ECLI:NL:GHDHA:2026:2320

ECLI:NL:GHDHA:2026:2320

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 15-07-2026
Zaaknummer BK-25/771
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Art. 15.33 Wet milieubeheer. Afvalstoffenheffing. Aanvang gebruik perceel in de loop van het kalenderjaar. Variabel deel gebaseerd op forfaitair aantal ledigingen ondergrondse afvalcontainer. Belanghebbende maakt met pen bezwaar op aanslagbiljet dat hij zonder frankering retour afzender stuurt. Heffingsambtenaar gaat niettemin uit van ontvankelijk bezwaar. Beroep op schending zorgvuldigheidsbeginsel verworpen

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 4 augustus 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/771

in het geding tussen:

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (BSGR), de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 september 2025, nummer SGR 25/2515.

Procesverloop

De Heffingsambtenaar heeft op 31 mei 2023 aan belanghebbende voor het tijdvak van 30 mei 2022 tot en met 31 december 2022 een aanslag (variabel deel) afvalstoffenheffing (de aanslag) opgelegd ten bedrage van € 18,37.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 19,10;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.”

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De Heffingsambtenaar heeft op 15 mei 2026 nadere stukken ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 16 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft producties, genummerd A 1 tot en met 14 en B 1 tot en met 8 overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Belanghebbende is sinds mei 2022 gebruiker van het perceel [adres] te [woonplaats] . Ten aanzien van dit perceel geldt ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

De Heffingsambtenaar heeft de aanslag op 31 mei 2023 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is het aantal ontgrendelingen van een ondergrondse inzamelcontainer met behulp van een afvalpas gesteld op 21 en het tarief op € 1,50 per ontgrendeling. Het totaalbedrag van de aanslag heeft de Heffingsambtenaar vervolgens tijdsevenredig berekend (maanden juni tot en met december) op (7/12*21*€ 1,50 =) € 18,37.

Belanghebbende heeft met rode pen een aantal aantekeningen op het aanslagbiljet gemaakt. Het gaat om de het woord “Bezwaar 050623” en “T.b.v. [Wooncorporatie] en/of eerdere bewoner en/of gemeente Waddinxveen” en “Graag omgaand ontvangstbevestiging”. Verder heeft hij op het biljet de woorden “Retour Afzender” vermeld en daarbij een pijl getekend naar het op het aanslagbiljet vermelde postbusadres van de BSGR. Belanghebbende heeft het aanslagbiljet in de oorspronkelijke enveloppe zonder frankering retour gezonden. De betalingsherinnering van 9 september 2023 en de aanmaning van 22 september 2023 heeft hij op een vergelijkbare manier retour gezonden. Daarbij heeft hij vermeld dat hij nog steeds geen reactie had ontvangen op zijn bezwaar. Op een van de enveloppen heeft hij ook vermeld dat hij een bezwaarschrift heeft ingediend voor dit aanslagnummer.

De Heffingsambtenaar heeft op 20 december 2024 een aantal stukken ontvangen, waaronder het in 2.2 en 2.3 vermelde aanslagbiljet, de herinnering en de aanmaning van de aanslag. Omdat daarin wordt verwezen naar het bezwaar tegen de aanslag heeft de Heffingsambtenaar op 31 december 2024 bij belanghebbende een kopie van het bezwaarschrift opgevraagd. Vervolgens is de brief van 31 december 2024 op 22 januari 2025 door de Heffingsambtenaar retour ontvangen, voorzien van een aantal penaantekeningen van belanghebbende. Op het voorblad van de retour gestuurde brief van 31 december 2024 staat vermeld ”Nogmaals: Ik heb geen ledigingen in 2022 gedaan!”. De retour gestuurde brief heeft de Heffingsambtenaar als bezwaar opgevat. Hij heeft dat bezwaar vervolgens geregistreerd als te zijn ontvangen op 5 juni 2023 en inhoudelijk beoordeeld. Bij uitspraak op bezwaar van 20 februari 2025 heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar afgewezen.

Verordening en tarieventabel

3. De raad van de gemeente Waddinxveen heeft op 15 december 2021 de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2022 (de Verordening) vastgesteld. Bij de Verordening is een Tarieventabel gevoegd (de Tarieventabel). De Verordening en Tarieventabel zijn gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Waddinxveen van 21 december 2021, nr. 464758. Zij houden – voor zover van belang – in:

“Artikel 1 Definities

a. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer.

b. afvalpas: een door of namens de gemeente aan een perceel verstrekte pas waarmee een ondergrondse inzamelcontainer kan worden ontgrendeld.

(…)

Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

1.Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2. De belasting wordt geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

3. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, wordt de belasting tevens geheven ter zake van het aanbieden ter lediging van een 140-liter of een 240-liter minicontainer voor restafval.

4. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden, wordt de belasting tevens geheven ter zake van het ontgrendelen van een inzamelcontainer met behulp van een afvalpas.

5. Onverminderd het bepaalde in de vorige leden, wordt de belasting tevens geheven ter zake van de belastbare feiten die zijn genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarieven

1. De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(…)

Artikel 7 Wijze van heffing

1. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag met dien verstande dat per grondslag een afzonderlijke aanslag kan worden opgelegd.

2. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang voor de jaarlijks verschuldigde belasting

1.De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.

5. De belasting bedoeld in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

(…)

TARIEVENTABEL 2022 BEHORENDE BIJ DE VERORDENING AFVALSTOFFENHEFFING 2022

Algemeen

Hoofdstuk 1: Vaste jaarlijkse en gedifferentieerde tarieven afvalstoffenheffing huishoudens

(…)

De belasting bedoeld in artikel 2, derde en vierde lid van de verordening wordt geheven naar het aantal aanbiedingen of ontgrendelingen en bedraagt:

a. (…):

b. (…)

c. per ontgrendeling van een ondergrondse inzamelcontainer met behulp van een afvalpas:

€ 1,50

Het in onderdeel 1.4 bedoelde aantal aanbiedingen of ontgrendelingen wordt gesteld op: a. voor het geval de in artikel 3 van de verordening bedoelde belastingplichtige het gehele jaar voorafgaand aan het belastingjaar gebruik heeft gemaakt van het perceel ten aanzien waarvan de belasting wordt geheven: het totaal aantal in het jaar voorafgaand aan het be-lastingjaar met betrekking tot dat perceel geregistreerde aanbiedingen of ontgrendelingen.

b. voor het geval de in artikel 3 van de verordening bedoelde belastingplichtige niet het gehele jaar voorafgaand aan het belastingjaar, maar wel tenminste de laatste zes maanden daarvan, gebruik heeft gemaakt van het perceel ten aanzien waarvan de belasting wordt geheven: het totaal aantal in de tweede helft van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar met betrekking tot dat perceel geregistreerde aanbiedingen of ontgrendelingen, vermenigvuldigd met twee.

c. voor het geval de in artikel 3 van de verordening bedoelde belastingplichtige niet het gehele jaar voorafgaand aan het belastingjaar en ook niet ten minste de laatste zes maanden daarvan, gebruik heeft gemaakt van het perceel ten aanzien waarvan de belasting wordt geheven, maar wel ten minste zes maanden gebruik heeft gemaakt van een ander perceel binnen de gemeente waarbij voor de inzameling van restafval bij dit andere perceel gebruik werd of kon worden gemaakt van hetzelfde inzamelmiddel (ondergrondse container of mi-nicontainer) als bij het perceel ten aanzien waarvan de belasting wordt geheven: het totaal aantal in de laatste zes maanden dat de betreffende belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van dat andere perceel, met betrekking tot dat andere perceel geregistreerde aanbiedingen of ontgrendelingen, vermenigvuldigd met twee.

d.in alle overige gevallen: een gemiddeld aantal aanbiedingen of ontgrendelingen, dat wordt gesteld op:

1. 6 aanbiedingen, indien bij het betreffende perceel voor het verwijderen van het restafval gebruik wordt gemaakt of kan worden gemaakt van een minicontainer;

2. 21 ontgrendelingen, indien bij het betreffende perceel voor het verwijderen van het restafval gebruik wordt gemaakt of kan worden gemaakt van een ondergrondse inza-melcontainer.

(…)”

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:

Vooraf

6. Verweerder heeft het verweerschrift en de stukken een week voor de dag van de zitting ingediend. Dat is veel te laat. Nu evenwel niet is gebleken dat eiser door deze late indiening in zijn procesbelang is geschaad, heeft de rechtbank het verweerschrift en de daarbij toegezonden bijlagen tot de gedingstukken gerekend.

Aanslag afvalstoffenheffing

7. Op grond van artikel 2, tweede lid van de Verordening wordt afvalstoffenheffing geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld, gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer (Wmb) een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Op grond van het derde en vierde lid, wordt de belasting (gedeeltelijk) geheven ter zake van het aanbieden ter lediging van een container of het ontgrendelen van een inzamelcontainer.

Op grond van artikel 4 van de Verordening wordt de belasting geven naar de maatstaven en tarieven in de bij de verordening behorende tarieventabel.

7. Uit de tarieventabel bij de verordening (de tarieventabel) volgt dat er een jaarlijks een vast tarief en een gedifferentieerd tarief geheven wordt. Het gedifferentieerde tarief wordt in rekening gebracht aan de hand van het aantal ledigingen in het voorgaande jaar. Indien in het voorgaande jaar geen ledigingen zijn geschiedt wordt, kort gezegd, het aantal lediging ingevolge de tabel bepaald op 21.

8. Eiser is medio 2022 eigenaar geworden van het perceel en daardoor is aan hem een gemiddeld aantal ledigingen in rekening is gebracht. Gelet op het bovenstaande kan het standpunt van eiser dat hij het bedrag van de aanslag afvalstoffenheffing niet verschuldigd is, omdat hij in 2022 geen ledigingen heeft gedaan, niet slagen. Het al dan niet gebruikmaken van de gemeentelijke huisvuilophaaldienst is immers in eisers geval niet relevant voor de verschuldigdheid van afvalstoffenheffing.

9. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd doet aan het voorgaande niet af. Zo maakt het feit dat eiser in 2023 en 2024 geen ledigingen heeft gedaan, niet dat verweerder daaruit had moeten afleiden dat hij in 2022 ook geen ledigingen heeft gedaan. Hoewel eisers stelling begrijpelijk is, biedt de Verordening hiervoor - nog los van het feit of eisers voorstel praktisch uitvoerbaar is - geen grondslag. Ook het standpunt van eiser dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld slaagt niet. Dat de door eiser gestelde eerder ingediende bezwaren niet door verweerder zouden zijn ontvangen en dat naar eisers zeggen verweerder telefonisch slecht bereikbaar is, is daartoe onvoldoende.

(…)

Aanmaningskosten en dwangbevel

14. Hoewel er tegen de aanmaningskosten en de kosten voor het dwangbevel in deze procedure niet ter discussie staan en hier geen afzonderlijke beroepsgronden tegen zijn gericht, zijn ze ter zitting wel aan de orde gekomen en heeft verweerder aangegeven deze kosten niet in rekening te brengen. De rechtbank neemt aan dat verweerder zijn toezegging gestand doet.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er dat er in beginsel geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten of het griffierecht. Verweerder heeft aangegeven het griffierecht te willen vergoeden (r.o. 6), nu de stukken en het verweerschrift veel te laat zijn ingediend. De rechtbank ziet daarin, gelet op artikel 8:31 van de Awb, ook reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gestelde reis- en verblijfkosten van € 19,10. De overige door eiser gestelde kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu zij niet met nadere stukken zijn onderbouwd.

(…)

[1] Hoge Raad 16 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.”

Omschrijving geschil in hoger beroep

In geschil is of de aanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend. Belanghebbende doet voorts een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag, alsmede tot het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Pleitnota

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank de pleitnota die hij op de zitting heeft voorgedragen ten onrechte niet als gedingstuk heeft aangemerkt omdat in de uitspraak geen melding ervan wordt gemaakt. Ook is de pleitnota ten onrechte niet aangehecht aan het proces-verbaal, aldus belanghebbende. Het Hof overweegt dat in het proces-verbaal is vermeld dat belanghebbende een pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd. De pleitnota is daarmee tot de gedingstukken van het beroep gaan behoren. Er is geen verplichting de pleitnota aan het proces-verbaal te hechten. De Rechtbank heeft daarnaast de pleitnota met de overige gedingstukken aan het Hof gezonden, zodat het Hof daarvan kennis heeft kunnen nemen en daarvan ook kennis heeft genomen en bij de beoordeling van het geschil heeft betrokken. De klacht faalt daarom.

Aanslag en menselijke maat

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de aanslag moet worden uitgegaan van het werkelijke aantal ontgrendelingen van de inzamelcontainer. Aangezien dat aantal in zijn geval nihil is, moet de aanslag – aldus belanghebbende – worden vernietigd.

Het Hof overweegt als volgt. De afvalstoffenheffing wordt ingevolge artikel 3 van de Verordening geheven van de gebruiker van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Niet is in geschil dat daaraan in dit geval is voldaan. Belanghebbende is daarmee belastingplichtige voor de afvalstoffenheffing. Op grond van artikel 2, lid 4, van de Verordening wordt de belasting onder meer geheven ter zake van het ontgrendelen van een inzamelcontainer met behulp van een afvalpas. Voor de maatstaven en tarieven wordt in artikel 4, lid 1, van de Verordening verwezen naar de Tarieventabel. Ingevolge hoofdstuk 1, onderdeel 1.4, letter c, van de Tarieventabel wordt de belasting vermeld in artikel 2, lid 4, van de Verordening geheven door het aantal ontgrendelingen te vermenigvuldigen met een tarief van € 1,50. In hoofdstuk 1, onderdeel 1.5, letter d, ten tweede, van de Tarieventabel is bepaald dat als geen feitelijke gebruiksgegevens over een (deel van een) eerder jaar beschikbaar zijn, in het eerste jaar van de belastingplicht wordt uitgegaan van 21 ontgrendelingen. Het gaat blijkens laatstvermelde bepaling om een gemiddeld aantal ontgrendelingen dat wordt toegepast, ongeacht of daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de inzamelcontainer. In het onderhavige geval staat vast dat belanghebbende in mei 2022 belastingplichtig is geworden voor de afvalstoffenheffing en geen gebruiksgegevens over een (deel van een) eerder jaar beschikbaar zijn. Het gevolg daarvan is dat voor de berekening van de belasting moet worden uitgegaan van het gemiddelde van 21 ontgrendelingen. Dat, zoals belanghebbende stelt, – er in 2022 geen ontgrendelingen zijn geweest, doet daaraan - wat daarvan ook zij - dus niet af. Dit geldt ook bij inachtneming van de door belanghebbende ingeroepen “menselijke maat”. De Heffingsambtenaar is bij het opleggen van de aanslag immers gebonden aan de in de Verordening neergelegde regelgeving. Nu de Heffingsambtenaar is uitgegaan van 21 ontgrendelingen en bij de berekening van de belasting een tijdsevenredige verlaging heeft toegepast, is de aanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld. De tijdsevenredige berekening van de belastingschuld is blijkens artikel 8, lid 2, van de Verordening in samenhang met Hoofdstuk 1, onderdeel 1.4, letters a en b, van de Tarieventabel immers alleen van toepassing op de aanbieding ter lediging van een minicontainer bestemd voor restafval.

Beroep op zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende klaagt ten slotte over de manier en het moment waarop het bezwaar in behandeling is genomen. Dat zou niet zorgvuldig zijn geweest. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet. Zo is het belanghebbende die de post van BSGR steeds met penaantekeningen retour afzender zendt en de enveloppen in de regel niet van een postzegel voorziet. Daarmee neemt hij het risico dat de retourzendingen niet of niet tijdig bij de Heffingsambtenaar terecht komen. Daarbij komt dat, hoewel dat risico voor rekening van belanghebbende komt, de Heffingsambtenaar – toen hij eenmaal op de hoogte raakte van het bezwaar tegen de aanslag– niettemin ervan is uitgegaan dat belanghebbende tijdig bezwaar had gemaakt en het bezwaar vervolgens inhoudelijk heeft beoordeeld. Bij die gang van zaken kan niet worden gezegd dat de Heffingsambtenaar het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Ook deze klacht faalt daarom.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten en/of griffierecht.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, W. de Wit en M.B. Weijers in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.

De griffier, de voorzitter,

Y. Postema Chr.Th.P.M. Zandhuis

De beslissing is op 4 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl).

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand