GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.131.549/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : 1323572\ CV EXPL 12-1091
Arrest van 14 juli 2026
in de zaak van:
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam.
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam,
1. De zaak in het kort
Partijen hebben op 17 maart 2000 twee effectenleaseovereenkomsten gesloten, elk voor de duur van 10 jaar. In 2006 heeft Dexia beide overeenkomsten vervroegd beëindigd vanwege een betalingsachterstand. Dexia heeft eindafrekeningen opgesteld overeenkomstig art. 6 en art. 15 Bijzondere Voorwaarden. Dexia berekende dat [geïntimeerde] verschuldigd was: het restant van de overeengekomen hoofdsom (contant gemaakt tegen 5%) op grond van art. 15 Bijzondere Voorwaarden, en daarnaast de contante waarde van de resterende maandtermijnen (in dit geval 41 maandtermijnen van € 228,38 tegen 5% contant gemaakt) op grond van artikel 6 Bijzondere Voorwaarden.
In deze zaak ligt de vraag voor of artikel 6 Bijzondere Voorwaarden een onredelijk bezwarend beding (in de zin van art. 6:233 BW) is, voor zover Dexia op grond daarvan aanspraak heeft gemaakt op de onbetaalde toekomstige (rente)termijnen en of Dexia in geval van vernietiging van dit beding aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest. Daarnaast ligt de vraag voor over de gevolgen van vernietiging van art. 6 Bijzondere voorwaarden voor de toepassing van art. 15 Bijzondere Voorwaarden. Het hof heeft, omdat deze vragen uitleg vergen van Richtlijn 93/13 EEG (oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten), prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU (HvJ EU). Het hof komt aan de hand van de door het HvJ EU verstrekte antwoorden en de grief van Dexia tot het oordeel dat het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd. Het hof zal dit hierna toelichten.
2. De verdere procesverloop in hoger beroep
Op 2 april 2019 heeft het hof in de onderhavige zaak een tussenarrest gewezen. In dat arrest heeft het hof prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU over de uitleg betreffende Richtlijn 93/13 EEG in verband met de door Dexia gehanteerde algemene voorwaarden bij ontbinding van de overeenkomst. Het hof heeft zijn beslissing aangehouden en in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het HvJ EU de zaak ambtshalve doorgehaald.
Het HvJ EU heeft op 27 januari 2021 uitspraak gedaan. Op verzoek van [geïntimeerde] is de zaak op de rolzitting van 19 september 2023 weer hervat. Vervolgens heeft Dexia een akte na beantwoording prejudiciële vragen genomen en [geïntimeerde] een akte uitlaten arrest HvJ, tevens houdende antwoordakte. Daarna zijn de akten overgelegd en is arrest gevraagd.
3. De verdere beoordeling van het hoger beroep
Het geschil en de procedure bij de kantonrechter
[geïntimeerde] heeft op 17 maart 2000 twee effectenleaseovereenkomsten afgesloten met Dexia. Dexia heeft deze twee effectenleaseovereenkomsten voortijdig ontbonden op 3 oktober 2006.
Volgens de door Dexia opgestelde eindafrekeningen heeft [geïntimeerde] op grond van deze overeenkomsten aan Dexia in totaal € 33.911,69 (waarvan € 17.168,25 voor overeenkomst **495 en € 16.743,44 voor overeenkomst **496) aan maandtermijnen betaald en in totaal € 8.186,32 aan dividend en andere voordelen ontvangen (waarvan € 4.781,48 (€ 4.093,16 + € 688,32) voor overeenkomst **495 en € 4.093,16 voor overeenkomst **496).
Met gebruikmaking van de op de overeenkomsten van toepassing zijnde Bijzondere Voorwaarden berekende Dexia voorts dat [geïntimeerde] haar verschuldigd was: het restant van de overeengekomen hoofdsom (contant gemaakt overeenkomstig het bepaalde in art. 7A:1576 e lid 2 BW) onder aftrek van de verkoopwaarde van de aandelen (art. 15 van de Bijzondere Voorwaarden) en daarnaast de contante waarde van de resterende maandtermijnen (in dit geval 41 maandtermijnen van € 228,38 tegen 5% contant gemaakt) op grond van artikel 6 van de Bijzondere Voorwaarden. De door Dexia opgemaakte eindafrekeningen sloten op een door [geïntimeerde] te betalen bedrag van respectievelijk € 7.682,36 en € 8.107,17 (verder: restschuld). De bedragen bestaan uit de hiervoor genoemde restant hoofdsom en resterende 41 maandtermijnen met aftrek van de verkoopwaarde van de aandelen en uit een aantal te betalen bedragen waaronder de beëindigingskosten.
Bij inleidende dagvaarding van 6 februari 2012 vorderde Dexia op grond van het door de Hoge Raad en hof Amsterdam ontwikkelde hofmodel betaling van € 5.350,55 (zijnde een derde van de restschuld uit de eindafrekeningen, plus buitengerechtelijke kosten ad € 700), vermeerderd met de wettelijke rente en veroordeling in de proceskosten.
In reconventie vorderde [geïntimeerde] – voor zover nog van belang – de veroordeling van Dexia om aan hem terug te betalen al hetgeen hij in het kader van de effectenleaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten.
Nadat [geïntimeerde] zijn inkomensgegevens had overgelegd, erkende Dexia dat sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last en verminderde haar eis. Dexia verzocht om vast te stellen dat zij aan [geïntimeerde] een bedrag van € 12.576,77 verschuldigd was. Dit bedrag was als volgt opgebouwd:
Berekening Dexia EA
Contract **495
Contract **496
Betaalde termijnen
€ 17.168,25
€ 16.743,44
Verrekening dividend
€ 4.093,16
€ 4.093,16
Netto inleg
€ 13.075,09
€ 12.650,28
Vergoeding 2/3 inleg
€ 8.717,16
€ 8.433,52
Restschuld
€ 7.682,36
€ 8.107,17
Vergoeding 2/3 restschuld
- € 5.121,83
- € 5.405,05
Betaald na eindafrekening
- € 688,32
Vergoeding netto inleg
- € 8.717,16
- € 8.433,94
Door Dexia te betalen aan [geïntimeerde]
€ 6.844,95
€ 5.731,82
Totaal
€ 12.576,77
De kantonrechter van de rechtbank Rotterdam wees bij eindvonnis van 21 mei 2013 de vorderingen van Dexia in conventie af. en veroordeelde Dexia in reconventie – onder afwijzing van het meer of anders gevorderde – tot betaling aan [geïntimeerde] van € 18.804,60, vermeerderd met rente en kosten.
De kantonrechter oordeelde dat de door Dexia op de eindafrekeningen in rekening gebrachte (contant gemaakte) resterende termijnen buiten beschouwing dienden te blijven, zodat – na correctie – niet langer sprake was van een restschuld, maar van een positief door Dexia te betalen bedrag van € 924,86, ter zake van overeenkomst **495 en van € 500,05 ter zake van overeenkomst **496 (rov. 4.7). De vordering van Dexia in conventie werd daarom afgewezen. Nu bij overeenkomst **495 ook sprake was van een nagekomen dividendbate van € 688,32, werd het totaal door Dexia te betalen bedrag ter zake van overeenkomst **495 bepaald op € 1.613,18. Tegelijkertijd nam de kantonrechter bij de berekening van hetgeen Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigd was – anders dan Dexia deed – het bedrag van € 688,32 ook bij de voordeelstoerekening mee, zodat het totale dividend ter zake overeenkomst **495 werd bepaald op € 4.781,48 (€ 4.093,16 + € 688,32). De berekening van het door de kantonrechter in reconventie toegewezen bedrag is als volgt (bijlage I en II bij het vonnis):
Berekening kantonrechter
Contract **495
Contract **496
Betaalde termijnen
€ 17.168,25
€ 16.743,44
Verrekening dividend
€ 4.781,48
€ 4.093,16
Netto inleg
€ 12.386.77
€ 12.650,28
Vergoeding 2/3 inleg
€ 8.257,85
€ 8.433,52
Restschuld
€ 0
€ 0
Volgens eindafrekening verschuldigd
€ 1.613,18
€ 500,05
Door Dexia te betalen aan [geïntimeerde]
€ 9.871,03
€ 8.933,57
Totaal
€ 18.804,60
De procedure in hoger beroep tot aan de hervatting
Dexia heeft op 5 juli 2013 hoger beroep ingesteld tegen het door de kantonrechter gewezen eindvonnis van 21 mei 2013. Zij richtte een grief tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door Dexia op de eindafrekeningen in rekening gebrachte (contant gemaakte) resterende termijnen ten tijde van de beëindiging buiten beschouwing dienden te worden gelaten (grief I). In hoger beroep vordert zij – onder verwijzing naar haar gewijzigde eis in de conclusie van repliek in eerste aanleg – haar schadevergoedingsplicht alsnog te bepalen op maximaal € 12.576,77, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog integraal af te wijzen en voorts om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 25.300,06 dat Dexia ter voldoening van het vonnis heeft voldaan, vermeerderd met rente en kosten.
Vervolgens heeft het hof meerdere tussenarresten gewezen, waarbij partijen om een nadere toelichting is gevraagd en is de zaak aangehouden in afwachting van de hierna te bespreken prejudiciële beslissing van de Hoge Raad op vragen van het gerechtshof Amsterdam in een andere zaak over de (on)eerlijkheid van de door Dexia gehanteerde bedingen als artikel 6 Bijzondere Voorwaarden.
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 6 Bijzondere Voorwaarden een onredelijk bezwarend beding (in de zin van artikel 6:233 BW) is, voor zover Dexia op grond daarvan aanspraak kan maken op de onbetaalde toekomstige termijnen bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst, maar dat Dexia wel aanspraak kan maken op de bij wege van aanvullend recht geldende wettelijke schadevergoeding.
In het tussenarrest van 18 september 2018 heeft het hof vervolgens het voornemen kenbaar gemaakt om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen, waartoe het in zijn tussenarrest van 2 april 2019 is overgegaan.
Het HvJ EU heeft op 27 januari 2021 arrest gewezen, waarna de zaak op 19 september 2023 weer is hervat.
De verdere beoordeling na hervatting
Dexia heeft in 2006 bij de opmaak van de eindafrekeningen toepassing gegeven aan de artikelen 6 en 15 Bijzondere voorwaarden. Deze artikelen luiden voor zover relevant als volgt:
Artikel 6 Bijzondere voorwaarden:
“6. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke lease-overeenkomst als de onderhavige overeenkomst (…), is Legio-Lease gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke lease-overeenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(men) uit hoofde van alle lopende lease-overeenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door Legio-Lease te bepalen moment ter beurze of anderszins. Legio-Lease zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald.”
Artikel 15 Bijzondere voorwaarden:
“15. Legio-Lease verleent lessee een eerste pandrecht op de waarden als bedoeld in de Wge betreffende de in de overeenkomst genoemde waarden (…). Lessee doet nu reeds voor alsdan afstand van dit pandrecht voor geval dat Legio-Lease tot verkoop van de waarden overgaat op grond van het bepaalde in artikel 6. In geval van ontbinding van de overeenkomst zal de vordering van lessee bestaan in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde van de waarden op de datum van ontbinding verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom. De contante waarde wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 7A:1576e lid 2 BW.”
Dexia heeft met inachtneming van deze artikelen het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom opgeëist. Deze bestaat uit nog niet betaalde (rente)termijnen en teruggave van de geleende hoofdsom. Over beide bedragen heeft Dexia de in artikel 15 Bijzondere voorwaarden genoemde kortingsregel toegepast van 5% per jaar (aangeduid als “contant maken”). Dat heeft ertoe geleid dat Dexia in de eindafrekening van elke overeenkomst een bedrag van € 8.607,22 aan resterende (rente)termijnen in rekening heeft gebracht (41 termijnen x € 228,38 tegen 5% contantmaking), en een bedrag van € 18.662,99 (terugbetaling geleende hoofdsom tegen 5% contantmaking).
In zijn prejudiciële beslissing van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 6 Bijzondere voorwaarden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt ten nadele van de consument. Dat komt doordat het beding geen rekening houdt met het voordeel dat Dexia geniet bij vroegtijdige beëindiging. Doordat Dexia na ontbinding het geleende bedrag eerder terug ontvangt dan overeengekomen, geniet zij het voordeel dat dit bedrag onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het dan geldende percentage. Dit voordeel wordt door de kortingsregel van artikel 15 Bijzondere voorwaarden slechts zeer beperkt gecompenseerd en kan, afhankelijk van de hoogte van de rente en het tijdstip waarop de beëindiging dan wel de ontbinding plaatsvindt, zeer aanzienlijk zijn en tot een hogere schadevergoeding leiden dan Dexia als gevolg van de ontbinding toekomt. Daardoor kan sprake zijn van een onevenredig hoge schadevergoeding. Naar het oordeel van de Hoge Raad is de rechter daarom gehouden het beding van artikel 6 Bijzondere voorwaarden op grond van art. 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die rentetermijnen kan dus niet op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden aanspraak worden gemaakt.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft zowel het hof in de onderhavige zaak als het hof Amsterdam in een vergelijkbare zaak, prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU (zie hiervoor onder 2.14). Hof Amsterdam stelde de vraag of een beding (al) als oneerlijk kan worden aangemerkt als dat beding rond de sluiting van de overeenkomst enkel de mogelijkheid in zich draagt dat, afhankelijk van de omstandigheden die zich gedurende de looptijd van de overeenkomst voordoen, dit beding aan de gebruiker een voordeel biedt doordat – zoals in dit geval – de gebruiker dat voordeel bij voorbaat heeft gefixeerd. Dit hof legde de vraag voor of de gebruiker van een vernietigd beding dat strekte tot betaling van schadevergoeding bij niet-nakoming door de consument, een beroep kan doen op de bij wege van aanvullend recht geldende wettelijke schadevergoeding.
In zijn uitspraak van 27 januari 2021 heeft het HvJ EU de vraag van hof Amsterdam bevestigend beantwoord. Een beding in een risicodragende overeenkomst tussen een verkoper en een consument, zoals effectenleaseovereenkomsten, is ook oneerlijk wanneer, gelet op de omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst en uitgaande van de datum van die sluiting, dat beding gedurende de uitvoering van die overeenkomst het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen aanzienlijk kan verstoren, ook al zou deze verstoring alleen onder bepaalde omstandigheden tot uiting kunnen komen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument. Of een beding waarbij het voordeel dat de verkoper bij vervroegde beëindiging van de overeenkomst geniet bij voorbaat wordt gefixeerd, gelet op de omstandigheden rond de sluiting van die overeenkomst, een dergelijke verstoring van het evenwicht kon veroorzaken, is aan de verwijzende rechter. Op de vraag van dit hof heeft het HvJ EU geantwoord dat wanneer de nationale rechter een beding oneerlijk heeft verklaard en de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan, de verkoper die de consument dat beding heeft opgelegd geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.
Dexia heeft in haar akte van 5 december 2023 (hierna: slotakte) volgend op de uitspraak van het HvJ EU het standpunt ingenomen dat het beding op grond waarvan zij in de eindafrekeningen aanspraak maakte op toekomstige rentetermijnen oneerlijk is en dat de post “resterende termijnen” van € 8.607,22 in beide eindafrekeningen is komen te vervallen.
Dexia meent echter dat naast het vervallen van de post contant gemaakte resterende termijnen, ook de in de eindafrekeningen toegepaste korting over het restant van de hoofdsom moet komen te vervallen. Volgens Dexia volgt uit het arrest van het HvJ EU dat artikel 15 Bijzondere Voorwaarden geheel nietig is en daarom alle gevolgen van die bepaling moeten worden geëlimineerd. Het artikel regelt, aldus Dexia, de contantmaking van de leasetermijnen en heeft daarom betrekking op zowel de resterende rentetermijnen als de (restant)hoofdsom. Daarom vervalt volgens Dexia ook de contactmaking van de (restant)hoofdsom. Nu de (restant)hoofdsom in beide overeenkomsten gelijk staat aan de aankoopwaarden, stelt Dexia dat in de eindafrekening de (restant)hoofdsom moet worden bepaald op € 22.102,06 (de aankoopwaarde als restant hoofdsom) in plaats van € 18.662,99 (de contant gemaakte restant hoofdsom). De totale restschuld zijdens [geïntimeerde] uit hoofde van de overeenkomsten, zo berekend, bedraagt volgens Dexia in haar slotakte dan € 4.273,99, waarvan [geïntimeerde] - conform het hofmodel - nog een derde, derhalve € 1.424,66 aan Dexia moet voldoen.
Het hof volgt Dexia niet in haar stelling dat de korting over het restant van de hoofdsom moet vervallen. Zoals blijkt uit de hiervoor vermelde arresten van de Hoge Raad en het HvJ EU is niet de in artikel 15 Bijzonder Voorwaarden vervatte contantmakingsregel oneerlijk geoordeeld, maar het in artikel 6 Bijzondere Voorwaarden besloten liggende beding om bij beëindiging nog toekomstige rentetermijnen in rekening te brengen. Nu het schrappen van dit beding het voortbestaan van de overeenkomst objectief beschouwd rechtens niet onmogelijk maakt, dient overeenkomstig vaste rechtspraak de overeenkomst zonder andere wijzigingen (dan die welk het gevolg van zijn van zijn van de schrapping van dit beding) te worden voortgezet. Dat betekent dat de contantmaking door Dexia van de nog verschuldigde hoofdsom volgens artikel 15 Bijzondere voorwaarden ongewijzigd in stand blijft.
Conclusie en proceskosten
Het voorgaande voert tot de slotsom dat de (enige) grief van Dexia tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door Dexia gevorderde resterende termijnen (berekend naar de contante waarde) buiten beschouwing dienden te blijven en niet van het aan [geïntimeerde] te betalen bedrag mochten worden afgetrokken, faalt. Het hof zal daarom het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Het hof passeert daarbij de verwijzing van Dexia in haar slotakte naar het als productie 4 bij memorie van grieven overgelegde financieel overzicht, omdat de hierin opgenomen gegevens afwijken van de door Dexia in eerste aanleg overgelegde financiële gegevens waarop de kantonrechter zijn oordeel heeft gebaseerd en omdat Dexia in haar memorie van grieven ook zelf uit gaat van deze door haar in eerste aanleg genoemde gegevens en geen enkele toelichting geeft op (de afwijkingen in) productie 4.
Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. De kosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 683 aan griffierecht en € 3.870 (3 punten x tarief II) aan salaris advocaat, derhalve in totaal: € 4.553.
4. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, M.J. van der Ven en M.M. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.