ECLI:NL:GHDHA:2026:2623

ECLI:NL:GHDHA:2026:2623

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 11-08-2026
Zaaknummer 200.326.030/02
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Hoger beroep kort geding
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Inzagevordering. Wordt nog beheerst door artikel 843a (oud) Rv. Stukken die horen bij de administratie van de samenwerking tussen partijen. Gedeeltelijke toewijzing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.326.030/02

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/640457 / KG ZA 22-1152

Arrest van 18 augustus 2026 in kort geding

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto, kantoorhoudend in Amstelveen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.A.J. Kemps, kantoorhoudend in Eindhoven.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1. De zaak in het kort

[appellant] en [geïntimeerde] hebben tussen 2015 en 2022 samengewerkt op het gebied van de huur en (onder)verhuur van woningen en [appellant] wil afschriften ontvangen van de stukken van de administratie die [geïntimeerde] heeft gevoerd van deze samenwerking. Het hof wijst die vordering in dit arrest toe en bepaalt daarbij hoe [geïntimeerde] de gevorderde afschriften moet verstrekken.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep tot aan de hierna vermelde mondelinge behandeling blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 16 maart 2023 waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 20 februari 2023;

het arrest van dit hof van 13 juni 2023 waarin een mondelinge behandeling is gelast;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2023, met daarin opgenomen een minnelijke regeling waarin partijen hebben gevraagd om doorhaling van de zaak;

het verzoek van [appellant] om hervatting;

de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;

de memorie van antwoord van [geïntimeerde] ;

de bijlagen nrs. H20 en H21 tot en met H24 die [appellant] heeft overgelegd ter gelegenheid van de hierna vermelde mondelinge behandeling.

Op 20 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van die mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Tijdens die mondelinge behandeling heeft het hof aan partijen een instructie gegeven voor een aktewisseling.

Het verloop van de procedure daarna blijkt uit de volgende stukken:

de brief van [appellant] van 16 juni 2025, met bijlage;

het bericht van het hof aan partijen van 11 februari 2026 met een uitnodiging aan [geïntimeerde] om bij akte op bepaalde punten op die brief van [appellant] te reageren;

het stuk van [geïntimeerde] van 24 maart 2026 dat door de rolraadsheer is aangemerkt als een verzoek tot het verlenen van nader uitstel voor het nemen van die akte;

de beslissing van de rolraadsheer om dat nader uitstel niet te verlenen.

3. Feitelijke achtergrond

Partijen hebben vanaf 2015 samengewerkt bij het voor gezamenlijke rekening en risico huren en (onder)verhuren van woningen.

In de periode tussen 2015 en juli 2019 verbleef [appellant] in Suriname en in de periode tussen juli 2019 en 2021 was hij in Nederland gedetineerd. In die opeenvolgende periodes heeft [geïntimeerde] (al dan niet samen met een zoon van [appellant] ) alle uit deze samenwerking voortvloeiende werkzaamheden verricht.

Na zijn terugkeer uit Suriname heeft [appellant] [geïntimeerde] herhaaldelijk verzocht om afgifte van de administratie die [geïntimeerde] heeft gevoerd van de hiervoor bedoelde samenwerking.

Op 15 november 2022 heeft de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: de FIOD) bij invallen op twee kantoren van [geïntimeerde] en op zijn privéadres een daar aanwezige fysieke en digitale administratie in beslag genomen. De voorwerpen die op de kantooradressen in beslag zijn genomen zijn geregistreerd in beslaglijsten met de letters B en D en de voorwerpen die in beslag zijn genomen op het privé-adres in een beslaglijst met de letter A.

Op 16 november 2022, 30 november 2022, 8 december 2022 en 10 januari 2023 heeft de FIOD de in beslag genomen voorwerpen teruggegeven aan [geïntimeerde] respectievelijk zijn levenspartner.

[geïntimeerde] heeft bij brief van 29 november 2022 de samenwerking met [appellant] opgezegd tegen 31 december 2022. [appellant] heeft de betrokken werkzaamheden daarna alleen voortgezet.

Op 8 en 9 januari 2023 heeft [geïntimeerde] digitale bestanden met de namen “Kopie huurovereenkomsten” en “COMPLETE ADMINISTRATIE” gestuurd aan [appellant] .

Op 11 december 2023 heeft [geïntimeerde] , ter uitvoering van een minnelijke regeling die partijen hebben getroffen tijdens de hiervoor onder 2.1 bedoelde mondelinge behandeling na aanbrengen van 10 november 2023, aan [appellant] digitale bestanden gestuurd met de volgende namen:- Kwitanties 2021- Kwitanties 2022- Nieuw gescande overeenkomsten- Export statement 0101 – 12-31.Het laatste van deze bestanden bevatte een uitdraai van een rekening van [onderneming 1] bij Bunq Bank voor het jaar 2022.

[appellant] heeft bij dagvaarding van 30 januari 2025 tegen [geïntimeerde] en diens levenspartner een bodemprocedure ingeleid waarin hij vordert dat zij op grond van nakoming van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst worden veroordeeld tot betaling van het winstaandeel van [appellant] in die samenwerking ad € 937.000,-, met rente.

4. Procedure bij de rechtbank

[appellant] heeft [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter [geïntimeerde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis en op straffe van een dwangsom veroordeelt, samengevat:1. de complete (financiële) administratie vanaf 2015 af te geven, bestaande uit de volgende bescheiden/gegevens:- de originele (onder)huurovereenkomsten;- de huurinkomsten/huurbetalingen met onderliggende stukken (bankafschriften, kwitanties en kasboek);- de onderliggende stukken ter zake de kosten van exploitatie/beheer;- alle correspondentie met de eigenaren van de huurwoningen en de onderhuurders/derden ter zake de exploitatie en het beheer van de huurwoningen;- de contactgegevens van de eigenaren en de onderhuurders; en2. rekening en verantwoording af te leggen over de vanaf 2015 uitgevoerde opdracht tot exploitatie en beheer van verhuurde woningen, met verstrekking van bepaalde gegevens.

Zijn vordering 1 (hierna: de afgiftevordering) heeft [appellant] gegrond op artikel 843a (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Hij heeft daartoe gesteld dat hij met [geïntimeerde] een overeenkomst van opdracht dan wel een samenwerkingsovereenkomst had gesloten met betrekking tot de huur en (onder)verhuur van onroerend goed. Hij heeft recht op en belang bij toegang tot de administratie die [geïntimeerde] in dat kader in zijn afwezigheid heeft gevoerd, omdat hij die activiteit ondertussen in zijn eentje voortzet en inmiddels met betrekking tot die activiteit is verwikkeld in strafzaken, belastingzaken en civiele zaken met verhuurders en huurders. Hij moet met name correct aangifte kunnen doen, met aftrek van kosten, huurders kunnen aanspreken op huurachterstanden en [geïntimeerde] kunnen aanspreken op de verdeling van de inkomsten.

Zijn vordering 2 (hierna: de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording) heeft [appellant] gegrond op de stelling dat hij met betrekking tot de betrokken, met huur en verhuur van woningen samenhangende werkzaamheden een overeenkomst van opdracht had gegeven aan [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] daar uit hoofde van die overeenkomst rekening en verantwoording over moet afleggen.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. 1. Met betrekking tot de afgiftevordering oordeelde de voorzieningenrechter kort gezegd dat [appellant] als gevolg van door [geïntimeerde] ter zitting gedane toezeggingen geen spoedeisend belang meer had bij zijn vorderingen.2. Met betrekking tot de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met [geïntimeerde] de door hem gestelde overeenkomst van opdracht had gesloten.

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] vordert in hoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank. Zijn bezwaren hebben betrekking op de afwijzing van de afgiftevordering.

6. Beoordeling in hoger beroep

Het gaat in hoger beroep alleen nog om de afgiftevordering

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van zijn vorderingen, maar heeft geen bezwaar gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat heeft geleid tot afwijzing van de vordering van [appellant] tot het afleggen van rekening en verantwoording. Het gaat daarom in hoger beroep alleen nog om de afgiftevordering.

[appellant] heeft voldoende spoedeisend belang bij zijn afgiftevordering

De kortgedingrechter in hoger beroep moet (zo nodig ambtshalve) beoordelen of ten tijde van zijn beslissing nog spoedeisend belang bestaat bij de gevorderde voorziening.

Dat is hier het geval. [appellant] heeft gewezen op diverse dreigende of reeds aanhangige procedures (i) tegen verhuurders en onderhuurders, (ii) tegen de belastingdienst met betrekking tot de over de periode 2015-2022 verschuldigde inkomstenbelasting en (iii) in strafzaken op grond van overtreding van het belastingrecht. Anders dan [geïntimeerde] aanvoert, heeft [appellant] dat voldoende concreet onderbouwd met stukken die betrekking hebben op die procedures. Daarnaast heeft [appellant] gewezen op de bodemprocedure die hij inmiddels tegen [geïntimeerde] en diens levenspartner heeft ingesteld en waarin hij vordert dat zij op grond van nakoming van de samenwerkingsovereenkomst worden veroordeeld tot betaling van zijn gesteld winstaandeel. [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de stukken waarvan hij afschrift vordert nodig heeft om zijn rechtspositie in die procedures te kunnen bepalen en om daarin zijn vorderingen te kunnen onderbouwen respectievelijk verweer te kunnen voeren. Uit een en ander volgt dat [appellant] voor het ontvangen van deze afschriften niet de uitkomst kan afwachten van een bodemprocedure.

[appellant] heeft niet in die mate in strijd verklaard met de waarheidsplicht dat de rechter tussen partijen moet ingrijpen

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat [appellant] in zijn inleidende dagvaarding op meerdere plekken heeft verklaard in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv en dat de voorzieningenrechter om die reden de vordering van [appellant] moest afwijzen.

Het hof volgt [geïntimeerde] daar niet in. [appellant] heeft bij inleidende dagvaarding bepaalde rechtsgronden aangevoerd die de rechtbank niet heeft overgenomen, zoals het bestaan van een overeenkomst van opdracht, maar dat betekent nog niet dat hij in strijd met de waarheidsplicht heeft gesteld. In diezelfde inleidende dagvaarding heeft hij weliswaar in strijd met de waarheidsplicht verklaard dat hij na december 2020 niets meer van [geïntimeerde] had vernomen – [geïntimeerde] had immers al op 8 januari 2023 en 9 januari 2023 bepaalde stukken aan [appellant] gestuurd – maar het hof ziet geen aanleiding om daar gevolgen aan te verbinden. [geïntimeerde] heeft andere stukken namelijk pas op 11 december 2023 aan [appellant] verstrekt, ter uitvoering van de minnelijke regeling die partijen hadden getroffen tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen in hoger beroep, en [appellant] kon daarom stellen dat hij niet alles had gekregen.

Het toetsingskader voor de afgiftevordering is artikel 843a (oud) Rv

[appellant] heeft zijn vorderingen gegrond op artikel 843a Rv, zoals dat bestond toen hij zijn inleidende dagvaarding heeft laten uitbrengen. Die bepaling is met de inwerkintreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 ingetrokken en vervangen door de artikelen 194 e.v. Rv.

De overgangsbepaling van artikel XIIA van die wet schrijft voor, voor zover hier van belang, dat ten aanzien van de verdere behandeling door een gerecht van zaken die op die datum met een dagvaarding aanhangig zijn, het recht van toepassing blijft zoals dat gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing. Deze bepaling moet per instantie worden toegepast, in die zin dat in een op 1 januari 2025 reeds lopende instantie het voordien geldende recht van toepassing blijft en dat na het instellen van een rechtsmiddel in de volgende instantie het nieuwe recht van toepassing wordt.

[appellant] heeft in deze zaak zijn appeldagvaarding laten uitbrengen op 16 maart 2023 en de zaak bij dit hof aangebracht op 25 april 2023. Daarom blijft op deze zaak van toepassing artikel 843a (oud) Rv.

Artikel 843a lid 1 (oud) Rv bepaalt dat diegene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Het kan bij dergelijke bescheiden zowel gaan om papieren stukken als om digitale bestanden.

De afgiftevordering is deels toewijsbaar

Er bestaat tussen partijen een rechtsbetrekking

Tussen partijen staat vast dat zij tussen 2015 en 2022 hebben samengewerkt bij het voor gezamenlijke rekening en risico huren en (onder)verhuren van woningen (hierna: de samenwerking) en dat daarmee tussen hen sprake is van een rechtsbetrekking. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat uit de aard van die rechtsbetrekking voortvloeit dat beide partijen gelijke toegang moeten hebben tot alle stukken met betrekking tot die samenwerking. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft hij ook verklaard dat zijn opzegging van de samenwerking onverlet laat dat hij zal meewerken aan elke vorm van informatieverstrekking, zolang dat maar op een verantwoorde, professionele en veilige en niet-intimiderende manier kan.

[appellant] heeft rechtmatig belang bij afgifte

Uit de beoordeling hiervoor onder 6.3 volgt dat [appellant] een rechtmatig belang heeft bij de door hem gevorderde afgifte.

[appellant] heeft nog niet alle stukken met betrekking tot de samenwerking in zijn bezit

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en opnieuw bij memorie van antwoord aangevoerd dat hij alles wat hij had al (in kopie) aan [appellant] had verstrekt, laatstelijk bij WE-transfer van 11 december 2023.

Het hof volgt [geïntimeerde] om de volgende redenen niet in dat standpunt. [appellant] heeft dat standpunt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betwist en heeft in zijn brief van 16 juni 2025 een opsomming gegeven van de stukken die volgens hem nog ontbraken. Nadat [geïntimeerde] geen gebruik had gemaakt van mogelijkheid om daarop te reageren heeft het hof hem uitgenodigd om dat alsnog te doen door, kort gezegd, een vergelijking te maken tussen enerzijds de door de FIOD in beslag genomen bescheiden (hierna: de FIOD-bescheiden) en de stukken met betrekking tot bankrekeningen waarvan de FIOD de bankpassen in beslag heeft genomen en anderzijds de stukken die [geïntimeerde] op 8 januari 2023, 9 januari 2023 en 11 december 2023 aan [appellant] ter beschikking heeft gesteld. Ook daar heeft [geïntimeerde] geen gebruik van gemaakt. Vervolgens heeft [geïntimeerde] in zijn verzoek om uitstel van 24 maart 2026 vermeld dat er een aantal stukken zijn die nog niet met [appellant] waren gedeeld.

[geïntimeerde] heeft ook aangevoerd dat [appellant] alle betrokken stukken al in zijn bezit heeft omdat diens zoon [zoon appellant] (hierna: [zoon appellant] ) in de betrokken periode met [geïntimeerde] heeft samengewerkt en deze de huuradministratie daarom in samenspraak met [zoon appellant] voerde, waarbij elk van hen toegang had tot dezelfde data en [zoon appellant] ook toegang had tot het mailaccount van het makelaarskantoor van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft in dat verband whatsapp-berichten en e-mailberichten in het geding gebracht waaruit volgens hem blijkt dat [zoon appellant] tijdens de afwezigheid van [appellant] betrokken was bij de samenwerking met [geïntimeerde] .

Het hof volgt [geïntimeerde] evenmin in dat standpunt. Uit de overgelegde whatsapp-correspondentie en mailberichten, waarvan [appellant] de juistheid niet heeft weersproken, blijkt weliswaar dat [zoon appellant] bij afwezigheid van zijn vader betrokken was bij de samenwerking, maar [appellant] heeft in eerste aanleg terecht weersproken dat daaruit volgt dat zijn zoon is komen te beschikken over een (volledige) kopie van de administratie van de samenwerking. Nadat [appellant] dit laatste opnieuw had weersproken bij memorie van grieven heeft [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep herhaald dat [zoon appellant] toegang had tot de volledige administratie, met de verduidelijking dat alle daarop betrekking hebbende stukken in tweevoud werden bewaard, met één exemplaar voor [zoon appellant] , maar geen nieuwe stukken in het geding gebracht die op dat punt een nieuw licht op de zaak werpen.

Daarmee is in kort geding niet voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] al is komen te beschikken over alle stukken van [geïntimeerde] met betrekking tot de samenwerking, rechtstreeks of via zijn zoon [zoon appellant]

Er bestaan bepaalde stukken die betrekking hebben op de samenwerking

Het debat tussen partijen spitst zich daarmee toe op het bestaan, de bepaaldheid en de relevantie van de stukken die [appellant] heeft vermeld in zijn brief van 16 juni 2025.

(i) FIOD-bescheiden

Tussen partijen staat vast dat de FIOD op 15 november in bedrijfs- en privépanden van [geïntimeerde] een administratie in beslag heeft genomen die bestond uit papieren stukken en (digitale bestanden op) gegevensdragers (hierna: de FIOD-bescheiden) en dat de FIOD de door haar in beslag genomen voorwerpen in de periode 16 november 2022 – 10 januari 2023 in hun geheel aan [geïntimeerde] heeft teruggegeven. [appellant] heeft de betrokken beslag- en teruggaaflijsten in het geding gebracht, waarin zowel papieren stukken als gegevensdragers op identificeerbare wijze zijn beschreven. De betrokken papieren stukken en digitale bestanden zijn daarmee voldoende bepaald.

Uit de betrokken beslag- en teruggaaflijsten van de FIOD volgt dat die administratie betrekking had op de huur- en (onder)verhuur van woningen en dat de in beslag genomen papieren stukken deels waren ingedeeld met vermelding van adressen dan wel in alfabetisch geordende lades en hangmappen. [appellant] heeft bij memorie van grieven onbetwist gesteld dat het bij dat laatste ging om fysieke huur- en verhuurdossiers die [geïntimeerde] per object in alfabetische volgorde bewaarde.

Uit de memorie van grieven van [appellant] en diens brief van 16 juni 2025, waarin hij telkens verwijst naar de beslag- en teruggaaflijsten van de FIOD, volgt dat [appellant] vindt dat niet alleen deze stukken betrekking hebben op de samenwerking, maar in beginsel alle FIOD-bescheiden.

Het hof geeft hem om de volgende redenen hierin gelijk. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij [appellant] vlak na zijn afstuderen heeft leren kennen en dat hij toen met hem is gaan samenwerken. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij in 2022, toen hij gestopt is met de samenwerking met [appellant] , geen inkomen meer had. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat [geïntimeerde] in de tussenliggende periode geen andere activiteit had dan de samenwerking met [appellant] , hetgeen een ondersteuning vormt van de stelling van [appellant] dat alle FIOD-stukken betrekking hebben op de samenwerking met hem. Dit wordt verder bevestigd door het feit dat [geïntimeerde] geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de brief van [appellant] van 16 juni 2025 waarin deze is ingegaan op de relevantie van de FIOD-lijsten, en dat [geïntimeerde] ook geen gebruik heeft gemaakt van de daarna geboden mogelijkheid om dat alsnog te doen.

Het hof ziet wel aanleiding om dit oordeel te nuanceren, namelijk waar het gaat om de digitale bestanden die mogelijk aanwezig zijn op de gegevensdragers die de FIOD in beslag heeft genomen op het privéadres van [geïntimeerde] . Omdat deze bestanden mogelijk geen betrekking hebben op de professionele activiteit van [geïntimeerde] zal het hof hierna onder toepassing van artikel 843a lid 2 (oud) Rv bepalen dat [geïntimeerde] daarvan alleen afschrift hoeft te geven voor zover die kunnen worden geselecteerd door middel van aan de samenwerking gerelateerde zoektermen (zie hierna onder 6.37).

Voor de papieren stukken die de FIOD op het privéadres van [geïntimeerde] in beslag heeft genomen geldt daarentegen dat hun relevantie voor de samenwerking voldoende blijkt uit de beschrijving die de FIOD daarvan heeft gegeven in zijn beslag- en teruggaaflijsten.

(ii) Kwitantieboekjes

Uit de beslag- en teruggaaflijsten van de FIOD blijkt dat een deel van de FIOD-bescheiden bestaat uit kwitantieboekjes. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij een deel van de op de samenwerking betrekking hebbende kwitantieboekjes elders in bewaring had gegeven en dat de FIOD die dus niet in beslag had genomen. Ook voor deze elders in bewaring gegeven kwitantieboekjes geldt dat zij bepaald zijn en betrekking hebben op de samenwerking.

(iii) Bankafschriften en -jaaroverzichten

[appellant] heeft onweersproken gesteld dat de huurpenningen voor de bij de samenwerking betrokken huur- en (onder)verhuurovereenkomsten hetzij contant werden voldaan op de kantoren van [geïntimeerde] , hetzij via de zakelijke rekeningen van [onderneming 1] en [onderneming 2] . In de bijlage bij zijn brief van 16 juni 2025 vraagt hij om afschrift van de bankafschriften en de jaaroverzichten met betrekking tot de privérekening van [geïntimeerde] bij de ING Bank en de zakelijke rekeningen van [onderneming 1] en [onderneming 2] bij de ING Bank en Bunq.

Als het ten eerste gaat om de privérekeningen van [geïntimeerde] vermeldt de Beslaglijst A, waarin de voorwerpen zijn opgesomd die de FIOD op het privéadres van [geïntimeerde] in beslag heeft genomen, inderdaad bankpassen voor diverse rekeningen op naam van “A. [geïntimeerde] ”. [appellant] heeft echter onvoldoende toegelicht waarom die privérekeningen relevant waren voor de samenwerking. [appellant] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat [geïntimeerde] samen met zijn broer huurinkomsten (naar het hof begrijpt: uit de samenwerking) heeft doorgesluisd naar India, maar [geïntimeerde] heeft daarop verklaard dat hij daar niet op ging reageren, wat het hof opvat als een betwisting, en [appellant] heeft die stelling verder niet onderbouwd. Het hof zal de afgiftevordering daarom afwijzen voor zover zij betrekking heeft op stukken met betrekking tot privérekeningen van [geïntimeerde] .

Met betrekking tot, ten tweede, de door [appellant] genoemde zakelijke rekeningen van [onderneming 1] en [onderneming 2] bij de ING Bank en Bunq vermeldt Beslaglijst A ten eerste een bankpas voor een rekening bij Bunq op naam van [onderneming 1] met nummer [rekeningnummer 1] en een “Witte envelop ING met meerdere opnamebewijzen ING”. De andere beslaglijsten vermelden geen bankpassen.

Als het gaat om de rekening bij Bunq volgt uit de onbetwiste stelling van [appellant] dat betalingen voor de samenwerking onder andere liepen via de bankrekening van [onderneming 1] dat die rekening relevant is voor de samenwerking.

Met betrekking tot de “Witte envelop ING met meerdere opnamebewijzen ING”, die in beslag is genomen op het privéadres van [geïntimeerde] , heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokken rekening bij de ING Bank relevant was voor de samenwerking en niet (alleen) voor [geïntimeerde] in privé.

Daarnaast heeft [appellant] in de bijlage bij zijn brief van 16 juni 2025 vermeld dat [geïntimeerde] hem bankafschriften heeft verstrekt voor 2022 voor een rekening bij Bunq op naam van [onderneming 1] met nummer [rekeningnummer 2] . Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [geïntimeerde] daar niet op gereageerd. Daarmee is in kort geding voldoende aannemelijk geworden dat die rekening bestaat en betrekking heeft op de samenwerking.

De afgiftevordering is daarom toewijsbaar voor zover zij betrekking heeft op de rekeningen bij Bunq op naam van [onderneming 1] met nummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] , behalve, als het gaat om de tweede van deze rekeningen, de bankafschriften voor 2022, omdat die afschriften al zijn verstrekt.

[geïntimeerde] beschikt over deze stukken

[geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat hij niet meer beschikt over de FIOD-bescheiden. Hij heeft evenmin aangevoerd dat hij geen toegang meer heeft tot de elders in bewaring gegeven kwitantieboekjes of tot de rekeningafschriften en jaaroverzichten van de hiervoor bedoelde bankrekeningen.

Afgifte of afschrift?

Uit het voorgaande volgt dat de afgiftevordering toewijsbaar is voor de hiervoor bedoelde FIOD-bescheiden, elders bewaarde kwitantieboekjes en bankafschriften en -jaaroverzichten. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] omdat in kort geding geen ruimte is voor bewijsvoering. [appellant] heeft niet voldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] naast deze bescheiden nog de beschikking heeft over andere stukken die betrekking heeft op de samenwerking. De vordering zal daarom voor het overige worden afgewezen.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij de betrokken administratie ook zelf nodig heeft, voor het geval hij door verhuurders of huurders wordt aangesproken. Ondertussen is hij ook door [appellant] zelf gedagvaard om diens gestelde winstaandeel, en moet hij ook om die reden over de administratie kunnen beschikken. Tussen partijen is ook niet in geschil dat zij als partijen bij de voorheen tussen hen bestaande samenwerking gelijke rechten hebben als het gaat om toegang tot de in dat verband gevoerde administratie. De vordering is daarom alleen toewijsbaar in de variant van het afschrift verschaffen.

Uitvoeringsmodaliteiten

Op grond van artikel 843a lid 2 (oud) Rv bepaalt de rechter zo nodig de wijze waarop (in dit geval:) afschrift zal worden verschaft.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verklaard dat hij zal meewerken aan elke vorm van informatieverstrekking, zolang dat maar op een verantwoorde, professionele en veilige en niet-intimiderende manier kan. Daar staat het belang van [appellant] tegenover bij het op controleerbare wijze verkrijgen van afschrift van alle voor de samenwerking relevante (papieren en digitale) bescheiden die [geïntimeerde] in zijn bezit heeft.

Om aan beide belangen tegemoet te komen zal het hof bepalen dat [geïntimeerde] ter uitvoering van de betrokken veroordeling de betrokken bescheiden ter beschikking moet stellen aan een door [appellant] aan te wijzen deurwaarder (hierna: de deurwaarder) die zal zijn belast met het (laten) selecteren en kopiëren van de bescheiden en met het teruggeven van die bescheiden aan [geïntimeerde] . Uit artikel 843a lid 2 (oud) Rv, gelezen in samenhang met lid 1 van diezelfde bepaling, volgt dat de kosten van deze deurwaarder voor rekening van [appellant] zijn.

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] bepaalde bescheiden al in afschrift aan [appellant] heeft gestuurd. Strikt genomen heeft [appellant] er geen belang bij dat [geïntimeerde] opnieuw wordt veroordeeld tot het aan hem verschaffen van afschrift daarvan. Omdat [geïntimeerde] niet heeft gereageerd op de brief van [appellant] van 16 juni 2025 en op het verzoek van het hof om een vergelijking te maken tussen de reeds verstrekte bescheiden en eventuele nog ontbrekende bescheiden, kan het hof dat verschil echter niet controleren. Om dat probleem te verhelpen zal het hof bepalen dat [appellant] de bescheiden die hij op 8 januari 2023, 9 januari 2023 of 11 december 2023 heeft ontvangen aan de deurwaarder zal geven en dat deze aan [appellant] alleen afschrift zal geven van de stukken die hij nog niet op die data heeft gekregen.

Om de hand te leggen op de administratie van de samenwerking heeft de FIOD zowel papieren stukken in beslag genomen als gegevensdragers. Voor zover deze gegevensdragers op de kantooradressen van [geïntimeerde] in beslag zijn genomen, kan worden aangenomen dat alle daarop aanwezige bestanden betrekking hebben op de samenwerking en dat zij daarom alle in afschrift aan [appellant] moeten worden verstrekt (zie ook 6.21 hierboven). Voor zover deze gegevensdragers op het privéadres van [geïntimeerde] in beslag zijn genomen kan die samenhang niet zonder meer worden aangenomen en moet een voorziening worden getroffen om het privéleven van [geïntimeerde] en zijn levenspartner te beschermen. Het hof zal daarom met betrekking tot deze tweede groep gegevensdragers bepalen dat de deurwaarder aan [appellant] alleen afschrift zal verstrekken van de bestanden waarvan op grond van hierna te bepalen zoekfilters kan worden aangenomen dat zij relevant zijn voor de samenwerking.

Slotsom, nevenvorderingen en proceskosten

Het hoger beroep van [appellant] slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis daarom vernietigen op het punt van de afwijzing van de afgiftevordering, die vordering toewijzen zoals hierna bepaald, en dat vonnis bekrachtigen op het punt van de afwijzing van de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording.

[appellant] heeft, gelet op de ontwikkelingen in deze zaak tot nu toe, belang bij een dwangsomveroordeling als prikkel tot nakoming van de veroordeling. Het hof zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren zoals hierna bepaald. Omdat [geïntimeerde] daar geen afzonderlijk verweer tegen heeft gevoerd zal het hof de betrokken veroordelingen, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Bij deze uitkomst hoort dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij had moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en nu ook moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot die proceskosten aan de zijde van [appellant] op:Eerste aanleg

dagvaarding € 134,97

griffierecht € 314,00

salaris advocaat € 1.079,00 (regulier kort geding)

nakosten € 173,00

Hoger beroep

dagvaarding € 129,85

griffierecht € 373,00

salaris advocaat € 3.225,00 (2,5 punten × tarief II)

nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 5.617,82

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.

7. Beslissing

Het hof:

a. de bestanden (hierna: de bestanden) op de gegevensdragers (hierna: de gegevensdragers) bedoeld in:

(i) bijlage 1 (documentcode IBN-A-006) bij het proces-verbaal teruggaaf inbeslaggenomen voorwerpen van de FIOD van 16 november 2022 met documentcode IBN-A-005 (productie [appellant] H4);

(ii) bijlage 1 (documentcode IBN-A-009) bij het proces-verbaal teruggaaf inbeslaggenomen voorwerpen van de FIOD van 16 november 2022 met documentcode IBN-A-008 (productie [appellant] H4);

(iii) de eerste vijf regels van de lijst in het ontvangstbewijs van de FIOD van 30 november 2022 met documentcode IBN-D-005 (productie [appellant] H5);

(iv) de lijst in het ontvangstbewijs van de FIOD van 10 januari 2023 met documentcode IBN-A-014 (productie [appellant] H7), zijnde de gegevensdragers: A.02.02.004 (Zwarte Datashur Pro);A.02.03.001 (iPhone): A.02.03.002 (Zwarte Samsung);A.02.03.004 (Zilveren Apple laptop);B.03.03.001 (PC Dell Vostro); en B.05.01.001 (Vermoedelijk extern geheugen Laice);

b. de stukken vermeld in:

(i) de lijst in het ontvangstbewijs van de FIOD van 30 november 2022 (documentcode IBN-D-005, productie [appellant] H5), niet zijnde de voorwerpen A.03.01.001 (Visitekaartje [naam] ), A.02.02.002 (Bankpas SNS), A.02.02.001 (Bankpas SNS), A.03.02.002 (Bankpas Rabo), A.02.02.003 (Bankpas Bunq), A.03.04.001 (Twee paspoorten) en A.03.05.001 (Roepi’s);

(ii) het ontvangstbewijs van de FIOD van 8 december 2022 (documentcode IBN-B-006, productie [appellant] H6);

(iii) de lijst in het ontvangstbewijs van de FIOD van 10 januari 2023 (naar het hof begrijpt: bedoeld is 10 januari 2024) met documentcode IBN-A-014 (productie [appellant] H7), niet zijnde de hiervoor onder a. sub (iv) bedoelde gegevensdragers en de voorwerpen A.02.01.001 (Simkaart Telfort), A.02.01.002 (Horloge), A.03.04.001 (Twee paspoorten) en B.01.04.002 (Oplaadsnoer);

c. de rekeningafschriften en de jaaroverzichten voor de jaren 2015 tot en met 2022 voor rekening [rekeningnummer 1] ;

d. de rekeningafschriften en de jaaroverzichten voor de jaren 2015 tot en met 2021 voor rekening [rekeningnummer 2] ;

e. de elders dan op de kantoor- en privéadressen van [geïntimeerde] in bewaring gegeven kwitantieboekjes met betrekking tot de samenwerking tussen partijen bij de huur en (onder)verhuur van woningen in de periode 2015 tot en met 2022 (de stukken bedoeld hiervoor onder b. tot en met e. hierna tezamen: de stukken);

een en ander voor zover [geïntimeerde] deze bescheiden niet reeds in afschrift aan [appellant] heeft verstrekt op 8 januari 2023, 9 januari 2023 of 11 december 2023 en, wat de bestanden betreft die op het privéadres van [geïntimeerde] in beslag zijn genomen, voor zover die betrekking hebben op de samenwerking, dit een en ander te bepalen door middel van de hierna bepaalde werkwijze;

- bepaalt dat partijen als volgt uitvoering zullen geven aan de hiervoor uitgesproken veroordeling:

a. [geïntimeerde] zal de in de veroordeling bedoelde stukken en gegevensdragers overhandigen aan een door [appellant] aan te wijzen en te betalen deurwaarder (hierna: de deurwaarder), waarvan [appellant] de gegevens uiterlijk met de betekening van dit arrest aan [geïntimeerde] zal verstrekken;

b. de datum waarop [geïntimeerde] al deze stukken en gegevensdragers aan de deurwaarder zal hebben overhandigd zal gelden als de datum waarop hij zal hebben voldaan aan de hiervoor uitgesproken veroordeling;

c. [appellant] zal aan de deurwaarder, met kopie aan de advocaat van [geïntimeerde] , de digitale bestanden geven die hij op 8 januari 2023, 9 januari 2023 en 11 december 2023 van [geïntimeerde] heeft ontvangen;

d. de deurwaarder zal, al dan niet met behulp van een gerechtelijk bewaarder, op kosten van [appellant] toezicht houden op het bewaren van de bescheiden, het kopiëren van de bescheiden voor zover deze niet op vorenbedoelde data in afschrift zijn verstrekt aan [appellant] , en op het verstrekken van de betrokken afschriften aan [appellant] ;

e. de deurwaarder zal met betrekking tot de bestanden op de gegevensdragers die op de teruggaaflijsten bedoeld in de veroordeling onder a. (i) tot en met (iv) zijn aangeduid met een voorwerpnummer dat begint met een “A” als bijkomend vereiste hanteren dat in die bestanden een of meer van de volgende zoektermen voorkomt:(i) “huur”;(ii) “verhuur”;(iii) een of meer van de op p. 1 van de bijlage bij de brief van [appellant] van 16 juni 2025 vermelde adressen; of(iv) een of meer van de adressen vermeld in de stukken, niet zijnde een van de kantoor- of privéadressen van [geïntimeerde] , voor zover niet vermeld onder (iii);

f. de deurwaarder zal de stukken en de bestanden op de overige gegevensdragers zonder deze bijkomende toets integraal verstrekken aan [appellant] , voor zover deze die bescheiden niet reeds had ontvangen;

g. de deurwaarder zal de stukken en gegevensdragers telkens na de handeling als bedoeld hiervoor onder f. zo snel mogelijk teruggeven aan [geïntimeerde] ;

Dit arrest is gewezen door mr. H.M.H. Speyart van Woerden, mr. E.M. Dousma-Valk en mr. R.F. Groos en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand