GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.350.046/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10977689 RL EXPL 24-5198
Arrest van 25 augustus 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A.F. Wilson, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
1. Aegon Levensverzekeringen N.V.,
gevestigd in Den Haag,
advocaat: mr. P.F. Doornik, kantoorhoudend in Amsterdam,
2. Athlon Car Lease International B.V.,
gevestigd in Almere,
advocaat: mr. D.J.L Siegers, kantoorhoudend in Utrecht,
geïntimeerden,
Het hof noemt partijen hierna [appellant] , Aegon en Athlon.
1. De zaak in het kort
[appellant] heeft gedurende zijn dienstverband bij (een rechtsvoorganger van) Athlon deelgenomen aan een pensioenregeling die bestond uit een basispensioenregeling en een excedentregeling. Beide regelingen waren ondergebracht bij Aegon. In de basispensioenregeling werd de pensioenregeling van PMT (bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken) vrijwillig gevolgd.
PMT heeft als gevolg van een te lage dekkingsgraad de pensioenen in 2013 en 2014 gekort. Aegon heeft deze korting niet doorgevoerd, omdat zij dit als pensioenverzekeraar (anders dan PMT als pensioenfonds) niet mocht.
In 2022, 2023 en 2024 heeft PMT de pensioenen van de deelnemers en pensioengerechtigden geïndexeerd. Aegon heeft de indexeringen uit 2022 en 2023 niet gevolgd en die uit 2024 slechts gedeeltelijk, omdat zij van mening is dat zij pas gehouden is tot indexering nadat de kortingen zijn ingelopen. De werknemer meent daarentegen dat Aegon onvoorwaardelijk dient te indexeren.
Het hof onderschrijft, evenals de kantonrechter, het standpunt van Aegon.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaardingen van 10 januari 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 december 2024;
de memorie van grieven van [appellant] ;
de memorie van antwoord van Aegon;
de memorie van antwoord van Athlon;
de akte van [appellant] ;
de antwoordakte van Aegon;
de antwoordakte van Athlon;
het schriftelijke pleidooi van [appellant] ;
het schriftelijke pleidooi van Aegon;
het schriftelijke pleidooi van Athlon.
3. Feitelijke achtergrond
[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is van 7 september 1970 tot 1 augustus 1999 in dienst geweest bij Unilease B.V., een rechtsvoorganger van Athlon.
[appellant] heeft vanaf 1 november 1976 (bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd) deelgenomen aan de pensioenregeling van Unilease. De pensioenregeling van Unilease bestond uit een basispensioenregeling en een excedentregeling. Beide regelingen waren ondergebracht bij (een rechtsvoorganger van) Aegon. Op enig moment oversteeg het salaris van [appellant] de maximum pensioengrondslag van de basispensioenregeling. Daarom is hij (ook) gaan deelnemen aan de excedentregeling.
Sinds 1 november 2016 ontvangt [appellant] van Aegon een pensioenuitkering. Het betreft het basisdeel en het excedentdeel.
De basispensioenregeling
In een stuk genaamd “pensioenregeling” van Unilease geldend vanaf 1 januari 1975 is onder meer het volgende bepaald:
“Inleiding: (…) Zoals uit het onderstaande blijkt, komt de pensioenregeling van ons bedrijf overeen met die van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid; het Bedrijfspensioenfonds heeft een reglement, waarin alles geregeld is. (…) In het navolgende vindt men dan nog enige formele bepalingen ten aanzien van de pensioenregeling.
Pensioenregeling: Door ons is een pensioenregeling getroffen ten behoeve van
de in ons bedrijf werkzame beambten.
Verzekeraar: Deze pensioenregeling is verzekerd bij ENNIA Levensverzekering N.V.
Deelneming: Als deelnemer in de regeling wordt opgenomen, ieder die in onze dienst in het Bedrijfspensioenfonds zou zijn opgenomen, indien voor ons bedrijf een verplichting tot deelneming aan het Bedrijfspensioenfonds zou gelden, en wel vanaf het moment waarop hij in onze dienst onder de verplichtstelling zou vallen.
Aanspraken: De aanspraken, welke de deelnemer aan onze pensioenregeling ontleent, zijn gelijk aan die welke hij, indien hij als beambte onder de verplichtstelling van het Bedrijfspensioenfonds zou vallen, over het (de) tijdvak(ken) van zijn dienstverband bij ons vanaf 1 januari 1975, bij het Bedrijfspensioenfonds volgens de door de Minister van Sociale Zaken verplicht gestelde regeling van het Bedrijfspensioenfonds, zou hebben verworven. (…)
Overeenkomst
met verzekeraar: De aanspraken, die aan de pensioenregeling kunnen worden ontleend, worden mede bepaald door de overeenkomst met de verzekeraar (…) Deze overeenkomst ligt eveneens op ons kantoor ter inzage.
Bijdragen: De deelnemer zal dezelfde bijdrage betalen, die bij deelname aan het Bedrijfspensioenfonds verschuldigd zou zijn geweest (…)
Vervanging
vorige regelingen: Deze pensioentoezegging vervangt alle vorige; hij zal gewijzigd worden naar aanleiding van wijzigingen in het reglement van het Bedrijfspensioenfonds.
(…)
Verhoging van ingegane pensioenen
Ingegane pensioenen zullen jaarlijks met een zeker percentage worden verhoogd, in dezelfde mate als waarin het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid daartoe overgaat.”
In een in april 1992 gesloten verzekeringsovereenkomst als bedoeld in art. 2 lid 4 onder b van de Pensioen- en Spaarfondsenwet tussen Unilease en Aegon is onder meer het volgende bepaald:
“het bedrijfspensioenfonds: het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid;
de pensioenregeling : de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplichtgestelde regelingen van het bedrijfspensioenfonds;
de deelnemer : de werknemer van de verzekeringnemer, die valt onder de omschrijving van hen, voor wie deelneming aan het Bedrijfspensioenfonds verplicht is gesteld. (…)
ARTIKEL 2
l. De verzekeringnemer verbindt zich voor alle deelnemers aanspraken te verzekeren bij de verzekeraar.
Deze aanspraken zijn gelijk aan die welke de deelnemers over het (de)
tijdvak(ken) van hun dienstverband vanaf 1 januari 1975 bij de verzekeringnemer, gedurende hetwelk (welke) zij als werknemer vielen onder
een verplichtstelling van het bedrijfspensioenfonds, bij het Bedrijfspensioenfonds volgens de pensioenregeling zouden hebben verworven, indien zij niet gedispenseerd zouden zijn geweest, behalve voor zover die aanspraken door het Bedrijfspensioenfonds of door een andere verzekeraar of pensioenfonds worden gehonoreerd. (…)
ARTIKEL 3
De verzekeraar verbindt zich aan iedere krachtens deze overeenkomst verzekerde deelnemer of gewezen deelnemer en/of zijn nagelaten betrekkingen uitkeringen te verrichten overeenkomstig de aanspraken, welke in artikel 2 zijn omschreven. Deze uitkeringen zullen worden verricht onder voorwaarden die gelijk zijn aan die, waaronder het Bedrijfspensioenfonds deze uitkeringen zou hebben verricht (…)
ARTIKEL 4
(…)
2. De jaarpremie per deelnemer is gelijk aan de jaarlijkse premie per deelnemer, welke zonder dispensatie aan het Bedrijfspensioenfonds verschuldigd zou zijn geweest.(…)”
Per 1 januari 1999 heeft Unilease haar pensioenregeling aangepast. Zij lichtte deze wijziging als volgt toe:
“Oude en nieuwe pensioenregeling
Deze pensioenregeling geldt vanaf 1 januari 1999. Alle
pensioenrechten die u tot 1 januari 1999 heeft opgebouwd gaan
onverminderd mee naar deze nieuwe regeling. In de toekomst
zullen die rechten geïndexeerd worden. Zo behouden zij hun
waarde.
(…)
Bedrijfspensioenfonds
De regeling van Unilease B.V. is conform de pensioenregeling
van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische
Bedrijfstakken (afgekort BPMT). Uw pensioenen zijn verzekerd
bij AEGON.
Pensioen belofte
Ieder jaar dat u meedoet aan de pensioenregeling wordt
gespaard voor de oudedagsvoorziening. Om er zeker van te zijn
dat er genoeg geld is als u met pensioen gaat, hebben we bet
pensioen verzekerd bij AEGON. (…)”
Het bedrijfstakpensioenfonds voor de Meltaalnijverheid is thans genaamd het bedrijfstakpensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken (PMT).
De excedentregeling
Het bedrijfspensioenfonds – en dus ook de basispensioenregeling – kende tot 1999 een maximum pensioengevend salaris. Daarom had Unilease in die periode voor het pensioengevend salaris boven het maximum voorzien in een (aparte) excedentregeling.
In het pensioenreglement van deze excedentregeling staat onder meer:
“Artikel 2. Deelnemerschap
1. In deze pensioenregeling wordt opgenomen de werknemer met een jaarsalaris dat groter is dan het maximum jaarsalaris waarover door het Bedrijfspensioenfonds ingevolge haar pensioenregeling pensioenaanspraken worden toegekend. (…)
Artikel 3 Pensioenaanspraken
(…)
2. De aanspraken worden door de werkgever verzekerd en worden van kracht zodra de betrokken verzekering c.q. verhoging van de verzekering door de verzekeraar is aanvaard. Is verzekeren of verhogen van de verzekering niet onder normale condities mogelijk, dan zal de werkgever in overleg met de verzekeraar en de werknemer een regeling treffen die zoveel mogelijk aansluit bij deze pensioenregeling en het daarmee samenhangende kostenniveau.
(…)
Artikel 4 Pensioengrondslag
(…)
3. De pensioengrondslag is gelijk aan het jaarsalaris verminderd met een franchise. (…)”
Het pensioenreglement van de excedentregeling kent geen bepaling over toeslagverlening (indexering).
Per 1 januari 1999 is de excedentregeling stopgezet, omdat PMT vanaf dat moment een basispensioenregeling heeft ingevoerd zonder maximum pensioengevend salaris. De opgebouwde aanspraken van [appellant] tot en met 1998 in de excedentregeling zijn premievrij zijn gemaakt en bleven als excedentaanspraken geadministreerd.
Kortingen en indexeringen
In 2013 en 2014 heeft PMT op grond van artikel 134 Pensioenwet (Pw) de verworven pensioenaanspraken en -rechten van haar aanspraak- en pensioengerechtigden verminderd (gekort) in verband met een te lage dekkingsgraad. In 2013 kortte PMT met 6,3% en in 2014 met 0,4%. Aegon heeft deze kortingen niet doorgevoerd in de aanspraken en uitkeringen van [appellant] .
Tussen 2014 en 2022 heeft PMT de uitkeringen van haar pensioengerechtigden niet verhoogd (geïndexeerd).
Per 1 oktober 2022 heeft PMT de uitkeringen van haar pensioengerechtigden met 1,29% geïndexeerd en per 1 januari 2023 met 4,2%. Aegon heeft deze indexeringen bij haar deelnemers niet doorgevoerd.
Per 1 juni 2024 heeft PMT de uitkeringen van haar pensioengerechtigden met 3,2% geïndexeerd. Aegon heeft een indexering van 1,651% doorgevoerd. Aegon stelt dat de uitkeringen van [appellant] daardoor weer op gelijk niveau kwamen met die van de pensioengerechtigden van PMT. [appellant] is het hiermee niet eens.
4. Procedure bij de kantonrechter
[appellant] heeft Aegon en Athlon gedagvaard en gevorderd, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
Ten aanzien van Aegon:
a. voor recht te verklaren dat Aegon de korting niet mag doorvoeren, dan wel verrekenen met indexeringen;
b. Aegon te veroordelen tot het met terugwerkende kracht doorvoeren van de indexering met 1,29% per 1 oktober 2022, 4,2% per 1 januari 2023 en 3,2% per 1 april 2024 en aan [appellant] een nabetaling te doen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
c. Aegon te veroordelen tot betaling van de proceskosten, daarin begrepen de buitengerechtelijke kosten en het salaris van eisers gemachtigde, met nakosten en wettelijke rente.
Ten aanzien van Athlon:
Primair:
d. voor recht te verklaren dat Athlon gehouden is de pensioentoezegging/ pensioenovereenkomst onverkort na te komen, zonder verrekening van de korting die PMT doorgevoerd heeft;
e. Athlon te veroordelen tot het nakomen van de pensioentoezegging/ pensioenovereenkomst door middel van een aan Aegon te verstrekken opdracht tot het met terugwerkende kracht indexeren van de pensioenaanspraken met 1,29% per 1 oktober 2022, 4,2% per 1 januari 2023 en 3,2% per 1 april 2024, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat Athlon na betekening van het vonnis daaraan niet voldoet;
Subsidiair:
f. Athlon te veroordelen tot het vergoeden van de schade die [appellant] lijdt, nader op te maken bij staat;
Zowel primair als subsidiair:
g. Athlon te veroordelen tot betaling van de proceskosten, daarin begrepen de buitengerechtelijke kosten en het salaris van eisers gemachtigde, met nakosten en wettelijke rente.
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter overwoog hiertoe kort samengevat, dat als onbetwist vaststaat dat [appellant] gedurende de periode van 2016 tot datum uitspraak meer pensioen heeft ontvangen dan een deelnemer aan de PMT-pensioenregeling. Gelet hierop heeft Aegon met recht kunnen beslissen de indexeringen over 2022 en 2023 ten aanzien van [appellant] niet door te voeren, zodat de pensioenuitkeringen aan [appellant] weer gelijk zijn gaan lopen met de pensioenuitkeringen waar een rechtstreekse deelnemer aan de PMT-pensioenregeling recht op heeft Dat is in lijn met de afspraak dat aan [appellant] toekomt waar ook een deelnemer aan de PMT-regeling recht op heeft. Het niet doorberekenen van kortingen, maar wel van de indexeringen – zoals [appellant] kennelijk wenst – zou ertoe leiden dat [appellant] ook in de toekomst aanmerkelijk meer zou ontvangen dan een deelnemer aan het PMT-pensioen, wat in strijd is met de pensioenafspraak. Het excedentdeel is niet gekoppeld aan het PMT-pensioen en voor dit deel bestaat in het geheel geen indexeringsverplichting.
5. Vorderingen in hoger beroep
[appellant] vordert hetzelfde als bij de kantonrechter. Daarnaast vordert hij dat het hof Aegon en Athlon ook veroordeelt in de proceskosten in hoger beroep, met wettelijke rente.
Zijn grieven richten zich tegen de uitleg die de kantonrechter heeft gegeven aan de pensioenovereenkomst: daarin staat dat sprake moet zijn van gelijke pensioenaanspraken, maar nergens staat dat de pensioenuitkering gelijk moet zijn (grief I), tegen de overweging dat het excedentdeel niet gekoppeld is aan de PMT-pensioenregeling (grief II), tegen het oordeel dat Aegon (dus) terecht geen indexatie heeft toegepast in 2022 en 2023 om de pensioenuitkering weer op een lijn te krijgen met die van PMT (grief III) en tegen de afwijzing van de vorderingen en de proceskostenveroordeling (grief IV).
Aegon en Athlon concluderen dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans zijn grieven ongegrond zal verklaren en het vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente.
6. Beoordeling in hoger beroep
Tussen partijen staat vast dat dat [appellant] gedurende zijn dienstverband heeft deelgenomen aan de Unilease basispensioen- en de Unilease excedentpensioenregeling. Partijen strijden over de vraag of Aegon – gelet op deze regelingen – gehouden is de door PMT in 2022 en 2023 doorgevoerde indexering ook aan [appellant] toe te kennen. Het hof oordeelt als volgt.
Geen indexering van het excedentdeel
[appellant] stelt dat uit de verzekeringsovereenkomst uit 1992 (zie hiervoor onder 3.5) weliswaar blijkt dat (het hof begrijpt: de indexatie van) het excedentdeel niet gekoppeld was aan (het hof begrijpt) de indexatie van de PMT-pensioenregeling, maar voegt daaraan toe dat hem nooit is verteld dat de indexatie van het excedentdeel anders was geregeld dan die van het basisdeel. Hij meent daarom aanspraak te kunnen maken op indexatie van het excedentdeel van zijn pensioen.
Het hof overweegt dat, omdat de PMT-regeling geen pensioenopbouw kende boven de maximale pensioengrondslag, de excedentregeling – die juist zag op pensioenopbouw boven de maximale pensioengrondslag van de PMT-regeling – per definitie niet gelijk was aan de PMT-regeling. Niet valt in te zien dat [appellant] er toch gerechtvaardigd op mocht vertrouwen, dat het excedentdeel op gelijke wijze zou worden geïndexeerd als het basisdeel/de PMT-regeling. In het excedentpensioenreglement van Unilease is immers niets bepaald over indexatie en [appellant] heeft niet gesteld hoe volgens hem de gestelde indexatietoezegging dan wel tot stand is gekomen.
Uitleg van de basispensioenregeling
In het reglement van de basispensioenregeling (zie hiervoor onder 3.4) is vermeld dat de Unilease pensioenregeling overeenkomt met die van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid. De vraag of dit betekent dat Aegon zonder meer gehouden was in de jaren 2022 en 2023 het pensioen van [appellant] te verhogen conform de door PMT toegepaste indexatie – zoals door [appellant] gesteld – vergt uitleg van dit reglement.
Volgens vaste jurisprudentie dienen bepalingen uit een pensioenreglement te worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Deze houdt in dat bij de uitleg van de bepalingen in een pensioenreglement de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van dat reglement, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Bij de uitleg kan ook acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
In de pensioenregeling van Unilease geldend vanaf 1 januari 1975 (zie hiervoor onder 3.4), staat onder meer dat:
de pensioenregeling van Unilease overeenkomt met die van PMT;
iedere werknemer van Unilease in de regeling wordt opgenomen die in PMT zou zijn opgenomen als voor Unilease een verplichting tot deelneming aan PMT zou gelden;
de aanspraken welke de deelnemer aan de pensioenregeling ontleent, gelijk zijn aan die welke hij – als hij als beambte onder de verplichtstelling van PMT zou vallen – over het/de tijdvak(ken) van zijn dienstverband bij Unilease vanaf 1 januari 1975 bij het PMT zou hebben ontvangen;
de deelnemer dezelfde bijdrage zal betalen die bij deelname aan PMT verschuldigd zou zijn geweest;
de pensioenregeling zal worden gewijzigd naar aanleiding van wijzigingen in het reglement van PMT;
ingegane pensioenen jaarlijks met een zeker percentage zullen worden verhoogd, in dezelfde mate als waarin PMT daartoe overgaat;
wie meer wil weten over de pensioenregeling dan in dit overzicht behandeld is, het pensioenreglement van PMT kan raadplegen, dat bij Unilease ter inzage ligt.
Naar het oordeel van het hof volgt uit voornoemde bewoordingen dat is beoogd de basispensioenregeling zoveel mogelijk gelijk te doen zijn aan de pensioenregeling van PMT. [appellant] betoogt dat de regelingen weliswaar gelijk zijn voor wat betreft de opbouw van het pensioen, maar niet voor de uitkering daarvan. In de omschrijving van de pensioenregeling vindt het hof echter geen aanknopingspunten voor het door [appellant] gestelde onderscheid tussen opbouw en uitkering. Uit de tekst van de pensioenregeling van Unilease uit 1975 blijkt juist dat beoogd is de hele regeling zoveel mogelijk over te nemen. Dit betekent onder meer dat de pensioenuitkeringen aan deelnemers van deze pensioenregeling in beginsel gelijk dienen te zijn aan (en dus niet hoger, maar ook niet lager dan) de pensioenuitkeringen die deelnemers aan de PMT-pensioenregeling ontvangen. Al om die reden dient het standpunt van [appellant] te worden verworpen. Daar komt bij dat artikel 3 van de verzekeringsovereenkomst die in 1992 is gesloten tussen Unilease en Aegon ter uitvoering van de basispensioenregeling een aanwijzing bevat die uitdrukkelijk in strijd is met het standpunt van [appellant] . Daarin is immers bepaald dat Aegon de uitkeringen aan deelnemers (waaronder [appellant] ) verricht onder dezelfde voorwaarden als PMT (zie 3.5).
Hetzelfde geldt voor de per 1 januari 1999 gewijzigde pensioenregeling. Het uitgangspunt blijft dat de pensioenuitkeringen aan deelnemers van de (basis)pensioenregeling van Unilease in beginsel gelijk dienen te zijn aan (en dus niet hoger, maar ook niet lager dan) de pensioenuitkeringen die deelnemers aan de PMT-pensioenregeling ontvangen.
Dat de pensioenaanspraak van [appellant] vanaf 2013 en de pensioenuitkering van [appellant] vanaf 2016 door de korting van PMT in 2013 niet (meer) voldeden aan dit uitgangspunt, is te herleiden tot de verschillende regimes die gelden voor pensioenfondsen en pensioenverzekeraars. Een pensioenfonds kan bij een langdurig te lage dekkingsgraad, in het kader van een – aan goedkeuring van DNB onderhevig – herstelplan als uiterste middel besluiten over te gaan tot korting van de pensioenuitkeringen (artikel 134 Pw). Een pensioenverzekeraar mag dit niet. De pensioenregeling van Unilease voorziet niet in een expliciete regeling voor deze situatie.
Dit roept de vraag op of Aegon de kortingen van PMT in 2013 en 2014 mocht inlopen voordat zij het pensioen van [appellant] verhoogde door middel van indexatie. Het hof oordeelt dat Aegon dat inderdaad mocht en licht dit hierna toe.
Zoals gezegd is het uitgangspunt van de basispensioenregeling dat de aanspraken en uitkeringen uit hoofde daarvan in dezelfde mate worden verhoogd als de pensioenregeling van PMT. In de basispensioenregeling is echter niet (expliciet) voorzien in de situatie dat PMT de pensioenaanspraken en -rechten van haar pensioengerechtigden juist vermindert op grond van artikel 134 Pw. Aegon, (als verzekeraar), is anders dan PMT (als pensioenfonds) wettelijk niet bevoegd om dat te doen. Daardoor kon Aegon de pensioenaanspraken en -uitkeringen niet langer gelijk houden aan die van PMT. [appellant] heeft als gevolg daarvan tussen 2016 en 2022 jaarlijks hogere pensioenuitkeringen ontvangen (in totaal € 8.709,55) dan hij zou hebben ontvangen als hij een directe deelnemer aan de pensioenregeling van PMT was geweest. Dit bedrag wordt door Aegon niet teruggevorderd. Toen PMT in 2022, 2023 en 2024 de pensioenen weer verhoogde door middel van indexatie, kon Aegon de uitkeringen van [appellant] terug in lijn brengen met de bedoeling van de basispensioenregeling door niet – net als PMT – te verhogen, maar pas tot verhoging over te gaan op het moment dat de uitkering die [appellant] zou hebben gehad van PMT indien hij deel zou hebben genomen aan de PMT-regeling, weer gelijk was aan de uitkering die [appellant] van Aegon ontving. Aldus zijn de uitkeringen van [appellant] weer op gelijke hoogte gebracht met die van de deelnemers aan de pensioenregeling van PMT.
Dat de pensioenregeling van Unilease in een dergelijke situatie “inlopen” toestaat, is ook het meest aannemelijke rechtsgevolg. Een andere uitleg zou tot het resultaat leiden dat deelnemers aan de Unilease pensioenregeling – ook in de toekomst – recht zouden houden op een hogere pensioenuitkering dan de deelnemers aan de PMT-regeling. Dat kan niet de bedoeling zijn van een regeling die juist gelijke uitkeringen voorschrijft.
[appellant] betoogt dat Aegon met deze handelswijze in strijd met artikel 134 Pw zijn pensioen heeft gekort, omdat niet verhogen ook (indirect) korten is. Het hof gaat daarin niet mee, al was het maar omdat toekenningen van toeslagen op pensioenuitkeringen als hier aan de orde (voorwaardelijke indexatie) niet zijn aan te merken als verworven pensioenaanspraken of pensioenrechten. Artikel 134 Pw ziet dus niet op het niet toekennen van dergelijke toeslagen. Het hof onderschrijft ook niet de stelling van [appellant] dat door het niet toekennen van indexeringen de door PMT toegepaste kortingen alsnog worden doorgevoerd. Dat standpunt miskent immers dat [appellant] gedurende langere tijd een hogere pensioenuitkering heeft ontvangen dan degenen die hun pensioen ontvingen van PMT én dat het meer ontvangen bedrag niet wordt teruggevorderd. Aegon heeft volstaan met het maken van een pas op de plaats inzake het doorvoeren van indexeringen en dat is niet hetzelfde.
De conclusie is dat de grieven van [appellant] falen. Niet valt in te zien dat Aegon niet mocht handelen zoals zij heeft gedaan. Ook valt niet in te zien dat Athlon hierdoor haar pensioentoezegging niet zou zijn nagekomen, dan wel dat [appellant] als gevolg van enige tekortkoming van Athlon schade heeft geleden.
Bewijsaanbod
[appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.
Conclusie en proceskosten
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van elk van geïntimeerden op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580-,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
7. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, M.D. Ruizeveld en M.T. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken door mr. M.T. Nijhuis op 25 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.