ECLI:NL:GHDHA:2026:2401

ECLI:NL:GHDHA:2026:2401

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 21-07-2026
Zaaknummer BK-25/763
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Art. 8:42 Awb. Art. 16, lid 1, AWR. Geen schending van artikel 8:42 Awb. Verminderingsbeschikking partner leidt tot navorderen heffingskorting bij belanghebbende. Er is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Uitspraak van 8 juli 2026

[X] te [Z] , belanghebbende,

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/763

in het geding tussen:

en

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 augustus 2025, nummer SGR 24/9263.

Procesverloop

Aan belanghebbende is over het jaar 2019 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0 (de navorderingsaanslag). Als gevolg hiervan dient belanghebbende een bedrag van € 944 aan heffingskortingen terug te betalen. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 100 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 51 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is griffierecht van € 143 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 17 juni 2026. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 31 maart 2026, aan de belanghebbende op het adres [postadres] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op zitting te verschijnen. Blijkens op de website van PostNL ingewonnen informatie is de vorenbedoelde brief op 2 april 2026 bezorgd, waarbij voor ontvangst is getekend. Omdat belanghebbende tijdig en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd, heeft het Hof de zaak op de zitting behandeld en nadien het onderzoek ter zitting gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

De fiscaal partner van belanghebbende is [naam] (de partner).

Belanghebbende doet op 28 augustus 2020 aangifte IB/PVV 2019. Op 29 oktober 2021 wordt de aanslag IB/PVV 2019 vastgesteld conform de aangifte. Belanghebbende heeft recht op een heffingskorting van € 1.185.

Belanghebbende ontvangt een verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 met dagtekening 29 december 2022 in verband met de verrekening van een verlies dat voortvloeit uit de op 20 december 2022 vastgestelde definitieve aanslag IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft recht op € 90 extra heffingskorting, zodat belanghebbende in totaal recht heeft op € 1.275 heffingskorting.

De partner ontvangt een definitieve aanslag IB/PVV 2022 met dagtekening 1 december 2023. De partner ontvangt in verband met in 2022 geleden verliezen een verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 met dagtekening 6 december 2023. De partner heeft recht op een teruggave van € 944.

Belanghebbende ontvangt een aankondiging van de navorderingsaanslag met dagtekening 21 december 2023. Vervolgens ontvangt belanghebbende de navorderingsaanslag met dagtekening 20 februari 2024. Belanghebbende heeft volgens de navorderingsaanslag geen recht meer op € 944 van de eerder vastgestelde heffingskorting.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“7. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een verleende heffingskorting navorderen, als uit een feit blijkt dat de korting ten onrechte is verleend en dat feit de inspecteur ten tijde van het verlenen van de korting niet bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn (het zogenaamde nieuw-feitvereiste). De strekking van de bepaling is dat een door de inspecteur gemaakte fout – een ambtelijk verzuim – aan navordering in de weg staat. Dat is op grond van het tweede lid, onderdeel c, van artikel 16 AWR echter anders als die fout voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was: dan geldt het nieuw-feitvereiste niet.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het regelen van de aanslagen van eiser en zijn echtgenote voor het jaar 2019 en bij de herrekening van de heffingskorting naar aanleiding van de aanslagregeling van eiser voor het jaar 2021 geen fout gemaakt. Bij de feiten die uit de desbetreffende aangiften blijken, is juist dat verweerder de aan eiser uit te betalen heffingskorting aanvankelijk op € 1.185 en vervolgens op € 1.275 heeft gesteld. De vastgestelde korting is achteraf onjuist geworden ten gevolge van het verlies dat de echtgenote in 2021 geleden heeft. Dat was voor verweerder uit de aard der zaak niet voorzienbaar bij het regelen van de aanslagen 2019, in oktober 2021. Ook bij de herrekening van de korting naar aanleiding van de aanslagregeling voor het jaar 2021 van eiser heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet een ambtelijk verzuim begaan. Weliswaar had verweerder, als hij daar onderzoek naar had gedaan, op dat moment kunnen constateren dat de echtgenote over 2021 een verlies geleden had, maar naar het oordeel van de rechtbank was verweerder tot dergelijk onderzoek niet gehouden, ook niet in die zin dat hij gehouden was de aanslag van eiser over het jaar 2021 eerst na kennisname van de aangifte van de echtgenote over dat jaar te regelen.

9. Zoals uit het voorgaande volgt, geldt het gegeven dat de echtgenote in 2021 verlies geleden heeft naar het oordeel van de rechtbank als een navordering rechtvaardigend nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, van de AWR.

10. Aan dit oordeel doet niet af dat, zoals eiser naar voren heeft gebracht, hij en zijn echtgenote hun financiële aangelegenheden strikt gescheiden houden en hij daarom niets te maken zou moeten hebben met een door de echtgenote geleden verlies. De wet verbindt de uitbetaling van de heffingskortingen namelijk aan het gezamenlijke inkomen van de fiscale partners ongeacht of zij van dat gezamenlijke inkomen op de hoogte zijn, en dat is niet anders ter zake van het terugnemen van die uitbetaling als het gezamenlijke inkomen ten gevolge van de verrekening van een verlies van een van de fiscale partners in een later jaar wijziging ondergaat.

11. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

In hoger beroep is in geschil:

a) of sprake is van schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb); en

b) of de navorderingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de Inspecteur beschikte over een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag en verzoekt om vergoeding van het betaalde griffierecht.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, Awb heeft overgelegd. In het hoger beroepschrift is in dat verband gesteld dat de Inspecteur de verminderingsbeschikking die is gegeven in verband met de aanslag IB/PVV 2019 van de partner en de daaraan ten grondslag liggende documenten, met name het moment waarop in 2023 het fiscale verlies van de partner is vastgesteld, inclusief de datum waarop de daaruit volgende vermindering is vastgesteld en geadministreerd in de systemen van de Belastingdienst, niet in het geding heeft gebracht.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de verplichting van artikel 8:42, lid 1, Awb niet geschonden. De Inspecteur heeft de verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 van 6 december 2023 van de partner en het daaraan ten grondslag liggende document (de aanslag IB/PVV 2022 van 1 december 2023 van de partner) overgelegd. De datum waarop de uit de aanslag IB/PVV 2022 volgende vermindering is vastgesteld en geadministreerd in de systemen van de Belastingdienst is niet relevant voor de beslechting van het geschil.

Nieuw feit

Op grond van artikel 16, lid 1, AWR, kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Bij de beoordeling van de vraag of de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan, komt het er in een geval als het onderhavige op aan of de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, r.o. 3.3.2). De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur.

De Inspecteur stelt dat sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, AWR, omdat hij pas op 1 december 2023, bij het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV 2022 van de partner, op de hoogte is geraakt van het in 2022 geleden achterwaarts verrekenbare verlies van de partner. Belanghebbende betwist dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.

Anders dan belanghebbende betoogt, wordt de vraag of sprake is van een nieuw feit beoordeeld ten opzichte van het moment van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende en het geven van de verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 voor een bedrag van € 90 aan belanghebbende, en niet naar het moment van het opleggen van de navorderingsaanslag. De Inspecteur kon noch ten tijde van het opleggen van de aanslag IB/PVV 2019 aan belanghebbende noch bij het geven van de verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 voor een bedrag van € 90 aan belanghebbende op de hoogte zijn van het (op die momenten) toekomstige verrekenbare verlies van de partner over het jaar 2022. Volgens het Hof is gelet op het voorgaande sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, AWR.

De navorderingsaanslag is naar het oordeel van het Hof terecht aan belanghebbende opgelegd.

Belastingrente

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven tegen de beschikking belastingrente aangevoerd en ook anderszins is het Hof niet gebleken dat de belastingrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur.

Slotsom

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, R.A. Bosman en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.

De griffier, de voorzitter,

D.W. Renes M.J.M. van der Weijden

De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/1625 Viditax (FutD) 2026081101 FutD 2026-1445 NDFR Nieuws 2026/1279
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand