ECLI:NL:GHDHA:2026:240

ECLI:NL:GHDHA:2026:240

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-02-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 22-003427-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Steekpartij met dodelijke afloop van 17-jarige jongen op 6 mei 2021 op de Rijswijkseweg in Den Haag. Van de 7 door de rechtbank veroordeelde verdachten zijn er drie in hoger beroep gekomen. Het hof spreekt 2 verdachten vrij en veroordeelt één van de verdachten voor medeplegen doodslag tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003427-22

Parketnummers: 09-842153-21, 09-253309-20

Datum uitspraak: 25 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 november 2022, met inbegrip van het herstelvonnis van 6 december 2022, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting].

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair (impliciet primair) tenlastegelegde (medeplegen moord) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep en het herstelvonnis waarvan beroep. Tot slot is er een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in Den Haag van 8 december 2020 (onder parketnummer 09-253309-20) opgelegde taakstraf.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij akte van 9 december 2022 heeft de officier van justitie het hoger beroep ingetrokken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Hij op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/ hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

-Een of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen en/of het lichaam gestoken van die [het slachtoffer] en/of

-geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag), tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

één of meer (vooralsnog) onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die onbekend gebleven perso(o)n(en)

-een of meermalen (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen en/of het lichaam gestoken van die [het slachtoffer] en/of

- geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer] (terwijl deze op de grond lag)

tengevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 6 mei 2021, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk inlichtingen/middelen en/of gelegenheid heeft verschaft, door

- met de auto naar die [het slachtoffer] te zoeken en/of zich naar de plek te begeven waar die [het slachtoffer] zich toen (in de buurt) bevond en/of

- door te geven waar die [het slachtoffer] zich bevond en/of

- die [het slachtoffer] te traceren en/of op te wachten en/of te achtervolgen en/of op te jagen en/of in te sluiten en/of aan te wijzen en/of

- die [het slachtoffer] te duwen en/of trekken en/of naar de grond werken en/of

- die [het slachtoffer] te slaan en/of schoppen tegen het lichaam en/of

- die [het slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of tegen te houden;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [locatie steekincident] (en nabij de [locatie nabij steekincident]), in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [het slachtoffer], welk geweld bestond uit het:

- achtervolgen en/of opjagen en/of insluiten en/of aanwijzen van die [het slachtoffer] en/of

- duwen en/of trekken en/of naar de grond werken van die [het slachtoffer] en/of

- slaan en/of schoppen tegen het lichaam van die [het slachtoffer] en/of

- vastpakken en/of vasthouden van die [het slachtoffer] en/of

- een of meerdere malen (met kracht) steken met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen, althans het lichaam van die [het slachtoffer], terwijl dit door hem gepleegde geweld de dood ten gevolge heeft gehad, althans zwaar lichamelijk letsel, althans enig letsel, te weten een of meerdere steekverwonding(en) in een of meer hand(en) en/of in de zij, althans in het lichaam voor die [het slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair (impliciet primair) tenlastegelegde (medeplegen moord), rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaar en 9 maanden, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, met inbegrip van het door de rechtbank op 6 december 2022 gewezen herstelvonnis (hierna gezamenlijk te noemen: het vonnis waarvan beroep), kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting – overeenkomstig haar overlegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden dat er bij de verdachte sprake was van opzet op de dood, van voorbedachte rade en evenmin van een nauwe en bewuste samenwerking van voldoende gewicht waardoor de verdachte als medepleger van het steken kan worden aangemerkt. De verdediging heeft aangevoerd dat het onbegrijpelijk is hoe de rechtbank tot een bewezenverklaring van medeplegen van moord heeft kunnen concluderen en heeft het hof verzocht de zaak te beoordelen in het verlengde van de uitspraak in de zaak van [medeverdachte 1], te weten medeplegen doodslag, met dezelfde strafmaat.

Beoordeling

Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de avond van 6 mei 2021, rond 20:20 uur, is de 17-jarige [het slachtoffer] [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer]) op de [locatie steekincident] in Den Haag aangevallen door meerdere personen, waarbij hij is geschopt en geslagen en met een mes in zijn zij is gestoken. Hij is overleden aan de gevolgen van de steekwond. Vast staat dat de steekwond is toegebracht door [medeverdachte 2], de broer van de verdachte (hierna: de broer) die inmiddels onherroepelijk is veroordeeld.

Kort voor deze aanval vond rond 19:00 uur een gewelddadig treffen plaats tussen twee groepen aan de [locatie eerdere steekincident] in Den Haag. De ene groep bestond (grotendeels) uit jongeren uit het [buurt 1] in Den Haag, waaronder [het slachtoffer], en de andere groep (grotendeels) uit jongeren uit [buurt 2]. Bij dit eerste steekincident werd [neefje verdachte], het neefje van de verdachte, in zijn hoofd en rug gestoken. De verdachte is onder andere met zijn broer in de auto van [medeverdachte 1] , een Seat, een vuurwapen gaan halen in Rotterdam om zijn neefje [neefje verdachte] te helpen en de groep jongens waarvan [neefje verdachte] last had, te intimideren. Op weg van Rotterdam naar Den Haag zijn ze nog langs het huis van de verdachte en zijn broer gereden. De verdachte en zijn broer zijn daar naar binnen gerend en hebben daar een dolk opgehaald. Toen ze hoorden dat [neefje verdachte] inmiddels was neergestoken, wilden ze verhaal gaan halen bij de jongens die dat gedaan hadden.

Eenmaal aangekomen bij de [locatie steekincident] in Den Haag hebben ze eerst samen met wat vrienden van [neefje verdachte] in de wijk rondgelopen en aan mensen in de wijk gevraagd naar “[bijnaam 1]” en “[bijnaam 2]”, bijnamen van de jongens die bij het steekincident van [neefje verdachte] betrokken zouden zijn geweest. Toen ze die jongens niet konden vinden, zijn de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] weer in de Seat gaan zitten en bleef de broer van de verdachte bij de Seat staan. De vrienden van [neefje verdachte], waaronder [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], zijn even verderop in de Opel van een van hen, [medeverdachte 6] , gaan zitten. Op enig moment stapte [het slachtoffer] uit de tram en liep langs de Opel. Daarop stapte [medeverdachte 4]

uit de Opel en wees al schreeuwend naar [het slachtoffer], die begon te rennen in de richting van de Seat, waar de broer van de verdachte nog steeds naast stond. De broer van de verdachte hield [het slachtoffer] tegen en duwde hem richting een gevel, waarna [het slachtoffer] op de grond terecht kwam. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en de verdachte renden ook richting [het slachtoffer] en [het slachtoffer] werd geslagen en geschopt tegen zijn hoofd en de rest van zijn lichaam.

De verdachte heeft [het slachtoffer] geschopt en geslagen, onder andere tegen zijn hoofd. Hij deed dit (o.a.) met het vuurwapen dat hij bij zich had, waarbij de kogels op de grond vielen.

Medeplegen

Het staat vast dat het de broer van de verdachte is geweest die [het slachtoffer] heeft gestoken met een mes waardoor [het slachtoffer] van het leven werd beroofd. De vraag die het hof nu moet beantwoorden, is of de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, als medepleger bij dit feit betrokken is geweest.

De betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard, wanneer vast komt te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen personen, in dit geval tussen verdachte’s broer, de verdachte zelf en (een aantal van) de andere verdachten. Daarbij is niet vereist dat de verdachte de fatale steekwond heeft toegebracht.

De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een vooropgezet plan hoeft aan het medeplegen niet ten grondslag te liggen; medeplegen kan ook als een opwelling uit de situatie voortkomen en zelfs stilzwijgend plaatsvinden. Ook hoeft niet iedere medepleger exact op de hoogte te zijn van de bijdrage(n) van de andere medepleger(s) aan het strafbare feit.

Wel dient bij de medepleger sprake te zijn van een zogenoemd ‘dubbel’ globaal (voorwaardelijk) opzet dat bestaat in een wil die zowel op het tot stand brengen van het feit gericht is als op de samenwerking met de andere dader of daders. Bij medeplegen gaat het om een samendoen, waarbij de samenwerking de kenmerken heeft van een geleverde rechtstreekse en substantiële bijdrage aan het vervullen van de centrale delictsbestanddelen. Bij de beoordeling van de feitelijke gedragingen kunnen als elementen voor het bewijs van de nauwe samenwerking worden aangemerkt: de intensiteit van de samenwerking; eventuele taakverdeling; de rol in voorbereiding, gezamenlijke uitvoering en afhandeling, en het belang van die rol; het zich niet terugtrekken op daarvoor geëigende tijdstippen en aanwezigheid op de beslissende momenten.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken, in onderlinge samenhang bezien, komt het hof tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [het slachtoffer]. Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat de verdachte en zijn broer samen met (in elk geval) hun neef [medeverdachte 1] verhaal wilden gaan halen, omdat hun neefje [neefje verdachte] ruzie had met een groep jongens en later ook door hen is gestoken. Zij hebben naar aanleiding van die ruzie met elkaar een vuurwapen opgehaald in Rotterdam. Daarna zijn zij naar de woning van de verdachte en zijn broer in [buurt 2] gereden, waar de verdachte en zijn broer kort na elkaar het portiek van hun woning zijn binnengerend en zij een dolk hebben opgehaald, waarna zij vrijwel direct, opnieuw kort na elkaar, samen het portiek weer hebben verlaten en zijn weggerend. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte de dolk in zijn handen had. Toen zijn ze naar Den Haag gereden en gestopt op de [locatie steekincident] , waar zij uit de auto zijn gestapt.

Vervolgens zijn ze actief op zoek gegaan naar ‘[bijnaam 1]’ en ‘[bijnaam 2]’, die verantwoordelijk zouden kunnen worden gehouden voor het steekincident tegen hun neefje [neefje verdachte], en hebben de verdachte en zijn mededaders uiteindelijk geweldshandelingen tegen [het slachtoffer] gepleegd. Meer in het bijzonder heeft de verdachte, nadat de aanval op [het slachtoffer] was aangevangen, in totaal twee keer geschopt in de richting van het hoofd van [het slachtoffer] en hem meermalen met kracht en met een vuurwapen in zijn hand, tegen het hoofd geslagen.

Deze gang van zaken duidt op een bewuste en doelgerichte handeling in onderlinge samenwerking. Door gewapend mee te werken aan de gewelddadige confrontatie van zijn broer en de andere mededaders tegen [het slachtoffer], en daarbij actief en gericht geweld op het hoofd van [het slachtoffer] uit te oefenen, heeft de verdachte ook een wezenlijke en substantiële bijdrage geleverd aan het tegen [het slachtoffer] uitgeoefende geweld.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat de verdachte, nu het opzet van de verdachte enkel gericht was op het mishandelen en degene die de steekwond heeft toegebracht substantieel verder is gegaan dan waarop het opzet van de verdachte was gericht, hiervoor niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld, overweegt het hof als volgt.

In de kern is sprake geweest van een gezamenlijke uitvoering van geweldshandelingen tegen [het slachtoffer] omdat de verdachten vrijwel onmiddellijk toen zij hem zagen gewelddadig zijn geworden en daarbij allen fors geweld hebben gepleegd jegens hem, welk geweld er wat betreft de verdachte uit bestond dat hij [het slachtoffer] onder meer met een vuurwapen op een kwetsbaar lichaamsdeel, namelijk het hoofd heeft geslagen. Het voorwaardelijk opzet op samenwerking strekte zich naar het oordeel van het hof mede uit tot de geweldshandelingen die de medeverdachten hebben verricht, waaronder het steken in de zij van [het slachtoffer] door de broer van de verdachte. De verdachte en - onder meer - zijn broer hebben zich immers bewust bewapend en zijn - gewapend - op zoek gegaan naar een van de daders van de eerdere steekpartij die avond. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte erkend dat hij ook op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 1] in het bezit was van een mes.

Uit die omstandigheden volgt dat de verdachte zich willens en wetens heeft ingelaten met een geweldssituatie van zodanige aard, dat hij daarbij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat ook door (een) mededader(s) die (een) wapen(s) bij zich had(den) dodelijk geweld zou worden uitgeoefend tegen [het slachtoffer]. Dit geldt te meer omdat nergens blijkt dat de verdachte op het moment dat het geweld op [het slachtoffer] werd uitgeoefend verbaasd was over wat de anderen deden, zich heeft willen onttrekken aan het geweld dat op [het slachtoffer] werd gericht of zich op enigerlei wijze afzijdig heeft willen houden van wat de anderen deden.

Het hof kwalificeert op grond van het voorgaande de rol van de verdachte als medepleger van het van het leven beroven van [het slachtoffer].

Voorbedachte raad

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat noch op basis van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat bij de verdachte sprake is geweest van een voornemen om [het slachtoffer] van het leven te beroven en dat daartoe sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Daartoe is in elk geval redengevend dat de verdachte niet betrokken is geweest bij de Snapchatberichten waarin – naar het hof begrijpt – het plan is ontstaan om de confrontatie met één of meer leden van het [buurt 1] aan te gaan. Vaststaat dat de verdachte geen deel uitmaakte van de betreffende Snapchatgroep.

Evenmin kan op grond van het dossier anderszins worden vastgesteld dat

de verdachte met zijn mededaders voorafgaand aan de confrontatie met [het slachtoffer] heeft besloten dat [het slachtoffer] dood gemaakt moest worden, dat hij zich op dat besluit heeft kunnen beraden en dat hij zodoende de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van het voornemen om [het slachtoffer] te doden en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Dat de verdachte een vuurwapen en een dolk heeft meegenomen naar de confrontatie, maakt dit niet anders, reeds omdat uit dat enkele feit niet zonder meer volgt dat er sprake was van een vooropgezet plan om [het slachtoffer] bewust van het leven te beroven. Dit geldt te meer omdat de verdachte zelf niet heeft gestoken en het vuurwapen enkel heeft gebruikt om [het slachtoffer] (hard) te slaan, maar daarmee niet heeft geschoten. Voorts is niet komen vast te staan met welk mes [het slachtoffer] is gestoken. Het mes is nooit gevonden. Niet is komen vast te staan, dat de broer van de verdachte [het slachtoffer] heeft gestoken met de dolk, die de verdachte en zijn broer tevoren in de woning hebben opgehaald.

Het hof is alles overwegende van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte voorafgaand aan de confrontatie het plan had - of wist van een plan - om [het slachtoffer] te doden en dat hij na een moment van kalm beraad en rustig overleg tot dat besluit is gekomen.

Gelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte zal dan ook van het primair, impliciet primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Conclusie

Het hof acht het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde medeplegen van doodslag op [het slachtoffer], wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair (impliciet subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij op of omstreeks 6 mei 2021 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/ hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

-eenmaal (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de zij en/of handen en/of het lichaam gestoken van die [het slachtoffer] en/of

-geschopt en/of geslagen tegen het hoofd en/of lichaam van die [het slachtoffer](terwijl deze op de grond lag),

ten gevolge waarvan voornoemde [het slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair (impliciet subsidiair) bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan medeplegen van doodslag, ten gevolge waarvan [het slachtoffer] is komen te overlijden. Op de avond van 6 mei 2021 heeft de verdachte deelgenomen aan een fatale aanval op [het slachtoffer]. Nadat [het slachtoffer] tegen de grond was gewerkt, heeft de verdachte hem geschopt en geslagen met een vuurwapen, terwijl [het slachtoffer] ook door anderen werd geschopt, geslagen en eenmaal met een mes werd gestoken. Voor [het slachtoffer] moeten deze laatste minuten van zijn leven erg pijnlijk en angstig zijn geweest. Toen de anderen alweer in de auto’s waren gestapt, heeft de verdachte zonder enig mededogen te tonen, het lichaam van [het slachtoffer] nog versleept om naar de patronen te zoeken die tijdens het slaan met het vuurwapen uit de losgeraakte patroonhouder van zijn vuurwapen waren gevallen.

[het slachtoffer] is ter plaatse overleden door veel bloedverlies als gevolg van een zeer diepe steekwond. De verdachte en zijn mededader(s) hebben het meest fundamentele recht – het recht op leven – aan het jonge slachtoffer ontnomen.

Uit het handelen van de verdachte volgt dat hij geweld niet schuwt en kennelijk

ook geen enkel respect heeft voor het slachtoffer door diens lichaam op die manier nog te verslepen. Het hof neemt de verdachte dit alles zeer kwalijk.

De ouders van [het slachtoffer] zijn door anderen geïnformeerd en zijn direct naar de plaats delict gegaan. Dit moet voor hen een enorm angstige en emotionele situatie zijn geweest, die ze waarschijnlijk hun verdere leven met zich mee moeten dragen, zoals zij ook in hun verklaring hebben aangegeven. Daarbij heeft dit incident in de avond plaatsgevonden toen het nog licht was, op de openbare weg, waardoor omstanders en voorbijgangers ongewild zijn geconfronteerd met het steekincident en de gevolgen ervan. Dit soort gebeurtenissen veroorzaken in zijn algemeenheid een schok in de samenleving en zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid, zoals ook blijkt uit de verklaring van een getuige die uit angst anoniem wilde blijven.

De nabestaanden van [het slachtoffer] is een niet in woorden te vatten en onherstelbaar leed aangedaan. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Voor de nabestaanden is de harde werkelijkheid dat er voor hun zoon en broer [het slachtoffer] nooit meer een toekomst zal zijn. Blijkens de slachtofferverklaring, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, heeft het gebeurde nog altijd een enorme impact op het leven van de nabestaanden. Nog dagelijks worden zij geconfronteerd met het feit dat hun zoon en broer [het slachtoffer] er niet meer is. Het hof realiseert zich, net als de rechtbank, dat geen enkele straf die aan de verdachte zal worden opgelegd voldoende recht zal doen aan dit leed bij de nabestaanden noch aan [het slachtoffer] zelf.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts zijn omtrent de persoon van de verdachte een aantal reclasseringsadviezen en een Pro Justitiarapportage opgemaakt.

Het hof heeft allereerst kennisgenomen van de Pro Justitiarapportage van 30 december 2021, opgesteld door W.A. van Eeden, GZ-psycholoog. Geconcludeerd wordt dat er bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking. Deze beperking was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde feit. Het is aannemelijk dat deze stoornis de verdachte kan hebben beperkt in zijn vermogen tot het inschatten van de consequenties van zijn acties. Echter, het onderzoek is ernstig beperkt door de procesopstelling van de verdachte, zodat de vraag of de licht verstandelijke beperking van invloed is geweest op het tenlastegelegde onbeantwoord is gebleven. De verdachte wilde immers geen inzicht geven in het ten laste gelegde feit en de aanloop hiervan. Gezien de beperkingen in het onderzoek kon een verband tussen de diagnose en het delict niet worden aangetoond en heeft de rapporteur hierover, net als over de mate van toerekening, geen uitspraken gedaan.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de ten behoeve van de persoon van de verdachte opgemaakte reclasseringsadviezen, waaronder het meest recente reclasseringsadvies van 21 juli 2021.

Het hof weegt de conclusies van de deskundigen mee bij het bepalen van de op te leggen straf.

Schending redelijke termijn

Het hof constateert dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een voor de in voorarrest verblijvende verdachte geldende termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 24 november 2022 en het eindarrest op 25 februari 2026 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 23 maanden overschreden. Gelet hierop zal het hof de genoemde overschrijding verdisconteren in de strafmaat. Waar het hof zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren zou hebben opgelegd, wordt nu, vanwege de schending van de redelijke termijn, een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

De vorderingen

[vader slachtoffer], [moeder slachtoffer], [zusje slachtoffer] en [broertje slachtoffer] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces.

De benadeelde partij [vader slachtoffer] (de vader van [het slachtoffer]) vordert een bedrag van € 4.901,84 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade en schade wegens de aantasting in persoon, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [moeder slachtoffer] (de moeder van [het slachtoffer]) vordert een bedrag van € 5.982,23 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade en schade wegens de aantasting in persoon, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [zusje slachtoffer] (het zusje van [het slachtoffer] vordert een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [broertje slachtoffer] (het broertje van [het slachtoffer]) vordert een bedrag van € 17.500,- aan immateriële schade, bestaande uit affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat op de vorderingen van de benadeelde partijen op gelijke wijze kan worden beslist als de rechtbank heeft gedaan in het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de materiële schadeposten zoals door de vader van [het slachtoffer] gevorderd, ter zake de stoffen voor de begrafeniskleding en de vliegtickets van de familieleden. De advocaat-generaal heeft – in afwijking van hetgeen de rechtbank over deze kostenposten heeft geoordeeld – gevorderd dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, zodat de gehele, door de vader gevorderde materiële schadevergoeding kan worden toegewezen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vliegtickets van de familieleden niet in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de beantwoording van de vraag of deze kosten in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde feit een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren, zodat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Voor wat betreft het opvragen van de medische gegevens stelt de verdediging zich op het standpunt dat het niet, althans onvoldoende, onderbouwd is wiens medische gegevens dit betreft en met welk doel deze gegevens zijn opgevraagd.

De gevorderde schadevergoeding in verband met de aantasting in persoon op andere wijze is ingevolge het standpunt van de verdediging niet van toepassing op vorderingen door derden (in dit geval de nabestaanden), omdat een vergoeding van schade, die geen shockschade is, niet kan worden verkregen. De persoon van de benadeelde in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), betreft degene die zelf is getroffen door de onrechtmatige daad. De schadevergoedingsaanspraak van de naasten van een overledene is beperkt tot de verplaatste schade en de affectieschade. Andere schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad jegens de overledene komt - gelet op het limitatieve en exclusieve karakter van de artikelen 6:107 en 6:108 BW - niet voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde partijen [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] dienen ten aanzien van de voornoemde posten daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden, omdat zij niet behoren tot de limitatief omschreven kring van gerechtigden ten aanzien van affectieschade en zij geen aanspraak kunnen maken op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 sub g BW. De in dit verband aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de relatie met het broertje en zusje sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen broers en zussen binnen een gezin.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt allereerst vast dat de gebeurtenissen van 6 mei 2021 een enorme impact hebben gehad op alle betrokkenen en bij hen tot groot verdriet hebben geleid. Dit zal op geen enkele wijze kunnen worden gecompenseerd. Het hof benadrukt dit omdat de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen een juridische beoordeling is, die onmogelijk ook de mate van verdriet van de nabestaanden om het gemis van hun zoon en broer tot uitdrukking kan brengen.

Affectieschade ouders

Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om op grond van artikel 6:108 lid 3 juncto lid 4 BW vergoeding van affectieschade te vorderen. Voor de hoogte van de vergoeding zijn in het Besluit vergoeding affectieschade forfaitaire bedragen vastgesteld.

Het hof stelt vast dat het overlijden van [het slachtoffer] het gevolg is van het handelen van de verdachte en zijn mededaders. Hiermee is de grond voor vergoeding van affectieschade gegeven. De door de ouders ter zake gevorderde bedragen zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zijn overigens ook niet betwist. Het hof zal de gevorderde bedragen aan affectieschade dan ook geheel toewijzen, te weten € 20.000,- voor zowel [het slachtoffer]’s vader [vader slachtoffer], als voor [het slachtoffer]s moeder, [moeder slachtoffer]

Affectieschade broer en zus

In artikel 6:108 lid 4 BW is gespecificeerd wie voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen. Broers en zussen vallen niet onder (een van de) genoemde categorieën uit die wet. Het uitgangspunt in die wet is namelijk dat broers en zussen geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. In artikel 6:108 lid 4 onder g BW is wel een zogenoemde ‘hardheidsclausule’ opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden ook een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. In de Memorie van Toelichting worden broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen als voorbeeld van zulke personen genoemd. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling uitgesloten, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven. De vorderingen die door [zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer]zijn ingediend als zusje en broertje van [het slachtoffer], vallen niet onder (een van) de genoemde categorieën uit de wet.

Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden er geen termen aanwezig zijn voor toewijzing van de verzoeken tot vergoeding van affectieschade voor [het slachtoffer]’s zusje en broertje. Dit – voornamelijk juridische – oordeel neemt, vanzelfsprekend, niet weg dat het hof ten volle ervan overtuigd is dat er tussen [het slachtoffer] en zijn zusje en broertje een liefdevolle band heeft bestaan, en dat hun gemis en verdriet groot is, omdat hun broer is overleden. Op geen enkele wijze houdt het oordeel dan ook een geringschatting in van hun band met [het slachtoffer], noch van het leed dat bij hen is veroorzaakt doordat deze band is doorgesneden ten gevolge van het bewezenverklaarde feit. Zonder af te doen aan deze waardevolle band die het zusje en het broertje met hun grote broer hadden en hoe invoelbaar hun leed ook is, is het hof van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet een beroep op de wettelijke hardheidsclausule rechtvaardigen, aangezien niet voldoende is onderbouwd dat de verhouding tussen het zusje en het broertje met hun overleden broer [het slachtoffer] sterk afweek van wat in het algemeen gebruikelijk is tussen broers en zussen binnen een gezin.

Anders dan de raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft betoogd, ziet het hof ook geen ruimte om vooruit te lopen op toekomstige wetgeving.

Het bovenstaande betekent dat [zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer]niet ontvankelijk zijn. Zij kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schade voor aantasting in persoon voor de ouders

De raadsvrouw van de benadeelde partijen heeft zich op het standpunt gesteld dat naast een vergoeding voor `affectieschade' op grond van artikel 6:107 lid 1 onder b BW, een schadevergoeding voor `aantasting in de persoon op andere wijze' op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW voor de ouders van [het slachtoffer] passend en redelijk is.

De raadsvrouw van de verdachte heeft dit betwist.

Het hof overweegt hierover als volgt.

De Wet vergoeding affectieschade strekt ertoe een beperkte, forfaitair vastgestelde vergoeding toe te kennen ter erkenning van het door naasten en nabestaanden geleden verdriet wegens het overlijden of ernstig en blijvend letsel van een dierbare als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Deze vergoeding heeft een symbolisch karakter en beoogt erkenning en genoegdoening te bieden voor het leed en het geschokte rechtsgevoel van de gerechtigden.

Bij de introductie van de Wet affectieschade is geen principiële gemotiveerde keuze gemaakt op het punt van de samenloop tussen vergoeding van affectieschade en andere vergoedingen voor immateriële schade van nabestaanden, zoals aantasting in de persoon op andere wijze.

Voor toewijzing van een vergoeding op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW is vereist dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien geestelijk letsel is ontstaan. Voor het aannemen van dergelijk geestelijk letsel is nodig dat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld dat de benadeelde in zijn persoon is aangetast; het bestaan van enkel verdriet of rouw is daartoe onvoldoende.

Het hof is van oordeel dat door en/of namens de benadeelde partijen [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer]onvoldoende concrete gegevens (bijvoorbeeld in de vorm van medische stukken) zijn aangedragen, waaruit kan volgen dat bij hen in verband met het bewezenverklaarde feit psychische schade in de zin van geestelijk letsel is ontstaan, welke psychische schade hoger uitvalt en groter is dan de schade waarvan bij de in de Wet affectieschade vastgestelde bedragen al wordt uitgegaan. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop zullen de benadeelde partijen [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer]niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vorderingen. Dit deel van de vorderingen kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Materiële schade [vader slachtoffer]

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 310,58 aan materiële schade is geleden. Dit bedrag heeft betrekking op de volgende kostenposten: ‘rouwstuk’ en ‘opvragen medische gegevens’. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Het hof is van oordeel dat de raadsvrouw van de benadeelde partij voldoende onderbouwd heeft dat voor zowel de moeder als de vader van [het slachtoffer] kosten voor het opvragen van medische gegevens in rekening zijn gebracht. Die gegevens waren nodig voor de onderbouwing van de vordering en komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor wat betreft het rouwstuk zijn door de verdediging niet betwist en kunnen eveneens worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevorderde schade voor de vliegtickets voor familieleden is het hof van oordeel dat de benadeelde partij dat deel van de vordering onvoldoende onderbouwd heeft, terwijl het door de raadsvrouw van de verdachte ook is betwist. De benadeelde partij heeft enkel gesteld dat in de Ghanese cultuur de aanwezigheid van directe familieleden bij een uitvaart als noodzakelijk wordt beschouwd en dat daarom de kosten van hun vliegtickets voor rekening van de vader van [het slachtoffer] zijn gekomen. Dit standpunt ten aanzien van de gebruiken in de Ghanese cultuur is verder niet onderbouwd met stukken, terwijl evenmin is gebleken wie dan onder die “directe familieleden” worden begrepen. Het zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als de benadeelde partij in dit stadium van de strafrechtprocedure, in de gelegenheid zou worden gesteld dit deel van de vordering nog met stukken te onderbouwen. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tot slot is het hof van oordeel dat de kosten voor de stof voor de begrafeniskleding niet als kosten van lijkbezorging kunnen worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. Het hof zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Materiële schade [moeder slachtoffer]

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 5.982,23 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Het hof is van oordeel dat de raadsvrouw van de benadeelde partij voldoende onderbouwd heeft dat voor zowel de moeder als de vader van [het slachtoffer] kosten voor het opvragen van medische gegevens in rekening zijn gebracht. Die gegevens waren nodig voor de onderbouwing van de vordering en komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. De overige materiële kosten zijn door de verdediging niet betwist.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden

toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk

aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de

verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft

betaald, dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde

partijen hoeft te betalen.

Wettelijke rente

Voor zover de vorderingen tot schadevergoeding door het hof zullen worden toegewezen, zullen deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, waarbij het hof de volgende aanvangsdata hanteert.

[moeder slachtoffer]:

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op:

[vader slachtoffer]:

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op:

Resumerend

Het hof beslist ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoedingen als volgt:

- [ [vader slachtoffer]: hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en € 310,58 aan materiële schade. Het hof verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

- [ [moeder slachtoffer]: hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade en € 5.982,23 aan materiële schade. Het hof verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

- [ [zusje slachtoffer]: het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- [ [broertje slachtoffer]: het hof verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht;

Proceskosten

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer]tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[zusje slachtoffer]en [broertje slachtoffer]dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

[vader slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 20.310,58 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer].

[moeder slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 25.982,23 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [moeder slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 8 december 2020 onder parketnummer 09-253309-20 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep - in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf - gevorderd dat die vordering dient te worden afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Niettemin zal het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, de vordering afwijzen. Gezien de in dit arrest op te leggen straf acht het hof tenuitvoerlegging thans niet opportuun.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn op de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen overweegt het hof als volgt.

Het hof zal het volgende voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor

onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoorde en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang, terwijl dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit is aangetroffen en dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten:

1. STK Pistool Kl: zwart.

Omdat het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal het hof de

teruggave aan de rechthebbende gelasten van de volgende voorwerpen:

2. 1.00 STK Broek Kl: zwart;

3. 1.00 STK Trui Kl: zwart ADIDAS;

4. 1.00 STK Broek Kl: zwart.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 36f, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Spreekt de verdachte vrij van het primair impliciet primair tenlastegelegde.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK Pistool Kl: zwart.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2. 1.00 STK Broek Kl: zwart;

3. 1.00 STK Trui Kl: zwart ADIDAS

4. 1.00 STK Broek Kl: zwart.

Vordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.982,23 (vijfentwintigduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.982,23 (vijfduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.982,23 (vijfentwintigduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) bestaande uit € 5.982,23 (vijfduizend negenhonderdtweeëntachtig euro en drieëntwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 144 (honderdvierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 19 mei 2021 over een bedrag van € 59,00 ter zake van reparatie bril [het slachtoffer];- 8 juni 2021 over een bedrag van € 3.113,65 ter zake van gedenkteken;- 15 juni 2021 over een bedrag van € 2.759,00 ter zake van uitvaartkosten; - 30 september 2022 over een bedrag van € 50,58 ter zake van factuur huisarts opvragen medisch dossier.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade, ter hoogte van € 20.000, op 6 mei 2021.

Vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.310,58 (twintigduizend driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 310,58 (driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [vader slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.310,58 (twintigduizend driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 310,58 (driehonderdtien euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 126 (honderdzesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

- 20 mei 2021 over een bedrag van € 260,00 ter zake van rouwstuk;- 30 september 2022 over een bedrag van € 50,58 ter zake van factuur huisarts opvragen medisch dossier.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade, ter hoogte van € 20.000, op 6 mei 2021.

Vordering van de benadeelde partij [zusje slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [zusje slachtoffer]niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [broertje slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [broertje slachtoffer]niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.

Vordering tenuitvoerlegging 09-253309-20

Wijst af de vordering van de officier van justitie van 21 juli 2021, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 8 december 2020, parketnummer 09-253309-20, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, mr. L.A. Pit en mr. J.A.M. Jansen, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?