedatum] 1984,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent het beslag, zoals nader overwogen in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 mei 2025 te Dordrecht, althans in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 18 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 28 mei 2025 te Dordrecht opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde overtreding heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 28 mei 2025 te Dordrecht, althans in Nederland, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 18 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Op 28 mei 2025 genereerde een personenauto met het Franse kenteken [kenteken] een hit in het ANPR-systeem. Naar aanleiding van deze melding kreeg de bestuurder van het voertuig een volgteken van de politie. De verdachte bleek de bestuurder van het voertuig te zijn. Het voertuig werd met toestemming van de verdachte doorzocht door de politie en in twee verborgen ruimtes werd 18 kilogram cocaïne gevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij met de auto onderweg naar Frankrijk was.
Het primair tenlastegelegde
Aan de verdachte is primair tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.
Onder primair, impliciet subsidiair is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne in de overtredingsvariant.
Dat de verdachte opzettelijk cocaïne buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht acht het hof niet bewezen. De omstandigheden waar de advocaat-generaal op heeft gewezen en die uit het dossier en de onderzoeken ter terechtzitting blijken roepen weliswaar vele vragen op, maar leveren naar het oordeel van het hof nog niet het bewijs van (voorwaardelijk) opzet op het transporteren van cocaïne. Van het tenlastegelegde opzet wordt de verdachte dan ook vrijgesproken.
Wel acht het hof op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en mede gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het impliciet subsidiair tenlastegelegde: buiten het grondgebied brengen van cocaïne in de overtredingsvariant.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10 lid 1 van de Opiumwet.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de uitvoer van een forse partij cocaïne. Opzet op die uitvoer heeft het hof niet bewezen verklaard, maar enig verwijt, in de vorm van een overtreding, valt de verdachte in dit verband wel te maken. Door de beschikbaarheid van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd, feiten als deze zijn daarom maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ten slotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke hechtenis van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
Het hof zal de op de beslaglijst vermelde in beslag genomen auto (voorwerpnummer [nummer]) onttrekken aan het verkeer. In deze auto is een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs aangetroffen in professioneel ingebouwde verborgen ruimtes onder de voorstoelen. Deze verborgen ruimtes betreffen geen standaardvoorziening in deze auto. Deze verborgen ruimtes zijn achteraf ingebouwd, kennelijk bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken.
Aangezien met behulp van deze auto het bewezen verklaarde feit is begaan en deze auto, gelet op de daarin duurzaam ingebouwde verborgen ruimtes, van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang, zal de auto worden onttrokken aan het verkeer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is reeds bij afzonderlijke beslissing van dit hof d.d. 9 april 2026 opgeheven.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voertuig (personenauto) met voorwerpnummer [nummer] (omschrijving: [nummer]).
Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en
mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2026.
mr. F.W. Pieters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.