ECLI:NL:GHDHA:2026:2418

ECLI:NL:GHDHA:2026:2418

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 22-07-2026
Zaaknummer 200.201.221/02
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Dexia / Advisering / Wetenschap / Tussenpersoon / Spaar Select

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.201.221/02

Zaaknummer rechtbank: : 2951556 / CV EXPL 14-1933

Arrest van 21 juli 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonende in [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam.

1. De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 19 november 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Gouda.

2. De procedure in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord met producties;

de nadere akte van [appellant] ;

de antwoordakte van Dexia;

de akte uitlaten jurisprudentie van [appellant] ;

de antwoordakte van Dexia met producties.

Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De kern van de zaak

Deze zaak gaat over vijf effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [appellant] . Drie van deze overeenkomsten zijn tot stand gekomen via een extern callcenter [tussenpersoon] v.o.f. De andere twee overeenkomsten (twee Allround Effect overeenkomsten met nummer [nummer 1] en [nummer 2] ) zijn tot stand gekomen via een tussenpersoon, Spaar Select BV (hierna: Spaar Select). In hoger beroep is aan de orde de vraag of [appellant] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [appellant] vergoeden.

Dexia heeft – zakelijk weergegeven - gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellant] gesloten met de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [appellant] is verschuldigd, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia, met uitzondering van haar verplichting om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 9,94 (zijnde de wettelijke rente die Dexia [appellant] verschuldigd is) te vermeerderen met verdere rente, aan al haar verplichtingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten met de nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] heeft voldaan en op grond daarvan verder niets meer aan [appellant] verschuldigd is, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4. De beoordeling

Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder ‘Feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

In hoger beroep heeft [appellant] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en afwijzing van de vorderingen van Dexia.

Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

[appellant] heeft in zijn akte uitlaten jurisprudentie aangevoerd dat Dexia voor de drie overeenkomsten die via [tussenpersoon] v.o.f. zijn afgesloten, geen verplichtingen meer tegenover hem heeft en dat hij zijn verweer op dit punt laat vallen. Het hoger beroep betreft dan nog uitsluitend de resterende twee, via Spaar Select tot stand gekomen, overeenkomsten.

Verjaring

Dexia heeft een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [appellant] . Dat beroep gaat niet op. De vordering van [appellant] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [appellant] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt.

Gelet op de inhoud van de sommatiebrieven en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [appellant] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [appellant] zij zich in dat geval zou moeten verweren. In de sommatiebrief van 12 augustus 2005 staat immers welke verwijten [appellant] Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomsten, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [appellant] is gegrond op artikel 6:162 BW. Het feit dat [appellant] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [appellant] ook expliciet in zijn stuitingsberichten vermeldde dat hij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR 1999.

De conclusie is dat [appellant] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.

Klachtplicht

Het beroep van Dexia op schending van de klachtplicht gaat niet op. De klachtplicht heeft betrekking op gebrekkige prestaties, dat wil zeggen prestaties van een schuldenaar die niet aan de verbintenis beantwoorden. Artikel 6:89 BW geldt dus niet voor een vordering uit onrechtmatige daad, waarvan hier sprake is (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176, rov. 3.6).

Juridisch kader

Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [appellant] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [appellant] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [appellant] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [appellant] Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.

Advisering

Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:

i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;

ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;

iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.

Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.

[appellant] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder meer onder “Advisering door Spaar Select” in het eerste processtuk van [appellant] in eerste aanleg, waarnaar hij bij memorie van grieven heeft verwezen. De stellingen van [appellant] komen, samengevat, op het volgende neer. [appellant] werd telefonisch benaderd door Spaar Select. Vervolgens heeft een huisbezoek plaatsgevonden door een bij naam genoemde medewerker van Spaar Select. Tijdens het gesprek heeft [appellant] aangegeven dat hij wilde sparen voor een aanvulling op zijn pensioen. Er is gesproken over zijn financiële situatie en wensen. Naar aanleiding hiervan heeft de medewerker geadviseerd om specifieke effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Deze producten waren geschikt voor de situatie van [appellant] . De inleg voor deze overeenkomsten kon worden gefinancierd door middel van het afsluiten van een tweede hypotheek. De medewerker adviseerde tevens om een deel van de tweede hypotheek te storten op een beleggingsrekening van Kempen & Co. De medewerker heeft een en ander uitgewerkt in een financieel plan. [appellant] heeft op het advies van de medewerker vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Een andere medewerker van Spaar Select is vervolgens bij [appellant] langskomen om de contracten te laten tekenen. Op deze wijze is [appellant] de overeenkomsten aangegaan, aldus [appellant] .

Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [appellant] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [appellant] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [appellant] . Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [appellant] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [appellant] . Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [appellant] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [appellant] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.

Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [appellant] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.

Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [appellant] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.

Naar het oordeel van het hof moet de door [appellant] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [appellant] volgt namelijk dat (i) [appellant] zijn wensen en financiële situatie met Dexia heeft besproken, (ii) [appellant] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens specifieke effectenleaseproducten van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [appellant] heeft voorgesteld als geschikt voor [appellant] , en dat op die grond sprake is van gepersonaliseerde aanbevelingen. Naar het oordeel van het hof bieden de door [appellant] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat Spaar Select met [appellant] de aanschaf van de effectenleaseproducten heeft besproken. De omstandigheid dat [appellant] in de uiteindelijke overeenkomsten andere leasesommen en betalingsmethoden is overeengekomen dan het door [appellant] overgelegde ‘financieel overzicht’ en lastenoverzicht vermelden, en de omstandigheid dat [appellant] geen bewijs heeft verstrekt dat de overwaarde van de afgesloten hypotheek daadwerkelijk in het beleggingsdepot is gestort, doen voor de hier aan de orde zijnde vraag, aan de voorgaande conclusie niet af. Het betoog van Dexia dat [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, omdat hij niet heeft aangegeven met wie hij heeft gesproken, snijdt geen hout. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven wel degelijk geconcretiseerd met wie hij heeft gesproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [appellant] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.

Dexia heeft de door [appellant] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [appellant] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.

De stellingen die Dexia voor het overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing.

Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [appellant] in de zin van de prejudiciële beslissing.

Wetenschap Dexia

Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [appellant] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [appellant] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [appellant] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [appellant] .

Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellant] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Dexia voert thans weliswaar aan dat zij er intern vanuit ging dat werkzaamheden van de tussenpersonen beperkt waren tot de werkzaamheden die ook volgens de huidige maatstaven typisch en toegelaten waren, maar uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [appellant] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [appellant] door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select [appellant] advies heeft gegeven.

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.

Tussenconclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat dat Spaar Select [appellant] heeft geadviseerd en dat Dexia dit had behoren te weten. Dit betekent dat Dexia de schade van [appellant] volledig dient te vergoeden.

Omvang van de schade

De door [appellant] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [appellant] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. De berekening kan worden gebaseerd op het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [appellant] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte (ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen (ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3). Indien in het verleden een uitbetaling op grond van het zogenoemde Hofmodel heeft plaatsgevonden, dient Dexia nog een derde (1/3e) deel van de restschuld te voldoen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [appellant] aan Dexia tot de voldoening door Dexia.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, reeds omdat [appellant] in deze zaak geen daarop gerichte vordering heeft ingesteld. Gelet daarop faalt grief 5.

Het hof begrijpt dat [appellant] met grief 2 stelt dat Dexia bij aankoop van de aandelen van de overeenkomsten die via Spaar Select zijn afgesloten onjuiste beurskoersen heeft gehanteerd, omdat zij een opslag zou hebben toegepast. [appellant] heeft in deze procedure echter geen vordering ingesteld die erop neerkomt dat hij terugbetaling wil van de onterecht betaalde opslag. Bij deze stand van zaken zal het hof geen oordeel vellen over de vraag of Dexia op dit punt nog iets is verschuldigd aan afnemer.

Slotsom en proceskosten

Uit het voorgaande volgt dat de derde grief van [appellant] gedeeltelijk slaagt. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. De grieven 1 en 4 hoeven geen behandeling.

Partijen zijn allebei deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld, zodat het hof aanleiding ziet de kosten van de eerste aanleg te compenseren. In zoverre slaagt grief 6. Ook in hoger beroep dienen de proceskosten te worden gecompenseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis,

en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] heeft voldaan;

wijst de vordering af ten aanzien van de overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] ;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg, in die zin dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, R.F. Groos en C.J. Verduyn en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand