GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.160/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/03/310401 / HA ZA 22-457
Arrest van 4 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A.W.J.D. Ray-Engels, kantoorhoudend in Roermond,
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht Allianz Benelux N.V.,
gevestigd in Brussel, mede kantoorhoudende in Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.J. Wervelman, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Allianz.
1. De zaak in het kort
Bij tussenarrest is overwogen dat het hof voorshands bewezen acht dat [appellant] vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst letsel aan de kruisband van zijn linkerknie heeft opgelopen en dat hij dat wist of behoorde te weten. Het hof heeft [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Na het tussenarrest heeft [appellant] een akte met een bijlage overgelegd. Allianz heeft daarop gereageerd.
Het hof oordeelt dat [appellant] er niet in is geslaagd het aangenomen bewijsvermoeden te ontzenuwen en bekrachtigt het bestreden vonnis.
2. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Het hof heeft een tussenarrest uitgesproken op 27 januari 2026 (hierna: het tussenarrest). Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat arrest. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest blijkt uit de volgende stukken:
de akte overlegging bewijs van [appellant] , met een bijlage;
de antwoordakte van Allianz.
Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.
3. De verdere beoordeling in hoger beroep
Het hof verwijst naar en volhardt in het tussenarrest.
Bij tussenarrest heeft het hof [appellant] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat [appellant] vóór het aangaan van de verzekeringsovereenkomst letsel heeft opgelopen aan de kruisband van zijn linkerknie en dat hij dat wist of behoorde te weten.
[appellant] heeft bij akte overlegging bewijs verwezen naar de reeds door hem bij de inleidende dagvaarding overgelegde producties (bijlagen) 7 tot en met 10 en 14. Daaruit blijkt volgens hem dat er nooit een ingreep aan zijn knie is geweest, dat er geen medisch dossier bestaat van een dergelijk vermeende ingreep of klachten in een ver verleden en dat zijn ouders hebben verklaard dat zich geen relevant voorval heeft voorgedaan in zijn jeugd. [appellant] heeft hierbij aangegeven dat hij geen getuigen wil doen horen.
[appellant] heeft bovendien aan zijn medisch adviseur [chirurg 1], orthopedisch chirurg, een beoordeling gevraagd van de MRI-scan d.d. 30 oktober 2012 en diens bevindingen d.d. 30 maart 2026 overgelegd als bijlage 17. [chirurg 1] heeft het volgende geconstateerd:
“MRI-SJG d.d. 30-10-2012: in het kader van dit aanvullende advies werd volledigheidshalve de MRI opnieuw beoordeeld. Er is sprake van een kruisbandscheur, degeneratie van de menisci met een degeneratieve scheur en degeneratie van het kraakbeen. Aan de buitenzijde is er sprake van een synoviale cyste.
Beschouwing/beantwoording van de vragen van de bhr:
Samenvattend kan naar aanleiding van het vorige advies worden geconcludeerd op basis van de thans beschikbare beeldvormende diagnostiek dat de afwijkingen op de MRI van oudere datum zijn en passend bij een bandscheur met begeleidend letsel in de knie.”
Daaraan heeft [chirurg 1] het volgende toegevoegd:
“Voor de goede orde kan worden aangevuld dat niet alle patiënten met een voorste kruisband ruptuur een instabiliteit-klacht ontwikkelen. Er bestaan geen grote epidemiologische studies die exact kwantificeren hoeveel procent van de patiënten na een ACL-ruptuur instabiliteit ontwikkelt of behoudt.
Tevens is het zo dat de degeneratie (achteruitgang) van het kraakbeen niet symptomatisch hoeft te zijn, volgens verschillende studies en meta analyses is er geen correlatie tussen de mate van radiologische arthrose en de pijnklachten.”
Het hof is van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd om het bewijsvermoeden als bedoeld in 3.2 te ontzenuwen. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
De verwijzing naar de producties 7 tot en met 10 en 14 kan [appellant] niet baten. De verklaringen van de ouders van [appellant] (producties 7 en 8), het rapport van [chirurg 2], chirurg (niet-praktiserend) (productie 9), het ontbreken van gegevens over een knieletsel op elfjarige leeftijd in het patiëntendossier van [appellant] (productie 10) en het bericht van huisarts [huisarts 1] (productie 14) leggen onvoldoende gewicht in de schaal tegen met name wat volgt uit het rapport van 20 juni 2017 van [huisarts 2] (productie 3 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie), die tot de conclusie is gekomen dat uit de MRI-scan van 30 oktober 2012 blijkt van ernstig ligamentair letsel uit een (zeer) ver verleden. Het hof verwijst kortheidshalve naar wat is opgemerkt in r.o. 5.7-5.9 van het tussenarrest, waarin bovendien al is overwogen dat het benodigde tegenbewijs niet wordt geleverd door het rapport van [chirurg 2].
Het hof stelt vast, mede gelet op de bevindingen van [chirurg 1] waarnaar [appellant] heeft verwezen in zijn akte (r.o. 3.4 en 3.5 hiervoor), dat tussen partijen niet langer in geschil is dat [appellant] vóór het aangaan van de verzekeringsovereenkomst letsel heeft opgelopen aan de kruisband van zijn linkerknie.
Vervolgens moet nog worden beoordeeld of [appellant] wist of behoorde te weten dat hij letsel heeft opgelopen aan de kruisband van zijn linkerknie. [chirurg 1] heeft in zijn bevindingen opgenomen, kort samengevat, dat niet alle patiënten met een dergelijk letsel (instabiliteit- en/of pijn-)klachten ontwikkelen. Naar het oordeel van het hof volgt uit deze algemene waarneming echter niet het te leveren tegenbewijs van het voorshands bewezen geachte feit dat [appellant] van het letsel op de hoogte was of behoorde te zijn, omdat patiënten met een dergelijk letsel veelal wel klachten krijgen. Het hof gaat er daarom van uit dat [appellant] van het letsel op de hoogte was of behoorde te zijn en concludeert dat hij bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Hierbij wijst het hof er op dat de vraag naar aandoeningen van spieren, ledematen of gewrichten op de gezondheidsverklaring geen beperking in de tijd kent; ook klachten van langer geleden moet worden medegedeeld.
Allianz heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij als redelijk handelend (arbeidsongeschiktheids)verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken – letsel aan de kruisband van de linkerknie, ontstaan in een verder verleden – een uitsluitingsclausule met betrekking tot de linkerknie zou hebben opgenomen in de verzekeringsovereenkomst. Het verzekerde beroep is dat van onderhoudsmonteur. Het hof volgt de stelling van Allianz dat de aard van de werkzaamheden van [appellant] met zich brengt dat een redelijk handelend verzekeraar met kennis van de ware stand van zaken een uitsluitingsclausule zou hebben bedongen; het beroep van onderhoudsmonteur is belastend voor de knieën. Ook de leeftijd (32 jaar) van [appellant] ten tijde van het sluiten van de verzekering geeft aanleiding om dat aan te nemen. Uit de GAV-richtlijnen (prod. 12 bij de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie) volgt niet dat [appellant] normaal als verzekerde zou zijn geaccepteerd als Allianz had geweten van het ernstig letsel aan de kruisband van de linkerknie. Aanbeveling 2.8.2 (‘Kruisbandlaesie’) moet zo worden gelezen dat het advies ‘normaal accepteren’ van toepassing is op: kruisbandlaesie, klasse 1/2, meer dan tien jaar geleden, geen artrose. Het gaat hier om cumulatief geldende voorwaarden en [appellant] heeft de stelling van Allianz dat het verzekerde beroep in klasse 3/4 valt (zie ook r.o. 4.5 van het vonnis van de rechtbank van 7 februari 2024), niet voldoende betwist. Het hof verwerpt in dit verband ook de stelling van [appellant] dat het GAV-advies ‘clausule of afwijzen’ toepassing mist omdat er geen sprake was van restklachten of instabiliteit. [appellant] heeft het hof er niet van kunnen overtuigen dat er in de periode tot aan het sluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen problemen waren met de linkerknie. In 2001 was er een slijmbeursontsteking. In 2006 werd er een röntgenfoto gemaakt, wat niet zonder reden kan zijn geweest. Aannemelijk is dat sprake was van een verzwakte linkerknie.
Dit betekent dat Allianz een beroep toekomt op artikel 7:930 lid 3 BW. De uitkeringen die Allianz aan [appellant] heeft gedaan wegens klachten aan de linkerknie, zijn onverschuldigd. Het beroep van Allianz op artikel 6:203 BW slaagt derhalve. De uitkeringen die [appellant] vordert over de periode van 24 november 2016 tot en met 12 november 2021 vallen onder de werking van de uitsluitingsclausule die Allianz met kennis van de ware stand van zaken zou hebben bedongen. Voor zover die uitkeringen reeds hebben plaatsgevonden, is ook in zoverre sprake van onverschuldigde betaling.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Die proceskosten worden begroot op:
dagvaarding € 139,37
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 3.225,- (2,5 punten × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.351,37
4. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. Verbeek, K. Engel en B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.