GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
Zaaknummer : 200.258.958/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/09/534563/ HA ZA 17-641
Arrest van 11 augustus 2026
in de zaak van
[Dochter B] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,
hierna te noemen: [Dochter B] ,
advocaat: mr. W.S. van Dijk
tegen
[Dochter A] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,
hierna te noemen: [Dochter A] ,
advocaat: mr. D. Th. J. van der Klei.
Het hof noemt partijen hierna [Dochter B] en [Dochter A] .
1. Het verdere procesverloop in hoger beroep
Voor het verloop van de procedure tot 11 november 2025 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum.
Er is sprake van een langdurige procedure waarbij twee mondelinge behandelingen hebben plaatsgevonden.
Het hof heeft ook een kandidaat-notaris/mediator als deskundige benoemd om te bezien of partijen onder leiding van een mediator tot overeenstemming konden komen. Helaas is dit niet gelukt.
Het hof heeft ook drie deskundigen benoemd met betrekking tot de waardering van drie onroerende zaken te weten: 1) [adres] verhuurde winkelruimte 2) [adres] een garagebox 3) [adres] leegstaande, onverhuurde portiekwoning, 4) [adres] verhuurde portiekwoning (hierna tezamen genoemd onroerende zaken).
De deskundigen: 1) [deskundige 1] , 2) [deskundige 2] , 3) [deskundige 3] hebben op 17 februari 2026 hun deskundigenbericht gedeponeerd ter griffie van dit hof.
Beide partijen hebben nog een memorie na deskundigenbericht genomen. Beide partijen hebben op 2 juni 2026 nog aanvullend hun procesdossier gefourneerd.
Het hof heeft de navolgende arresten en beschikkingen gewezen: 1) 6 april 2021, 2) 19 juli 2022 (benoeming [kandidaat-notaris en mediator] kandidaat-notaris en mediator, 3) 23 juli 2023 beschikking uitbetaling deskundige [kandidaat-notaris en mediator] , 4) arrest van 19 november 2024 waarbij partijen zich diende uit te laten of er een of drie deskundigen moeten worden benoemd voor de waardering van de onroerende zaken, 5) arrest 19 augustus 2025 benoeming drie deskundigen voor de waardering van de onroerende zaken, 6) arrest 11 november 2025 benoeming van twee nieuwe deskundigen voor de waardering van de onroerende zaken omdat twee deskundigen zich hadden terug getrokken, 7) beschikking 14 april 2026 inzake schadeloosstelling deskundigen waardering onroerende zaken ad € 15.000,- .
2. De verdere beoordeling in hoger beroep
Het hof is in beginsel gebonden aan de eindbeslissingen die genomen zijn in het arrest van 6 april 2021.
De verkoop van onroerende zaken door moeder aan [Dochter A] , is er sprake van een gift?
Het hof verwijst naar de rechtsoverwegingen 25 tot en met 32 in het arrest van 6 april 2021.
De rechtbank is in het betreden vonnis van 13 februari 2019 uitgegaan voor de waardes van de onroerende zaken: a) [adres] ) [adres] ) [adres] ) [adres] met garage [nummer] voor een totaalbedrag van € 621.000,-.
[Dochter B] was van mening dat aan de onroerende zaken, een waarde moet worden toegekend van € 910.000,-. [Dochter A] was en is van mening dat verkoopprijzen correct waren vastgesteld en dat er niet sprake is van een gift van moeder aan [Dochter A] .
Uit het deskundigenbericht van 17 februari 2026 van de door het hof benoemde deskundigen volgt dat de waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaken gesteld dient te worden op een bedrag van € 691.000,-.
[Dochter A] is het onder meer niet eens met de waarde die de door het hof benoemde deskundigen hebben toegekend aan het winkelpand aan [adres] voor een bedrag van € 268.000. [Dochter A] vindt de waarde door de deskundigen onvoldoende onderbouwd. Het hof begrijpt uit het betoog van [Dochter A] dat voor dit pand uitgegaan moet worden van een waarde van € 210.000,-.
[Dochter B] is summier geweest in haar reactie op het deskundigenbericht. Zij had verwacht dat de waardes van de onroerende zaken op de peildatum hoger waren.
Het hof is van oordeel dat het deskundigenbericht door de deskundigen meer dan voldoende is onderbouwd. In de visie van het hof is er sprake van een gedegen onderzoek en zijn de bronnen van de bevindingen van de deskundigen goed vermeld. Beide partijen zijn door de deskundigen in de gelegenheid gesteld om hun commentaar te leveren met betrekking tot het deskundigenbericht. Het hof ziet geen aanleiding om van de bevindingen van de deskundigen af te wijken. Dit betekent dus dat de moeder van partijen aan [Dochter A] tegen een te lage prijs de onroerende zaken heeft verkocht. De gift van moeder aan [Dochter A] bedraagt derhalve € 70.000,-. Bij de berekening van de legitieme rechten van [Dochter B] dient daarmee dus rekening te worden gehouden.
De legitimaire massa en de legitieme van [Dochter B]
Uit de rechtsoverwegingen 33 tot en met 35 van het arrest van 6 april 2021 volgt dat het hof van oordeel is dat het renteloos lenen door [Dochter A] van erflaatster van een bedrag van € 621.000,- kan worden aangemerkt als een gift. Het hof heeft het bedrag van de gift begroot op € 37.260,-.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 13 februari 2019 de legitimaire massa berekent op € 1.533.228,35. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient de legitimaire massa te worden verhoogd te worden met een bedrag van € 107.260,- ( € 70.000,- + € 37.260,-) hetgeen resulteert in een legitimiare massa van € 1.640.488,35. De legitieme van [Dochter B] bedraagt dan ¼ van € 1.640.488,35 hetgeen resulteert in een bedrag van € 410.122,-, hierop moet in mindering worden gebracht de giften die [Dochter B] van erflaatster heeft verkregen € 121.141,- (zie vonnis van de 13 februari 2019) derhalve bedraagt de legitieme van [Dochter B] € 288.981,-.
Wat moet [Dochter A] in haar hoedanigheid van executeur aan [Dochter B] betalen?
De rechtbank heeft in het vonnis van 13 februari 2019 ook berekend welk bedrag [Dochter A] in haar hoedanigheid van executeur aan [Dochter B] moet betalen zijnde een bedrag van € 11.845,50. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met € 25.815, - in verband met het feit dat het hof de legitieme portie van [Dochter B] in de nalatenschap van erflaatster heeft bepaald op een bedrag van € 288.981,- in plaats van € 263.166,-.
Afgifte van stukken
In r.o. 21 van het arrest van 6 april 2021 heeft het hof al beslist dat [Dochter A] aan [Dochter B] dient te verstrekken de navolgende bescheiden:
1) van de Zwitserse bankrekening [bankrekeningnummer] ten name van [erflaatster] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot aan het moment van sluiten;
2) van de Franse bankrekening [bankrekeningnummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
3) van de ING-profijtrekening [bankrekeningnummer] alle rekening gegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
4) van de ING-profijtrekening [bankrekeningnummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
5) van de ING-betaalrekening [bankrekeningnummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
6) van de ‘spookrekeningen’ met de nummers die eindigden op [nummer] en [nummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
7) de koopovereenkomst met betrekking tot het huis van de erflaters te [plaats] , Frankrijk, waaruit de opbrengst van het huis blijkt.
Het hof gaat ervan uit dat [Dochter A] binnen twee maanden na datum van dit arrest de hiervoor genoemde bescheiden aan [Dochter B] ter beschikking stelt. Indien zij niet binnen de gestelde termijn de in rechtsoverweging 2.12 genoemde stukken verstrekt, verbeurt zij, zoals gevorderd, een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 100.000.
Proceskosten
Moeder heeft niet alleen de onroerende zaken tegen een te lage prijs aan [Dochter A] verkocht ook heeft moeder de koopsom zonder deswege rente te bedingen aan [Dochter A] geleend. Het gehele dossier ademt de sfeer uit dat moeder haar dochter [Dochter A] wenste te bevoordelen en dat [Dochter A] tegen deze bevoordeling geen bezwaren heeft ingebracht. [Dochter A] kon met de pinpas van moeder over haar rekening beschikken. Zowel de rechtbank als het hof zijn van oordeel dat een deel van de door [Dochter A] gepinde gelden niet ten goede zijn gekomen aan moeder maar direct dan wel indirect ten goede zijn gekomen van [Dochter A] . De bij deze (rechts)handelingen betrokken personen hadden zich kunnen dan wel moeten realiseren dat dergelijk handelen met betrekking tot het vermogen van de erflaatster met een hoge mate van waarschijnlijkheid tot een conflict en een juridische procedure met [Dochter B] zou leiden die niet alleen financieel maar ook emotioneel de nodige onherstelbare effecten hebben veroorzaakt. Gezien de rol die [Dochter A] ook zelf heeft gehad acht het hof het redelijk en billijk dat [Dochter A] in de proceskosten in hoger beroep wordt veroordeeld, te meer daar zij ook nu weer op een aantal punten in het ongelijk wordt gesteld.
Met betrekking tot de kosten van de deskundige van de kandidaat-notaris mediator [kandidaat-notaris en mediator] is het hof van oordeel dat die door beide partijen moeten worden gedragen omdat dit in het belang van beide partijen was, met dien verstande dat [Dochter B] met haar legitieme breuk van 1/4e deel hierin dient te dragen en het restant door [Dochter A] dient te worden gedragen. De kosten van de deskundigen die de onroerende zaken hebben gewaardeerd dienen uitsluitend te worden gedragen door [Dochter A] . Aangezien [Dochter B] de helft van de kosten van de deskundigen heeft betaald aan het hof zal het hof [Dochter A] veroordelen om € 7.500,- aan [Dochter B] te betalen. Met betrekking tot de kosten van [kandidaat-notaris en mediator] dient [Dochter A] een bedrag aan [Dochter B] te betalen van € 1.253,50.
Aanvulling bestreden vonnis.
Uit het bestreden vonnis volgt dat [Dochter A] in haar hoedanigheid van executeur aan [Dochter B] moet betalen een bedrag van € 11.845,50 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2017 tot en met de dag der algehele voldoening. Aangezien het hof de legitieme van [Dochter B] op een hoger bedrag heeft berekend dient het bedrag van € 11.845,50 verhoogd te worden met een bedrag van € 25.815,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2017 tot de dag der algehele voldoening. Voorts zal het hof [Dochter A] bevelen tot afgifte van de in r.o 2.12 vermelde bescheiden.
3. Beslissing
Het hof:
In aanvulling op het vonnis van 13 februari 2019:
veroordeelt [Dochter A] om aan [Dochter B] te betalen uit de nalatenschapsboedel van [erflaatster] een bedrag van € 25.815,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2017 tot de dag der algehele voldoening;
beveelt dat [Dochter A] binnen twee maanden na datum van dit arrest de navolgende schriftelijke bescheiden aan [Dochter B] verstrekt:
1) van de Zwitserse bankrekening [bankrekeningnummer] ten name van [erflaatster] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot aan het moment van sluiten;
2) van de Franse bankrekening [bankrekeningnummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017
3) van de ING-profijtrekening [bankrekeningnummer] alle rekening gegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
4) van de ING-profijtrekening [bankrekeningnummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
5) van de ING-betaalrekening [bankrekeningnummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017;
6) van de ‘spookrekeningen’ met de nummers die eindigden op [nummer] en [nummer] alle rekeninggegevens vanaf de dag van overlijden van vader ( [datum] 2012) tot 3 maart 2017; 7) de koopovereenkomst met betrekking tot het huis van de erflaters te [plaats] , Frankrijk, waaruit de opbrengst van het huis blijkt;
Indien [Dochter A] niet binnen twee maanden na datum van dit arrest de hiervoor vermelde stukken aan [Dochter B] verstrekt verbeurt zij een dwangsom van € 1000,- per dag voor iedere dag of een deel van de dag dat zij geen uitvoering geeft aan dit arrest met een maximum van € 100.000,-;
veroordeelt [Dochter A] in de kosten van het hoger beroep welke door het hof als volgt worden begroot:
- griffie recht € 1.684,-,
- kosten advocaat € 30.904,50 (Tarief VII, 5,5 punten);
bepaalt dat [Dochter A] de kosten van de deskundigen [deskundige 1] , [deskundige 2] , [deskundige 3] in totaal € 15.000,- integraal dient te voldoen, en veroordeelt [Dochter A] om binnen een maand na datum van dit arrest het bedrag van € 7.500,- te betalen aan [Dochter B] ;
bepaalt dat [Dochter A] ¾ van de kosten van de mediator [kandidaat-notaris en mediator] dient te voldoen en [Dochter B] ¼, en veroordeelt [Dochter A] om binnen een maand na datum van dit arrest het bedrag van € 1.253,50 te betalen aan [Dochter B] ;
verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;
bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2019 tussen partijen gewezen voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, M.A.J. Burgers-Thomassen en R.L.M.C. Janssen, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026 in aanwezigheid van de griffier.