ECLI:NL:GHDHA:2026:2587

ECLI:NL:GHDHA:2026:2587

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 10-08-2026
Zaaknummer 200.360.516/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:11911

Samenvatting

erfrecht; testament erflaatster met quasi-wettelijke verdeling; langstlevende echtgenoot is executeur-afwikkelingsbewindvoerder; overlijden langstlevende echtgenoot; huwelijksgoederengemeenschap van erflaatster en langstlevende echtgenoot verdeeld?; vaststelling omvang en samenstelling nalatenschap erflaatster mogelijk?; vaststelling vorderingen uit hoofde van de quasi-wettelijke verdeling mogelijk?; bevoegdheden afwikkelingsbewindvoerder; kan afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig de waarde van activa bepalen?

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

Zaaknummer : 200.360.516/01

Zaaknummer rechtbank: 11059582 VZ VERZ 24-77

Arrest van 7 juli 2026

in de zaak van

1. [zus 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [zus 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. J.A. Jansens van Gellicum te Utrecht,

tegen

[broer] , in persoon en in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van de heer [de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht.

Het hof zal appellanten hierna ook [zus 1] en [zus 2] noemen en geïntimeerde ook [broer] .

1. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- het beroepschrift van 21 februari 2025, waarmee appellanten in hoger beroep zijn gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, team kanton, locatie Dordrecht, van 22 november 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking);

- het verweerschrift van geïntimeerde;

- een journaalbericht van appellanten van 11 maart 2025 met bijlagen, ingekomen op 12 maart 2025;

- een journaalbericht van appellanten van 15 september 2025 met bijlagen;

- de beschikking van het hof Den Haag van 15 oktober 2025, waarbij, met toepassing van artikel 69 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is bevolen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;

- een akte vermeerdering van eis en overlegging productie 20 van appellanten van 18 december 2025, met bijlage;

- een akte overlegging producties en verzoek ex artikel 87 lid 3 Rv van geïntimeerde van 24 december 2025;

- een akte overlegging productie 21 van appellanten van 29 december 2025;

- de mail van het hof aan partijen van 5 januari 2026 met daarin agendapunten op grond waarvan het hof de mondelinge behandeling van 8 januari 2026 wenst te laten plaatsvinden.

Op 8 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten zijn verschenen. De advocaat van appellanten heeft de zaak toegelicht overeenkomstig haar pleitaantekeningen, die zij heeft overgelegd.

Het hof zal arrest wijzen op het procesdossier bestaande uit de onder 1.1 genoemde stukken en aangevuld met de overgelegde pleitaantekeningen.

2. Feitelijke achtergrond

Voor de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof eerst enige achtergrondinformatie. Voor de feiten gaat het hof in beginsel uit van de feiten zoals weergegeven door de kantonrechter in haar beschikking van 22 november 2024.

Op [datum] 2021 is overleden [de moeder] (hierna: moeder). Zij is de moeder van [zus 1] , [zus 2] en [broer] . Ten tijde van haar overlijden was moeder in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [woonplaats] , de vader van [zus 1] , [zus 2] en [broer] (hierna: vader). Moeder heeft bij testament van [datum] 2015 – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – vader en haar kinderen ( [zus 1] , [zus 2] en [broer] ) benoemd tot haar erfgenamen: vader voor 1/100ste deel en de kinderen tezamen en voor gelijke delen voor het resterende deel van de nalatenschap. Voorts heeft zij vader tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd, heeft zij de wettelijke verdeling uitgesloten en bepaald dat haar nalatenschap dient te worden verdeeld als ware er een wettelijke verdeling (de zogeheten ‘quasi-wettelijke verdeling’), waarbij vader bevoegd is alle goederen die tot de nalatenschap behoren aan zichzelf toe te delen, onder de verplichting om alle schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen. In het testament is vervolgens bepaald dat indien vader door deze toedeling wordt overbedeeld, de kinderen op grond van de verdeling een vordering in geld ten laste van vader krijgen berekend in het saldo van de nalatenschap, met inachtneming van de hiervoor bedoelde schulden. Vader en [broer] hebben de nalatenschap van moeder zuiver aanvaard. [zus 1] en [zus 2] hebben de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard. Vader heeft als executeur verklaard dat de nalatenschap van moeder ruimschoots voldoende is om alle schulden te voldoen, waardoor de taak van de executeur door de beneficiaire aanvaarding niet is geëindigd en de nalatenschap niet volgens de wet vereffend hoeft te worden (zie de notariële akte van verdeling van 2 maart 2023; productie 6 bij het verzoekschrift in eerste aanleg van de appellanten).

[zus 1] en [zus 2] zijn onderhavige procedure gestart tegen vader als erfgenaam en executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van moeder.

Vader is op [datum] 2024, vlak voor de bestreden beschikking, overleden. Bij testament van [datum] 2024 heeft hij [zus 1] en [zus 2] benoemd tot erfgenaam voor hun legitieme erfdeel (zijnde ieder 1/6 gedeelte) en [broer] tot erfgenaam voor het resterende deel van de nalatenschap (zijnde 4/6 gedeelte). [broer] is tevens door vader benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Blijkens de door appellanten in hoger beroep overgelegde notariële verklaring van erfrecht betreffende de nalatenschap van vader hebben [zus 1] , [zus 2] en [broer] de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard en heeft [broer] zijn benoeming tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder aanvaard. Tevens heeft [broer] – blijkens genoemde verklaring van erfrecht – als executeur verklaard, dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen, zodat de regeling van de wettelijke vereffening, zoals opgenomen in afdeling 3 titel 6 Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in geval van beneficiaire aanvaarding niet van toepassing is. In de verklaring van erfrecht wordt tot slot geconcludeerd dat [broer] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder, bevoegd is om de goederen van de nalatenschap van vader te beheren en daarover te beschikken.

In de beschikking van dit hof van 15 oktober 2025 heeft het hof reeds beslist dat aan de orde is de vorderingen uit hoofde van de quasi-wettelijke verdeling van de nalatenschap van moeder en dat die procedure aanhangig had moet worden gemaakt bij de rechtbank door middel van een dagvaardingsprocedure.

3. Ontvankelijkheid

Door geïntimeerde wordt gesteld dat de appellanten het beroepschrift te laat hebben ingediend. Het hof heeft uit de stempel van de griffie echter afgeleid dat het beroepschrift op 21 februari 2025 – en derhalve tijdig – is ontvangen. Dat mogelijk een pagina nadien is vervangen, door vermelding van een onjuiste datum, doet daaraan niet af.

4. Vermeerdering van eis door appellanten

Bij akte van 18 december 2025 hebben appellanten hun eis vermeerderd. Door appellanten is gevorderd:

Geïntimeerde in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van vader te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na het in deze te wijzen [arrest] van het bedrag dat [zus 1] toekomt uit hoofde van de (quasi) wettelijke verdeling conform artikel 4:7 en 4:13 BW inclusief de overeengekomen rente van 6% per jaar vanaf overlijden moeder, zijnde €1.337.938, vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum overlijden vader, [datum] 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.

Geïntimeerde in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van vader te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na het in deze te wijzen [arrest] van het bedrag dat [zus 2] toekomt uit hoofde van de (quasi) wettelijke verdeling conform artikel 4.7 en 4:13 BW inclusief de overeengekomen rente van 6% per jaar vanaf overlijden moeder, zijnde € 1.296.577, vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum overlijden vader, [datum] 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.

Geïntimeerde in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van vader te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na het in deze te wijzen [arrest] van het bedrag dat [zus 1] toekomt en volgt uit het afvullegaat met tweetrapsmaking zoals opgenomen in het testament van moeder, zijnde € 259.303, vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum overlijden vader, [datum] 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Geïntimeerde in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van vader te veroordelen tot betaling binnen 14 dagen na het in deze te wijzen [arrest] van het bedrag dat [zus 2] toekomt en volgt uit het afvullegaat met tweetrapsmaking zoals opgenomen in het testament van moeder, zijnde € 259.303, vermeerderd met wettelijke rente vanaf datum overlijden vader, [datum] 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Door geïntimeerde is gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vermeerdering van eis. Geïntimeerde vindt het strijdig met de goede procesorde om een dergelijke aanpassing van eis pas voor het eerst in hoger beroep te doen en dan ook pas na de verwijzing naar de dagvaardingsprocedure. Geïntimeerde is nu ook niet meer in de gelegenheid om een reconventionele vordering in te stellen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof beslist dat de vermeerdering van eis in strijd is met een goede procesorde alsmede in strijd is met de tweeconclusieregel. Het element van betaling, waarin ook een element van veroordeling terugkomt, wordt buiten beschouwing gelaten op basis van de tweeconclusieregel, hetzelfde geldt voor het afvullegaat dat zelfs tot op heden nog geen onderdeel is geweest van de rechtsstrijd tussen partijen. De eiswijziging kan ook niet aangeduid worden als een nadere precisering van hetgeen bij het inleidend verzoek in hoger beroep is gevorderd. De vermeerdering van eis vergt immers van geïntimeerde dat hij zijn verweer anders dient te formuleren en dat element acht het hof in dit stadium van de procedure bovendien ook in strijd met een goede procesorde.

5. Vorderingen in hoger beroep

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen en verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- de vorderingen uit hoofde van de nalatenschap van moeder vast te stellen met inachtneming van de bepalingen in het testament en daartoe alles te doen wat het hof nuttig en nodig acht om tot een juiste vaststelling van die vorderingen te komen;

- [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, de na de uitspraak vallende kosten daaronder begrepen.

Door geïntimeerde is gemotiveerd verweer gevoerd en is het hof verzocht bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [zus 1] en [zus 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep, althans hun verzoeken af te wijzen en [zus 1] en [zus 2] te veroordelen in de (proces)kosten, de eventuele nakosten daaronder begrepen, althans zodanig te oordelen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

6. Beoordeling in hoger beroep

Het hof zal in het onderstaande motiveren waarom appellanten geen belang meer hebben bij een integrale bespreking van hun grieven.

Het hof overweegt als volgt. Uit het testament van moeder volgt dat de wettelijke verdeling niet van toepassing is. Als gevolg van haar testament moet worden verdeeld de voormalige huwelijksgemeenschap van moeder en vader en vervolgens moet worden vastgesteld wat tot de nalatenschap van moeder behoort.

Uit de gewisselde processtukken volgt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap en als gevolg daarvan ook geen overeenstemming hebben bereikt met betrekking tot de omvang en samenstelling van de nalatenschap van moeder. Partijen verschillen aanzienlijk van mening met betrekking tot de waardering van de diverse vermogensbestanddelen die tot de huwelijksgemeenschap van moeder en vader behoorden.

Uit de notariële akte van [datum] 2023, verleden voor notaris mr. [notaris] , volgt niet dat de huwelijksgemeenschap van moeder en vader is verdeeld, noch volgt daaruit dat de nalatenschap van moeder is verdeeld.

Op basis van het testament van moeder had vader als afwikkelingsbewindvoerder met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap van moeder een grote mate van vrijheid, dus ook zonder medewerking van de mede-erfgenamen. Voorts impliceert de quasi-wettelijke verdeling dat in beginsel de gehele nalatenschap van moeder aan vader wordt toegedeeld (en de kinderen op grond van de verdeling een vordering in geld ten laste van vader krijgen berekend in het saldo van de nalatenschap). Echter het hof is van oordeel dat vader op basis van het testament van moeder niet de vrijheid had om naar eigen goeddunken de waarde te bepalen van de activa die tot de huwelijksgoederengemeenschap van moeder en vader behoorden en als gevolg daarvan zelfstandig de waarde kon bepalen van de activa die mogelijk behoorden tot de nalatenschap van moeder. Het feit dat moeder in haar testament had bepaald dat vader bij het einde van het afwikkelingsbewind rekening en verantwoording dient af te leggen bij de notariële verdeling doet daaraan niet af.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dus dat de huwelijksgoederengemeenschap van moeder en vader niet is verdeeld en dus ook niet de nalatenschap van moeder qua omvang en samenstelling kan worden vastgesteld. Het hof kan dus niet vaststellen wat de mogelijke vordering van appellanten is op vader in de nalatenschap van moeder. Naar het oordeel van het hof hebben appellanten – mede bezien hun vordering in hoger beroep – geen belang meer bij de bespreking van hun grieven nu hun vordering niet toewijsbaar is.

Het hof zal de beschikking van de rechtbank vernietigen waarbij appellanten niet-ontvankelijk zijn verklaard. Het hof zal de vordering van appellanten alsnog afwijzen.

Gezien de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2024 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van appellanten alsnog af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.G.B. Boelens, A.N. Labohm, en A. Zonneveld en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Notamail 2026/191 Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/458
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand