Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003570-23
Parketnummer: 09-147411-23
Datum uitspraak: 29 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 17 november 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1993,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest en met bijzondere voorwaarden als omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is er een beslissing genomen omtrent het geschorste bevel voorlopige hechtenis als omschreven in het vonnis waarvan beroep. Verder is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen als omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot is er een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij als omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 16 juni 2023 te 's-Gravenhage
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [het slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tweemaal, althans een of meerdere malen, in een been heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 16 juni 2023 te `s-Gravenhage
[het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tweemaal, althans een of meerdere malen, in een been te steken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat uit het dossier en het opsporingsonderzoek onvoldoende blijkt dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om [het slachtoffer] (hierna [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Het hof overweegt als volgt.
In het dossier ontbreekt het aan letselinformatie. Voorts is er geen onderzoek gedaan naar de hoeveelheid kracht waarmee is gestoken en hoe diep de wonden waren. Verder is er geen bloed aangetroffen op het mes, wat de stelling ondersteunt dat er niet diep is gestoken. Het hof is derhalve met de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om [het slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en zal de verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken.
Ten aanzien van de subsidiair ten lastegelegde mishandeling:
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigende gevaar daarvoor.
Daartoe heeft de verdediging de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.
De aanval van [het slachtoffer] kan in redelijkheid worden beschouwd als zodanig bedreigend voor de verdachte dat dit kan worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Bij de verdachte is immers letsel geconstateerd dat daarbij past, te weten: bebloede krassen op haar rechteronderarm en een opgezet jukbeen aan de linkerzijde, voorts zat er een gaatje in haar T-shirt, hetgeen past bij de verklaring van de verdachte dat [het slachtoffer] een schroevendraaier tegen haar hals had gedrukt. De verdachte kon zich niet aan de aanranding onttrekken, nu [het slachtoffer] haar vasthield en het handelen van de verdachte in de noodweersituatie was, dus proportioneel.
Het hof overweegt als volgt.
De verklaringen van [het slachtoffer] en de verdachte zijn op cruciale punten tegenstrijdig. Bovendien heeft de verdachte vanaf haar eerste verklaring bij de politie tot en met de terechtzitting in hoger beroep in grote lijnen hetzelfde verklaard, terwijl [het slachtoffer] juist verklaringen heeft afgelegd waarin de details op belangrijke punten verschillen. Voorts vinden de verklaringen van de verdachte meer steun in het dossier. Uit de WhatsApp gesprekken van de verdachte vlak na het incident, die door de tolk ter terechtzitting in hoger beroep zijn vertaald, blijkt dat zij op dezelfde manier heeft verklaard tegenover haar vrienden. Ook het door de politie bij verdachte geconstateerde letsel past bij haar verklaring. Ook past het letsel van [het slachtoffer] (twee snijwonden aan de achterkant van zijn rechterbovenbeen) bij de vcrklaring van verdachte. Het hof is daarom van oordeel dat de verklaringen van de verdachte betrouwbaar zijn. Voor het vaststellen en het beoordelen van de feiten gaat het hof derhalve uit van de verklaring die de verdachte heeft gegeven.
Op grond van de verklaringen van de verdachte stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte en [het slachtoffer] waren samen in de woning. De verdachte was in de keuken met een mes een meloen aan het snijden en [het slachtoffer] was bij de deur aan het werk met een schroevendraaier toen er een ruzie ontstond. Deze ruzie verplaatste zich naar de woonkamer, alwaar de verdachte het mes waarmee zij meloen stond te snijden op de bank legde. Het liep vervolgens uit op een gevecht tussen verdachte en [het slachtoffer] . Op enig moment heeft [het slachtoffer] de verdachte met één hand in een wurggreep genomen, terwijl hij met zijn andere hand een schroevendraaier bij en tegen haar hals heeft gehouden. Hierbij heeft hij gezegd dat hij de verdachte dood zou steken met de schroevendraaier. De verdachte deed hierop alsof ze flauwviel, waarbij ze iets door haar knieën zakte. Vervolgens pakte ze met haar linkerhand het mes dat ze eerder op de bank had gelegd (verdachte is linkshandig) en begon ze met het mes te zwaaien. Tijdens het zwaaien met het mes heeft zij [het slachtoffer] tweemaal aan de achterzijde van zijn rechterbovenbeen geraakt.
Voor wat betreft het beroep op noodweer overweegt het hof als volgt. Voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 Wetboek van Strafrecht moet aannemelijk worden dat het begane feit geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Naar het oordeel van het hof was door de gedragingen van [het slachtoffer] , zoals hierboven omschreven, sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Onder de gegeven omstandigheden bestond voor de verdachte geen reële mogelijkheid om te vluchten, zodat voldaan is aan de subsidiariteitseis en was het gekozen middel, een mes pakken en ermee zwaaien, in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, zodat ook is voldaan aan de proportionaliteitseis. Aan de verdachte komt dan ook een beroep op noodweer toe.
Met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht wordt mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking gebracht (vgl. Hoge Raad 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690). Nu het hof van oordeel is dat de verdachte met succes een beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer kan doen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat de tenlastegelegde gedraging als wederrechtelijk en daarmee als mishandelend kan worden gezien. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het haar subsidiair tenlastegelegde.
Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.427,11.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 2.427,11.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.427,11, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Beslag
In de woning is een mes in beslag genomen.
Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep de verbeurdverklaring gevorderd.
Gelet op de vrijspraak van de verdachte van het tenlastegelegde zal het hof ten aanzien van het mes bewaring gelasten ten behoeve van de rechthebbende.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 Stk Mes ( [nummer] ).
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. O.E.M. Leinarts, als voorzitter, mr. J.P.L.M. Remmerswaal en mr. R. Appels, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.F. Kuiper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 juli 2026.