GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.602/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/604137 / HA ZA 20-873
Arrest van 21 april 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
2. [appellant 2],
wonend in [woonplaats] ,
3. [appellant 3],
wonend in [woonplaats] (België),
4. [appellant 4],
wonend in [woonplaats] (België),
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.C.T. Papeveld, kantoorhoudend in Veldhoven,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.M. van Orsouw, kantoorhoudend in Amsterdam.
Appellanten in principaal hoger beroep zullen hierna elk afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 4] genoemd worden. [appellant 1] en [appellant 2] gezamenlijk zullen hierna [appellanten 1 en 2] genoemd worden en [appellant 3] en [appellant 4] gezamenlijk [appellanten 3 en 4] Appellanten in principaal hoger beroep tezamen zullen hierna [appellanten] genoemd worden.
Geïntimeerden in principaal hoger beroep zullen hierna gezamenlijk [geïntimeerden] en voor zover afzonderlijk bedoeld [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd worden.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerden] verrichtten als accountant samenstellingswerkzaamheden voor drie vennootschappen die failliet zijn gegaan. [appellanten] vorderen van [geïntimeerden] vergoeding van schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van investeringen in die vennootschappen. Zij verwijten [geïntimeerden] dat zij hun zorgplicht hebben geschonden. De rechtbank heeft de vorderingen deels toegewezen; het hof wijst deze in het geheel af.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 24 februari 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2022 (hierna: het vonnis);
de memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis, van [appellanten] , met bijlagen;
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, van [geïntimeerden] ;
de memorie van antwoord in incidenteel appel van [geïntimeerden] ;
de bijlagen A200 tot en met A210 die [appellanten] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd.
Op 28 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3. Feitelijke achtergrond
De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.24 van het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.Procespartijen
[appellanten 1 en 2] zijn echtgenoten. Bij akte van cessie hebben [naam 1] en [naam 2] , beiden wonende te [woonplaats] , de rechtsvordering die zij stellen te hebben op [geïntimeerden] en Milcan Holding B.V. (hierna: Milcan Holding, zie onder 3.4) in verband met geleden schade wegens onrechtmatig handelen door de advisering aan de inmiddels gefailleerde vennootschap InMotion B.V. (hierna: InMotion), overgedragen aan [appellanten 1 en 2] , althans hebben zij aan [appellanten 1 en 2] een procesvolmacht verleend om op eigen naam mede namens hen rechtsvorderingen in te stellen tegen [geïntimeerden] Bij akten van cessie hebben eisers in eerste aanleg [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] (hierna: [naam 4] ) de vorderingen die zij stellen te hebben op [geïntimeerden] en Milcan Holding in verband met geleden schade wegens onrechtmatig handelen door de advisering aan InMotion, overgedragen aan [appellanten 1 en 2] , althans hebben zij aan [appellanten 1 en 2] een procesvolmacht verleend om op eigen naam mede namens hen rechtsvorderingen in te stellen tegen [geïntimeerden]
[appellant 3] en [appellant 4] zijn ook echtgenoten.
[geïntimeerde 1] houdt zich bezig met de uitoefening van de accountants- en adviespraktijk. [geïntimeerde 2] is via Samm Praktijk B.V., waarvan Milcan Holding enig aandeelhouder en bestuurder is, werkzaam voor [geïntimeerde 1] als accountant-administratieconsulent. [geïntimeerde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van Milcan Holding.InMotion, Goedlicht en Goedlicht Holding
[geïntimeerde 1] was sinds 2002 de accountant en adviseur van InMotion en sinds 2011 van Goedlicht B.V. (hierna: Goedlicht) en Goedlicht Holding B.V. (hierna: Goedlicht Holding). [geïntimeerde 1] zette daarvoor [geïntimeerde 2] in. Sinds genoemde jaren heeft [geïntimeerde 1] de jaarrekeningen samengesteld, alsmede de aangifte vennootschapsbelasting en de loonadministratie verzorgd.
[appellanten] , [naam 3] , [naam 2] , [naam 1] en [naam 4] hebben geïnvesteerd in (bedrijfsobligaties die zijn uitgegeven door) InMotion, Goedlicht en/of Goedlicht Holding (hierna gezamenlijk: InMotion c.s.)
InMotion is op 27 februari 2002 opgericht. Zij heeft een onderneming gedreven die zich bezig hield met industriële productieautomatisering door implementatie van robots en met de handel in het aannemen en uitvoeren van werkzaamheden op het gebied van bouw- en installatietechniek. Sinds 1 september 2002 is [naam 5] (hierna: [naam 5] ) haar bestuurder en sinds 25 oktober 2011 haar enig aandeelhouder. Voor 25 oktober 2011 was Buchinhoren Holding B.V. (hierna: Buchinhoren) haar enig aandeelhouder.De aandelen in Buchinhoren worden (indirect) gehouden door de ouders van [naam 5] die van Buchinhoren ook de bestuurders zijn.
InMotion heeft op 15 oktober 2012 de jaarrekening 2009 gedeponeerd. In de toelichting is onder meer het volgende vermeld:
“ Gerede twijfel over continuïteit
De gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gebaseerd op de continuïteitsveronderstelling van de vennootschap.
Het bestuur vindt de toekomst van de onderneming onzeker, maar acht de continuïteit van de onderneming niet onmogelijk door de investeringen vanuit de familiesfeer van de directie, welke voorlopig niet direct opeisbaar worden gesteld.”
Op 6 oktober 2015 is InMotion in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten.
Goedlicht is op 21 november 2011 opgericht als doorstart van een gefailleerde vennootschap. Haar bestuurder was Goedlicht Holding i.o. Zij hield zich bezig met het vervaardigen van metalen constructiewerken en delen daarvan, het produceren, verkopen, monteren en onderhouden van daglichtconstructies voor dak en wand, en geveltechniek in binnen- en buitenland en handel in alle hieraan gerelateerde producten. De jaarrekening 2011/2012 is op 31 januari 2014 gedeponeerd. In de toelichting is onder meer het volgende opgenomen:
“ Gerede twijfel over continuïteit
De gehanteerde grondslagen voor waardering en resultaatbepaling zijn gebaseerd op de continuïteitsveronderstelling van de vennootschap.
Echter, de volgende omstandigheden zouden aanleiding kunnen geven tot twijfel omtrent de continuïteit van de vennootschap:
• Een negatief resultaat gedurende het huidige boekjaar;
• Een negatief eigen vermogen ultimo dit boekjaar;
• Een negatief werkkapitaal ultimo dit boekjaar.
Het bestuur is van mening dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de continuïteit van de vennootschap, omdat de moedermaatschappij haar vorderingen op Goedlicht B.V. niet zal opeisen.
Gelet op het voorgaande achten wij een verdere voortzetting van de activiteiten van de onderneming moeilijk maar niet onmogelijk.”
Op 15 september 2015 is Goedlicht in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten.
Goedlicht Holding is opgericht op 20 december 2011 als doorstart van een gefailleerde vennootschap. Sinds 16 mei 2014 is [naam 5] haar enig aandeelhouder en bestuurder. Daarvoor was Buchinhoren haar enig aandeelhouder en bestuurder.
De heer [naam 6] (hierna: [naam 6]) was betrokken bij zowel InMotion als Goedlicht.
De jaarrekening 2011/2012 van Goedlicht Holding is op 31 januari 2014 gedeponeerd. In de toelichting is onder meer een tekst opgenomen die vrijwel gelijkluidend is aan de onder 3.10 weergegeven tekst in de jaarrekening van Goedlicht.
Op 29 september 2015 is Goedlicht Holding in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten.[geïntimeerde 2] en InMotion
Bij brief van 3 mei 2013 die betrekking heeft op InMotion, heeft [geïntimeerde 2] onder meer het volgende aan [naam 5] laten weten:
“Ondanks herhaalde verzoeken onzerzijds hebben wij nog steeds niet de benodigde informatie om de jaarrekening 2010 af te ronden. Buiten het feit dat daarmee niet wordt voldaan aan wettelijke verplichtingen als deponering en dergelijke heeft nu ook de Belastingdienst een naheffingsaanslag van € 71.943, opgelegd. Deze aanslag is opgelegd daar geen aangifte vennootschapsbelasting 2010 is ingediend. Om bezwaar te maken zal alsnog een correcte aangifte vennootschapsbelasting ingediend moeten worden. Teneinde hiervoor te kunnen zorgdragen hebben wij de gevraagde informatie nodig, om de jaarrekening 2010 (en daarmee de aangifte vennootschapsbelasting 2010) af te ronden
Met de ons ter beschikking staande gegevens concluderen wij dat de vennootschap niet in staat is om de naheffingsaanslag te voldoen. Feitelijk komt hierdoor de continuïteit van de onderneming in gevaar.
De continuïteit is reeds twijfelachtig, gezien de vele discussies met de Belastingdienst en de trage betaling van belastingschulden en overige schulden. Tot op heden heeft u dergelijke verplichtingen kunnen financieren met het aantrekken van obligatieleningen. In de exacte inhoudt van deze leningen hebben wij geen inzage gekregen. Het vermoeden bestaat dat leningen worden aangetrokken om aan de verplichtingen van andere leningen te voldoen. Indien de vennootschap niet voldoende activiteiten ontwikkelt om rendement te realiseren zal terugbetaling van de aangetrokken financieringen niet mogelijk zijn. Wij maken u opmerkzaam dat een dergelijk manier van handelen niet is toegestaan. Teneinde goed inzicht in de financiële situatie van de vennootschap te krijgen verzoeken wij u om ons afschriften van de leningsovereenkomsten en de daarbij onderliggende businessplannen te verstrekken.”
[geïntimeerde 2] en Goedlicht (Holding)
[geïntimeerde 2] heeft in maart 2014 een geconsolideerde conceptbalans per 31 december 2013 van Goedlicht Holding opgesteld ten behoeve van de mogelijke verkoop van de aandelen in Goedlicht Holding.
Op 2 april 2014 heeft op het kantoor van [geïntimeerde 1] een bespreking plaatsgevonden over de verkoop van de aandelen in Goedlicht Holding en de verschaffing van werkkapitaal door (in elk geval) [appellant 1] . Bij die bespreking waren [appellant 1] , [naam 5] , [naam 6] en [geïntimeerde 2] aanwezig.
Op 11 april 2014 heeft opnieuw een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van [geïntimeerde 1] . Daarbij waren aanwezig [naam 5] , de ouders van [naam 5] , [appellant 1] en [geïntimeerde 2] . Onderwerp van gesprek was de overname van Goedlicht.
Tijdens een bespreking op 29 april 2014 heeft [naam 6] in het bijzijn van onder meer [appellant 1] gebeld met [geïntimeerde 2] .
Bij brief van 2 november 2014 heeft [geïntimeerde 2] aan [naam 5] bevestigd dat de opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening 2010 van InMotion wordt teruggegeven omdat geen gehoor is gegeven aan het verzoek om alle gevraagde informatie vóór 1 oktober 2014 aan te leveren. Meegedeeld is dat de andere werkzaamheden nog zullen worden verricht totdat InMotion een nieuwe accountant heeft gevonden.
Begin 2015 hebben [geïntimeerden] de werkzaamheden voor Goedlicht en Goedlicht Holding gestaakt. Zij hebben nog bewerkstelligd dat een betalingsregeling met de Belastingdienst en [geïntimeerde 1] tot stand kwam.Klachten over [geïntimeerde 2]
[appellanten] hebben een klacht over [geïntimeerde 2] ingediend bij de Accountantskamer. Bij beslissing van 15 december 2017 heeft de Accountantskamer de klacht gegrond verklaard voor zover deze ziet op:
1) het niet tijdig teruggeven van de samenstellingsopdracht inzake de jaarrekening 2010 van InMotion en;
2) het ten onrechte geen melding doen in het kader van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en/of in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft).
Bij beslissing van 19 februari 2019 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) het door [geïntimeerde 2] tegen de onder 3.23 aangehaalde beslissing ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.
[appellanten] en [naam 3] hebben (opnieuw) een klacht over [geïntimeerde 2] ingediend bij de Accountantskamer. Bij beslissing van 10 mei 2019 heeft de Accountantskamer de klacht gegrond verklaard voor zover deze ziet op:
1) het ten onrechte niet eerder dan eind 2014 beëindigen van de werkzaamheden voor Goedlicht (Holding) en;
2) de aanwezigheid van [geïntimeerde 2] als accountant bij het overleg inzake de verkoop van Goedlicht en/of investeringen in deze vennootschap waardoor [geïntimeerde 2] bij potentiële investeerders ten onrechte vertrouwen heeft gewekt.
Voor het overige zijn de klachten ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 januari 2021 heeft het College het door [appellanten] , [appellanten 3 en 4] en [naam 3] tegen de onder 3.25 aangehaalde beslissing ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellanten] , [naam 3] en [naam 4] hebben [geïntimeerden] gedagvaard en gevorderd, samengevat,
( a) ten aanzien van de door InMotion en Goedlicht (Holding) uitgegeven obligaties [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen (1) aan [appellanten 1 en 2] € 765.329,99 te betalen; (2) aan [appellanten 3 en 4] € 214.710,00 te betalen; (3) aan [naam 3] € 187.382,67 te betalen; (4) aan [naam 4] jr. € 77.727,82 te betalen;
( b) ten aanzien van gemaakte kosten [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen (1) [appellanten 1 en 2] € 23.303,18 te betalen; (2) [appellanten 1 en 2] en [appellanten 3 en 4] € 38.306.46 te betalen; en (3) [appellanten 1 en 2] , [appellanten 3 en 4] en [naam 3] € 34.693,36 te betalen;
( c) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen de wettelijke rente over de onder (a) en (b) genoemde bedragen te betalen;
( d) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen kosten ter begroting van de schade (€ 5.156,65), buitengerechtelijke kosten als bedoeld in 6:96 sub c BW en de proceskosten te betalen.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] gedeeltelijk toegewezen en de proceskosten gecompenseerd.
5. Vorderingen in hoger beroep
[appellanten] vorderen, na wijziging van eis, samengevat, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal vernietigen voor zover daar grieven tegen zijn gericht en voor het overige zal bekrachtigen, en:
ten aanzien van de door InMotion c.s. uitgegeven obligaties
primair:
1) [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen om aan [appellanten 1 en 2] € 1.030.439,98 en aan [appellanten 3 en 4] € 214.710,00, te betalen;
subsidiair:
2) voor recht zal verklaren dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk van [appellanten] , en jegens elk van hen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vergoeding van geleden schade nader op te maken bij staat;
en
ten aanzien van door [appellanten] gemaakte kosten
3) [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen om [appellanten 1 en 2] € 23.303,18 te betalen; en om [appellanten] € 38.306,46 en € 34.693,36 te betalen;
en
ten aanzien van alle vorderingen
4) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om te vergoeden de wettelijke rente
over de onder 1 t/m 3 gevorderde bedragen;
5) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellanten 1 en 2] de kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 sub b BW, € 5.156,65 (Cadension + Hermes Advisory), te betalen;
6) [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om de buitengerechtelijke
kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 sub c BW te vergoeden;
7) met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de (proces-)kosten van [appellanten] in beide instanties.
[geïntimeerden] concluderen in principaal hoger beroep tot bekrachtiging van het vonnis en vorderen in incidenteel hoger beroep dat het hof, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,
“(i) het Vonnis van de rechtbank Rotterdam voor zover [geïntimeerden] daartegen geen incidentele grief heeft opgeworpen te bekrachtigen, al dan niet met verbetering van de gronden;
(ii) de incidentele grieven van [geïntimeerden] toe te wijzen en het Vonnis op die specifieke punten te vernietigen;
(iii) opnieuw rechtdoende de vorderingen van [appellanten] (in eerste aanleg en zoals bij memorie van grieven gewijzigd) integraal af te wijzen,
een en ander met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de proceskosten van [geïntimeerden] in beide instanties”.
6. Beoordeling in hoger beroep
[appellanten] baseren hun vorderingen op onrechtmatige daad. Zij verwijten [geïntimeerden] dat zij, ondanks (aanwijzingen van) onwettig handelen, niet tijdig onderzoek hebben ingesteld naar en meldingen hebben gedaan betreffende InMotion en de opdrachten van InMotion c.s. niet tijdig aan die entiteiten terug hebben gegeven. In de visie van [appellanten] hebben [geïntimeerden] door niet professioneel-kritisch te zijn en hun dienstverlening voort te zetten, er aan bijgedragen dat bij (aspirant)beleggers, waaronder [appellanten] , de indruk werd gewekt dat InMotion c.s. bonafide solvabele en kredietwaardige ondernemingen met bestaansrecht waren, terwijl het tegendeel het geval bleek te zijn. Daardoor konden [appellanten] geld investeren in InMotion c.s. en hebben zij schade geleden. De rechtbank heeft volgens [appellanten] de omvang van de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] miskend.
[geïntimeerden] betogen dat zij in het geheel niet aansprakelijk zijn.
Gerechtelijke erkenning?
[appellanten] maken ten eerste bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de verklaring van [geïntimeerde 2] tijdens de zitting van 30 juni 2017 bij de Accountantskamer (de zitting die vooraf is gegaan aan de onder 3.23 genoemde beslissing) dat hij een vermoeden van Ponzifraude had, geen gerechtelijke erkentenis is in de zin van artikel 154 Rv. [appellanten] zijn (primair) van mening dat de betreffende verklaring wel voldoet aan de vereisten van artikel 154 Rv, en (subsidiair) dat dat artikel van overeenkomstige toepassing is. Dat maakt dat [geïntimeerde 2] – volgens [appellanten] - van die verklaring niet terug kan komen.
Het hof overweegt dat de betreffende verklaring niet voldoet aan de vereisten van art. 154 lid 1 Rv. Dat luidt: “Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij”. De verklaring waar [appellanten] op doelen – [geïntimeerde 2] ontkent overigens zodanig te hebben verklaard – is gedaan in (één van) de tuchtrechtelijke procedure(s) en niet in deze procedure. De stelling van [appellanten] dat die verklaring, in een geval als dit, wel moet worden behandeld als een verklaring in deze procedure of dat artikel 154 Rv hier van overeenkomstige toepassing is, vindt geen steun in het recht.
De eerste grief van [appellanten] faalt dus.
Toetsingskader
De tweede grief van [appellanten] richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het toepasselijke toetsingskader in rov. 4.4. van het vonnis. Deze overweging luidt als volgt.
“De verwijten van [ [appellanten] ] jegens [geïntimeerden] zien op niet-wettelijke taken van een accountant. Hiervoor geldt een ander toetsingskader dan voor door een accountant te verrichten wettelijke taken. Bij de uitoefening van die wettelijke taken - zoals de wettelijk voorgeschreven jaarrekeningcontrole - heeft de accountant een zorgplicht jegens derden; derden moeten hun gedrag kunnen afstemmen op de informatie van de controlerende accountant.
Bij de uitoefening door een accountant van zijn niet-wettelijke taken heeft de accountant in beginsel enkel een zorgplicht jegens zijn opdrachtgever; niet-wettelijke taken zijn niet reeds uit hun aard op derden betrokken. De vraag of een accountant bij de uitoefening van een niet-wettelijke taak jegens een derde heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet mede acht worden geslagen op de functie van de accountant in het maatschappelijk verkeer. Indien de accountant gezien het belang dat een derde aan zijn rapportage zal hechten, ermee rekening moet houden dat die derde zijn gedrag mede door de inhoud van die rapportage laat bepalen, kan het nalaten maatregelen te treffen om te voorkomen dat die derde aan die rapportage ten onrechte of een onjuiste betekenis toekent, in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149).
Zoals [geïntimeerden] hebben aangevoerd, dient daarbij voor iedere derde afzonderlijk onderzocht te worden of de accountant een zorgplicht heeft jegens die derde omdat hij - bijvoorbeeld - ten tijde van het uit handen geven van een rapportage wist of behoorde te weten dat deze ter beschikking van die derde zou komen en deze daarop zou vertrouwen om een beslissing over een transactie te nemen. De enkele omstandigheid dat de accountant jegens een andere derde een zorgplicht heeft, volstaat niet.
In de visie van [appellanten] zijn de omstandigheden in deze zaak anders dan in het door de rechtbank aangehaalde arrest (door [appellanten] aangeduid als het ‘Jachthavenarrest’, welke aanduiding het hof hierna zal aanhouden). Zij voeren aan dat de op accountants van toepassing zijnde standaarden NV COS 240 (“De verantwoordelijkheid van de accountant in verband met fraude in het kader van een controle van financiële overzichten”) en NV COS 250 (“Het in aanmerking nemen van wet- en regelgeving bij een controle van financiële overzichten”) ook van toepassing zijn bij samenstellingsopdrachten in het geval er sprake is van signalen van fraude. Dit leidt er volgens [appellanten] toe dat de norm uit het Jachthavenarrest niet van toepassing is, en, zo begrijpt het hof [appellanten] , dat daarmee de reikwijdte van de zorgplicht jegens derden groter is dan in het Jachthavenarrest vastgesteld.
Het hof gaat daar niet in mee. Indien de accountant bij het uitvoeren van samenstellingsopdrachten, een vermoeden krijgt dat er sprake is van fraude bij zijn cliënt, zal hij wellicht, al dan niet op basis van beroepsregels, bepaalde maatregelen moeten nemen. Zonder nadere toelichting valt echter niet in te zien waarom zo’n vermoeden van fraude bij de accountant die een samenstellingsopdracht heeft tot gevolg heeft dat hij er op bedacht moet zijn dat derden hun gedrag zullen afstemmen op de resultaten van zijn werkzaamheden of tot gevolg heeft dat zijn niet-wettelijke taken, wettelijke taken worden of als zodanig moeten worden aangemerkt.
Het bovenstaande brengt met zich dat grief 2 van [appellanten] niet slaagt, en dat het hof bij de verdere beoordeling uit zal gaan van het toetsingskader zoals weergegeven in de hiervoor geciteerde rov. 4.4. van het vonnis, welke overweging het hof tot de zijne maakt.
Gevaarzetting
De derde grief van [appellanten] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.7 vonnis) dat de door [appellanten] aan hun vordering ten grondslag gelegde gevaarzetting ook niet kan leiden tot toewijsbaarheid van de vordering. [appellanten] voeren aan, met verwijzing naar hun grieven 1 en 2, dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Bovendien heeft de rechtbank volgens [appellanten] verzuimd om in haar oordeel te betrekken dat [geïntimeerden] wisten, of hadden moeten weten, van de Ponzi-fraude bij InMotion en van het niet tijdig opstellen en deponeren van de jaarrekeningen van InMotion.
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder het kopje ‘toetsingskader’ is vastgesteld, is de door de rechtbank toegepaste maatstaf de juiste. Kennis van Ponzi-fraude (wat daar ook van zij; [geïntimeerden] ontkennen dat [geïntimeerde 2] daar een vermoeden van had) maakt niet dat de (niet-wettelijke) werkzaamheden van [geïntimeerde 2] op derden zijn betrokken. En indien [geïntimeerden] wisten dat de jaarrekeningen niet tijdig, overeenkomstig de daartoe in de wet opgenomen termijnen, werden gedeponeerd, betekent dat niet dat [geïntimeerden] daardoor onrechtmatig hebben gehandeld jegens derden.
Voorts geldt dat [appellanten] het causaal verband tussen de gestelde gevaarzettende situatie en de schade niet aannemelijk hebben gemaakt. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat [appellanten] tegenover het verweer van [geïntimeerden] niet hebben gesteld, althans niet hebben onderbouwd, dat als [geïntimeerden] de samenstellingsopdrachten eerder hadden teruggegeven, [appellanten] daarvan voorafgaande aan hun investeringen op de hoogte waren geraakt. Evenmin is voldoende onderbouwd gesteld dat als [geïntimeerden] de - volgens [appellanten] vereiste - meldingen bij toezichthouders en autoriteiten hadden gedaan, [appellanten] dat (tijdig) hadden geweten.
[appellanten] stellen dat als [geïntimeerden] adequaat hadden gehandeld, InMotion c.s. eerder failliet waren gegaan of niet van start hadden kunnen gaan, zodat [appellanten] reeds daarom niet hadden kunnen investeren. [appellanten] voeren daartoe aan dat als [geïntimeerden] zich eerder hadden gedistantieerd, er geen opvolgend accountant zou zijn geweest die InMotion had bijgestaan in de contacten met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Belastingdienst. [geïntimeerden] heeft dat echter voldoende weersproken door aan te voeren dat InMotion niet gehouden was een accountant in te schakelen voor de werkzaamheden die [geïntimeerden] voor InMotion uitvoerde, zodat ook een ander die bijstand had kunnen verlenen.
Voor zover [appellanten] hebben willen betogen dat wanneer [geïntimeerden] de samenstellingsopdracht met betrekking tot InMotion eerder hadden teruggegeven, of informatie hadden verstrekt aan de AFM, deze eerder haar last onder dwangsom zou hebben gepubliceerd, hebben zij dat onvoldoende onderbouwd. Dit mede in het licht van het verweer van [geïntimeerden] dat het niet waarschijnlijk is dat er eerder zou zijn ingegrepen puur omdat InMotion geen accountant meer had, dat de AFM al jaren bezig was met onderzoek naar InMotion, en dat Ponzi-fraude ondanks onderzoek door de curator en de AFM niet is vastgesteld. Daar komt bij dat de jaarrekening 2009 van InMotion met de in 3.8 opgenomen waarschuwing op 15 oktober 2012 is gepubliceerd en deze voor eenieder toegankelijke rapportage hen er kennelijk niet van heeft weerhouden de investeringen in InMotion voort te zetten.
Tussenconclusie
Het bovenstaande leidt ertoe dat [geïntimeerden] jegens [appellanten] niet aansprakelijk zijn op grond van het niet (tijdig) opstellen en deponeren van de jaarrekeningen van InMotion. Hetzelfde geldt voor het niet eerder teruggeven door [geïntimeerden] van de samenstellingsopdrachten met betrekking tot InMotion en Goedlicht (Holding).
Gesprekken over Goedlicht (Holding)
[appellanten] stellen voorts dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld omdat [geïntimeerde 2] als accountant aanwezig is geweest bij de (telefoon)gesprekken op 2, 11 en 29 april 2014 (hierna: de gesprekken), wetende dat [appellanten] mogelijk in Goedlicht wilden investeren. Door zich aldus met Goedlicht te associëren hebben [geïntimeerden] vertrouwen opgewekt. De rechtbank heeft hen daar (voor zover het [appellanten 1 en 2] betreft) gelijk in gegeven. Zij heeft - met verwijzing naar het College van Beroep - onder meer overwogen dat voor het zorgvuldig en met distantie handelen door [geïntimeerde 2] te meer aanleiding was vanwege de verwevenheid van het bestuurderschap van InMotion en Goedlicht en de door [geïntimeerde 2] onderkende mogelijkheid dat sprake was (geweest) van frauduleuze handelingen zoals verwoord in de brief van 3 mei 2013.
[geïntimeerden] betwisten dat [geïntimeerde 2] met zijn aanwezigheid bij de gesprekken een onterecht vertrouwen heeft gewekt. Zij hebben verklaard dat [geïntimeerde 2] bij de besprekingen op 2 en 11 april 2014 een toelichting heeft gegeven op de voorlopige jaarcijfers van Goedlicht (Holding), dat daaruit (en uit de op 31 januari 2014 gedeponeerde jaarrekening over 2012) bleek dat de ondernemingen een hoge schuldenpositie en een negatief eigen vermogen hadden. [geïntimeerde 2] heeft in het gesprek van 2 april 2014 aangegeven dat het simpelweg ‘wegstrepen’ van de leningen van Buchinhoren aan Goedlicht Holding de problemen voor de vennootschap niet zou oplossen. In dat kader heeft hij aangegeven dat het noodzakelijk was dat er structurele veranderingen zouden worden doorgevoerd, aangezien de onderneming anders weer tegen dezelfde problemen zou aanlopen en die opnieuw een negatief eigen vermogen zou hebben, aldus steeds [geïntimeerden]
Het hof overweegt als volgt. Indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat [geïntimeerde 2] (en daarmee [geïntimeerden] ) door zijn aanwezigheid bij de gesprekken, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] door zich onterecht met Goedlicht te associëren en daardoor onterecht vertrouwen op te wekken (waarbij het hof dus in het midden laat of dat het geval is) geldt het navolgende. Met onrechtmatig handelen staat de aansprakelijkheid van [geïntimeerden] nog niet vast, omdat daarvoor ook sprake moet zijn van causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schade. Voor causaal verband is vereist dat zonder het doen of nalaten van [geïntimeerde 2] (en/of [geïntimeerde 1] ) de schade niet zou zijn opgetreden. Op grond van artikel 150 Rv rust de stelplicht van dit conditio sine qua non - verband op [appellanten]
hebben op dit punt aangevoerd dat [appellant 1] en [appellant 3] op basis van de indruk die [geïntimeerde 1] c.s tijdens de gesprekken gaven hebben geïnvesteerd in Goedlicht. Omdat zij niet zomaar ergens wilden instappen, was de vertrouwenwekkende betrokkenheid van [geïntimeerden] , voor hen zeer relevant. Juist wegens de betrokkenheid van [geïntimeerde 2] hebben [appellant 1] en [appellant 3] € 300.000,- geïnvesteerd.
Het hof oordeelt dat dat causaal verband niet aannemelijk is geworden. De volgende feiten en omstandigheden zijn daarbij redengevend.
Uit hetgeen door [appellanten] is aangevoerd blijkt dat zij al eerder, vóór april 2014, grote investeringen in InMotion c.s. hadden gedaan. Ten aanzien van investeringen in InMotion heeft [appellant 1] ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij die investeringen heeft gedaan, omdat de ouders van [naam 5] hem op de mogelijkheid daarvan wezen en hij hen al 35 jaar kende en hen vertrouwde. Gesteld noch gebleken is dat [appellanten] bij eerdere investeringen (daarnaast) betrokkenheid van [geïntimeerde 2] ( [geïntimeerden] waren volgens [appellanten] de enige adviseur van InMotion c.s.), of door hem opgestelde cijfers, van belang hebben geacht. In dat verband is relevant dat (i) op 15 oktober 2012 de jaarrekening van InMotion over 2009 is gedeponeerd (zie hierboven 3.8) waaruit volgens [appellanten] blijkt dat “ [geïntimeerden] en zeker het bestuur van InMotion er onderaan de streep geen vertrouwen in hadden” en (ii) op 31 januari 2014 het depot heeft plaatsgevonden van de jaarrekeningen van Goedlicht en Goedlicht Holding over 2011 en 2012 (zie 3.10 en 3.14) met bericht van het bestuur dat de verdere voortzetting van de activiteiten van de onderneming moeilijk maar niet onmogelijk is. De inhoud van die, kenbare, jaarrekeningen met duidelijke waarschuwingen heeft hen er kennelijk niet van weerhouden in of na april 2014 nog investeringen in Goedlicht te doen. Daar komt bij dat, als de stellingen van [appellanten] gevolgd worden, [geïntimeerde 2] bij de gesprekken geen cijfers heeft laten zien. Desalniettemin hebben [appellanten] vervolgens, vlak daarna, zonder de hen beloofde concept jaarcijfers te hebben gezien, hun investeringen gedaan. Tegen die achtergrond valt niet zonder meer in te zien dat zij zonder de aanwezigheid van [geïntimeerde 2] bij de gesprekken, de investeringsbeslissingen niet hadden genomen.
Er zijn verder geen aanwijzingen waaruit volgt dat [appellanten] hun investeringsbeslissing hebben gebaseerd op hetzij positieve mededelingen van [geïntimeerde 2] over (het doen van investeringen in) Goedlicht (Holding), hetzij het achterwege laten van waarschuwingen door [geïntimeerde 2] waar hij deze wel had moeten geven. [appellanten] stellen dat de “toelichting en antwoorden op vragen bij monde van [geïntimeerde 2] inzake de onderneming en de (financiële) toekomst daarvan voor hen zeer relevant” was, maar geven niet aan waaruit die toelichting bestond of welke antwoorden [geïntimeerde 2] gaf, noch welke vragen hem zijn gesteld. [appellanten] verwijzen bij die stelling slechts naar blad zes van het proces-verbaal van de zitting van de Accountantskamer op 30 juni 2017. Daar wordt de volgende verklaring van [geïntimeerde 2] vermeld: “Van de gesprekken in april 2014 heb ik geen notulen. Ik was er wel bij. Mijn functie was het beantwoorden van vragen over Goedlicht. Ik was gebeld door [naam 5] . Zijn ouders wilden verkopen en junior had iemand gevonden. Dat was [ [appellant 1] ]. […] Ik heb meegedeeld dat ik niet betrokken was bij de verkoop. […]. Mijn positie is daar verder niet besproken. Die was bedoeld om toelichting te geven bij de stukken. Het is heel even over InMotion gegaan. [ [appellant 1] ] introduceerde zich als belegger van InMotion. Daar was het niet goed gegaan. Dat was met partijen uitgesproken en daarna wilde hij investeren in Goedlicht. In april 2014 ging het om de voorlopige cijfers 2013 van Goedlicht. Er is niet over projecten van Goedlicht gesproken. Ik heb cijfers laten zien. Het idee van [naam 5] was om door middel van een kwijtschelding van de ouders van een vordering van het negatieve eigen vermogen een positief eigen vermogen te maken. Ik heb gezegd dat het eigen vermogen kan toenemen, maar dat wanneer op dezelfde voet wordt doorgegaan er weer verlies ontstaat. Van boekhoudkundig kwijtschelden krijg je geen werkkapitaal.”
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde 2] hier verklaart wél cijfers te hebben laten zien (hetgeen [appellanten] ontkennen) en overweegt dat de uitspraken van [geïntimeerde 2] over het eigen vermogen en de mogelijkheid van verlies in de toekomst eerder een waarschuwend karakter lijken te hebben, en dat daarin in elk geval geen aanmoediging kan worden gelezen om te investeren in Goedlicht (Holding). Evenmin bevestigt het citaat de bij de bij memorie van antwoord in incidenteel appel ingenomen stelling dat [geïntimeerde 2] in het gesprek op 2 april 2024 “adviseerde om (werk-) kapitaal van Goedlicht voor het bedrag à € 300.000,- te verstrekken, althans zich op dit punt tijdens de gesprekken actief opstelde”. [appellanten] hebben ook niet nader toegelicht waar die actieve opstelling (dan wel) uit bestond en waarom zij op basis daarvan besloten te investeren. Dat had – in het licht van de betwisting door [geïntimeerden] dat [geïntimeerde 2] uitspraken heeft gedaan waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat Goedlicht (Holding) het investeren waard was en gezien de verklaring van [geïntimeerden] dat [geïntimeerde 2] juist de zwakke financiële positie van Goedlicht (Holding) heeft toegelicht – wel op de weg van [appellanten] gelegen. In dit verband is nog relevant dat [appellant 1] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard dat [geïntimeerde 2] tijdens het gesprek van 2 april 2014 niets heeft gezegd.
[appellanten] hebben van de gestelde uitlatingen door [geïntimeerde 2] , of van zijn stilzwijgen, geen getuigenbewijs aangeboden.
De conclusie is dat de tweede grief in incidenteel appel, voor zover gericht tegen het bestaan van causaal verband, slaagt. Dat leidt er toe dat ook de vorderingen gebaseerd op de aanwezigheid van [geïntimeerde 2] bij de gesprekken, moeten worden afgewezen.
Overige grieven
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen hebben [appellanten] geen belang meer bij hun grieven 7 en 8, zodat deze verder onbesproken kunnen blijven. Hetzelfde geldt voor de eerste incidentele grief van [geïntimeerden]
Grief 4 van [appellanten] heeft betrekking op de uitwerking van rov. 4.6 van het vonnis. Daarin overweegt de rechtbank dat naar vaste rechtspraak het uitgangspunt is dat aan het oordeel van de tuchtrechter dat is gehandeld in strijd met de voor de beroepsgroep geldende normen en regels, niet zonder meer de gevolgtrekking kan worden verbonden dat [geïntimeerden] civielrechtelijk aansprakelijk zijn voor schade die [appellanten] stellen te hebben geleden. Dit betwisten [appellanten] niet, maar volgens hen heeft de rechtbank vervolgens haar oordeel dat de tuchtrechtelijke fout van [geïntimeerde 2] in dit geval niet tot civielrechtelijke aansprakelijkheid leidt, onvoldoende gemotiveerd. Het hof overweegt dat de grief niet kan leiden tot vernietiging van het vonnis en (dus) geen zelfstandige betekenis heeft. De grief kan daarmee verder onbesproken blijven.
De grieven 5 en 6 van [appellanten] richten zich tegen rov. 4.13 van het vonnis, waarin de rechtbank de redenen uiteen heeft gezet waarom volgens haar niet geoordeeld kan worden dat [geïntimeerde 2] er rekening mee moest houden dat zijn mededelingen tijdens het telefoongesprek op 29 april 2014 van belang waren voor de investeringsbeslissing van [appellant 3] . Volgens [appellanten] moest [geïntimeerde 2] dat wel.
Het hof overweegt dat, ook als [geïntimeerde 2] wist dat [appellant 3] (aan de andere kant van de lijn) aanwezig was en hij op de hoogte was van diens wens te investeren in Goedlicht, dat niet leidt tot aansprakelijkheid voor de door hem gestelde schade, reeds omdat, zoals hiervoor is overwogen, het causaal verband tussen de aanwezigheid van [geïntimeerde 2] en de gestelde schade niet aannemelijk is geworden. [appellanten] hebben dus geen belang bij hun grieven 5 en 6.
Grief 9 komt op tegen de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling en neemt als uitgangspunt dat de overige principale grieven slagen. Nu geen van die grieven slaagt, faalt ook deze grief.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het principaal appel van [appellanten] niet, en het incidenteel appel van [geïntimeerden] wel, slaagt. Het hof zal voor de leesbaarheid het vonnis in zijn geheel vernietigen.
Het hof zal [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg, alsmede die van het principaal en het incidenteel appel.
De proceskosten in eerste aanleg worden begroot op:
griffierecht € 4.131,-
salaris advocaat € 13.996,50 (3,5 punten × tarief VIII)
nakosten € 163,-
totaal € 18.290,50
De proceskosten in principaal appel worden begroot op:
griffierecht € 5.689,-
salaris advocaat € 13.218,- (2 punten × tarief VIII)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 19.096,-
De proceskosten in incidenteel appel worden begroot op:
salaris advocaat € 3.304,50,- (1 punt × helft tarief VIII).
7. Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2022,
en opnieuw recht doende
Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. M.T. Nijhuis en mr. R.J. van Galen en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.