ECLI:NL:GHDHA:2026:2292

ECLI:NL:GHDHA:2026:2292

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 30-06-2026
Datum publicatie 13-07-2026
Zaaknummer BK-25/1106
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Artikel 12a Wet LB. Navorderingsaanslagen IB/PVV. Gebruikelijk loon. De Inspecteur maakt aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren substantiële werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de vennootschap waar belanghebbendes echtgenote 100% aandeelhouder en enig bestuurder van was. Daarmee is aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een gebruikelijk loon voldaan. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat het gebruikelijk loon lager moet worden vastgesteld. De navorderingsaanslagen zijn terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 30 juni 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/1106

in het geding tussen:

(gemachtigde: T. Ramdajal)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 november 2025, nummers SGR 24/8844 en SGR 24/8845.

Procesverloop

Aan belanghebbende is een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) over het jaar 2015 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.695. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen zijn een vergrijpboete van € 9.971 opgelegd en € 3.924 belastingrente in rekening gebracht.

Aan belanghebbende is ook een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2016 opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.648. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen zijn een vergrijpboete van € 9.474 opgelegd en € 2.998 belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2015 en 2016 (tezamen de navorderingsaanslagen) en onderhavige beschikkingen gemaakte bezwaren gedeeltelijk toegewezen en de vergrijpboeten voor beide jaren laten vervallen.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaak 22/8845 [Hof: inzake navorderingsaanslag IB/PVV 2016] ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak 22/8844 [Hof: inzake navorderingsaanslag IB/PVV 2015] gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar gericht tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2015;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.358, vermindert de rentebeschikking dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende is gehuwd met [naam] (echtgenote).

De echtgenote van belanghebbende was van 16 januari 2014 tot en met 26 juni 2015 enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is op 26 juni 2015 opgehouden te bestaan. Belanghebbende en zijn echtgenote waren van 25 februari 2015 tot en met 1 maart 2015 ieder voor de helft aandeelhouder van de Belgische vennootschap [bedrijf 2] . Op 1 maart 2015 droegen zij hun aandelen in [bedrijf 2] over aan een derde (B). Op 19 juni 2015 is [bedrijf 3] opgericht met de echtgenote van belanghebbende als enig aandeelhouder en bestuurder. [bedrijf 3] is in 2021 ontbonden.

De werkzaamheden van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] betroffen de handel in dranken en levensmiddelen.

Naar aanleiding van onderzoek door belastingambtenaren van de Belgische Federale Overheidsdienst, heeft de Inspecteur boekenonderzoeken uitgevoerd bij [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en belanghebbende. In verband met het onderzoek bij [bedrijf 3] en [bedrijf 1] heeft op 11 juli 2016 een bespreking plaatsgevonden tussen de Inspecteur enerzijds en belanghebbende, zijn echtgenote en adviseurs anderzijds. Er zijn twee rapporten opgesteld naar aanleiding van de boekenonderzoeken, een met betrekking tot [bedrijf 3] en een met betrekking tot belanghebbende, beide met dagtekening 5 februari 2021. Later is met betrekking tot [bedrijf 3] een aanvullend controlerapport met dagtekening 29 november 2021 opgesteld.

In het gespreksverslag van voornoemde bespreking op 11 juli 2016 is het volgende opgenomen:

“Vraag:

Wat waren de activiteiten van [bedrijf 3] en wat is de rol van [belanghebbende] bij deze besloten vennootschap?

Antwoord:

[Belanghebbende] antwoordde op deze vraag wat [bedrijf 3] verkocht was: bier, breezers en laag alcoholische dranken. Met betrekking tot zijn werkzaamheden antwoordde [belanghebbende] dat hij af en toe de telefoon aannam en soms hielp bij het inladen van de bestelauto maar dat [echtgenote] alle verdere activiteiten verrichtte.

Vraag:

[Echtgenote] heeft u naast het feit dat u hoofdzakelijk werkzaamheden voor [bedrijf 1] verricht nog andere werkzaamheden verricht?

Antwoord:

[Echtgenote] gaf in eerste instantie geen antwoord. Nadat [RW] de vraag stelde of zij geen

werkzaamheden heeft verricht voor het [ziekenhuis] verklaarde zij dat zij op oproepbasis voor het [ziekenhuis] heeft gewerkt.

(…)

Vraag:

[Belanghebbende] kunt u mij vertellen waar uw inkomsten uit bestaan?

[Belanghebbende] verklaarde dat hij een WAO uitkering geniet en daarnaast nog een uitkering van een verzekeringsmaatschappij krijgt. De naam hiervan kon [belanghebbende] zich niet herinneren.

(…)

Vraag:

Was er gedurende de periode dat de BV activiteiten had personeel in loondienst?

Antwoord:

[Belanghebbende] gaf aan dat dit niet het geval was.

Vraag:

Kunt u mij de routing aangeven als er een bestelling wordt geplaatst?

Antwoord:

[Belanghebbende] antwoord hierop dat de bestelling telefonisch wordt geplaatst (hoofdzakelijk klanten binnen de EU). Bij bestellingen boven de € 3.000 moeten de klanten dit contant komen betalen op het bedrijfsadres. Vervolgens worden de goederen door [echtgenote] (met Spinterbusje) afgeleverd. Hierbij wordt het CMR afgetekend voor ontvangst van de goederen.

(…)

Vraag:

Op alle door ons gestelde vragen geeft u, [belanghebbende], antwoord. Wij hebben de indruk dat [echtgenote] niet de eigenaar van de BV is, hoewel dit volgens de statuten zo is, maar [belanghebbende]. Kunt u mij aangeven wie de eigenaar van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] is dan wel was?

Antwoord:

[Belanghebbende] volhard in zijn eerder gegeven antwoord dat hij slechts of en toe de telefoon aannam en hielp met het beladen van de Sprinter, als [echtgenote] een bestelling weg moest brengen, maar dat [echtgenote] eigenaar van beide BV's was. [Belanghebbende] heeft een groot rijbewijs en [echtgenote] heeft rijbewijs B.

(…)

Vraag:

Het volgende wordt aan [belanghebbende] aangegeven: "[Belanghebbende] tot nu toe hebt u, hoewel u aangeeft weinig met de BV te maken te hebben, alle vragen beantwoord. Op de volgende vraag wil ik dat [echtgenote] als eigenaar en bestuurder van de BV antwoord geeft. lk verzoek u even niets te zeggen". [Echtgenote] kunt u mij aangeven hoe een bestelling plaatsvindt. lk verzoek u een beschrijving te geven vanaf het moment dat de klant u benadert.

Antwoord:

[Echtgenote] blijft stilzwijgend voor zichzelf uitkijken en kijkt vragend naar zowel haar man als de heer [VP]. Uiteindelijk geeft [belanghebbende] het volgende antwoord. Als een klant ons benadert wordt de bestelling op een kladje geschreven. Aan de hand van de bestelling wordt de prijs bepaald (dit geldt hoofdzakelijk voor de afname van het bier welke bij [winkel] geschiedt). Op het moment dat de goederen binnen zijn wordt de bestelling klaargemaakt en het kladje weggegooid. Op dit moment is [echtgenote] er op gewezen dat zij hiermee niet voldoet aan de in artikel 52 van de Algemene wet rijksbelastingen (bewaarplicht) voldoet.”

In het vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, strafzaken, van 28 juni 2019 is het volgende opgenomen:

“In 2016 en 2017 werd [belanghebbende] op heterdaad betrapt bij de levering van dranken op Brussels grondgebied en ook hier in overtreding gesteld wegens het onregelmatig binnenbrengen van alcoholische dranken, gebruikmakend van andere vennootschapen.

(…)

Op grond van de elementen van het strafdossier waaronder voornamelijk het onderzoek van de B.B.I. en analyse van de facturen, is bewezen dat [belanghebbende] zich schuldig maakte aan het onregelmatig binnenbrengen van accijnsgoederen op het Belgisch grondgebied, en dit (zie Bijlage 4 bij P.V. n.r. 16/D/001375 van 24.1.2018).”

In het controlerapport van 5 februari 2021 naar aanleiding van het boekenonderzoek met betrekking tot [bedrijf 3] is het volgende opgenomen:

“Op vrijdag 14 oktober 2016 werd ons [Hof: de Inspecteur] door de heer [PL] medegedeeld dat de heer [ZP] met onmiddellijke ingang stopt met zijn activiteiten als adviseur voor [bedrijf 3] . In een schriftelijke verklaring van [ZP] gaf deze aan waarom hij was gestopt. De reden was, volgens de brief van [ZP]:

"De reden is gelegen in het feit dat uit de stukken die ik tot heden van de organisatie heb mogen inzien ik de administratie van de organisatie van [bedrijf 3] , het ontbreken van een deugdelijke verband tussen geld-goederen beweging en de opstelling van de bewindvoerder [belanghebbende] niet meer kan verenigen met mijn beroepsintegriteit."

In het controlerapport van 5 februari 2021 naar aanleiding van het boekenonderzoek met betrekking tot belanghebbende is het volgende opgenomen:

“Naar aanleiding van de ingesteld boekenonderzoeken bij [bedrijf 1] en [bedrijf 3] is tevens gebleken dat u namens beide ondernemingen diverse werkzaamheden verricht. Er is vastgesteld dat de verkopen, inkopen, transport, email verkeer alsmede de afhandeling van de financiële transacties over de gecontroleerde periode door u werden verricht. Volgens het handelsregister bij de Kamer van Koophandel is uw partner, [echtgenote], is 100% aandeelhouder van deze B.V.'s. Er is tijdens de controle vastgesteld dat er hier sprake is van gebruikelijk loon zoals gesteld in artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting 1964. Als gevolg hiervan wordt uw inkomen over de jaren 2015 en 2016 gecorrigeerd met onderstaande bedragen. De inspecteur heeft de vrijheid de correcties ten aanzien van het gebruikelijk loon dan wel via de loonheffingen te verwerken dan wel via de inkomstenbelasting. Er wordt dan ook gekozen

voor het laatste. Deze berekeningen zijn gemaakt op basis van tijdevenredigheid.

[bedrijf 1]

2015: (€ 44.000 x 177/365) = € 21.337

[bedrijf 3]

2015: (€ 44.000 x 197/365) = € 23.683

2016: (C 44.000 x 366/366) = € 44.000”

Op basis van zijn bevindingen naar aanleiding van de boekenonderzoeken heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd. Daarbij heeft hij de navolgende bedragen op grond van artikel 12a van de Wet op de Loonbelasting (Wet LB) als gebruikelijk loon bij belanghebbende in aanmerking genomen:

 2015: € 21.337 2015: € 21.337 ter zake van werkzaamheden bij [bedrijf 1] en € 23.683 ter zake van werkzaamheden bij [bedrijf 3] (samen € 44.000); en

 2015: € 21.337 2016: € 44.000 ter zake van werkzaamheden bij [bedrijf 3] .

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende zodanige werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 3] dat artikel 12a Wet LB toepassing vindt, maar dat hij daarin niet is geslaagd voor wat betreft [bedrijf 1] . De Rechtbank heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 daarom verminderd met het door de Inspecteur ter zake van werkzaamheden voor [bedrijf 1] in aanmerking genomen loon van € 21.337 en de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“8. Op grond van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt ten aanzien van iemand die in betekende mate arbeid verricht voor een vennootschap waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, dat het belastbare loon niet lager wordt gesteld dan op het uit dat wetsartikel voortvloeiende bedrag. Dit geldt ongeacht of daadwerkelijk loon is ontvangen.

9. Vaststaat dat de echtgenote van eiser in 2015 en 2016 aanmerkelijk-belanghouder was van zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 3] . Beslissend voor het geschil is daarmee of eiser in betekende mate arbeid heeft verricht voor [bedrijf 1] en/of [bedrijf 3] . De bewijslast daaromtrent rust op verweerder.

10. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder erin geslaagd aannemelijk te maken dat eiser zodanige werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf 3] dat artikel 12a van de Wet LB toepassing vindt, maar is hij daarin niet geslaagd voor wat betreft [bedrijf 1] . Zij overweegt daartoe als volgt.

11. Uit het rapport van het boekenonderzoek blijkt van activiteiten van [bedrijf 3] noodzakelijkerwijs substantiële arbeid vergden, en voorts dat zij geen personeel in dienst had noch anderszins werkkracht inhuurde. Uit het verslag van het gesprek dat op 11 juli 2016 plaatsvond blijkt dat de echtgenote, ook op indringend verzoek van verweerder, niet kon of wilde antwoorden op vragen over het reilen en zeilen van de onderneming; die vragen werden steeds, in tweede instantie, beantwoord door eiser. De echtgenote werkte op oproepbasis in de medische zorg. Van een werkkring van eiser, anders dan bij [bedrijf 3] , is niet gebleken. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de werkzaamheden die waren gemoeid met de onderneming van [bedrijf 3] in overwegende mate door eiser werden verricht, en voorts dat deze van een zodanig omvang waren dat de uitzonderingen van artikel 12a, leden 2 en 4, van de Wet LB niet van toepassing zijn.

12. Verweerder stelt dat de onderneming tot medio 2015 werd gevoerd door [bedrijf 1] en toen door [bedrijf 3] is overgenomen. Over de feitelijke gang van zaken bij [bedrijf 1] is nagenoeg niets naar voren gekomen, in het bijzonder ook niet welke omzetten zij behaalde. Het gebruikelijk loon dat verweerder over de eerste (bijna) helft van 2015 in aanmerking heeft genomen berust op zijn veronderstelling dat eiser bij [bedrijf 1] deed wat hij vervolgens bij [bedrijf 3] is gaan doen. Ook als verweerder in die veronderstelling kan worden gevolgd, volstaat dat niet om aannemelijk te doen zijn dat eiser zodanige arbeid voor [bedrijf 1] verrichtte dat aan toepassing van artikel 12a Wet LB wordt toegekomen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de omzet van [bedrijf 3] van 2016 zeer aanzienlijk hoger ligt dan die van de tweede helft van 2015 en niet kan worden uitgesloten dat het in de eerste helft van 2015 nog minder was.

Hierop stuit toepassing van artikel 12a Wet LB ter zake van door eiser bij [bedrijf 1] verrichte arbeid af. De aanslag voor het jaar 2015 moet bijgevolg worden verminderd met het door verweerder ter zaken van werkzaamheden voor [bedrijf 1] in aanmerking genomen fictieve loon van € 21.337, tot € 63.358.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd en, zo ja, naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is primair in geschil de vraag of belanghebbende arbeid heeft verricht ten behoeve van [bedrijf 3] in de jaren 2015 en 2016 die de vaststelling van een gebruikelijk loon rechtvaardigt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Subsidiair is de hoogte van het gebruikelijk loon in geschil.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op het gebruikelijk loon ter zake van werkzaamheden voor [bedrijf 3] , vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, dan wel vermindering van de navorderingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende tot een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep en vergoeding van het griffierecht.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

In de jaren 2015 en 2016 luidt artikel 12a, lid 1 en lid 2, Wet LB als volgt:

“1. Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het in het kalenderjaar van dat lichaam genoten loon ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

a. 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;

b. het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam, bedoeld in de aanhef, of met het lichaam verbonden lichamen;

c. € 44.000.

2. Indien de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat het hoogste bedrag, bedoeld in het eerste lid, hoger is dan 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, wordt het loon in afwijking van het eerste lid gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking, met dien verstande dat het loon ten minste wordt gesteld op het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, of, indien het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan dat bedrag, op het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking.”

Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote van belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 een aanmerkelijk belang hield in [bedrijf 3] , en belanghebbende op basis van de meetrekregeling van artikel 4.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 daardoor ook. Wat partijen primair verdeeld houdt, is de vraag of belanghebbende in die jaren arbeid verrichte ten behoeve van [bedrijf 3] , en of daarmee is voldaan aan alle voorwaarden voor het in aanmerking nemen van een gebruikelijk loon op grond van artikel 12a Wet LB.

Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende substantiële arbeid ten behoeve van [bedrijf 3] verricht. Hierbij verwijst hij allereerst naar het gespreksverslag van de bespreking van 11 juli 2016 (zie 2.5). Hieruit blijkt dat met de onderneming van [bedrijf 3] verschillende werkzaamheden gemoeid waren. Bestellingen werden telefonisch geplaatst, aan de hand van de bestelling werd de prijs bepaald, klanten betaalden voor grote bestellingen contant op het bedrijfsadres, inkopen werden gedaan, en vervolgens werden de goederen bij de klanten afgeleverd. Uit hetzelfde verslag blijkt dat [bedrijf 3] geen personeel in dienst had. De echtgenote van belanghebbende werkte op oproepbasis voor een ziekenhuis en belanghebbende genoot verschillende uitkeringen. Alle vragen over de wijze waarop de onderneming van [bedrijf 3] werd gevoerd, werden tijdens het gesprek beantwoord door belanghebbende. Zijn echtgenote heeft, ook toen de Inspecteur zich uitdrukkelijk tot haar richtte, geen enkele toelichting over de bedrijfsvoering gegeven. Uit het vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, strafzaken, van 28 juni 2019 (zie 2.6) blijkt volgens de Inspecteur dat belanghebbende, hoewel hij een WIA-uitkering ontving, wel degelijk arbeid kon verrichten in de jaren 2015 en 2016. De verklaring van de adviseur van [bedrijf 3] (zie 2.7) bewijst voorts dat belanghebbende zich presenteerde als feitelijk bestuurder van de vennootschap. Tot slot volgt uit de controlerapporten met betrekking tot [bedrijf 3] dat de omzet van [bedrijf 3] in de tweede helft 2015 € 128.708 en in 2016 € 835.979 bedroeg, wat substantiële omzetten zijn, aldus nog steeds de Inspecteur.

Belanghebbende betwist dat hij substantiële werkzaamheden ter zake van [bedrijf 3] heeft verricht. Hij verklaart slechts hand- en spandiensten te hebben verricht. Zijn echtgenote verrichtte volgens hem verder alle werkzaamheden. Ter zitting heeft belanghebbende naar voren gebracht dat hij vanaf 2012 volledig is afgekeurd en een WIA-uitkering ontvangt, waardoor hij onmogelijk meer dan hand- en spandiensten heeft kunnen verrichten. Met betrekking tot zijn aanhouding in België heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij op die momenten in 2016 en 2017 geen transport uitvoerde voor [bedrijf 3] , maar uit verveling was meegereden met B, aandeelhouder van [bedrijf 2] . Belanghebbende betoogt voorts dat het feit dat een onderneming arbeid vergt, niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat die arbeid door belanghebbende is verricht, laat staan in betekenende mate. De afwezigheid van personeel vormt ook geen sluitend bewijs voor toepassing van artikel 12a Wet LB. Daarbij kan kennis van de onderneming van [bedrijf 3] zoals deze blijkt uit het genoemde gespreksverslag - zeker binnen een huwelijk - niet gelijkgesteld worden met arbeid in de zin van artikel 12a Wet LB.

De bewijslast ter zake van de werkzaamheden rust op de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof heeft hij aan deze bewijslast voldaan door te verwijzen naar verschillende verklaringen, controlerapporten en een rechtbankvonnis. Het is vervolgens aan belanghebbende om de stelling van de Inspecteur gemotiveerd te betwisten en meer concrete, met bewijsstukken onderbouwde, informatie te verstrekken. Dit heeft belanghebbende, ook in hoger beroep, nagelaten. Uit niets blijkt bijvoorbeeld dat belanghebbende in 2015 en 2016 dusdanig arbeidsongeschikt was dat hij (ook) geen werkzaamheden kon verrichten ten behoeve van [bedrijf 3] . Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur daarom met hetgeen hij naar voren heeft gebracht aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2015 en 2016 substantiële werkzaamheden ten behoeve van [bedrijf 3] heeft verricht. Het Hof acht hierbij van doorslaggevend belang dat, buiten de blote stelling van belanghebbende, uit niets blijkt dat zijn echtgenote volledig verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering was.

Nu aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van gebruikelijk loon op grond van artikel 12a Wet LB is voldaan, blijft over de vraag naar welk bedrag dit loon moet worden vastgesteld. Anders dan belanghebbende meent, behoeft de vaststelling van het gebruikelijk loon op het normbedrag van € 44.000 in beginsel geen nadere toets of motivering. Een en ander volgt rechtstreeks uit de wettekst (zie 5.1). Dat bijvoorbeeld geen formele functie is vastgesteld en geen loon is betaald aan belanghebbende doet dus niet ter zake. De Inspecteur hoeft ook niet aan te tonen dat [bedrijf 3] winst heeft gemaakt. De bewijslast dat het gebruikelijk loon op een bedrag moet worden vastgesteld dat lager is dan het normbedrag rust op belanghebbende. Zijn stelling dat het loon op grond van artikel 12a, lid 2, Wet LB op een lager bedrag moet worden vastgesteld, heeft hij niet nader onderbouwd. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het gebruikelijk loon lager moet worden vastgesteld dan € 23.683 voor het jaar 2015 en € 44.000 voor het jaar 2016. Hiermee faalt ook zijn beroep op artikel 12a, lid 4, Wet LB. De navorderingsaanslagen zijn derhalve terecht en naar de juiste bedragen vastgesteld.

Slotsom

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.C. van den Brink, H.A.J. Kroon en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.L.K. Tjon.

De griffier, de voorzitter,

T.S.L.K. Tjon P.C. van den Brink

De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080304 NLF 2026/1576 V-N Vandaag 2026/1646 FutD 2026-1392 NDFR Nieuws 2026/1239 NTFR 2026/1473 met annotatie van J.N. Konijn MSc
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand