ECLI:NL:GHDHA:2026:2330

ECLI:NL:GHDHA:2026:2330

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 16-07-2026
Datum publicatie 17-07-2026
Zaaknummer BK-25/670
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2025:18664

Samenvatting

Art. 7:2 Algemene wet bestuursrecht. Artt. 225, 231, 234 Gemeentewet. Hoorplicht. Naheffing parkeerbelasting. Schending hoorplicht. Belanghebbende is niet in zijn belangen geschaad door het niet gehoord zijn in de bezwaarfase, nu geen geschil bestaat over de van belang zijnde feiten. Geen terugwijzing. Naheffingsaanslag terecht opgelegd, nu belanghebbende heeft geparkeerd in een zone waarvoor de bewonersvergunning niet geldig was.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 16 juli 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de Heffingsambtenaar,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/670

in het geding tussen:

(gemachtigde: F.R. Eggink)

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 september 2025, nummer SGR 25/382.

Procesverloop

De Heffingsambtenaar heeft aan de kentekenhoudster een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Leiden opgelegd ter zake van het parkeren op 18 oktober 2024 van een voertuig met het kenteken [kenteken 1] (het voertuig) aan de [straat] te [woonplaats] , ten bedrage van € 73,10, bestaande uit € 3,10 parkeerbelasting en € 70 aan kosten van de naheffing (de naheffingsaanslag).

De Heffingsambtenaar heeft het door belanghebbende, als feitelijk parkeerder van het voertuig, tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft bij nader stuk (met bijlagen) van 12 juni 2026 verweer gevoerd.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 juni 2026. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 23 juni 2026 om 11.00 uur te Den Haag. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 2 april 2026, 9.31 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof op de juiste wijze uitgenodigd.

Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk BK-25/669. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting één pleitnota voor beide zaken overgelegd. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd wordt geacht ook in de andere zaak te zijn aangevoerd, tenzij het specifiek op een zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Een parkeercontroleur heeft op 18 oktober 2024 om 18.40 uur geconstateerd dat het voertuig stond geparkeerd op de locatie [straat] te [woonplaats] . Genoemde locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden aangewezen als parkeerplaats waar op die datum en dat tijdstip slechts mag worden geparkeerd tegen betaling van parkeerbelasting. De locatie valt in de zogenoemde parkeerzone [1] . Op genoemde datum en tijdstip stond het voertuig geparkeerd met gebruikmaking van een bewoners(parkeer)vergunning die geldt voor parkeerzones [2] en [3] , zonder dat de ter plaatse verschuldigde parkeerbelasting voor parkeerzone [1] was voldaan. Ter zake daarvan is de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd.

De kentekenhoudster van het voertuig beschikt sinds 22 oktober 2018 over de bewonersvergunning voor parkeerzones [2] en [3] . De vergunning is blijkens de tot de stukken van het geding behorende “beslissing bewonersvergunning” verleend voor het kenteken [kenteken 2] en staat per 25 februari 2022 op het kenteken [kenteken 1] .

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In het bezwaarschrift is de Heffingsambtenaar verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te sturen, het bezwaar gegrond te verklaren en een vergoeding van proceskosten te geven. Verder heeft belanghebbende daarin vermeld: “Ik wil verder graag gehoord worden in deze zaak”.

Bij e-mailbericht van 14 november 2024, gericht aan het in het bezwaarschrift vermelde e-mailadres van de gemachtigde van belanghebbende, heeft de Heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende de door hem gevraagde stukken en gegevens toegezonden. Voorts heeft de Heffingsambtenaar daarbij een termijn gegeven voor het indienen dan wel aanvullen van de gronden van bezwaar tot uiterlijk 12 december 2024 en een aantal data voorgesteld voor een hoorgesprek:

“Horen

In het bezwaarschrift verzoekt u tevens (telefonisch) gehoord te worden. U kunt worden gehoord op 18, 19 en 21 november 2024 tussen 10:00 en 16:00 uur. Mocht u verhinderd zijn, dan verzoek ik u dit uiterlijk op 15 november 2024 vóór 17:00 uur aan mij kenbaar te maken. Graag ontvang ik dan van u een andere datum en tijdstip waarop het telefonisch horen kan plaatsvinden.

Heeft u nog vragen?

Heeft u nog vragen over deze brief? Belt u dan de contactpersoon. De gegevens van de

contactpersoon staan bovenaan deze brief. U kunt ook een bericht sturen via het

contactformulier van de gemeente: (…).”

Tot het dossier behoort een door de Heffingsambtenaar overgelegd afschrift van een leveringsbewijs van het onder 2.4.1 bedoelde e-mailbericht aan het daarvoor gebruikte e-mailadres.

Belanghebbende heeft niet op het e-mailbericht gereageerd.

Bij e-mailbericht van 3 december 2024, gericht aan het in het bezwaarschrift vermelde e-mailadres, heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende, onder verwijzing naar het e-mailbericht van 14 november 2024 en de daarbij verzonden brief, het volgende bericht gezonden:

“Op 14 november 2024 stuurde ik u de op de zaak betrekking hebbende stukken toe met daarbij het verzoek om te reageren op het inplannen van een telefonische hoorzitting. Tot op heden heb ik nog geen reactie van u ontvangen.

Ik stel u hierbij in de gelegenheid om binnen twee weken, dus uiterlijk 17 december 2024, met een voorsteldatum en tijdstip te komen om gehoord te worden, indien u gehoord wenst te worden inzake dit dossier.”

Belanghebbende heeft niet op het e-mailbericht gereageerd.

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 de naheffingsaanslag gehandhaafd. De uitspraak op bezwaar luidt, voor zover van belang:

“(…)

Uw bezwaar is afgewezen

De parkeerbon blijft bestaan. Dit betekent dat uw cliënt de parkeerbon moet betalen. Hieronder leest u waarom uw bezwaar is afgewezen.

Wat heeft de parkeercontroleur gezien?

Het voertuig met kenteken [kenteken 1] is op 18 oktober 2024 om 18:40 uur gecontroleerd door de parkeercontroleur. Het voertuig stond geparkeerd op een parkeerplaats voor betaald parkeren op de [straat] . Hier geldt het zogeheten rode kap parkeerautomaat regime. U mag hier niet parkeren met een bewonersparkeervergunning. De parkeercontroleur heeft het kenteken gecontroleerd in het parkeersysteem. Uw cliënt had geen geldig parkeerbewijs.

Verzoek om gehoord te worden niet beantwoord

In het pro forma bezwaarschrift gaf u tevens aan dat u telefonisch gehoord wilt worden om

aanvullende gronden kenbaar te maken. Op 14 november 2024 is aan u per e-mail via

[e-mailadres] de verzochte op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Daarbij is ook een voorstel gedaan voor data en tijdstippen waarop telefonisch gehoord kan worden. Op 3 december 2024 heb ik u een herinnering voor de telefonische hoorzitting gezonden per e-mail, omdat u nog niet gereageerd had op de voorsteldata voor het horen. U bent daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te reageren, dus uiterlijk tot 17 december 2024. U heeft beide e-mails ontvangen, maar ik heb geen reactie van u ontvangen. Ik kan daarom stellen dat u voldoende in de mogelijkheid bent gesteld om te reageren en u daarom van het horen afziet.

Motivering besluit

In het pro forma bezwaarschrift heeft u een verzoek ingediend voor het toezenden van stukken en voor een termijn voor het aanleveren van nadere (aanvullende) gronden. De stukken zijn op 14 november 2024 naar het e-mailadres […] gezonden. In de begeleidende brief is een vierwekentermijn, 12 december 2024 gesteld voor het aanleveren van (aanvullende) gronden. Binnen de gestelde termijn heb ik verder geen nadere gronden van u ontvangen.

(…)”

In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar bij nader stuk van 12 juni 2026 afschriften overgelegd van informatie afkomstig van de website van de gemeente Leiden over “Parkeren zone [1] ” en het op de website vermelde “Rode kap kortparkeren zone [1] ” en voorts een foto van een “Parkeerbord zone [1] ”.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:

“10. Op grond van artikel 7:2 van de Awb dient de heffingsambtenaar belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde om te worden gehoord, op 14 november 2024 schriftelijk een drietal data voorgesteld om belanghebbende te horen en hij heeft belanghebbende daarbij verzocht om voor 15 november 2024 door te geven welke datum en tijdstip zijn voorkeur heeft. Gemachtigde heeft hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde op 3 december 2024 verzocht om met een voorstel voor een datum en tijdstip te komen om gehoord te worden. Gemachtigde heeft hierop eveneens niet gereageerd. Uit het beroepschrift volgt dat niet in geschil is dat het voorstel en het tweede verzoek de gemachtigde heeft bereikt.

11. Belanghebbende voert ook aan dat zich geen uitzondering heeft voorgedaan van de in artikel 7:3 van de Awb genoemde situaties waarin van horen kan worden afgezien en dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden door af te zien van het houden van een hoorzitting in persoon. Voor zover de heffingsambtenaar belanghebbende heeft uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting, doet dit volgens belanghebbende niets aan het voorgaande af. Telefonisch horen is alleen mogelijk als belanghebbende daarom heeft verzocht, dan wel daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd, aldus belanghebbende.

12. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn betoog dat sprake is van een schending van de hoorplicht. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de hierboven beschreven berichten voldoende pogingen heeft ondernomen om tegemoet te komen aan het verzoek van belanghebbende om te worden gehoord. De heffingsambtenaar kon dan ook uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen afleiden dat belanghebbende afstand deed van zijn recht om te worden gehoord. Verder is de rechtbank van oordeel dat als belanghebbende niet telefonisch, maar in persoon had willen worden gehoord, hij dit tijdig en duidelijk kenbaar had moeten maken aan de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde van belanghebbende daartoe voldoende in de gelegenheid gesteld.

13. Belanghebbende heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de naheffingsaanslag.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In geschil is of de hoorplicht is geschonden en of dit moet leiden tot terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend.

In het geval het Hof het verzoek om terugwijzing van de zaak afwijst, is verder in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en primair tot terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar in verband met schending van de hoorplicht en subsidiair tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Voorts heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en om vergoeding van het griffierecht.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

De gemachtigde van belanghebbende stelt dat sprake is van schending van de hoorplicht. Hij voert hiertoe aan dat hij de data die zijn genoemd in de brief behorend bij het e-mailbericht van 14 november 2024 heeft vrijgehouden, maar dat hij op geen van de daarin genoemde data is benaderd om te worden gehoord. Aangezien de gemachtigde van belanghebbende niet verhinderd was op de genoemde data, hoefde hij, naar hij stelt, niet te reageren op de brief van de Heffingsambtenaar. In het bezwaarschrift was immers reeds vermeld dat hij gehoord wilde worden. Het had dan ook, gelet op de jurisprudentie en de memorie van toelichting bij artikel 7:3, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op de weg van de Heffingsambtenaar gelegen hem voor het horen uit te nodigen voor een door de Heffingsambtenaar vastgesteld tijdstip en plaats. De Heffingsambtenaar heeft dus ten onrechte geconcludeerd dat belanghebbende van het recht om te worden gehoord heeft afgezien. Verder voert de gemachtigde van belanghebbende aan dat hij niet heeft aangegeven dat hij telefonisch gehoord wilde worden en dat het uitgangspunt van de Awb is dat een belanghebbende in persoon wordt gehoord. Aangezien sprake is van schending van de hoorplicht kan de uitspraak op bezwaar, naar de gemachtigde van belanghebbende stelt, geen stand houden en dient de zaak te worden teruggewezen naar de Heffingsambtenaar teneinde belanghebbende alsnog te horen.

Subsidiair voert belanghebbende het volgende aan. De zus van belanghebbende (de kentekenhoudster van het voertuig) beschikt over een parkeervergunning voor geheel [woonplaats] . Het is dan ook onbegrijpelijk dat een naheffingsaanslag is opgelegd.

De Heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden en voert het volgende aan. Uit het e-mailbericht van 14 november 2024 en de daarbij behorende brief kan duidelijk worden afgeleid dat de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om aan te geven op welke data en welk tijdstip hij gehoord wil worden. Er is gevraagd om een reactie. Bij het e-mailbericht van 3 december 2024 is de gemachtigde van belanghebbende voor de tweede keer in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Aangezien de Heffingsambtenaar uit ervaring weet dat de gemachtigde van belanghebbende regelmatig verhinderd is, is hem bewust een keuzemogelijkheid geboden. Er is altijd de mogelijkheid voor een hoorzitting in persoon (fysiek hoorgesprek); de gemachtigde van belanghebbende had louter hoeven aan te geven dat hij een fysieke hoorzitting wenste.

Inhoudelijk stelt de Heffingsambtenaar primair dat het niet in overeenstemming is met de goede procesorde om pas in hoger beroep de naheffingsaanslag te bestrijden. In de gehele procedure heeft de gemachtigde uitsluitend gronden aangedragen tegen schending van de hoorplicht. Belanghebbende had dit geschilpunt in een eerder stadium van de procedure naar voren kunnen brengen. Subsidiair stelt de Heffingsambtenaar dat de zus van belanghebbende al sinds 22 oktober 2018 over een bewonersparkeervergunning beschikt. Daarin is niet vermeld dat de vergunning geldt bij een zogenoemde rode kap of rode band en ook niet dat deze geldt in zone [1] . De [straat] is gelegen in zone [1] . Een klein gedeelte van de [straat] is aangewezen als gebied waar het “rode-band-parkeerbeleid” geldt, dat is echter niet het gebied waar het voertuig stond geparkeerd. Het voertuig stond geparkeerd in het “reguliere betaald parkeren deel” van zone [1] . Zone [1] wordt ter plaatse aangegeven met zoneborden en op de website en in de Verordening Parkeerbelastingen van de gemeente Leiden is ook een kaart opgenomen waarin de betaald parkeerzones van de gemeente Leiden vermeld staan. Belanghebbende woont zelf ook al enige tijd in [woonplaats] en heeft een onderzoeksplicht, inhoudende dat hij, voordat hij het voertuig ergens parkeert, moet nagaan of de parkeervergunning ter plaatse geldig is, aldus de Heffingsambtenaar.

Schending hoorplicht

Ingevolge artikel 7:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Ingevolge artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 Awb gehoord op zijn verzoek.

Aangezien de gemachtigde van belanghebbende in het bezwaarschrift te kennen heeft gegeven te willen worden gehoord, mocht de Heffingsambtenaar uit de omstandigheid dat de gemachtigde niet op zijn e-mailbericht van 3 december 2024 heeft gereageerd, niet afleiden dat hij (stilzwijgend) afstand deed van het recht om te worden gehoord, reeds omdat het niet verschijnen ter hoorzitting een andere oorzaak of reden kon hebben. Bij twijfel over de vraag of (de gemachtigde van) belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de Heffingsambtenaar gehouden (de gemachtigde van) belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door (de gemachtigde van) belanghebbende daartoe nogmaals uit te nodigen op een door de Heffingsambtenaar vastgesteld tijdstip en plaats (vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751 en HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:524).

Anders dan de Heffingsambtenaar kennelijk meent, heeft dit ook te gelden in een geval, zoals het onderhavige, waarin de belanghebbende wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.

Gelet op het in 5.3 en 5.4 overwogene moet worden geoordeeld dat de hoorplicht is geschonden. De vraag of belanghebbende ten onrechte niet is uitgenodigd voor een hoorgesprek in persoon (fysiek hoorgesprek) behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de zaak moet worden teruggewezen naar de Heffingsambtenaar, zoals belanghebbende voorstaat, of dat het Hof zelf in de zaak kan voorzien (artikel 8:72, lid 4, Awb). Indien de belastingplichtige op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord, kan aan dat gebrek in de uitspraak op het bezwaarschrift worden voorbijgegaan als de belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld. Daarvan zal in de regel sprake zijn indien het hof tevens vaststelt dat omtrent de feiten tussen de heffingsambtenaar en de belanghebbende (uiteindelijk) geen verschil van mening meer bestaat (vgl. HR 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig op 18 oktober 2024, om 18.40 uur geparkeerd stond op de [straat] in [woonplaats] in zone [1] en dat belanghebbende zich daarvoor heeft aangemeld met een bewonersparkeervergunning die geldig is in zone [2] en [3] . Nu over de van belang zijnde feiten voor het opleggen van de naheffingsaanslag geen geschil bestaat, is belanghebbende niet in zijn belang geschaad door het niet gehoord zijn in de bezwaarfase. Er is dan ook geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de Heffingsambtenaar om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen en zal zelf in de zaak voorzien.

Geschilpunt tardief?

De Heffingsambtenaar stelt dat het door belanghebbende voor het eerst in hoger beroep ingebrachte geschilpunt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, niet in overeenstemming is met een goede procesorde. Het Hof kan de Heffingsambtenaar niet in zijn stelling volgen. Als uitgangspunt geldt dat een partij in elke fase van de procedure nieuwe stellingen en grieven kan aanvoeren. Belanghebbende heeft de grief over de juistheid van de naheffingsaanslag in zijn hogerberoepschrift aan de orde gesteld. De Heffingsambtenaar heeft sindsdien gelegenheid gehad om op die grief te reageren en heeft dat ook gedaan in zijn verweer bij nader stuk van 12 juni 2026 en ter zitting. Van schending van de goede procesorde is derhalve geen sprake.

Naheffingsaanslag

Gelet op de onder 5.6 vermelde feiten die ten grondslag hebben gelegen aan het opleggen van de naheffingsaanslag, is deze terecht opgelegd.

Van parkeren met een vergunning is immers alleen sprake, als bij het parkeren wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Er is geen sprake van parkeren met een vergunning, als aan één of meer van deze voorwaarden niet wordt voldaan (vgl. HR 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336). Dit is uitdrukkelijk vermeld in de vergunningvoorwaarden. Eén van de voorwaarden voor het parkeren met de vergunning is dat geparkeerd wordt in het daartoe aangewezen vergunningsgebied.

Het is aan de parkeerder die gebruik wil maken van een parkeervergunning zich steeds te vergewissen van de plaatselijke parkeervoorschriften en van de geldigheid van zijn parkeervergunning ter plaatse. Het had op de weg van belanghebbende gelegen zich te vergewissen van het parkeerbeleid en de indeling van de zones/vergunningsgebieden in de gemeente Leiden alvorens hij het voertuig met gebruikmaking van de bewonersvergunning ging parkeren.

Nu vaststaat dat belanghebbende het voertuig heeft geparkeerd in zone [1] , waarvoor hij niet over een vergunning beschikte en ook anderszins de ter plaatse in zone [1] verschuldigde belasting niet heeft voldaan, is de verschuldigde belasting terecht nageheven.

Slotsom

Het hoger beroep is gegrond nu de hoorplicht is geschonden.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de Heffingsambtenaar voor de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.

Proceskosten bezwaarfase

Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in bezwaar, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 333 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666 x wegingsfactor 0,5).

Proceskosten beroepsfase

Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5).

Proceskosten hogerberoepsfase

Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het hogerberoepschrift, met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 0,5).

Totale proceskostenvergoeding en samenhangende zaken

Het totaal van de toe te kennen proceskostenvergoeding bedraagt derhalve € 1.267.

Nu het hoger beroep uitsluitend gegrond is omdat de hoorplicht is geschonden en dit eveneens geldt voor de gelijktijdig in bezwaar, beroep en hoger beroep behandelde zaak van belanghebbende met kenmerk BK-25/669, en het feitencomplex in de beide zaken exact hetzelfde is op dit punt, waardoor de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn, merkt het Hof deze zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Bpb. Het Hof kent om die reden in de onderhavige zaak de helft van de hiervoor genoemde proceskosten, te weten € 633,50, toe en de andere helft in de zaak met nummer BK-25/669.

Griffierechten

Verder dienen aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 196 (€ 53 + € 143) te worden vergoed.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en R.A. Bosman, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.

De griffier, de voorzitter,

E.J. Nederveen Chr.Th.P.M. Zandhuis

De beslissing is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/1259 NTFR 2026/1483 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand