ECLI:NL:GHDHA:2026:246

ECLI:NL:GHDHA:2026:246

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 22-003797-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:10810

Samenvatting

Moord door het slachtoffer in de slaapkamer van de woning in het hoofd te schieten in aanwezigheid van aangeefster. Voorts veroordeling voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en afpersing. Overwegingen omtrent voorbedachte raad, de betrouwbaarheid van verklaringen en steunbewijs alsmede overwegingen omtrent affectie- en shockschade en oplegging BEM-clausule. Gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-003797-24

Parketnummer: 10-316496-22

Datum uitspraak: 27 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair (moord) vrijgesproken en ter zake van het onder feit 1 subsidiair (doodslag), feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1. primairhij in of omstreeks de periode van 2 december 2022 tot en met 6 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [naam slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

1. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 2 december 2022 tot en met 6 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden [naam slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [naam slachtoffer 1] te schieten, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten afpersing, gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gelegen aan de Puntweg [huisnummer] en/of door middel van een valse sleutel en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.hij op of omstreeks 2 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door - in het bijzijn van die [naam slachtoffer 2] met een vuurwapen een kogel door het hoofd van [naam slachtoffer 1] te schieten en/of - een vuurwapen aan die [naam slachtoffer 2] te tonen en/of een/dat vuurwapen op die [naam slachtoffer 2] te richten en/of die [naam slachtoffer 2] onder schot te houden en/of (daarbij) - tegen die [naam slachtoffer 2] te zeggen: o “Dan weet je hoeveel ik van jou hou” en/of o “Maar ik zal jou nu ook dood moeten schieten, want dit is een roofoverval. Daar moet het op lijken” en/of o “Wacht 5 minuten en bel dan de politie. Wanneer je dit niet doet, zal ik je overal ter wereld weten te vinden”althans woorden van gelijkende (dreigende) aard/strekking;

3. primairhij op of omstreeks 2 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de Puntweg [huisnummer] met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [naam slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n), en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel en/of een deurcode, waartoe hij, verdachte, op dat moment niet gerechtigd was gebruik te maken, door - in het bijzijn van die [naam slachtoffer 2] met een vuurwapen een kogel door het hoofd van [naam slachtoffer 1] te schieten en/of - een vuurwapen aan die [naam slachtoffer 2] te tonen en/of een/dat vuurwapen op die [naam slachtoffer 2] te richten en/of die [naam slachtoffer 2] onder schot te houden en/of (daarbij) - tegen die [naam slachtoffer 2] te zeggen: o “Dan weet je hoeveel ik van jou hou” en/of o “Maar ik zal jou nu ook dood moeten schieten, want dit is een roofoverval. Daar moet het op lijken” en/of o “Kleed je aan" en/of o “Doe die juwelen uit de kast/lade in een tas” en/of o “Leg de lades rommelig neer” en/of o “Ze zullen de sieraden, het wapen en mij nooit vinden en jij weet dat” en/of o “Wacht 5 minuten en bel dan de politie. Wanneer je dit niet doet, zal ik je overal ter wereld weten te vinden”, althans woorden van gelijkende (dreigende) aard/strekking;

3. subsidiairhij op of omstreeks 2 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden, in een woning gelegen aan de Puntweg [huisnummer], alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel en/of een deurcode waartoe hij, verdachte, op dat moment niet gerechtigd was gebruik te maken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder feit 1 primair (moord), feit 2 en feit 3 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een contactverbod ex artikel 38v Wetboek van strafrecht (hierna Sr) wordt opgelegd met de aangeefster en de kinderen van het slachtoffer.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (moord), 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 2 december 2022 tot en met 6 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel door het hoofd van die [naam slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2.hij op of omstreeks 2 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden [naam slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door - in het bijzijn van die [naam slachtoffer 2] met een vuurwapen een kogel door het hoofd van [naam slachtoffer 1] te schieten en/of- een vuurwapen aan die [naam slachtoffer 2] te tonen en/of een/dat vuurwapen op die [naam slachtoffer 2] te richten en/of die [naam slachtoffer 2] onder schot te houden en/of (daarbij) - tegen die [naam slachtoffer 2] te zeggen: o “Dan weet je hoeveel ik van jou hou” en/ofo “Maar ik zal jou nu ook dood moeten schieten, want dit is een roofoverval. Daar moet het op lijken” en/ofo “Wacht 5 minuten en bel dan de politie. Wanneer je dit niet doet, zal ik je overal ter wereld weten te vinden” althans woorden van gelijkende (dreigende) aard/strekking;

3.hij op of omstreeks 2 december 2022 te Kinderdijk, gemeente Molenlanden gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan de Puntweg [huisnummer]

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [naam slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n), en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een sleutel en/of een deurcode, waartoe hij, verdachte, op dat moment niet gerechtigd was gebruik te maken, door - in het bijzijn van die [naam slachtoffer 2] met een vuurwapen een kogel door het hoofd van [naam slachtoffer 1] te schieten en/of- een vuurwapen aan die [naam slachtoffer 2] te tonen en/of een/dat vuurwapen op die [naam slachtoffer 2] te richten en/of die [naam slachtoffer 2] onder schot te houden en/of (daarbij) - tegen die [naam slachtoffer 2] te zeggen: o “Dan weet je hoeveel ik van jou hou” en/ofo “Maar ik zal jou nu ook dood moeten schieten, want dit is een roofoverval. Daar moet het op lijken” en/ofo “Kleed je aan" en/ofo “Doe die juwelen uit de kast/lade in een tas” en/ofo “Leg de lades rommelig neer” en/ofo “Ze zullen de sieraden, het wapen en mij nooit vinden en jij weet dat” en/of o “Wacht 5 minuten en bel dan de politie. Wanneer je dit niet doet, zal ik je overal ter wereld weten te vinden”, althans woorden van gelijkende (dreigende) aard/strekking;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Inleiding

In de nacht van 1 op 2 december 2022 wordt [naam slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer en/of [naam slachtoffer 1]) uit het niets door zijn hoofd geschoten. Zijn hierbij opgelopen hersenletsel blijkt fataal te zijn. Enkele dagen later overlijdt hij in het ziekenhuis, hij is niet meer bij kennis gekomen. Bij het schietincident lag het slachtoffer samen in bed met mevrouw [naam aangeefster] (hierna: aangeefster en/of [naam aangeefster]). Zij heeft de schutter gezien. Ook heeft zij de gebeurtenissen direct voor en direct na het schieten waargenomen. Het vond allemaal plaats in en bij haar slaapkamer in haar woning gelegen aan de Puntweg [huisnummer] te Kinderdijk. Het gaat hier om een grote vrijstaande villa gelegen op een landtong waar de rivieren de Lek en Noord samenkomen tot de Nieuwe Maas. De villa is afgelegen. Er is slechts één smalle toegangsweg, de Puntweg die niet meer dan drie andere woningen bedient.

Het hof noemt hierbij ook nog een aantal specifieke omstandigheden.

Op die bewuste 2 december 2022 omstreeks 00:31 uur belt aangeefster met haar mobiele telefoon naar het noodnummer 112. Zij meldt daarbij dat zojuist iemand binnen in haar woning is geweest en dat daarbij iemand is neergeschoten. Nog tijdens dat gesprek met de meldkamer komt om 00:45 uur, de eerste opsporingsambtenaar ter plaatse.

Die ziet dat de voordeur op een kier staat. Vervolgens betreden ook andere politie-eenheden het terrein en stellen de villa en het terrein veilig. Zij constateren geen zichtbare braakschade aan de voordeur en gaan vervolgens het huis binnen. Op de eerste etage treffen ze de aangeefster hevig trillend geëmotioneerd aan met haar telefoon nog in de hand. Het kost de verbalisanten moeite om haar ook maar iets te laten zeggen.

Verder zien ze dat in de aan de slaapkamer grenzende kamer – de kleedkamer – diverse laden met daarnaast verschillende sieraden op de grond liggen. Wanneer de opsporingsambtenaren de slaapkamer betreden, zien zij het slachtoffer in bed liggen. Zijn hoofd en zijn schouders zitten onder het bloed. Het slachtoffer heeft verwondingen aan de linkerzijde van de voor- en achterkant van zijn hoofd en deze verwondingen worden door de opsporingsambtenaar herkend als mogelijke schotwonden. Het slachtoffer leeft op dit moment nog maar amper.

Aangeefster heeft op 2 december 2022 twee verklaringen afgelegd. De eerste verklaring was vrij summier en vond plaats in de villa vrijwel direct nadat de politie en hulpverleners waren verschenen. Vervolgens is zij die middag (in het ziekenhuis) gehoord. Deze verklaringen hebben gemeen dat zij benadrukt de schutter niet te hebben herkend, zij heeft geen idee wie het was. Toen zij vervolgens op 4 december 2022 opnieuw werd gehoord, komt zij echter met een totaal andere verklaring daar waar het gaat om de identiteit van de schutter. Vanaf dit verhoor, en volhoudende in alle daaropvolgende verhoren, stelt zij de schutter wel degelijk te hebben herkend: het is de verdachte.

De verdachte is iemand die zij meer dan goed kent. Hij is namelijk al jaren de klusjesman van de villa, en komt daar met grote regelmaat langs.

Standpunt verdediging

De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij hetgeen zich die bewuste nacht heeft afgespeeld in de slaapkamer van het slachtoffer. Namens hem is een integrale vrijspraak bepleit, dit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Daartoe is vooral benadrukt dat de belastende verklaringen die het slachtoffer heeft afgelegd (met name die vanaf 4 december 2022 toen zij opeens de verdachte aanwees als de schutter) dermate onbetrouwbaar zijn, dat deze van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Verder heeft te gelden dat mogelijk als belastend te duiden overig (steun)bewijs, juist niet belastend is gelet op hetgeen de verdachte daar tegenover heeft gesteld.

De te beantwoorden vragen

In de onderhavige zaak draait het om de vraag of de verdachte betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer (en bij de andere beschuldigingen die daarmee samenhangen) en, zo ja, waaruit die betrokkenheid dan zou bestaan. Het hof zal hieronder ingaan op hetgeen de verdachte wordt verweten. Er volgt per kopje een weergave van de feiten op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, met daaronder telkens een tussenconclusie van het hof. Het hof zal zich allereerst een betrouwbaarheidsoordeel moeten vormen over hetgeen aangeefster (vanaf 4 december 2022) heeft verklaard. Indien het hof haar zou volgen in de herkenning van de verdachte, zal vervolgens moeten worden bezien of er voldoende steunbewijs voorhanden is voor die beschuldiging. Het antwoord op die vraag zal al dan niet leiden tot nadere overwegingen over het daderschap van de verdachte.

De verklaringen van de aangeefster

Aangeefster heeft tegen de politieambtenaren die ter plaatse kwamen, kort verteld wat er was gebeurd. Dit hield in dat zij in bed lag met haar vriend, het slachtoffer [naam slachtoffer 1], en dat zij ‘iets’ hoorde. Ze wist niet wat het was en dacht in eerste instantie dat het haar dochter was. Vervolgens kwam er ‘iets zwarts’ de slaapkamer binnen en hoorde ze een schot. Vervolgens wordt zij zelf bedreigd door de schutter en moest zij onder bedreiging van een vuurwapen haar sieraden afstaan. Als zij in de loop van de middag op 2 december 2022 nogmaals en uitvoeriger door de politie wordt gehoord, legt zij in de kern eenzelfde verklaring af. Zij voegt er nog aan toe dat ze de koosnaam van haar dochter uitsprak (‘[koosnaam]’), het slachtoffer zijn hoofd optilde, er toen geschoten werd en dat hij meteen achterover viel.

Op 4 december 2022 wordt het onderzoeksteam gebeld door één van de familierechercheurs dat aangeefster een nadere verklaring wenst af te leggen. Die zelfde dag, in de avond, verklaart aangeefster in haar hotel tegenover twee verbalisanten dat zij de persoon die het schot heeft gelost en haar heeft bedreigd, wél heeft herkend: zonder enige twijfel was dat volgens haar de verdachte. Na het schot zou de verdachte tegen aangeefster hebben gezegd: “Nu weet je hoeveel ik van jou hou”. Vervolgens zou hij het wapen op haar hebben gericht en hebben gezegd: “Maar ik zal jou nu ook dood moeten schieten, want dit is een roofoverval, daar moet het op lijken”. Hij had volgens haar hele enge ogen. Aangeefster verklaart dat zij vervolgens tegen de verdachte over haar kinderen en kleinkinderen is gaan praten: dat, als hij haar ook zou doodschieten, haar kinderen en kleinkinderen nooit meer een ongecompliceerd leven zouden kunnen leiden. Dan laat de verdachte zijn wapen zakken en zegt hij dat ze mee moet lopen naar de, naast de slaapkamer gelegen, kleedkamer. Daar staat een laden-kastje waarin aangeefster haar sieraden bewaart. Hij houdt haar onder schot en geeft haar een plastic tas die zij moet vullen met haar juwelen. De laden waaruit de sieraden worden gehaald moet zij op de grond laten liggen. Na afloop van het vullen van de tas richt de verdachte het wapen opnieuw op het hoofd van de aangeefster en zegt daarbij dat de juwelen nooit gevonden zullen worden, ze hem nooit zullen vinden, ze het wapen niet zullen vinden en dat aangeefster dit weet. Vervolgens moet de aangeefster van de verdachte 5 minuten wachten voordat ze de politie belt. Wanneer ze dat niet zou doen, zou hij haar overal ter wereld weten te vinden.

Het hof begrijpt dit laatste aldus, dat aangeefster niet eerder dan vijf minuten na het vertrek van de verdachte, de politie van hem mocht gaan bellen. Dit kennelijk om de verdachte voldoende tijd te geven om te vluchten.

De tas met de juwelen is door de verdachte meegenomen, aldus steeds de aangeefster. Het vuurwapen en de sieraden zijn tot op heden niet gevonden.

In eerste aanleg is aangeefster door de rechter-commissaris gehoord en in hoger beroep is zij nogmaals bij de raadsheer-commissaris gehoord. Bij dit laatste verhoor is zij door de verdediging onder meer bevraagd over het voicemail-bericht dat zij bij de verdachte heeft ingesproken op 2 december 2022 om 06.44 uur en over hun telefoongesprek van diezelfde dag om 20:04 uur. Aangeefster heeft haar verklaring van 4 december 2022 bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris gehandhaafd, zij blijft erbij dat de verdachte de schutter is geweest.

Het hof stelt voorop dat zorgvuldig en behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaringen van aangeefster, nu zij niet meteen heeft verklaard de verdachte te hebben herkend als degene die het slachtoffer heeft neergeschoten. De verklaringen dienen te worden beoordeeld op de mate van consistentie, accuraatheid, en volledigheid. Het hof overweegt dat het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen inconsistenties of zelfs tegenstrijdigheden voorkomen, deze verklaringen op zichzelf niet onbetrouwbaar maakt. Verschillen tussen de verklaringen kunnen onder meer veroorzaakt zijn door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, als gevolg van tijdsverloop of teweeggebracht zijn onder invloed van hevige emoties, die onder meer kunnen zijn ontstaan door het delict. Bij de beoordelingen over de betrouwbaarheid van deze verklaringen gaat het om de totale indruk die de verklaringen maken, de wijze waarop deze zijn afgelegd en de mate waarin deze bevestigd worden door ander bewijsmateriaal.

Het hof overweegt het volgende. Aangeefster heeft te maken gekregen met een onverwachte, uiterst gewelddadige actie: toen zij samen met het slachtoffer in haar bed lag, klaar om te gaan slapen, werd het slachtoffer plotseling door een indringer door het hoofd geschoten waarbij het slachtoffer levensgevaarlijk gewond is geraakt, tot twee maal toe gevolgd door een concrete bedreiging tegen haar leven gericht, waarbij een vuurwapen op haar hoofd werd gericht en zij gedwongen werd haar sieraden af te staan.

Onder deze gewelddadige totaal ontwrichtende en welhaast surreële omstandigheden is het naar het oordeel van het hof begrijpelijk dat aangeefster zich op dat moment heeft laten leiden door de woorden van de verdachte, inhoudende dat hij haar zou weten te vinden indien zij tegen iemand zou zeggen dat hij degene was geweest die haar vriend had neergeschoten. In die bedreiging zat besloten dat aangeefster zelf dan alsnog door hem zou worden doodgeschoten. Dat de schutter ook daadwerkelijk in staat was iemand dood te schieten, had zich zojuist voor haar eigen ogen gemanifesteerd, het was dus voor haar zonder meer een reële en daarmee ook intens heftige bedreiging.

Gelet op deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof dan ook voorstelbaar en begrijpelijk dat zij, uit angst voor hetgeen waarmee zij bedreigd was, niet direct de naam van de verdachte heeft genoemd als degene die het slachtoffer had neergeschoten en haar had bedreigd.

De omstandigheid dat aangeefster op 2 december 2022 de voicemail van de verdachte heeft ingesproken, en dat zij later die dag nog een telefoongesprek met hem heeft gevoerd, waarin zij niet heeft gerefereerd aan het daderschap van de verdachte, bevestigt naar het oordeel van het hof de impact die de bedreigende woorden op haar hebben gehad.

Daarnaast blijkt uit de processen-verbaal van bevindingen van de politieagenten die ter plekke kwamen naar aanleiding van de 112-melding door aangeefster, dat aangeefster in een totale shock en verwardheid verkeerde direct na het incident. Dat blijkt ook wel uit het feit dat zij om 01.02 uur naar het slachtoffer heeft gebeld, dit terwijl hij ongeveer een half uur daarvoor door zijn hoofd was geschoten, nog in de villa op bed lag en dus vanzelfsprekend niet in staat was enig (telefonisch) gesprek te voeren.

Aangeefster was in haar initiële shocktoestand er kennelijk alles aan gelegen om te voorkomen dat derden te weten zouden komen dat de verdachte de schutter was. Dit vindt steun in het feit dat zowel het voicemailbericht als het telefoongesprek plaatsvonden toen aangeefster zich in het ziekenhuis was en zij aldaar continu bewaakt werd door politieambtenaren die zich ook steeds binnen haar gehoorbereik bevonden. Die bewaking ging zelfs zover dat, zo heeft zij bij de raadsheer-commissaris verklaard, er zelfs iemand met haar meeliep als zij naar het toilet ging.

Twee dagen na het incident heeft aangeefster, op eigen initiatief, een aanvullende verklaring afgelegd bij de politie, inhoudende dat zij de indringer en degene die het slachtoffer heeft neergeschoten, heeft herkend als zijnde de verdachte. Naar het oordeel van het hof is het begrijpelijk dat korte tijd na het gewelddadige incident de initiële shock en angst bij aangeefster is gedaald en haar realiteitszin gestegen, onder meer door het besef dat zij tegen haar kinderen en vrienden zou moeten blijven liegen als zij niet alsnog naar waarheid zou verklaren dat zij de verdachte als de schutter had herkend.

Gelet op het voorgaande is het niet direct noemen van de naam van de verdachte naar het oordeel van het hof geen contra-indicatie voor de geloofwaardigheid van de herkenning en latere verklaring(en) van aangeefster.

Het hof ziet verder in het dossier geen enkele aanwijzing voor de stelling dat de verklaring van aangeefster van 4 december 2022 niet vrijwillig, niet op eigen initiatief, dan wel beïnvloed door derden tot stand zou zijn gekomen.

Omdat de verdediging hier veel nadruk op heeft gelegd, overweegt het hof aanvullend dat er geen enkele indicatie is dat mogelijke externe factoren rondom het totstandkomingsproces van die bewuste verklaring van enige invloed zijn geweest op het waarheidsgehalte ervan. In elk geval wijst niets erop dat aangeefster door derden zou zijn bewogen om (leugenachtig) de verdachte aan te wijzen als de schutter. Het is aannemelijk geworden dat aangeefster, gedreven door een voor haar niet meer te dragen intense gewetenswroeging, er voor heeft gekozen de naam van de verdachte te noemen.

Aangeefster heeft later, zowel bij de rechter-commissaris, als bij de raadsheer-commissaris haar verklaring op dit essentiële punt gehandhaafd. Daarbij komt bij dat de verklaring van aangeefster van 4 december 2022 met betrekking tot de gang van zaken in de nacht van 2 december 2022 gelijkluidend is als die van 2 december 2022 zelf. Het enige wat wezenlijk anders is in haar verklaring van 4 december 2022, is dat zij verklaart de indringer te hebben herkend als de verdachte en dat de verdachte zou hebben gezegd: “Nu weet je hoeveel ik van je houd” en “Maar ik zal jou nu ook dood moeten schieten, want dit is een roofoverval. Daar moet het op lijken”.

Verder overweegt het hof dat, zoals hierna zal worden besproken, de verdachte in de avond van 1 december 2022 en in de nacht van 1 op 2 december 2022 zich in de directe nabijheid van de villa ophield, te weten op de parkeerplaats bij de Punt, met zicht op de enige toegangsweg van en naar de villa. De verdachte heeft zich daar opgehouden van 21:06 uur op 1 december 2022 tot 00:31 uur op 2 december 2022, dit terwijl aangeefster en het slachtoffer vanaf circa 19:00 uur in de villa waren en daar ook zijn gebleven. Aangeefster was die avond en nacht niet op de hoogte van de directe nabijheid van de verdachte bij de villa, wat naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van haar verklaring dat zij de verdachte heeft herkend, vergroot.

Hierbij moet nog worden aangevuld dat toen aangeefster op 4 december 2022 rond 19.30 uur werd gehoord, er nog geen enkel onderzoeksresultaat bekend was waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte op dat bewuste moment in de (directe) nabijheid van de villa was. De verdachte is op 4 december 2022 rond 15.30 uur door de politie in de hoedanigheid van getuige gehoord, aangezien er toen nog geen verdenking jegens hem bestond. Tijdens dat verhoor heeft hij uitleggend benadrukt dat hij die nacht zelfs niet in de buurt van de villa was.

Het komt er op neer dat als aangeefster er voor had gekozen om te liegen, dus het opzettelijk ten onrechte aanwijzen van de verdachte als de schutter, zij zichzelf daarmee willens en wetens had blootgesteld aan zeer ernstige en verregaande (strafrechtelijke) consequenties. Na het geven van die belastende verklaring, wist zij natuurlijk dat het volledige opsporingsonderzoek zou worden gericht op de verdachte met als doel te achterhalen of hij nu wel of niet betrokken was geweest bij de schietpartij. En zij kon op dat moment nog niet weten welke resultaten dat onderzoek zou gaan opleveren, waaronder (toen nog) de mogelijkheid dat de verdachte een ijzersterk alibi zou hebben.

Deze geschetste omstandigheden maken het onaannemelijk dat aangeefster heeft gelogen, hetgeen het betrouwbaarheidsgehalte van haar verklaring verhoogt.

Het feit dat aangeefster de verdachte al jaren kende, maakt ook dat de verdachte iemand was die aangeefster – ook onder niet-optimale (belichtings)omstandigheden – kon herkennen. Al gedurende jaren vóórdat de echtgenoot van aangeefster overleed (juni 2019) kwam de verdachte vaak over de vloer als tuinman c.q. klusjesman en na het overlijden van haar echtgenoot bezocht hij haar frequenter, tenminste vier maal per week. Hij was, zoals dat dan heet, een kind aan huis en aangeefster had hem hoog in aanzien en waardeerde zijn klussende bezigheden enorm.

Tussenconclusie van het hof

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van aangeefster op zichzelf gedetailleerd, consistent en geloofwaardig zijn. Het hof acht de verklaringen van aangeefster dan ook betrouwbaar, zodat deze kunnen worden gebezigd voor het bewijs. Dat geldt in het bijzonder daar waar zij (vanaf 4 december 2022) de verdachte aanwijst als de schutter.

Dit betrouwbaarheidsoordeel maakt nog niet dat de feiten bewezenverklaard kunnen worden. Daartoe is namelijk van belang of de jegens de verdachte belastende verklaringen (op wezenlijke onderdelen) worden gesteund door voldoende ander bewijs.

Het hof zal dat nu gaan onderzoeken.

Steunbewijs

Zoals hiervoor reeds overwogen, is gebleken dat de verdachte ten tijde van het incident in de directe nabijheid van de villa was. Op basis van camerabeelden in het dossier wordt vastgesteld dat een voertuig, gelijkend op de camperbus van de verdachte, in de nacht van l december 2022 (omstreeks 21:06 uur) over de Veerdam richting de Puntweg in Kinderdijk rijdt. Op 2 december 2022 omstreeks 00:31 uur, tevens het tijdstip waarop aangeefster de 112 melding maakt, is op camerabeelden te zien dat het voertuig wegrijdt uit de omgeving van de Punt. Deze beelden zijn opgenomen door een beveiligingscamera vanuit de woning gelegen aan de Veerdam [huisnummer].

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep (nogmaals) bevestigd dat het inderdaad zijn camperbus is die te zien is op de beelden en dat hij toen ook de bestuurder was. Hij voegt daaraan toe dat hij toen als enige in die bus zat, deze nooit door iemand anders laat besturen en nooit uitleent.

Vervolgens heeft hij uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zijn rijbewegingen en verdere bezigheden in die nacht. Tijdens deze verhandeling heeft het hof beelden getoond van de applicatie Google Maps en Streetview. Mede aan de hand van deze interactieve ondervraging kon de verdachte met precisie verklaren. Hij reed via de Veerdam richting de veerpontdienst aan de Lek, sloeg links af De Punt in en parkeerde achteruit zijn bus op een parkeerplaats zo goed als aan het begin van die weg en grenzend aan de veerpontlocatie. Hij stond langs een aldaar staande groene zeecontainer (die daar kennelijk permanent staat en onderdeel uitmaakt van het veerbedrijf). De achterkant van zijn bus wees in de richting van de Lek. Het hof heeft vastgesteld dat de afstand tussen de woning gelegen aan de Veerdam [huisnummer] (locatie van de camera) en deze parkeerplaats circa 120 meter bedraagt.

Vanaf hier had de verdachte goed zicht op het verkeer dat van en naar de Puntweg en dus van en naar de villa reed, nu de Puntweg de enige toegangsweg naar de villa is, zo heeft ook de verdachte verklaard. Uit het dossier blijkt dat het vanaf deze parkeerplek het slechts enkele minuten lopen is naar de villa. Eerdergenoemde camera heeft in de tussentijd geen ander verkeer waargenomen en ook de verdachte heeft verklaard dat hij vanaf zijn parkeerplek niemand de Puntweg op of af heeft zijn rijden die avond/nacht. Het hof neemt aan dat de verdachte de villa vanaf zijn parkeerplek binnen circa 5 minuten te voet kon bereiken. Het gaat om een afstand van circa 350 meter. Deze bevinding is passend bij de verklaring van de aangeefster dat zij 5 minuten kreeg van de verdachte alvorens zij 112 mocht bellen. De verdachte rijdt namelijk zo goed als precies op dat belmoment langs de Veerdam [huisnummer]. Het feit dat de voordeur van de villa open stond, doet vermoeden dat de dader gehaast was.

In de eerste dagen na de schietpartij is door de politie onderzoek verricht naar verschillende scenario’s. In het kader van dit onderzoek zijn de voertuigen van de naaste familie van de aangeefster en van het slachtoffer gecontroleerd op alle ANPR-camera’s in Nederland. Daarnaast is gekeken naar de telefoongegevens van de naaste familie van aangeefster en het slachtoffer. Uit deze registraties blijkt niet dat één of meerdere familieleden (of één van hun voertuigen) in de buurt van, of richting de Punt in Kinderdijk is geweest rond het tijdstip van het incident. Ook is door opsporingsambtenaren in- en aan de woning onderzoek verricht omtrent eventuele (zichtbare) braakschade aan de voordeur of elders. Hiervan bleek geen sprake te zijn. De verdachte heeft verklaard dat hij de beschikking had over de voordeurcode en dat hij wist waar in de tuin de reservesleutel van de zijdeur van de woning lag.Verder heeft aangeefster de kleding beschreven die de indringer die bewuste nacht droeg: een spijkerbroek die gedragen werd over een camouflagebroek en een mutsje. Soortgelijke kleding is later bij een huiszoeking bij de verdachte thuis aangetroffen en de verdachte heeft verklaard dergelijke kleding te dragen. Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) is een zogenaamd schotrestenonderzoek uitgevoerd aan een tweetal jassen van de verdachte (één afkomstig uit de camperbus en één uit de woning van zijn (ex-)vriendin) en aan de binnenzijde van de camperbus van de verdachte. Ook de gevonden kogel in de villa is onderzocht. Ten aanzien van de jassen concludeert de schotrestendeskundige van het NFI dat niet gezegd kan worden dat de schotresten op de jassen dezelfde bron hebben als de schotresten van de kogel, maar dit valt ook niet uit te sluiten. Ten aanzien van de schotresten in de bus komt de schotrestendeskundige tot de conclusie dat het zeer veel waarschijnlijker is dat er in de bemonsteringen van de camperbus schotresten aanwezig zijn dan wanneer géén schotresten aanwezig zijn.

Tijdens de doorzoeking is in de woning van de verdachte een vuurwapen aangetroffen. Het gaat om een .22 Remmington. Tijdens zijn politieverhoor van 13 december 2022 verklaarde hij dat hij er voor het laatst mee had geschoten tijdens “afgelopen” oud en nieuw of het “jaar ervoor”. Naar aanleiding van die verklaring heeft het NFI nader onderzoek verricht.

Het NFI heeft bij rapportage van 24 januari 2024 geconcludeerd dat de bevindingen waarschijnlijker zijn wanneer de aangetroffen deeltjes op de bemonsteringen van de binnenzijde van de camperbus afkomstig zijn van minstens één keer schieten door de verdachte op 2 december 2022 dan wanneer deze afkomstig zijn van ongeveer 6 keer schieten door de verdachte op 31 december 2021 dan wel 1 januari 2022. Met betrekking tot dit laatste heeft het NFI het scenario van de verdachte onderzocht, dat de schotresten aan de binnenzijde van zijn camperbus afkomstig zijn van het door hem meerdere keren in de lucht schieten tijdens de jaarwisseling van 2021 of 2022 met een Remmington.

Deze conclusies zijn voor de verdachte belastend, zeker bezien in het licht van de aangehaalde politieverklaring. Dat is dan ook de reden dat hij een paar maanden later, op 23 april 2024, tijdens een politieverhoor gaat uitleggen hoe volgens hem die schotresten (de A-deeltjes) in zijn camperbus terecht zijn gekomen. Hij verklaart dat hij met zeer grote regelmaat (100 tot 150 keer) gedurende drie jaren tot aan het najaar 2022 met een vuurwapen op het terrein van de villa heeft geschoten. Dit om eenden/ganzen te verjagen en ratten te doden. Het gaat volgens hem om het vuurwapen, een geweer kaliber .22 (hierna: het geweer), dat tijdens een doorzoeking is aangetroffen in een kledingkast in de villa.

Het hof is van oordeel dat terughoudend met deze verklaring moet worden omgegaan reeds omdat de verdachte dit bijna anderhalf jaar na zijn aanhouding, en pas na kennisneming van de bevindingen uit genoemde NFI-rapportage naar voren heeft gebracht. Maar zelfs met een heel beperkte terughoudendheid komt het hof tot de conclusie dat deze “alternatieve” verklaring van de verdachte hem niet kan baten omdat deze ongeloofwaardig is.

Allereerst ligt het niet voor de hand dat de verdachte met het geweer zou hebben geschoten. Het schieten zou behoorlijk luidruchtig zijn geweest en zou de nodige aandacht -uiteindelijk ook van de politie- hebben getrokken, zeker bij het regelmatig afvuren. Het is bovendien als misdrijf strafbaar ingevolge de Vuurwapenwet. Aan de hand van afgeluisterde telefoongesprekken komt het beeld naar voren dat het geweer in 1978 door de (inmiddels overleden) echtgenoot van [naam aangeefster] in Groenland was gekocht om zich aldaar te beschermen tegen ijsberen en sindsdien niet meer afgevuurd is. Verder was het geweer dermate goed verstopt dat het pas tijdens een derde doorzoeking, met behulp van een specialistisch zoekteam van de Koninklijke Landmacht, werd aangetroffen. Dat versterkt het beeld dat het geweer al zeer geruime tijd niet was gebruikt, in elk geval dat het niet zomaar voor vrijwel alledaags gebruik voor het oprapen lag.

De verdachte heeft verklaard dat de huishoudster “[voornaam huishoudster]” (het hof begrijpt: [naam huishoudster]) er veel bij is geweest tijdens dat schieten.

[naam huishoudster] heeft bevestigd dat de verdachte in haar aanwezigheid heeft geschoten op het terrein van de villa. Dat was echter met een luchtbuks, een luchtbuks die achter een gordijn in de gang stond. Met deze luchtbuks verjoeg hij jonge ganzen. Zij heeft hem een keer vanaf het balkon van de villa er mee zien schieten. Ook heeft hij op 8 juni 2022 met die luchtbuks een rat doodgeschoten. Zij weet deze datum nog precies, want dat is de datum van de door haar verstrekte foto waarop de verdachte te zien is met een stok in de hand met daaraan hangend een dode rat.

Het ligt voor de hand dat als de verdachte met het geweer, een luidruchtig vuurwapen dus, zou hebben geschoten dat [naam huishoudster] dat zeker had opgemerkt, zij was immers vaak gelijktijdig met de verdachte in de villa. [naam aangeefster] was dat trouwens ook. Zij hebben beiden nimmer verklaard over het schieten door de verdachte met het geweer.

Ook de dochter van aangeefster, “[voornaam dochter]” (mevrouw [naam dochter]), heeft verklaard over een luchtbuks in de villa die eens werd gebruikt tijdens Koningsdag om ballonnen in struiken lek te schieten. Zij heeft een tweetal foto’s verstrekt waarop inderdaad (het gebruik van) een luchtbuks te zien is, dit op het terrein van de villa.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat de verdachte in de door hem gestelde periode van circa drie jaren niet met het geweer, zijnde een vuurwapen, maar met een luchtbuks heeft geschoten. En, zoals algemeen bekend mag worden verondersteld: een luchtbuks kan geen schotresten (A-deeltjes) veroorzaken.

Dit maakt dat de bevindingen uit het NFI-rapport van 24 januari 2024 jegens de verdachte niet alleen belastend waren, maar ook belastend blijven.

Tot slot overweegt het hof dat hetgeen aangeefster heeft verklaard over wat de verdachte tegen haar zei na het schieten, te weten: “Nu weet je hoeveel ik van je houd”, steun vindt in de SMS-jes die de verdachte eerder naar aangeefster heeft gestuurd, namelijk in de periode dat aangeefster met het slachtoffer op vakantie in Namibië was. In die periode, van 31 oktober 2022 tot en met 17 november 2022, waren aangeefster en het slachtoffer samen op vakantie in Namibië, in welke periode de verdachte – zo heeft hij ook erkend – SMS-jes naar aangeefster gestuurd, inhoudende: “Hou nog meer van je, als toen je wegging” en “Hou erg veel van je”.

Tussenconclusie van het hof

Op basis van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat de verklaring van aangeefster dat het de verdachte is geweest die op 2 december 2022 het slachtoffer heeft neergeschoten, op wezenlijke onderdelen door ander bewijs wordt ondersteund.

Er is daarom voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer op die dag opzettelijk door het hoofd heeft geschoten, waardoor hij een paar dagen later is komen te overlijden.

Dat maakt dat de verdachte zich in elk geval schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De vraag is of hij dat met voorbedachte raad heeft gedaan want in dat geval is sprake van moord.

Voorbedachte raad

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Op grond van al het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte op enig moment ná 21.06 uur, te voet vanaf de parkeerplaats, naar de villa is gelopen. Het is waarschijnlijk, maar het is niet absoluut zeker, dat de verdachte toen al een geladen vuurwapen bij zich had.

Op de bewuste avond van 1 december 2022 bevonden aangeefster en het slachtoffer zich reeds vanaf 19:00 uur in de villa. De auto van aangeefster én de auto van het slachtoffer, met Belgisch kenteken, stonden allebei naast het huis geparkeerd, duidelijk zichtbaar voor iedereen die de villa te voet benaderde. Ook voor de verdachte moeten de auto’s zichtbaar zijn geweest op het moment dat hij de villa naderde, en voor hem moet op dat moment duidelijk zijn geweest dat zowel aangeefster als het slachtoffer zich in de villa bevonden.

Hier kan nog aan worden toegevoegd dat de verdachte wist dat het slachtoffer de nieuwe liefdespartner van aangeefster was, en dat zij onlangs samen op vakantie waren geweest in Namibië. Hij wist ook dat het slachtoffer woonachtig was in België en hij wist in welke auto hij reed. Er zijn tot slot ook duidelijke aanwijzingen dat de verdachte het slachtoffer niet de juiste man vond voor aangeefster en zich nogal kritisch opstelde over hem.

De verdachte is vervolgens geruisloos (hij beschikte immers over de toegangscode van de voordeur en had toegang tot de reservesleutel van de achterdeur) de villa binnengegaan, is naar boven gelopen, via de kleedkamer naar de slaapkamer van aangeefster, waar zij op dat moment samen met het slachtoffer in bed lag. Vervolgens heeft de verdachte, zonder iets te zeggen of iets (anders) te doen, met een vuurwapen, direct een kogel door het hoofd van het slachtoffer geschoten. Meteen daarna wendde hij zich tot de aangeefster en heeft hij gezegd: “Nu weet je hoeveel ik van je hou en nu moet ik jou ook doden, want het moet op een overval lijken”. Onder bedreiging van hetzelfde vuurwapen heeft aangeefster vervolgens meerdere sieraden aan de verdachte meegegeven. Het vuurwapen en de sieraden moeten na afloop door de verdachte zijn meegenomen, aangezien deze tot op heden nergens zijn aangetroffen.

Conclusie van het hof

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden leiden naar het oordeel van het hof – in onderling samenhang bezien en naar hun uiterlijke verschijningsvorm – tot de conclusie dat de verdachte doelbewust en met een vooropgezet plan naar de woning van aangeefster toe is gereden met het doel om het slachtoffer van het leven te beroven. In elk geval is dat plan definitief geworden op het moment dat hij lopende richting de villa met zekerheid kon vaststellen dat zowel aangeefster als het slachtoffer aldaar aanwezig waren (hun beider auto’s stonden immers voor de deur geparkeerd).

Gelet op het tijdsverloop van de bewuste avond en de stappen die de verdachte heeft ondernomen, is het hof van oordeel dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, maar dat hij tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap te geven. Het hof ziet ook geen contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Deze zijn overigens ook niet gesteld. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dat hij zich daarom schuldig heeft gemaakt aan de moord op het slachtoffer.

Overwegingen ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair

Naast de bewezenverklaarde moord op het slachtoffer (feit 1) wordt de verdachte verweten dat hij het slachtoffer met de dood heeft bedreigd (feit 2) en vervolgens heeft afgeperst (feit 3). Feiten 2 en 3 zou hij achtereenvolgens hebben begaan direct na het neerschieten van het slachtoffer. De afpersing houdt in het verwijt dat hij het slachtoffer heeft beroofd van haar sieraden.

Het hof stelt vast dat de tekst van deze twee tenlastegelegde feiten overeenkomt met hetgeen het slachtoffer daarover heeft verklaard. Haar jegens de verdachte belastende verklaringen heeft het hof reeds betrouwbaar geacht. Ook hier geldt dat slechts dan tot bewezenverklaring kan worden gekomen indien haar verklaring ten aanzien van deze feiten in voldoende mate wordt gesteund door ander bewijs.

Dat is het geval.

Ten aanzien van de verweten doodsbedreiging kan het hof kortheidshalve verwijzen naar hetgeen is overwogen leidende tot de bewezenverklaring van de moord. Specifieke aspecten en bewoordingen die onderdeel uitmaken van de tekst van de tenlastelegging zijn reeds betrokken bij die overwegingen. De bewezenverklaring van de verweten doodsbedreiging vloeit daar als het ware uit voort. Dat geldt ook daar waar het gaat om de specifieke gedragingen en bewoordingen die onderdeel uitmaken van de tekst van de tenlastegelegde afpersing. De afpersing als zodanig blijkt wel uit hetgeen de politie aantrof na betreding van de villa. Zo goed als alle laden van de sieradenkast waren eruit getrokken en lagen gestapeld ervoor op de vloer. Een groot aantal sieraden waren verdwenen en deze zijn tot op heden niet teruggevonden.

Het bovenstaande leidt tot bewezenverklaring van zowel de doodsbedreiging als de afpersing.

Voorwaardelijke verzoeken van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota – twee voorwaardelijke verzoeken gedaan. De daaraan verbonden voorwaarde is vervuld want het hof heeft de verklaringen van aangeefster betrouwbaar geacht. De verzoeken moeten worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

Het eerste verzoek houdt in het opnieuw mogen horen van aangeefster en haar dan “algemene” vragen te stellen. Dat verzoek wordt afgewezen omdat de noodzaak daartoe het hof niet is gebleken. Bij dit oordeel is betrokken dat aangeefster reeds tegenover de rechter-commissaris uitvoerig heeft verklaard en daarbij de door de (toenmalige) raadsman gestelde vragen inhoudelijk heeft beantwoord. Vervolgens is zij -weliswaar beperkt tot kernpunten in het dossier- gehoord bij de raadsheer-commissaris. Ook toen heeft zij een inhoudelijke verklaring afgelegd en de vragen van de raadsman beantwoord. Daar komt bij dat het willen stellen van “algemene” vragen -zeker in het licht van het bovenstaande- niet kan gelden als een voldoende concrete onderbouwing van dit verzoek.

Het tweede verzoek houdt in de wens tot het aanwijzen van de rechtspsycholoog Peter van Koppen zodat deze (de inhoud van) de door aangeefster op 2 december 2022 ingesproken voicemail van de verdachte en het later die dag met hem gevoerde telefoongesprek kan onderzoeken. Dit om te kunnen vaststellen of daarin sprake is van een “angstige vrouw, die toneel speelt”. Ook dit verzoek wordt afgewezen omdat het hof dit niet noodzakelijk acht. Bij dit oordeel is betrokken de zeer summiere motivering ervan maar vooral ook de wijze waarop het hof gemotiveerd is gekomen tot het betrouwbaarheidsoordeel.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

moord.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft [naam slachtoffer 1] vermoord.

Hij heeft hem ’s-nachts onverhoeds en werkelijk uit het niets door het hoofd geschoten toen hij naast mevrouw [naam aangeefster] in bed lag, die het allemaal zag gebeuren. De artsen hebben nog een paar dagen voor zijn leven gevochten op de intensive-care unit, maar het opgelopen hersenletsel was zodanig ernstig dat hij daardoor is komen te overlijden. Na het schieten heeft de verdachte mevrouw [naam aangeefster] onder ernstige bedreigingen gedwongen haar sieraden aan hem af te geven. Dit was een weldoordachte poging om betrapping te voorkomen, het moest op een (uit de hand gelopen) roofoverval lijken.

Dit alles getuigt van een ongekende koelbloedige wreedheid. Omdat de verdachte het heeft ontkend, is er geen zekerheid ontstaan over het waarom van deze weerzinwekkende daad. Wél zijn er in het dossier aanwijzingen dat de verdachte amoureuze gevoelens had voor mevrouw [naam aangeefster] en dat hij het niet kon verkroppen dat de heer [naam slachtoffer 1] in haar leven was gekomen, en dan ook nog eens als haar geliefde.

Voor zover nog te bevatten, is er een aanvullende omstandigheid die deze zaak nog ernstiger maakt. De verdachte was namelijk al jarenlang de klusjesman van mevrouw [naam aangeefster] en genoot haar volle vertrouwen. Hij kwam bijna dagelijks over de vloer, kon goed met haar opschieten en zij had hem hoog in aanzien. Hij beschikte zowel over de toegangscode van de voordeur als de reservesleutel voor de achterdeur. Hij kende logischerwijze de grote villa en al haar ruimten uit zijn hoofd, een goede verlichting was voor hem dus niet nodig om de weg te vinden. Hierdoor kon hij in alle stilte de villa betreden en vervolgens bijna geruisloos sluipenderwijs zijn doelwit benaderen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, een van de meest ernstige misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft weloverwogen de heer [naam slachtoffer 1] diens leven, zijn meest kostbare bezit, ontnomen.

Zijn laatste bewuste momenten moeten voor hem ronduit afgrijselijk zijn geweest. Hij heeft fysiek geleden en moet in totale verwardheid doodsangsten hebben uitgestaan. Hij kermde het uit van de pijn, hetgeen ook goed te horen is op de geluidsopname van het 112-gesprek dat aangeefster voerde direct na de schietpartij.

Ook voor mevrouw [naam aangeefster] is deze moord (en de daaropvolgende doodsbedreiging en beroving) ontzettend traumatisch geweest. Het zien dat haar geliefde al liggende naast haar door zijn hoofd werd geschoten, is een beeld dat haar de rest van het leven zal blijven achtervolgen. Tekenend hierbij is haar totale ontreddering toen de politie ter plaatse kwam. Daar komt dan ook nog eens bij de wetenschap dat de verdachte op een onvoorstelbare wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat zij in hem had. Tot op de dag van vandaag, zo bleek wel uit de door haar ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring, heeft zij te kampen met de psychische en daarmee gepaard gaande lichamelijke gevolgen van deze afgrijselijke daad. Er gaat voor haar vrijwel geen nacht voorbij zonder dat zij alles in detail herbeleefd.

Door zijn handelen heeft de verdachte ook de nabestaanden van de heer [naam slachtoffer 1] een verschrikkelijk en onherstelbaar leed aangedaan. Zij moeten leven met het gemis van hun vader, schoonvader en opa. En daar komt dan bij de wetenschap hoe en onder welke omstandigheden hij het leven heeft moeten laten.

Uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting in hoger beroep door zijn dochter, zoon en schoondochter respectievelijk zijn afgespeeld en voorgelezen blijkt indringend welk verdriet het plotselinge en gewelddadige verlies heeft veroorzaakt bij de nabestaanden. In hun woorden heeft het incident diepe sporen achtergelaten in hun ziel en is het zeer pijnlijk duidelijk geworden dat hun vader, schoonvader en opa nooit meer terugkomt. Die leegte zal voor altijd blijven.

In het algemeen geldt dat levensdelicten, zeker wanneer die van een gruwelijkheid zijn als in deze zaak het geval is, de samenleving doen schokken en bij degenen die daarvan kennis krijgen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengen. Ook in deze zaak is dat onmiskenbaar het geval geweest.

Alhoewel zulks in ernst ondergeschikt is aan de door de verdachte gepleegde moord, moet nog worden stilgestaan bij het feit dat de verdachte mevrouw [naam aangeefster] na het schieten met de dood heeft bedreigd en vervolgens haar heeft gedwongen haar zeer dierbare sieraden aan hem af te geven.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van een Pro Justitia rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), opgemaakt en ondertekend door D. van der Meer, psychiater, B. Koudstraal, klinisch psycholoog en L. van Nieuwburg, forensisch milieuonderzoeker d.d. 21 augustus 2023. Ook heeft het hof kennisgenomen van de omtrent de verdachte uitgebrachte pro-Justitiarapportage, opgesteld door F.R. Ramsaransing, arts in opleiding, D. Harari, psychiater en M.D. Beijer-Holtman, GZ-psycholoog, allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 16 april 2024.

Uit het rapport d.d. 16 april 2024 blijkt dat op grond van de beperkt beschikbare informatie geen verband wordt gezien tussen de bekende inhoud van de waan als waargenomen bij de verdachte en het ten laste gelegde. Uit het rapport blijkt verder dat de onderzoekers geen gedragskundig advies kunnen geven met betrekking tot de mate van het toerekenen aan betrokkene. Er is volgens de onderzoekers onvoldoende informatie bekend om tot een gedegen risicoanalyse te komen.

Het hof zal daarom bij het bepalen van de strafmaat er van uitgaan dat de feiten volledig aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het tegendeel is overigens gesteld noch anderszins gebleken.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in eerste aanleg is overschreden. De verdachte bevond zich gedurende de behandeling van de strafzaak bij de eerste rechter in voorlopige hechtenis. Daarmee heeft de behandeling in eerste aanleg niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ongeveer 7 maanden. Het hof zal – gelet op de omvang en complexiteit van het voorbereidend onderzoek, alsmede de invloed van de verdachte op het procesverloop – volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusies

De ernst van de bewezenverklaarde feiten, en dan vooral de door de verdachte gepleegde moord, rechtvaardigt zonder meer oplegging van een gevangenisstraf van lange duur.

Het hof heeft geen persoonlijke omstandigheden kunnen vaststellen waarmee in het voordeel van de verdachte rekening kan worden gehouden met de strafoplegging.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren een passende en geboden reactie vormt. Hiermee wordt ook aangesloten bij de eis van de advocaat-generaal.

Het hof is zich ervan bewust dat de hoge leeftijd van de verdachte maakt dat hij, statistisch gezien, tijdens het ondergaan van detentie waarschijnlijk zal komen te overlijden. Dat is echter niet redengevend om tot een lagere strafoplegging te komen. Daartegen verzet zich namelijk de ernst van de bewezenverklaarde feiten, ook gezien de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat, middels de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, een contactverbod aan de verdachte zal worden opgelegd in die zin dat hij geen contact mag opnemen met aangeefster en de familie van het slachtoffer.

Alhoewel dit invoelbaar is, zal het hof deze maatregel niet opleggen. Dit omdat niet is gebleken dat dit noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten, hetgeen een wettelijke voorwaarde is om tot oplegging te kunnen overgaan.

Daar komt bij dat aangenomen mag worden dat de aan een dergelijke maatregel te verbinden strafdreiging weinig indruk zal maken op de verdachte, gelet op langdurige gevangenisstraf die hij moet ondergaan.

Vorderingen tot schadevergoeding

In dit strafproces hebben zes personen, waarvan 5 personen nabestaanden zijn van het slachtoffer, zich gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend, die strekt tot vergoeding van door hen geleden materiële en/of immateriële schade. Alle benadeelde partijen hebben hun vordering, al dan niet tot slechts hetgeen is toegewezen door de rechtbank, gehandhaafd in hoger beroep. Schematisch weergegeven gaat het in hoger beroep om de volgende personen en vorderingen ten aanzien van feit 1 primair:

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 primair heeft de benadeelde partij [naam vriendin] (aangeefster) zich ook gevoegd:

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de vorderingen evident een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en dat de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Meer subsidiair heeft de verdediging de verschillende schadeposten inhoudelijk betwist.

Overwegingen ten aanzien van de immateriële schade

De vorderingen lenen zich voor (gedeeltelijke) gezamenlijke bespreking, waarbij het hof eerst zal ingaan op het wettelijke kader voor vergoeding van immateriële schade aan nabestaanden van een overledene.

Wettelijk kader

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare – ongeacht of degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid zich tevens onrechtmatig heeft gedragen jegens deze gerechtigden – slechts aanspraak op de in artikel 6:108 lid 3 BW genoemde affectieschade (immateriële schade in verband met het verdriet als gevolg van het overlijden van een naaste), geleden door de in lid 4 genoemde “naasten”. Het stelsel van de wet staat aan toekenning van een vergoeding voor ook andere materiële en immateriële schade in de weg. Dit is slechts anders indien de dader het oogmerk had aan een derde immateriële schade toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder a, BW of als die derde in zijn persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW.

Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;

b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Vergoeding van immateriële schade zoals onder b.3) bedoeld kan ook plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood (zogenoemde schokschade).

Degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid, heeft zich in dat geval tevens onrechtmatig gedragen jegens degene bij wie de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt.

Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

De vaststelling van de hoogte van de geleden schokschade geschiedt ingevolge artikel 6:106 BW naar billijkheid met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Gevorderde affectieschade, schokschade en overige immateriële schade

Namens de volgende personen zijn vorderingen vanwege immateriële schade ingediend;

Affectieschade:

[naam zoon] (zoon) € 17.500,00

[naam dochter] (dochter) € 17.500,00

[naam vriendin] (vriendin) € 20.000,00 subsidiair € 17.500,00

Schokschade:

[naam kleindochter] (kleindochter) € 16.000,00

[naam kleinzoon] (kleinzoon) € 16.000,00

[naam zoon] (zoon) € 16.000,00

[naam dochter] (dochter) € 16.000,00

[naam schoondochter] (schoondochter) € 16.000,00

[naam vriendin] (vriendin) € 30.000,00

Overige immateriële schade

[naam zoon] (zoon), overerving € 17.500,00

[naam dochter] (dochter), overerving € 17.500,00

[naam vriendin] (vriendin), feiten 2 en 3 € 6.000,00

Affectieschade

De benadeelde partijen [naam zoon] (zoon slachtoffer) en [naam dochter] (dochter slachtoffer) behoren tot de in artikel 6:108, lid 4, BW genoemde naasten en zij hebben dus een aanspraak op vergoeding van affectieschade. Het hof heeft geen aanleiding er aan te twijfelen dat [naam zoon] de zoon en [naam dochter] de dochter van het slachtoffer zijn. De hoogte van de gevorderde schadevergoedingen correspondeert met de voor deze naasten in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedragen en is door of namens de verdachte ook niet betwist. Het hof zal de vorderingen in zoverre dan ook toewijzen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam vriendin] (aangeefster) is door de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij niet gekwalificeerd kan worden als levensgezel nu zij geen duurzame gezamenlijke huishouding voerde met het slachtoffer.

In artikel 6:108, lid 4, onder 9 van het BW is een zogenoemde hardheidsclausule

opgenomen, die luidt: “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”. Voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.

Hoewel het hof niet wil afdoen aan de hevige emoties die het verlies van haar vriend door het handelen van verdachte voor haar teweeg moet hebben gebracht, moet het hof vaststellen dat aangeefster niet kan worden aangemerkt als één van de in de wet aangewezen kring van gerechtigden, gelet op de omstandigheid dat zij niet met het slachtoffer was getrouwd, zij geen geregistreerd partner van elkaar waren en zij tevens geen duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Uit de toelichting op de gevorderde schade en de slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij een affectieve relatie had met het slachtoffer, maar dat dit een prille relatie was, sinds enkele maanden, en dat zij elkaar (hoofdzakelijk) in het weekend zagen. Het hof ziet om deze reden onvoldoende aanleiding om in onderhavig geval over te gaan tot toepassing van de hardheidsclausule.

Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [naam vriendin] (aangeefster) ten aanzien van de gevorderde affectieschade daarom afwijzen.

Schokschade

Door de verdediging is aangevoerd dat ten aanzien van de benadeelde partijen [naam kleindochter] (kleindochter slachtoffer), [naam kleinzoon] (kleinzoon slachtoffer), [naam zoon] (zoon slachtoffer), [naam dochter] (dochter slachtoffer) en [naam schoondochter] (schoondochter slachtoffer) geen sprake is van een directe confrontatie. Bovendien is de confrontatie niet onverhoeds. Voorts is door de raadsman naar voren gebracht dat het geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven is vastgesteld.

Het hof overweegt allereerst dat de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed, bijzonder ernstig zijn. Hij is immers, terwijl hij in bed lag, volkomen onverhoeds en van dichtbij in zijn hoofd geschoten en aan de verwondingen daarvan enkele dagen later overleden. De benadeelde partijen hebben het slachtoffer in het ziekenhuis bezocht, waarbij, ofschoon de wonden uiteraard verbonden waren, op pijnlijke wijze zichtbaar was dat het slachtoffer een in- en uitschot verwonding had aan het hoofd. Op het feitelijk waarnemen van een dergelijke verwonding, al dan niet met een verband om het hoofd, kan men zich nimmer volledig voorbereiden.

Uit de bij de vorderingen als bijlage gevoegde brieven van zowel de huisarts (ten aanzien van [naam kleindochter], [naam kleinzoon] en [naam zoon]), als de verklaring van de psycholoog (ten aanzien van [naam dochter]) en de verklaring van de psychotherapeut en huisarts (ten aanzien van [naam schoondochter]) volgt dat volgens de zorgprofessionals telkens sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Naar het oordeel van het hof blijkt uit voornoemde stukken dat het geestelijk letsel bij de benadeelde partijen (mede) is veroorzaakt door de emotionele schok die zij hebben ervaren door de confrontatie met de ernstige gevolgen van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Dat de kleinkinderen niet persoonlijk zijn onderzocht door een medicus, staat naar het oordeel van het hof hier niet aan in de weg, temeer nu uit de brief van de huisarts volgt dat bij hen ook psychotherapie is ingezet.

Het hof is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen aanspraak hebben op de vergoeding van schokschade. De omstandigheid dat de benadeelde partijen niet direct maar eerst één of enkele dagen later zijn geconfronteerd met de gevolgen van het strafbare feit en dat deze confrontatie strikt genomen niet onverhoeds en niet onvermijdbaar was, doet – gelet op de gruwelijke toedracht van het bewezenverklaarde en de directe familieband tussen het primaire slachtoffer en de hier bedoelde benadeelde partijen – daaraan niet af. In dit verband neemt het hof in het bijzonder met betrekking tot [naam schoondochter] mee dat ook zij een hechte band had met haar schoonvader, zo volgt ook uit de door haar ter zitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring.

Naar billijkheid en rekening houdend met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zoals neergelegd in de zogeheten ‘Rotterdamse schaal’, begroot het hof de immateriële schade als gevolg van het door de hevige schok veroorzaakte, thans aanwezige geestelijk letsel bij elk van de vorderingen op een bedrag van € 10.000,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Vier december is het midden van de periode tussen 2 december (de dag van het schietincident) en 6 december (de dag van het overlijden). Voor het overige zal het hof de benadeelde partijen in de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Samenloop schokschade en affectieschade

In het geval dat sprake is van samenloop van schokschade en affectieschade is het aan de rechter om aan de hand van de omstandigheden van het geval af te wegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening wordt gehouden met affectieschade. Gelet op deze samenloop zal het hof aan de benadeelde partijen [naam zoon] (zoon slachtoffer) en [naam dochter] (dochter slachtoffer) een bedrag aan schokschade toewijzen, begroot op € 8.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal het hof de benadeelde partijen in de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.

Schokschade naar aanleiding van feit 1 primair – [naam vriendin] (aangeefster)

Aangeefster vordert een bedrag van € 30.000,00 aan schokschade. Door de verdediging is bepleit dat de vordering dient te worden gematigd tot een bedrag van € 10.000,00.

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van schokschade verwijst het hof naar hetgeen in dit arrest ten aanzien van de bovengenoemde benadeelde partijen is overwogen.

Naar het oordeel van het hof is bij aangeefster sprake van schokschade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof overweegt dienaangaande dat aangeefster samen met het slachtoffer in de slaapkamer aanwezig was – zij lagen reeds in bed – en dat aangeefster heeft gezien en ervaren dat het slachtoffer volkomen onverhoeds door zijn hoofd werd geschoten. Zij heeft zijn verwondingen waargenomen, vervolgens in shock het noodnummer gebeld en bij het slachtoffer gewacht op de hulpdiensten, waarbij haar door de 112-meldkamer ook is gevraagd om hulp te verlenen aan het slachtoffer. Daarbij ervaarde zij ook dat het slachtoffer pijn leed. Omdat niet direct duidelijk was of de schutter nog in of rond de woning aanwezig was heeft zij op instructie van de 112-melddienst nog enige tijd op hulp moeten wachten toen de hulpdiensten al wel bij de woning waren gearriveerd. Voorts is zij bij haar bezoeken aan het slachtoffer in het ziekenhuis steeds weer geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het incident.

Uit de bij de vordering als bijlage gevoegde brief van de GZ-psychologe en psychotherapeut van 6 augustus 2024 volgt dat volgens de zorgverlener door het gebeuren en de confrontatie met de gevolgen bij aangeefster ernstig geestelijk letsel is ontstaan. Aangeefster is sinds het overlijden van het slachtoffer onder behandeling geweest bij een psycholoog en er is sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Er is geprobeerd haar te behandelen voor haar klachten met onder meer EMDR-therapie.

Uit genoemde omstandigheden volgt dat sprake is van een rechtstreekse confrontatie met het onder 1 primair bewezenverklaarde feit en met de ernstige gevolgen daarvan.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande eveneens dat het geestelijk letsel bij de benadeelde partij (mede) is veroorzaakt door de emotionele schok die zij heeft ervaren door de confrontatie het schietincident en met de ernstige gevolgen van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Dit is ook niet door de verdediging weersproken.

Naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen – voor zover mogelijk – in vergelijkbare zaken wordt toegewezen, zal het hof ten aanzien van dit deel van de vordering, te weten het door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, een bedrag van

€ 30.000,00 toewijzen.

Dit bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 december 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.

Immateriële schade na overerving – [naam zoon] en [naam dochter]

De heer [naam zoon] (zoon slachtoffer) en mevrouw [naam dochter] (dochter slachtoffer) hebben ieder een bedrag gevorderd van € 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding (smartengeld) waar hun vader, het slachtoffer, recht op zou hebben gehad als gevolg van wat hem is overkomen. Volgens de zoon en dochter is het evident dat hun vader, het slachtoffer, heeft geleden als gevolg van de schietverwondingen. Uit de in het dossier uitgewerkte 112-opname volgt dat het slachtoffer door het schot niet direct is overleden maar zich in meer of mindere mate bewust is geweest van zijn verwonding en ernstige pijn heeft geleden. Hij heeft volgens aangeefster zelfs nog wat laatste woorden geprobeerd te opperen. Hij heeft vervolgens echter snel het bewustzijn verloren. Vrijwel direct na het schietgeweld is hij in coma geraakt en is tot aan zijn overlijden niet meer uit die vegetatieve toestand gekomen.

Tot vrij recent was in de rechtspraak aangenomen dat slachtoffers die in comateuze toestand verkeren, immateriële schade konden lijden die voor vergoeding in aanmerking komt. De Hoge Raad heeft echter bij arrest van 8 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1055) uitgemaakt dat die specifieke omstandigheid (het “directe en blijvend verlies van bewustzijn”) geen vergoedingsgrondslag kan opleveren.

Om tóch tot enige toewijsbare immateriële schade te komen, zal meer inzicht moeten worden verkregen in letterlijk de aard en duur van de laatste bewuste momenten van het leven van het slachtoffer.

Naar het oordeel van het hof levert de behandeling van deze post een onevenredige belasting van het strafgeding op. Voor de beoordeling hiervan is een uitgebreidere uitwisseling van standpunten nodig dan waarvan tot nu toe sprake is geweest, waarbij ook zou moeten worden besproken of voldaan is aan de formele, wettelijke, criteria inzake overerving van het recht op immateriële schadevergoeding. Het hof zal dan ook bepalen dat deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot vergoeding van deze schade. De zoon en dochter kunnen hun vordering voor wat betreft deze post desgewenst aanbrengen bij de civiele rechter.

Overige immateriële schade feit 2 en feit 3 primair – [naam vriendin] (aangeefster)

Aangeefster vordert vergoeding van geleden immateriële schade op grond van

art. 6:106 BW ter hoogte van € 6.000,00. De vordering is namens de verdachte betwist nu de verdediging naar voren heeft gebracht dat afzonderlijke schadevergoeding voor feit 2 primair en feit 3 primair niet billijk is, aangezien deze feiten in het kader van feit 1 gepleegd zijn.

Het hof overweegt als volgt. Hoewel de feiten enerzijds met elkaar vervlochten zijn, komen aan feit 2 en feit 3 primair anderzijds enige mate van zelfstandigheid toe. Deze feiten kennen eigen geweldsaspecten (herhaalde bedreigingen), waardoor aangeefster heeft gevreesd voor haar leven. Die vrees voor haar leven was voor haar des te heftiger nu zij zojuist had ervaren dat de schutter in staat was om iemand van dichtbij dood te schieten.

Benadeelde heeft langdurig last van slaapproblemen, gevoelens van angst lijkende op straatangst en een daarmee gepaard gaand psychisch trauma. Zij heeft diverse behandelaren aangezocht te weten; een psycholoog, somatisch arts, sportarts, fysiotherapeut en een acupuncturist. Uit berichten van de huisarts en van een GZ-psycholoog volgt dat sprake is van PTSS. Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 en feit 3 primair bewezenverklaarde. De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 december 2022) tot een bedrag van € 2.500,00.

Het hof zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Overwegingen ten aanzien van de materiële schade Een aantal benadeelde partijen vordert vergoeding van door hen gestelde rechtstreeks geleden materiële schade. Zij stellen dat de verdachte zich jegens hen onrechtmatig heeft gedragen. Het hof zal hierna per benadeelde partij ingaan op de opgevoerde materiële schadeposten.

Vordering tot materiële schadevergoeding – [naam zoon] (zoon slachtoffer)

De heer [naam zoon], zoon van het slachtoffer, heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 28.754,50 , bestaande uit € 537,44 (medische kosten), € 20.224,23 (overlijdensschade), € 319,69 (kosten hotelovernachting gedurende de ziekenhuisperiode) en kosten nalatenschap (€ 7.673,14). De post “kleding [naam schoondochter]” (€ 695,00) is in hoger beroep uitdrukkelijk niet meer gehandhaafd.

Medische kosten

Ten aanzien van de zorgkosten (ter hoogte van € 537,44) die zien op het volledige verbruik van het eigen risico in 2023 en het gedeeltelijke verbruik in 2024 is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in dit onderdeel van de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Overlijdensschade en kosten nalatenschap

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade ten aanzien van de overlijdensschade en de kosten nalatenschap door hem zijn geleden en dat deze schadeposten een rechtstreeks gevolg zijn van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Dit deel van de vordering van de benadeelde partij zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.

De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. Het hof zal als aanvangsdatum telkens bepalen de datum vermeld op de facturen, zijnde:

- 10 december 2022 over een bedrag van € 2.500,34 ter zake van ‘overlijdensbericht NRC’; - 14 december 2022 over een bedrag van € 14,30 ter zake van ‘overlijdensakte’; - 16 december 2022 over een bedrag van € 15.567,69 ter zake van ‘uitvaartverzekering’; - 19 december 2022 over een bedrag van € 300,00 ter zake van ‘bloemen’; - 6 januari 2023 over een bedrag van € 490,50 ter zake van ‘rouwkaarten’; - 19 februari 2023 over een bedrag van € 357,75 ter zake van ‘postzegel rouwkaarten’; - 25 april 2023 over een bedrag van € 993,65 ter zake van ‘grafsteen bijschrijven’; - 25 mei 2023 over een bedrag van € 363,00 ter zake van ‘nalatenschap (kosten accountant)’; - 19 maart 2024 over een bedrag van € 7.310,14 ter zake van ‘nalatenschap (kosten notaris)’.

Hotelkosten

Het hof is met betrekking tot de hotelkosten van oordeel dat geen sprake is van rechtstreekse schade en dat evenmin sprake is van verplaatste schade. De benadeelde partij zal ten aanzien van dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit onderdeel van de vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot materiële schadevergoeding – [naam dochter] (dochter slachtoffer)

Mevrouw [naam dochter], dochter van het slachtoffer, heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 9.566,60, bestaande uit een bedrag van € 644,40 aan kosten van de psycholoog en een bedrag van € 8.922,20, bestaande uit reiskosten, namelijk vliegtickets voor haarzelf, haar partner en hun twee kinderen vanuit Zambia naar Nederland en terug.

Ziektekosten

Gelet op het hiervoor overwogene omtrent onder meer de vastgestelde PTSS ten gevolge van het bewezenverklaarde oordeelt het hof dat ten aanzien van [naam dochter] ook de kosten psycholoog (€ 644,40) voor vergoeding in aanmerking komen. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2024 .

Reiskosten

Door de verdediging is betwist dat deze kosten gekwalificeerd kunnen worden als ‘kosten lijkbezorging’. Bovendien zijn de kosten van de kinderen en de partner kosten van derden die geen familie zijn van het slachtoffer in de eerste lijn, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt. Blijkens de vordering en de slachtofferverklaring (zowel de schriftelijke verklaring zoals voorgelezen in eerste aanleg, als de opgenomen en ter zitting afgespeelde verklaring in hoger beroep) hadden de dochter van het slachtoffer, haar partner en hun kinderen, ondanks de fysieke afstand, een hechte band met respectievelijk haar vader, zijn schoonvader en hun opa. Zij hadden regelmatig contact, al dan niet via FaceTime of de telefoon, en naar het oordeel van het hof was voor wat betreft de partner van de benadeelde en hun kinderen sprake van een nauwe persoonlijke relatie met het slachtoffer in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij hiermee voldoende aangetoond dat deze kosten zien op kosten van lijkbezorging ex artikel 6:108 lid 2 van het BW, in de zin van reiskosten als verder verwijderde kosten. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Dit deel van de vordering van de benadeelde partij zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.

De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. Het hof zal als aanvangsdatum bepalen de datum vermeld op de facturen voor de reiskosten, zijnde 2 december 2022.

Vordering tot materiële schadevergoeding – [naam schoondochter] (schoondochter slachtoffer)

Mevrouw [naam schoondochter], schoondochter van het slachtoffer, heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 10.869,20, bestaande uit € 1.159,20 aan kosten voor psychotherapie behandelingen, € 450,00 aan kosten voor shiatsu-therapie, € 2.000,00 aan kosten voor psychotherapie behandelingen in de periode tussen eerste aanleg en behandeling in hoger beroep en € 7.260,00 aan inkomstenderving.

Kosten psychotherapeut en shiatsu-therapie

Gebleken is dat mevrouw [naam schoondochter] verschillende therapieën heeft ondergaan en hier ook kosten voor heeft gemaakt. De kosten voor de psychotherapie behandelingen zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 1.159,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juni 2024.

Wat betreft de kosten voor de shiatsu-therapie (€ 450,00) is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

€ 2.000,00

De gevorderde toekomstige schade voor therapiekosten ter hoogte van € 2.000,00 zal het hof toewijzen nu deze kosten in de huidige fase van het geding, blijkens de in hoger beroep overgelegde facturen van de zorgaanbieder voor psychotherapie, reeds zijn gerealiseerd. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2025.

Inkomstenderving

De vordering van mevrouw [naam schoondochter] ten aanzien van de inkomstenderving is namens de verdachte betwist. Anders dan het standpunt van de verdediging volgt naar het oordeel van het hof uit de brief van GZ-psycholoog GJ. Brouwer d.d. 16 juni 2024 dat de benadeelde partij zich ten gevolge van de klachten, te weten PTSS-klachten, noodgedwongen heeft moeten ziekmelden op het werk en onbetaald verlof heeft moeten opnemen. Aanleiding voor de klachten vormt volgens de GZ-psycholoog de moord op haar schoonvader.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening.

In totaal heeft de benadeelde gedurende 15 weken, van 5 juni 2023 tot en met 15 september 2023 niet gewerkt. Hiervan heeft zij 8 weken niet door haar werkgever betaald gekregen. De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. Het hof zal de aanvangsdatum bepalen op 18 september 2023.

Vordering tot materiële schadevergoeding – [naam vriendin] (aangeefster) ten aanzien van feiten 2 en 3

Aangeefster heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het onder feit 1 primair en feit 3 primair bewezenverklaarde. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een totaalbedrag van € 126.906,57, bestaande uit:

a. € 2.389,99 (overlijdensschade), bestaande uit:

1) Bloemen € 240,00

2) Rouwkaarten € 386,95

3) Rouwzegels € 192,00

4) Rouwadvertentie NRC € 1.521,04

5) Kosten panty’s € 50,00

€ 112.829,00 (gestolen juwelen);

€ 204,69 (facturen informatieverzoeken)

€ 1.600,00 (kosten accupunctuur)

€ 420,00 (kosten somatische therapie)

€ 925,91 (reiskosten accupunctuur en somatische therapie)

€ 385,00 (eigen Risico in 2023)

€ 6.140,00 (aanschaf nieuw bed)

€ 508,97 (reparatiekosten alarmsysteem)

€ 1.503,01 (hotelovernachtingen)

Ten aanzien van de overlijdensschade (onder a) overweegt het hof dat de posten 1 tot en met 4 toegewezen zullen worden. Uit de vordering volgt dat aangeefster een eigen rouwadvertentie heeft laten plaatsen en eigen rouwkaarten heeft verzonden. Post 5, de panty’s, zal niet-ontvankelijk worden verklaard , nu dit niet aangemerkt kan worden als rechtstreekse schade.

De wettelijke rente zal ingevolge artikel 6:83, aanhef en onder b, BW steeds worden toegekend vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. Het hof zal als aanvangsdatum telkens bepalen de datum vermeld op de facturen, zijnde:

Ten aanzien van de post onder b heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat niet vaststaat hoeveel en welke sieraden zijn weggenomen. De brief van de bevriende juwelier stelt dat de juwelen reeds jaren geleden in het bezit zijn geraakt van aangeefster, maar dit kan tussentijds zijn veranderd. Het een en ander nader uitzoeken, is te belastend voor het strafgeding en de vordering dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Vaststaat dat de verdachte een plastic tas met juwelen heeft meegenomen, maar het is onbekend welke sieraden precies zijn meegenomen. De vordering is in hoger beroep onderbouwd met een lijst waarop is aangegeven welke sieraden zijn weggenomen, met hierbij een waardebepaling door een bevriende juwelier, die de benadeelde al jarenlang kent. De taxatie heeft plaatsgevonden op basis van foto’s waarop de benadeelde partij de sieraden draagt, voor zover foto’s van de sieraden beschikbaar zijn. Voor toewijzing van de vordering van € 112.829,00 is echter nodig dat precies komt vast te staan welke sieraden wanneer in het bezit waren van aangeefster, welke sieraden zijn weggenomen en welke waarde deze sieraden hadden op het moment van het wegnemen. De onderbouwing die aangeefster heeft gegeven, is op dit moment onvoldoende om dit alles vast te kunnen stellen. Voor een precieze vaststelling van de omvang van de schade op dit punt dienen nadere standpunten te worden uitgewisseld, waarbij ook moet worden gedacht aan het benoemen van een deskundige teneinde de precieze waarde van de sieraden vast te stellen, er al van uitgaande dat precies kan worden vastgesteld welke sieraden zijn weggenomen. Indien een deskundige zou worden benoemd omtrent de waarde van de sieraden, heeft de verdachte ook de mogelijkheid een zogenaamde contra-expertise uit te laten voeren. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vordering van aangeefster op dit onderdeel een onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert. Om die reden zal aangeefster niet-ontvankelijk worden verklaard in dit onderdeel van haar vordering. Zij kan deze vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal het hof de vorderingen als hierboven genoemd onder c. tot en met j. niet-ontvankelijk verklaren, omdat de directe causale relatie tussen het onder feit 1 en 3 bewezen verklaarde en de schadeposten op die onderdelen onvoldoende is onderbouwd. De vordering kan voor wat betreft die onderdelen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Conclusie

De verdachte moet aan de benadeelde partijen schadevergoeding betalen zoals weergegeven in de hieronder opgenomen tabel in de kolom “Hoofdsom”. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr vermeerderd met de wettelijke rente, passend en geboden geacht.

Gelet op het vijfde lid van dit artikel mag bij een schadevergoedingsmaatregel in totaal maximaal “één jaar” gijzeling worden toegepast, ook in geval van meerdere schadevergoedingsmaatregelen. De maximale duur van “één jaar” begrijpt het hof aldus, dat het gaat om 365 dagen (de bewezenverklaarde feiten zijn begaan ná 25 juli 2020). Hier zal rekening mee worden gehouden bij het bepalen van het aantal dagen gijzeling per op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [naam kleindochter] (kleindochter) en [naam kleinzoon] (kleinzoon) zal het hof bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen rekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarigen. De minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarigen beschikken totdat zij achttien jaar zijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 285, 289, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [naam kleindochter] (kleindochter)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam kleindochter] ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam kleindochter], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 december 2022.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [naam kleindochter], geboren op 17 december 2012, te openen rekening met een BEM-clausule.

Vordering van de benadeelde partij [naam kleinzoon] (kleinzoon)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam kleinzoon] ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam kleinzoon], ter zake van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 4 december 2022.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding van € 10.000,00 zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [naam kleinzoon], geboren op 17 juni 2011, te openen rekening met een BEM-clausule.

Vordering van de benadeelde partij [naam zoon] (zoon)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam zoon] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.397,37 (drieënvijftigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zevenendertig eurocent bestaande uit € 27.897,37 (zevenentwintigduizend achthonderdzevenennegentig euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 25.500,00 (vijfentwintigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam zoon], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.397,37 (drieënvijftigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zevenendertig eurocent bestaande uit € 27.897,37 (zevenentwintigduizend achthonderdzevenennegentig euro en zevenendertig cent) materiële schade en € 25.500,00 (vijfentwintigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 118 (honderdachttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 10 december 2022 over een bedrag van € 2.500,34 ter zake van Overlijdensbericht NRC; - 14 december 2022 over een bedrag van € 14,30 ter zake van Overlijdensakte; - 16 december 2022 over een bedrag van € 15.567,69 ter zake van Uitvaartverzekering; - 19 december 2022 over een bedrag van € 300,00 ter zake van Bloemen; - 6 januari 2023 over een bedrag van € 490,50 ter zake van Rouwkaarten; - 19 februari 2023 over een bedrag van € 357,75 ter zake van Postzegel rouwkaarten; - 25 april 2023 over een bedrag van € 993,65 ter zake van Grafsteen bijschrijven; - 25 mei 2023 over een bedrag van € 363,00 ter zake van Nalatenschap (kosten accountant); - 19 maart 2024 over een bedrag van € 7.310,14 ter zake van Nalatenschap (kosten notaris);

en van de immateriële schade op 4 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [naam dochter] (dochter)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam dochter] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 35.066,60 (vijfendertigduizend zesenzestig euro en zestig cent) bestaande uit € 9.566,60 (negenduizend vijfhonderdzesenzestig euro en zestig cent) materiële schade en € 25.500,00 (vijfentwintigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam dochter], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 35.066,60 (vijfendertigduizend zesenzestig euro en zestig cent) bestaande uit € 9.566,60 (negenduizend vijfhonderdzesenzestig euro en zestig cent) materiële schade en € 25.500,00 (vijfentwintigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 67 (zevenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade voor wat betreft de reiskosten ad € 8.922,20 op 2 december 2022, van de kosten van de psycholoog op 16 april 2024 en van de immateriële schade op 4 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [naam schoondochter] (schoondochter)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam schoondochter] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.419,20 (twintigduizend vierhonderdnegentien euro en twintig cent) bestaande uit € 10.419,20 (tienduizend vierhonderdnegentien euro en twintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam schoondochter], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.419,20 (twintigduizend vierhonderdnegentien euro en twintig cent) bestaande uit € 10.419,20 (tienduizend vierhonderdnegentien euro en twintig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade voor wat betreft de inkomstenderving ad € 7.260,00 op 18 september 2023, van de kosten van de psycholoog ad € 1.159,20 op 25 juni 2023 en van de kosten van de psycholoog ad € 2.000,00 op 24 december 2025 en tot slot van de immateriële schade op 4 december 2022.

Vordering van de benadeelde partij [naam vriendin] (aangeefster)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam vriendin] ter zake van het onder feit 1 primair en feit 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 34.839,99 (vierendertigduizend achthonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 2.339,99 (tweeduizend driehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 17.550,00 (zeventienduizend vijfhonderdvijftig euro) bestaande uit € 50,00 (vijftig euro) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam vriendin], ter zake van het onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 34.839,99 (vierendertigduizend achthonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 2.339,99 (tweeduizend driehonderdnegenendertig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 79 (negenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 10 december 2022 over een bedrag van € 1.521,04 ter zake van rouwadvertentie NRC; - 15 december 2022 over een bedrag van € 386,95 ter zake van rouwkaarten; - 16 december 2022 over een bedrag van € 240,00 ter zake van bloemen; - 20 december 2022 over een bedrag van € 192,00 ter zake van rouwzegels;

en van de immateriële schade op 4 december 2022.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, en mr. R. van der Hoeven en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R. van der Hoeven
  • mr. M.E.L. Hendriks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?