GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 30 juni 2026
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/665 t/m BK-25/668
in het geding tussen:
(gemachtigde: M.A.A. van Tongeren)
en
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 augustus 2025, nummers SGR 25/432 t/m SGR 25/435.
Procesverloop
Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2018 tot en met 2021 (de aanslagen). De Inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
Bij in één geschrift vervatte uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Gedurende de beroepsfase heeft de Inspecteur de aanslag voor het jaar 2018 ambtshalve verminderd met € 507. In verband met het beroep bij de Rechtbank is een griffierecht van eenmaal € 53 geheven. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van eenmaal € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende en de Inspecteur hebben beiden nadere stukken ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 mei 2026. Belanghebbende en de Inspecteur zijn verschenen. Van de gemachtigde van belanghebbende is voorafgaand aan de zitting een bericht van verhindering bij het Hof binnengekomen, waarbij niet om uitstel is verzocht. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 22 november 2024 belanghebbendes bezwaren tegen de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen.
Belanghebbendes beroepschrift is gedagtekend 3 januari 2025. Het beroepschrift is door de Rechtbank ontvangen op 9 januari 2025.
Uit het door belanghebbende overgelegde verzendbewijs blijkt dat belanghebbende haar beroepschrift op 7 januari 2025 om 08:46 uur aan PostNL ter bezorging heeft aangeboden.
Op de envelop waarin het beroepschrift naar de Rechtbank is verzonden staat op het verzendetiket eveneens vermeld: “07-01-2025 08:46”.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
3. Uit de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) volgt dat beroep moet worden ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) geldt de dagtekening van de uitspraak op bezwaar als die waarop de uitspraak is bekend gemaakt, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen voor het moment waarop de uitspraak ter post is bezorgd. Uitgaande van de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van (vrijdag) 22 november 2024 had eiseres haar beroepschrift derhalve uiterlijk op (vrijdag) 3 januari 2025 moeten indienen.
4. Op grond van artikel 6:11 Awb is een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niettemin ontvankelijk als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener ervan in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding).
5. Het beroepschrift is ter post bezorgd op 7 januari 2024 terwijl de laatste dag van de termijn 3 januari 2025 was. Eiseres meent niettemin dat haar beroep ontvankelijk moet worden verklaard. Zij voert daartoe het navolgende aan.
“Ik ben echter ruim van te voren naar het Juridische Loket geweest en zij hadden mij geïnformeerd dat ik het beroepsschrift uiterlijk op 8 januari 2025 ingediend moet zijn. In
verband met de feestdagen in December en in verband met dat ik het besluit van de inspecteur een week later pas na de briefdatum ambtshalve besluit niet gegrond te verklaren van de inspecteur in de brievenbus pas had ontvangen.
(…)
Ik werk parttime doordeweeks als huishoudelijk aan huis en ben gedeeltelijk chronisch
beperkt aan de ziekte schizofrenie. Dit kunt u terugzien dat ik een Wajong uitkering
ontvang en Heffingskorting Wajong van de inkomstenbelasting geniet al sinds 2009 tot
heden.
Ik had tussentijds gezocht voor belastingdeskundigen in [woonplaats] en nabije gemeente
en ik had getelefoneerd maar ik werd nooit teruggebeld en belastingadvocatenkantoren
hadden het te druk om mij te helpen.
Verder zijn mijn financiële middelen beperkt en ik wist niet tijdig een advocaat direct te
betalen met de bijzondere bijstand voor bijdrage gesubsidieerd rechtsbijstand wat een beslistermijn heeft van 8 weken. Verder was ik niet in staat in verband met overbelasting
de druk op te nemen bij het maken van een beroep, ook in verband met de proceskosten
als ik inhoudelijk duidelijk nauwkeurig kan motiveren waarom ik in het gelijk zou moeten
worden gesteld.
(…)
Deels ben ik inderdaad laat maar onder ander door mijn lichamelijke klachten (ook langer
bekend bij het UWV) kon ik niet veel opnemen qua thuisadministratie. Juridisch ben ik wel
hbo geschoold, maar niet als advocaat, met behaalde module universiteit belastingrecht. In
[woonplaats] zijn nu te weinig belastingadvocaten en adviseurs en hebben zijn minder tijd en
bellen ze je niet terug. U heeft mij de mogelijkheid geboden om op de overschrijdingstermijn
te schriftelijk binnen termijn te motiveren en dit heb ik gedaan met daarbij de genoemde
arrest waarop ik onder andere beroep op de verschoonbaarheid van de beroepstermijn.
Maar ik beroep ook op dat de belastingdienst niet tijdig hun verweerschrift hebben ingediend, zij volgens genoemde artikel in het Awb extra 4 weken verlenging maximaal naast 6 weken de tijd hadden om het verweerschrift in te dienen en dit is overschreden.
Ik verzoek u het verweerschrift niet -ontvankelijk te verklaren. En alsnog het beroep inhoudelijk te beoordelen en toe te kennen.
(…)
Ik ben al sinds mei 2025 ziek aan mijn hoofd en nek aan letsel ziek. Ik heb geen partij die namens mij professioneel juridisch bij kan staan. Tevergeefs heb dit geprobeerd in te schakelen.”
6. De rechtbank veronderstelt dat eiseres met haar stelling dat zij de uitspraak op bezwaar pas een week na de dagtekening in haar brievenbus heeft aangetroffen bedoelt te betwisten dat de inspecteur deze voor of uiterlijk op de datum van de dagtekening ervan heeft verzonden, en dat zij daarmee gezegd wil hebben dat de termijn is aangevangen op het latere moment van de terpostbezorging.
De inspecteur draagt de bewijslast van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de (bezwaar- dan wel) beroepstermijn. Indien een belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat een uitspraak is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, draagt de inspecteur de last daarvan bewijs te leveren.[1] Van een voldoende gemotiveerde betwisting door de belanghebbende is eerst dan sprake, indien hetgeen hij stelt aanleiding geeft te betwijfelen dat de uitspraak op bezwaar uiterlijk op de datum van dagtekening is verzonden.[2] De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
Eiseres is niet specifiek over het moment – de dag – waarop zij de uitspraak in haar brievenbus heeft aangetroffen. Voorts heeft zij in het midden gelaten hoe vaak per week zij in haar brievenbus kijkt. Daarbij komt dat, zoals ook door eiseres zelf opgebracht, de uitspraak kort voor de feestdagen is gedagtekend, in welke periode de post meer vertraging pleegt op te lopen dan doorgaans het geval is.
Verweerder heeft in antwoord op de stelling van eiseres naar voren gebracht dat de behandelende ambtenaar de uitspraak op bezwaar op 20 november 2024 heeft vastgelegd in de bezwaarapplicatie en dat het bezwaar op dezelfde dag in het systeem is afgewikkeld, wat hij heeft onderbouwd met de door hem overgelegde schermafbeelding van de bezwaarapplicatie.
In het licht van dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat in de enkele stelling van eiseres dat zij de uitspraak op bezwaar pas een week na dagtekening ervan in haar brievenbus heeft aangetroffen onvoldoende aanleiding is gelegen om te betwijfelen dat verweerder de uitspraak niet uiterlijk op de datum van de dagtekening heeft verzonden.
7. Hetgeen eiseres overigens naar voren heeft gebracht, strekt ten betoge dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Eiseres is naar eigen zeggen “ruim van tevoren bij het Juridische Loket geweest” en dat aldaar over de beroepstermijn gesproken is. Dat bekent dat de beroepstermijn ruim voor het indienen van het beroepschrift onder haar aandacht is gebracht. Wat de beroepstermijn is, blijkt ondertussen eenduidig uit de rechtsmiddelenverwijzing die in de uitspraak op bezwaar is opgenomen.
De schizofrenie, ziekte aan hoofd en nek, doordeweekse part-time werkzaamheden als huishoudelijke hulp en overbelasting zijn geen van alle plotseling opkomende omstandigheden.
Om beroep in te dienen hoefde eiseres niet een advocaat in te schakelen of zich anderszins van juridisch bijstand te voorzien. Dat zij daarvan op de hoogte was, blijkt al daaruit dat zij haar beroepschrift heeft ingediend zonder zich daarbij door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen.
Om de hiervoor genoemde redenen is de rechtbank van oordeel dat de door eiseres naar voren gebrachte moeilijkheden niet een zodanige hindernis vormen voor het tijdig instellen van beroep dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijk oordeel over de door eiseres aangedragen grieven tegen de afwijzing van haar verzoek om ambtshalve vermindering en herziening van de aanslagen IB/PVV is de rechtbank daarom niet toegekomen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5902
[2] CRvB 6 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5975.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Heffingsambtenaar bevestigend. Indien het beroep van belanghebbende ontvankelijk moet worden verklaard, is voorts in geschil of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd, meer specifiek of op de juiste wijze rekening is gehouden met de voorheffingen en de voorlopige aanslagen.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot definitieve geschilbeslechting door het Hof. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten voor alle fasen alsmede om vergoeding van het griffierecht.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Belanghebbende stelt primair dat de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij de uitspraak op bezwaar pas een week na de dagtekening heeft ontvangen. Belanghebbende voert voorts subsidiair aan dat een beperkte overschrijding van minder dan een week in beginsel verschoonbaar is, dat onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en dat de Inspecteur de aanslag voor het jaar 2018 inmiddels ambtshalve heeft verminderd.
Het Hof stelt voorop dat de Inspecteur de bewijslast draagt van feiten die bepalend zijn voor het aanvangstijdstip van de beroepstermijn. Indien belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat de uitspraak op bezwaar is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan, ligt de bewijslast dat zulks wel het geval is geweest derhalve op de Inspecteur. (vgl. HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5902). Die bewijslast houdt in het geval van verzending per post in dat de Inspecteur aannemelijk moet maken dat het desbetreffende stuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe zal hij mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het stuk is aangeboden (vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875).
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voldoende gemotiveerd betwist dat de uitspraak op bezwaar is verzonden uiterlijk op de dag van dagtekening ervan. Hierbij acht het Hof vooral van belang dat belanghebbende op 2 januari 2024, een dag voor het einde van de beroepstermijn gerekend vanaf datum dagtekening van de uitspraak op bezwaar, een e-mailbericht heeft gestuurd aan de Inspecteur waarin zij aangeeft de uitspraak op bezwaar een week later te hebben ontvangen, en verzoekt om een kopie van de uitspraak omdat deze uit haar huis is verdwenen. De Inspecteur heeft geen verzendadministratie of ander bewijs van verzending naar het juiste adres overgelegd. Uit de schermprint van de bezwaarapplicatie ter zake van de afwikkeling van het bezwaar kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk op de desbetreffende datum (20 november 2024) aan belanghebbende is verzonden. Gelet op voornoemde jurisprudentie (zie 5.3) heeft de Inspecteur met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aan zijn bewijslast voldaan.
Gelet op het voorgaande gaat het Hof uit van een beroepstermijn die een week na dagtekening van de uitspraak op bezwaar, zijnde 29 november 2024, is ingegaan. Dit betekent dat het beroepschrift tijdig is ingediend. Het Hof volgt daarmee het primaire standpunt van belanghebbende. Het beroep moet daarom alsnog ontvankelijk worden verklaard.
Belanghebbende heeft het Hof verzocht om zelf een oordeel te geven over de afwijzing van haar verzoek om ambtshalve vermindering en de herziening van de aanslagen en aldus het geschil definitief te beslechten. Het Hof overweegt als volgt.
Op basis van de door de Inspecteur overgelegde berekeningen stelt het Hof vast dat de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Gebleken is dat op een juiste wijze rekening is gehouden met de voorheffingen en de voorlopige aanslagen. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom
Aangezien de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, had zij het beroep gegrond moeten verklaren omdat de Inspecteur lopende de beroepsfase de aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 nader ambtshalve heeft verminderd. Nu de Rechtbank dit niet heeft gedaan, is het hoger beroep gegrond.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande ziet het Hof aanleiding voor een veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende gemaakte (proces)kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden op de voet van de artikelen 7:15 en 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage als volgt berekend.
Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding voor de kosten voor de bezwaar- en de beroepsfase omdat in beide fasen geen voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.
Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 934 (1 punt voor het hoger beroepschrift x wegingsfactor 1 x € 934 bedrag per punt). Deze vergoeding wordt ingevolge artikel 8:75, lid 2 van de Awb betaald aan de gemachtigde in hoger beroep en verrekend met de door belanghebbende betaalde eigen bijdrage voor de toevoeging.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht in beroep (€ 53) en in hoger beroep (€ 143) door de Inspecteur te worden vergoed (in totaal € 196).
Beslissing
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
Het Gerechtshof:
Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon H.A.J. Kroon
De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.