ECLI:NL:GHDHA:2026:2639

ECLI:NL:GHDHA:2026:2639

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 12-08-2026
Zaaknummer 200.347.230/01 en 200.347.231/01
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2024:4215

Samenvatting

Verzekeringsrecht, omvang van de dekking. De eigenaar van een windmolenpark op zee heeft een all risks verzekering afgesloten bij een aantal verzekeraars. Er is schade ontstaan aan een in de zee liggende kabel. De verzekeraars weigeren uikering, omdat de schade niet zou vallen onder de dekking en/of omdat op deze schade een uitsluiting van toepassing is.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummers hof : 200.347.230/01 en 200.347.231/01 Zaaknummers rechtbank : C/10/653610 / HA ZA 23-212

C/10/669490 / HA ZA 23-1032

Arrest van 25 augustus 2026

in zaak 200.347.230/01:

1. Alm. Brand Forsikring A/S (voorheen: Codan Forsikring A/S),

2. New Century Insurance Co. Ltd.,

4. AXIS Specialty Europe SE,

gevestigd in Kopenhagen, Denemarken,

evestigd in Hamilton, Bermuda,

3. Allianz Global Corporate & Specialty SE,

gevestigd te München, Duitsland,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

appellanten,

advocaat: mr. O.W. van de Weijer. kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

Clusius C.V,

gevestigd in Rotterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.E.E. Biesheuvel, kantoorhoudend in Amsterdam,

en in zaak 200.347.231/01:

1. Lloyd’s Insurance Company S.A.,

2. Starr International (Europe) Ltd,

gevestigd in Brussel, België,

gevestigd in Londen, het Verenigd Koninkrijk,

3. Gard AS,

gevestigd in Arendal, Noorwegen,

4. Norwegian Hull Club,

gevestigd in Bergen, Noorwegen,

appellanten,

advocaat: mr. O.W. van de Weijer. kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

Clusius C.V,

gevestigd in Rotterdam ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.E.E. Biesheuvel, kantoorhoudend in Amsterdam.

Appellanten in zaak 200.347.230/01 worden hierna aangeduid als respectievelijk Alm Brand, New Century, Allianz en Axis. Gezamenlijk worden zij aangeduid als Alm Brand c.s.

Appellanten in zaak 200.347.231/01 worden hierna aangeduid als respectievelijk Lloyd’s, Starr, Gard en Norwegian Hull. Gezamenlijk worden zij aangeduid als Lloyd’s c.s.

Alm Brand c.s. en Lloyd’s c.s. worden gezamenlijk aangeduid als de verzekeraars.

Geïntimeerde wordt hierna Clusius genoemd.

1. De zaak in het kort

In deze verzekeringszaak heeft de eigenaar van een windmolenpark op zee een all risks verzekering gesloten bij de verzekeraars. Er is schade ontstaan aan een in de zee liggende kabel. Verzekerde heeft verzekeraars gevraagd om dekking te verlenen onder de polis. De verzekeraars menen dat de schade niet onder de dekking valt, althans dat op deze schade een uitsluiting van toepassing is.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

in zaak 200.347.230/01:

de dagvaarding van 30 juli 2024 waarmee Alm Brand c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2024;

de memorie van grieven van Alm Brand c.s.;

de memorie van antwoord van Clusius, met bijlage;

de akte van Alm Brand c.s. houdende aanpassing partijaanduiding, overlegging aanvullende productie en toelichting op betalingen en betaaldata, met bijlage,

een akte van 9 juni 2026 toelichting betalingen en betaaldata van Alm Brand c.s.

in zaak 200.347.231/01:

de dagvaarding van 30 juli 2024 waarmee Lloyd’s c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2024;

de memorie van grieven van Lloyd’s c.s.;

de memorie van antwoord van Clusius, met bijlage,

de akte van Lloyd’s c.s. houdende aanpassing partijaanduiding, overlegging aanvullende productie en toelichting op betalingen en betaaldata, met bijlage

een akte van 9 juni 2026 toelichting betalingen en betaaldata van Lloyd’s c.s.

Op 19 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens de verzekeraars is de zaak toegelicht door mr. S. Baks, mr. M.R. Fidder en mr. L.J.W. Sip. Namens de Clusius is de zaak toegelicht door mr. Biesheuvel. Voor beide partijen is de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd.

3. Feiten en procedure bij de rechtbank

De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis van 1 mei 2024 in beide zaken een aantal feiten vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

i) Clusius is een joint-venture van (indirect) Eneco en een Japans energiebedrijf. Zij is eigenaar en exploitant van Eneco Luchterduinen, een offshore windmolenpark dat circa 23 kilometer van Noordwijk aan Zee uit de kust ligt.

ii) De windturbines van het windmolenpark zijn via zogenoemde inter-array kabels verbonden met andere windturbines en met een offshore hoogspanningsstation. Dit hoogspanningsstation is via een exportkabel verbonden met een hoogspanningsstation op het vasteland.

iii) De tussen de windturbines gelegen inter-array kabels zijn niet goed bestand tegen beweging. Om beweging als gevolg van zeewaterdynamiek (waaronder zeestromingen) te voorkomen, zijn de kabels over nagenoeg hun hele lengte ingegraven in de zeebodem. De aansluitingen op het offshore hoogspanningsstation liggen hoger dan de zeebodem, waardoor de inter-array kabelsystemen een overgang vanaf de zeebodem, door het zeewater, naar de hoger gelegen aansluitingen moeten doormaken. Bij de overgang vanaf de zeebodem naar de hoger gelegen aansluiting worden de kabelsystemen blootgesteld aan de dynamiek van het zeewater.

iv) Op de plekken waar deze overgang plaatsvindt, is een extra beschermlaag geplaatst: het Cable Protection System (hierna: het CPS). Het CPS is een omhulsel met als doel te voorkomen dat de inter-array kabel te veel met de zeewaterdynamiek meebeweegt en beschadigd raakt. Het CPS is ontworpen en geleverd door Tekmar Energy Limited (hierna: Tekmar).

v) Ten behoeve van het windmolenpark heeft Clusius in juni 2018 bij verzekeraars een all risks schadeverzekering afgesloten. De verzekerde periode liep van 1 augustus 2018 tot 1 augustus 2021. De dekking voor ‘Operating physical damage’ (Section 1 van de polisvoorwaarden) is als volgt omschreven:

“2. COVERAGE

Subject to its terms, conditions and exclusions this Insurance is against all risks of physical loss or physical damage to the property insured, provided such loss or damage has not resulted from want of due diligence by the Insured as defined by the Due Diligence Clause in the General Insuring Conditions (Clause 18).”

Van de dekking is onder meer uitgesloten:

“5. EXCLUSIONS

There shall be no liability under this insurance in respect of:

a)

(1) Physical loss or damage caused by or resulting from normal and natural:

(i) wear and tear;

(ii) gradual deterioration, gradual rusting;

(iii) gradual corrosion;

(...)”

In de polisvoorwaarden is voorts opgenomen:

“18. SERIES LOSS CLAUSE (only to apply to section I - operating physical damage)

Subject to the terms and conditions of the Policy, Insurers shall indemnify the Insured in respect of physical loss or physical damage to any Individual Wind Turbine Generator (as defined below) resulting from defects of design, plan, or specification of the same nature, after application of the deductible according to the following scale: (…)

Definition of Wind Turbine Generator (WTGs): all integral machinery of one individual wind turbine generator therefore including foundations, transition piece and tower and inter-array cables but excluding export/import cables.”

vi) Op 21 mei 2021 deed zich een defect voor in een van de inter-array kabels. Het defect is opgetreden in het gedeelte dat beschermd werd door het CPS. Dit defect heeft Clusius op 8 juni 2021 aan de verzekeraars gemeld.

vii) Expertisebureau DNV Netherlands B.V. (hierna: DNV) heeft op gezamenlijk verzoek van partijen onderzoek gedaan naar de oorzaak van het defect. In het onderzoeksrapport van 29 november 2021 staat onder meer het volgende:

“6 ANALYSIS

(…)

5. (…) DNV concludes that the broken copper wires are a direct result of the fact that the cable moved (together with the CPS) for about six years). These movements created fatigue of the copper wires, which then break at the point where stresses merge, being the tip of a triangular shaped distortion (...).

The failure is thus a direct result of the fact that copper wires did break. There are three different alternative ways to get a failure from a broken copper wire: (...).

Which of these three ways from a broken wire towards a failure had caused the actual failure is difficult to decide and also probably not of much interest, since the root cause of the broken copper wires is slow movement related fatigue, which can be connected to the cable movement and related CPS movement.

(...)

7 CONCLUSIONS

The cable failed because the cable inside the CPS did move, most probably because the CPS with cable followed the dynamics of the sea water. That went on for about 6 years and caused fatigue of the copper wire metallic screens locally, which was followed by certain copper wires to break. Once there are broken copper wires, there are three different ways to let the cable fail at that position (focal sparking, local overheating or a sharp wire end could penetrate the cable insulation).

According to Tekmar’s design-based model the cable inside the CPS should not suffer from fatigue within its design life despite the sea water related dynamics. The fact that nevertheless the cable copper wires inside the CPS did break could be related to the applied input parameters for Tekmar's modelling and/or could be related to the correctness of the model itself. Based on the present information made available, DNV could not conclude upon this.

Also there was corrosion found of the armour wires, especially one spot was found where the armour was corroded away. This spot was at the edge of the CPS front end. This is probably also caused by the CPS (and cable) movement. Over time, ongoing corrosion can result in fully broken armouring that can challenge the cable because of the weight of the cable and also it can give issues when retrieving a cable, where the armour cannot give pulling support anymore.

(...)”

viii) Tijdens een bijeenkomst op 27 juni 2022 heeft DNV aan Clusius en Codan een toelichting gegeven op haar onderzoeksrapport.

ix) In opdracht van Codan heeft ook onderzoeksbureau Primo Risk & Control Ltd. (hierna: Primo) onderzoek gedaan naar de oorzaak van het defect aan de kabel. Over haar bevindingen schrijft Primo in haar ‘technical note’ van 14 oktober 2022 onder meer het volgende:

“5 CONCLUSIONS

(...)

The original Tekmar work concluded that the type 5 CPS at the OHVS did not need stabilisation as the system had adequate endurance to withstand environmental loading for the full 25-year design life. Based on works performed, Primo has been unable to reach this conclusion and has highlighted areas in which further investigation/review is commended. We conclude that the CPS/1AC was impacted by natural loads and normal expected behavior of the ocean conditions. It is our opinion based on the information provided that the loads calculated in the Tekmar design did not allow for the higher loads/outputs that Primo calculated using Orcaflex and the same data sets. Higher loads than the design allowed for has likely caused deformation / degradation and potential reduction of service life of the CPS and Copper Screen Wires.

(...)”

x) De verzekeraars hebben dekking onder de polis geweigerd.

Clusius heeft in beide zaken gevorderd dat iedere verzekeraar voor haar aandeel in de verzekering een uitkering aan Clusius doet.

De verzekeraars hebben deze vorderingen weersproken.

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen.

4. Beoordeling in hoger beroep

In hoger beroep hebben de verzekeraars vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en terugbetaling door Clusius van de geldbedragen die de verzekeraars aan haar hebben gedaan, te vermeerderen met de wettelijke rente en met veroordeling van Clusius in de proceskosten.

Clusius heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met dien verstande dat Clusius ermee instemt dat er een correctie plaatsvindt ter zake van de hoogte van de bedragen die iedere verzekeraar moet betalen. (Zie hierna in rov. 4.22-4.25). Verder heeft Clusius geconcludeerd tot veroordeling van de verzekeraars in de proceskosten.

Valt de door Clusius geleden schade onder de dekking van de polis?

De verzekeraars hebben in grief 2 aangevoerd dat de onderhavige schade niet onder de dekking van art. 2 van de polisvoorwaarden valt. De schade is volgens hen alleen gedekt als die het gevolg is van de verwezenlijking van risico’s (risks). Het woord risks houdt in dat sprake moet zijn van een van buiten komend onheil. De schade is in dit geval veroorzaakt door normale zeewaterdynamiek en dat kan niet worden aangemerkt als van buiten komend onheil. Ook eventuele fouten die zijn gemaakt bij het ontwerpen van het CPS vormen geen van buiten komend onheil, aldus de verzekeraars.

Het hof overweegt als volgt. Art. 2 van de polisvoorwaarden bepaalt dat het uitgangspunt is dat er dekking is voor “all risks of physical loss or physical damage to the property insured”. Uit art. 2 blijkt niet er sprake moet zijn van een van buiten komend onheil. Anders dan de verzekeraars aanvoeren, kan niet worden aangenomen dat all risks polissen uitsluitend dekking bieden tegen van buiten komend onheil. Of dit het geval is, is onder meer afhankelijk van de inhoud van de polisvoorwaarden

In het kader van de vraag of de schade onder de dekking van art. 2 van de polisvoorwaarden valt, is het hier dus niet van belang of de schade (al dan niet hoofdzakelijk) is veroorzaakt door de normale zeewaterdynamiek of door een fout in het ontwerp van het CPS. Evenmin behoeft in dit verband bespreking of hier de dominant cause leer of en andere causaliteitsleer zou moeten worden toegepast.

De conclusie is dat art. 2 van de polisvoorwaarden in beginsel dekking biedt voor de schade. Grief 2 is ongegrond.

Komt verzekeraars een beroep toe op art. 7:951 BW?

Art. 7:951 BW bepaalt dat een verzekeraar geen schade vergoedt aan een verzekerde zaak die is veroorzaakt door de aard of een gebrek van die zaak. De bepaling is van regelend recht. Tussen partijen is niet in geschil dat een (mogelijke) ontwerpfout van het CPS is aan te merken als een eigen gebrek in de zin van art. 7:951 BW.

De verzekeraars hebben in grief 3 aangevoerd dat zij op grond van art. 7:951 BW de schade niet hoeven te vergoeden als het juist zou zijn dat – zoals Clusius stelt – de schade is veroorzaakt door een ontwerpfout. De verzekeraars zijn van mening dat partijen de toepasselijkheid van art. 7:951 BW niet (impliciet) hebben uitgesloten en is deze wetsbepaling nu juist uitdrukkelijk geschreven voor all risks polissen als de onderhavige. Het enkele feit dat er een all risks dekking bestaat, brengt niet mee dat partijen hebben willen afwijken van art. 7:951 BW.

Volgens Clusius is art. 7:951 BW niet van toepassing omdat uit het geheel van de polisvoorwaarden volgt dat partijen de toepasselijkheid van deze bepaling hebben uitgesloten. Op basis van de polis kan niet anders dan worden geconcludeerd dat partijen deels van art. 7:951 BW zijn afgeweken en dat ook schade door ontwerpfouten is gedekt. Clusius voert aan dat dit allereerst volgt uit de all risks dekking van de polis, dat meebrengt dat alle schadeoorzaken die niet expliciet zijn uitgesloten, zijn gedekt. Verder wijst Clusius op art. 5 van de polis, waarin staat dat normale slijtage (aard van de zaak) van de dekking is uitgesloten, maar waar ontwerpfouten (eigen gebrek) niet zijn uitgesloten. Tot slot volgt volgens Clusius uit art. 18 van de polisvoorwaarden dat ontwerpfouten onder de dekking vallen.

Het hof overweegt als volgt. Art. 2 van de polisvoorwaarden gaat uit van een ruime dekking. Art. 5 van de polisvoorwaarden vermeldt een aantal uitsluitingen die – voor zover hier relevant – erop neerkomen dat normale slijtage van de dekking is uitgesloten. Art. 5 sluit, met andere woorden, van de dekking uit schade die is veroorzaakt door de ‘aard van de zaak’. In zoverre vormt art. 5 een gedeeltelijke herhaling van het bepaalde in art. 7:951 BW. Art. 5 sluit dekking voor ‘eigen gebrek’ echter niet uit. Naar het oordeel van het hof is dit een aanwijzing dat partijen in zoverre hebben willen afwijken van het bepaalde in art. 7:951 BW. Als het de bedoeling van partijen zou zijn geweest om art. 7:951 BW niet uit te zonderen, had het immers voor de hand gelegen om beide uitsluitingen in art. 7:951 BW (eigen aard én eigen gebrek) te vermelden.

Daar komt nog het volgende bij. Art. 18 van de polisvoorwaarden bepaalt dat de verzekeraars de schade zullen vergoeden “resulting from defects of design, plan, or specification of the same nature”. Hieruit volgt dat schade die wordt veroorzaakt door (“resulting from”) ontwerpfouten onder de dekking van de polis valt. De verzekeraars hebben nog aangevoerd dat art. 18 geen insluitingsclausule is, maar een serieschadeclausule, zodat art. 18 pas in beeld komt indien er op andere gronden dekking is vastgesteld. Dit verweer kan de verzekeraars niet baten. Uit art. 18 volgt niet dat er naast een ontwerpfout een tweede schadeveroorzakende gebeurtenis moet zijn. Dat volgt in ieder geval niet uit de woorden “subject to the terms and conditions of the Policy”.

De conclusie is dat grief 3 ongegrond is.

Valt de schade onder “normal and natural wear and tear”?

De verzekeraars hebben in grief 1 aangevoerd dat de schade is veroorzaakt door langdurige invloed van de (natuurlijke en normale) zeewaterdynamiek. Dit is volgens de verzekeraars de hoofdoorzaak van de schade en daarom is art. 5 van de polisvoorwaarden van toepassing, dat bepaalt dat van de dekking is uitgesloten: “Physical loss or damage caused by or resulting from normal and natural wear and tear”. De verzekeraars lezen hierin een brede causaliteitsmaatstaf, die meebrengt dat ook slijtage vóór het einde van de verwachte levensduur van de dekking is uitgesloten. Anders zou alle slijtage voorafgaand aan het einde van de levensduur onder de polisdekking vallen, en dat zou in wezen betekenen dat de polis een levensduurgarantie geeft.

De verzekeraars hebben verder aangevoerd dat het niet vaststaat dat de kabel een levensduur van veertig jaar heeft en het CPS een levensduur van 25 jaar, omdat de producenten daarvan een dergelijke levensduur niet hebben gegarandeerd. Bovendien geldt de levensduur van veertig jaar alleen voor kabels die statisch (onder de grond) worden gebruikt.

Clusius heeft aangevoerd dat de uitsluiting ziet op schade die ontstaat door de onvermijdelijke achteruitgang van een zaak (slijtage) die in normale omstandigheden mag worden verwacht. Voor abnormale slijtage, zoals excessieve slijtage die is ontstaan als gevolg van een ontwerpfout, geldt de uitsluiting van art. 5 van de polisvoorwaarden niet.

Het hof oordeelt als volgt. Tussen partijen staat vast dat het kabelsysteem zou worden blootgesteld aan de normale zeewaterdynamiek (zeestromingen) en als gevolg daarvan heen en weer zou bewegen. Daarom is in dit geval een extra beschermlaag (omhulsel) geplaatst in de vorm van een CPS. Het CPS heeft als doel te de kabel te stabiliseren en om zodoende te voorkomen dat deze beschadigd raakt als gevolg van de zeewaterdynamiek. De onderhavige kabel is niettemin binnen ongeveer zes jaar beschadigd geraakt. Uit de deskundigenrapporten volgt dat dit redelijkerwijs niet was te verwachten. Zo staat er in het rapport van DNV: “the cable inside the CPS should not suffer from fatigue within its design life despite the sea water related dynamics.” En in het Primo-rapport staat over het ontwerp van het CPS: “Higher loads than the design allowed for has likely caused deformation / degradation and potential reduction of service life of the CPS and Copper Screen Wires.”

Het CPS had gedurende zijn normale levensduur aan de kabel bescherming behoren te bieden voor de normale en gebruikelijke slijtage (“normal and natural wear and tear”) die als gevolg van de natuurlijke en normale zeewaterdynamiek zou plaatsvinden bij een kabel zonder CPS. Een deugdelijke CPS had slijtage aan de kabel als gevolg van de natuurlijke en normale zeewaterdynamiek gedurende langere tijd moeten kunnen weerstaan. De schade aan de kabel – die al na ongeveer zes jaar is ontstaan – was dus niet het onvermijdelijke gevolg van “normal and natural wear tear” maar het gevolg van een gebrekkige CPS, die (naar verwachting) ongeveer 25 jaar bescherming zou behoren te bieden.

De verzekeraars hebben weliswaar betwist dat de verwachte levensduur van het CPS (ongeveer) 25 jaar is, maar wat die levensduur dan wel zou zijn, hebben zij niet duidelijk gemaakt. Zij hebben in elk geval niet aangevoerd dat de verwachte levensduur van het CPS niet veel meer dan zes jaar zou bedragen. Bovendien staat in de technische specificaties van Tekmar dat de ‘Design Life’ 25 jaar bedraagt. In de schaderapporten staat: “(…) the cable inside the CPS should not suffer from fatigue within its design life despite the sea water related dynamics” (rapport DNV) en “The original Tekmar work concluded that the type 5 CPS at the OHVS did not need stabilisation as the system had adequate endurance to withstand environmental loading for the full 25-year design life” (rapport Primo).

Tot slot hebben de verzekeraars in dit verband nog aangevoerd dat niet vaststaat dat sprake was van een ontwerpfout, in die zin dat het CPS gezien de destijds geldende stand van de wetenschap en techniek behept was met een fout. Volgens de verzekeraars kan slechts worden geconstateerd dat het ontwerp achteraf gezien onvoldoende rekening hield met de normale en natuurlijke omstandigheden, waardoor de gewenste levensduur niet is behaald. Dat kwalificeert echter niet als een ‘ontwerpfout’.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of al dan niet sprake was van een ontwerpfout. Feit is dat het gebrekkige ontwerp van het CPS tot gevolg heeft gehad dat de kabel al na zes jaar is bezweken door de invloed van de zeewaterdynamieken. In de polisvoorwaarden is die schadeoorzaak niet uitgesloten.

De conclusie is dat grief 1 ongegrond is. Het falen van de grieven 1 tot en met 3 brengt mee dat ook grief 4 faalt.

De door de verzekeraars te vergoeden aandelen in de schade

Met grief V hebben de verzekeraars aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste verdeelsleutel voor de schade heeft vastgesteld. De verzekeraars hebben verzocht om de correcte aandelen vast te stellen.

Clusius heeft deze grief niet betwist. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat partijen de juiste verdeelsleutel met bijbehorende bedragen in onderling overleg zullen vaststellen. De verzekeraars hebben daartoe op 9 juni 2026 – ná de mondelinge behandeling – nog een akte genomen, waarin de juiste percentages, bedragen, rente en betaaldata staan.

Uit het door de verzekeraars verstrekte overzicht blijkt dat de door Clusius gevorderde uitkering onder de polis inmiddels op de daarin opgenomen wijze heeft plaatsgevonden, inclusief de verschuldigde wettelijke rente. Het komt het hof daarom niet zinvol voor om de verzekeraars in het dictum nogmaals te veroordelen tot het doen van een uitkering, maar ditmaal op basis van de juiste percentages.

Het hof zal in het dictum opnemen dat de juiste bedragen in het hieronder opgenomen schema staan.

Conclusie en proceskosten

De conclusie is dat het hoger beroep van de verzekeraars slechts slaagt voor zover het gaat om onderlinge verdeling van de schade tussen de verzekeraars. Zoals hiervoor vermeld zal het hof het bestreden vonnis wel bekrachtigen. De verzekeraars zijn in hoger beroep te beschouwen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal hen daarom veroordelen in de proceskosten in het hoger beroep. Omdat de memories van grieven en de memories van antwoord in beide zaken nagenoeg identiek zijn zal het hof slechts eenmaal salariskosten in rekening brengen en die kosten bij helfte verdelen over beide zaken.

5. Beslissing

in zaak 200.347.230/01:
in zaak 200.347.231/01:

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2024, met dien verstande dat voor de juiste verdeling van de uitkeringen die de verzekeraars verschuldigd zijn, wordt verwezen naar rov. 4.25;

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P. Volker en P.M. Leerink en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand