ECLI:NL:GHDHA:2026:2683

ECLI:NL:GHDHA:2026:2683

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 20-08-2026
Zaaknummer 22-001850-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:8838

Samenvatting

Shakenbabysyndroom. Verdachte is schuldig aan doodslag op zijn zoontje van ruim drie maanden oud. Gezien het zeer ernstige hersenletsel kan het niet anders dan dat de verdachte zijn zoontje krachtig heeft geschud. Eendaadse samenloop met in hulpeloze toestand brengen. Straf 8 jaar.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Rolnummer: 22-001850-23

Parketnummer: 09-195941-22

Datum uitspraak: 24 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedatum 1] 1994,

thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals overwogen in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij op één en of meerdere tijdstippen in de periode tussen 25 september 2021 en 28 september 2021 te Leiden zijn zoon [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2021) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [het slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens)te schudden althans heen en weer te bewegen (waarbij het hoofdje van die [het slachtoffer] voor en achterwaartse en/of draaiende bewegingen maakte);

2.hij op één en of meerdere tijdstippen in de periode tussen 25 september 2021 en 28 september 2021 te Leiden, opzettelijk zijn zoon [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2021) tot wier onderhoud, verpleging en verzorging hij (als ouder) krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft verdachte nagelaten om onverwijld (medische) hulp/verzorging in te roepen en/of die [het slachtoffer] aan zijn lot overgelaten en/of hem adequate lichamelijke verzorging en/of (onverwijlde) medische hulp/verzorging onthouden tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden;

3.hij op of omstreeks 2 oktober 2021 te Leiden, zijn echtgenoot/echtgenote, [slachtoffer 2 hierna de moeder] , heeft mishandeld door haar met een telefoon tegen het gezicht te slaan en/of die telefoon tegen haar gezicht te gooien en/of tegen haar rug te slaan/stompen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt het hof de volgende feiten vast.

Op 26 september 2021, omstreeks 19:18 uur, kwam er een melding binnen bij de meldkamer van Politie Eenheid Den Haag voor een babyreanimatie te Leiden. Om 19:22 uur kwam verbalisant [naam verbalisant] ter plaatse aan de [straatnaam] ter hoogte van nummer [nummer 1] , waar ambulance personeel bezig was met de reanimatie van [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum 2] 2021 te Nijmegen. [het slachtoffer] werd per ambulance overgebracht naar het Leids Universitair Medisch Centrum (hierna: LUMC). Gedurende de rit werd [het slachtoffer] door de verbalisant gereanimeerd en had hij geen hartslag. In het LUMC is [het slachtoffer] op 27 september 2021, na het stoppen van zijn behandeling, om 22:36 uur overleden.

Wat is de oorzaak van het overlijden van [het slachtoffer] ?

Het geconstateerde letsel

Op 29 september 2021 werd door de deskundige dr. Rijken, forensisch arts en forensisch patholoog bij het NFI, een gerechtelijke sectie uitgevoerd op het lichaam van [het slachtoffer] . Bij de sectie werd het lichaam van een jongetje van 14 weken oud gezien met maten en gewichten boven het gemiddelde voor zijn leeftijd, zonder aangeboren afwijkingen. Er waren bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies beiderzijds (supra- en infratentorieel), bloeduitstortingen onder het spinnenwebvlies (supra- en infratentorieel), bloedophopingen in de hersenkamers (beide laterale ventrikels en het vierde ventrikel), meerdere hersenweefselscheuren in beide grote hersenhelften, uitgebreide schade aan zenuwuitlopers in beide grote hersenhelften, tekenen van bloeduitstortingen van het netvlies van beide ogen en ribbreuken.

Het overlijden van [het slachtoffer] kan worden verklaard door de gevolgen van het hersenletsel, vermoedelijk in het kader van stomp botsende en/of dynamische krachtsinwerking. Daarbij kan ervan uit worden gegaan dat het voor [het slachtoffer] direct na die krachtsinwerking niet meer mogelijk was om normaal te functioneren.

De deskundige, dr. Rijken, heeft op 28 februari 2022 het rapport ‘Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden’ opgesteld. Daarbij zijn verschillende rapportages gevoegd van verrichte onderzoeken, onder meer op het gebied van oogpathologie, neuropathologie, letseldatering en forensisch- pediatrisch onderzoek. Naast het hierboven beschreven letsel werd een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aangetroffen van ongeveer twee weken oud. Tevens werd geconcludeerd dat de bloedophopingen in de hersenen geen gevolg konden zijn van de vroeggeboorte van [het slachtoffer] , omdat de echografieën van zijn hersenen op 22 juli 2021 en op 2 augustus 2021, kort na zijn geboorte, normaal waren. Naast bloeduitstortingen in beide ogen werd er een plooi van het netvlies over de gele vlek in het rechteroog geconstateerd. Opgemerkt werd dat op 3 augustus 2021 en op 15 september 2021 tijdens een oogspiegelonderzoek geen bijzonderheden zijn waargenomen, aan welke opmerking is toegevoegd: er waren met name geen bloeduitstortingen in de netvliezen. Er werden geen ziekelijke afwijkingen aan het lichaam van [het slachtoffer] vastgesteld. Rijken concludeert dat het overlijden van [het slachtoffer] zonder meer kan worden verklaard door de gevolgen van ernstig hersenletsel ontstaan door hevige stomp botsende en/of dynamische krachtsinwerking op het hoofd, zijnde herhaalde voor-achterwaartse (en waarschijnlijk ook draaiende) hoofdbewegingen, zoals bij een schudincident.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de deskundige dr. Nijs, forensisch arts KNMG bij het NFI, desgevraagd geconcludeerd dat de combinatie van het uitgebreide hersenletsel, de netvliesplooi en het fatale verloop van de klinische verschijnselen (ademhalingsproblemen, slap worden en bewustzijnsverlies) bij een voorheen gezond en ‘normaal’ functionerend kind bij uitsluiting van andere mogelijke oorzaken zeer wel passend is bij toegebracht schedel/hersenletsel, door repeterend acceleratie-deceleratie trauma van het hoofd. De bewijswaarde is zeer hoog voor een niet-accidenteel scenario vergeleken met een accidenteel scenario. Tevens heeft de deskundige Nijs geconcludeerd dat een netvliesplooi alleen wordt gezien bij een niet-accidentele oorzaak en dat een netvliesplooi alleen bij een zeer grote krachtsinwerking ontstaat.

Naar aanleiding van verzoeken van de verdediging en de advocaat-generaal heeft het hof de zaak op 13 maart 2024 verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde medisch-forensisch deskundige drs W.A. Karst van het LOEF (Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO) te benoemen om op basis van de stukken in het dossier een second opinion over de doodsoorzaak van [het slachtoffer] te geven. In diens rapportage van 30 april 2025 wordt nadere duiding en interpretatie gegeven aan de letsels van [het slachtoffer] en de medische bevindingen daaromtrent. Daarbij zijn de bloeduitstortingen onder het harde hersenvlies, ademhalingsproblemen, hersenzwelling of zuurstofschade in de hersenen, specifieke botbreuken en uitgebreide netvliesbloedingen betrokken. Naar het oordeel van de deskundige Karst zijn er geen aanwijzingen dat de vroeggeboorte of problemen bij de zwangerschap hebben bijgedragen aan het ontstaan van het hersenletsel. Volgens de deskundige moet de benodigde forse krachtsinwerking na het laatste moment van normaal functioneren van [het slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Karst beschrijft dat hersenweefselscheuren per definitie ontstaan door forse krachtsinwerkingen, waarbij diezelfde forse kracht tegelijkertijd tot de schade aan de zenuwuitlopers, het bloed langs de hersenen en de bevindingen in en achter de ogen kan leiden. Karst onderschrijft de conclusie van Nijs dat de combinatie van bevindingen veel waarschijnlijker is onder de hypothese niet-accidentele krachtsinwerking dan onder de hypothese accidentele krachtsinwerking.

Voorts stelt Karst dat de genoemde letsels direct verschijnselen zullen geven van bewustzijnsvermindering en ademhalingsproblemen. Een vertraagd optreden van klinische verschijnselen zou wel mogelijk zijn geweest als sprake zou zijn geweest van een bloeding die langzaam meer ruimte in zou nemen, of als er op basis van bloed bij de hersenvliezen geen klinische noodsituatie maar een epileptische aanval zou zijn geweest. Hiervan was bij [het slachtoffer] geen sprake, aldus Karst.

Conclusie

Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat het overlijden van [het slachtoffer] is veroorzaakt door stomp botsende en/of dynamische repeterende krachtsinwerkingen op het hoofd, zoals schudden. Andere mogelijke oorzaken van het fatale letsel zijn door de deskundigen gemotiveerd uitgesloten.

Wie heeft het letsel toegebracht?

De deskundigen Nijs en Karst verklaren beiden dat een baby direct na een heftige krachtsinwerking met als gevolg het letsel zoals dat bij [het slachtoffer] is geconstateerd, niet meer in staat is om ‘normaal’ te functioneren. Onder normaal functioneren worden onder andere verstaan het adequaat een flesje drinken, normaal huilen en verschoond worden met normale spierspanning. Om te beoordelen of de beschuldiging tegen de verdachte bewezen kan worden, is het van belang om vast te stellen tot welk moment [het slachtoffer] nog ‘normaal’ functioneerde en wie er op dat moment bij hem was.

Verklaringen

De verdachte woonde met zijn vrouw [de moeder] , de moeder van [het slachtoffer] , met [het slachtoffer] en hun zoontje [voornaam zoon] in hun woning in Leiden. Zowel de verdachte als [de moeder] hebben steeds verklaard dat zij in de middag van zondag 26 september 2021 met hun kinderen naar een park zijn gegaan en vervolgens weer naar huis zijn gegaan.

In het verhoor van de verdachte van 14 december 2021 verklaart de verdachte:

“Nadat wij dus thuis waren, heeft zij (het hof begrijpt: [de moeder] ) hem (het hof begrijpt: [het slachtoffer] ) in zijn bed gelegd. Hij was niet aan het huilen. Zij dook meteen de keuken in, ik ging met [voornaam zoon] spelen en daarna begon hij (het hof begrijpt: [het slachtoffer] ) dus te huilen. Dus ik ging naar hem toe en probeerde hem een fles te geven. Hij wilde de fles niet pakken en toen riep ik [de moeder] .

(…) Ik hoorde hem huilen. Ik was in de woonkamer, dus ik ging kijken. (…) Ik hoorde zijn stem en toen ging ik naar hem toe.

V: Hoe lang ben jij alleen in de slaapkamer geweest, voordat [de moeder] erbij was? A: paar minuutjes.”

Dat de verdachte enige minuten alleen met [het slachtoffer] is geweest heeft de verdachte op 31 januari 2022 ook verteld aan [betrokkene] in een gesprek dat is afgeluisterd en opgenomen.

[de moeder] verklaart in haar eerste verhoor op 28 september 2021:

“Thuis heeft [verdachte] [het slachtoffer] gepakt en heeft [het slachtoffer] een flesje gegeven. [het slachtoffer] wilde niet drinken. (…) Ik was het eten aan het opwarmen toen [verdachte] zei dat de baby niet meer bewoog.”

Op 8 november 2021 verklaart zij:

“Wij kwamen thuis, ik had [het slachtoffer] in bed gelegd, hij was stil. Ik ging het eten opwarmen, tafel dekken alvast alles klaarzetten. Op een gegeven moment ging [het slachtoffer] huilen, en toen zei [verdachte] maak jij de fles maar klaar is hij naar [het slachtoffer] toegelopen. Toen heeft hij mij geroepen en vroeg wat hier aan de hand was met hem.

(…) V: Hoelang was [verdachte] bij [het slachtoffer] voordat hij jou riep? A: Niet lang, denk minder dan 2 minuten.”

(…) V: Wat heeft [verdachte] jou gezegd over het moment dat hij de kamer inliep en het moment dat jij de kamer inkwam?

A: Hij zei alleen dat hij hem huilend aantrof en had opgepakt om te troosten.”

In haar verklaring van 22 februari 2022 verklaart [de moeder] ook dat zij, terwijl zij nog met het flesje in de keuken bezig was, na het gewone huilen nog een raar huiltje van [het slachtoffer] heeft gehoord.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij [het slachtoffer] na thuiskomst uit het park helemaal niet heeft horen huilen, en dat dat ook niet kon omdat de deur van de woonkamer en de deur van de slaapkamer dicht zaten en de tv aan stond. Hij heeft verder verklaard dat [de moeder] hem riep omdat het volgens haar niet goed ging met [het slachtoffer] en dat hijzelf niet met [het slachtoffer] alleen is geweest.

Deze voor het eerst ter zitting in hoger beroep afgelegde verklaring, acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen is deze verklaring op onderdelen tegenstrijdig met wat de verdachte eerder heeft verklaard, ook kloppen die eerdere verklaringen van de verdachte met de verklaringen van [de moeder] en de door [de moeder] geschetste tijdlijn, namelijk dat zij wist dat de verdachte [het slachtoffer] heeft horen huilen, dat hij daarom naar [het slachtoffer] toeging, dat hij alleen met [het slachtoffer] is geweest en dat hij [de moeder] er bij heeft geroepen omdat [het slachtoffer] niet goed was.

De gewijzigde verklaring die de verdachte voor het eerst ter zitting in hoger beroep heeft afgelegd, is afgelegd terwijl de verdachte op de hoogte was van de inhoud van het dossier en de verdachte moet hebben geweten dat het in zijn belang was om te verklaren dat hij [het slachtoffer] niet heeft horen huilen en dat hij niet alleen met [het slachtoffer] is geweest. De verdachte heeft voor de wijzigingen in zijn verklaring geen geloofwaardige uitleg gegeven. Hij heeft gezegd dat zijn bij de politie afgelegde verklaringen onjuist zijn getolkt. Het hof acht dat onaannemelijk, temeer nu de verdediging de beschikking heeft gehad over alle audiobestanden en van die bestanden geen nieuwe vertaling heeft verzocht na ontvangst van de bestanden of bij pleidooi in hoger beroep.

Het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [de moeder] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden nu deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, wordt door het hof verworpen. Uit de door [de moeder] afgelegde verklaringen blijkt niet dat zij de verdachte bewust heeft belast. Vanaf de dag na het overlijden van [het slachtoffer] heeft zij verklaard niet te hebben gezien dat de verdachte [het slachtoffer] heeft geschud dan wel anderszins letsel heeft toegebracht. Zij heeft consistent verklaard over de tijdlijn en over wat er is gebeurd in de woning nadat zij thuis waren gekomen na het bezoek aan het park, namelijk dat zij in de keuken eten danwel een flesje ging maken, dat de verdachte [het slachtoffer] hoorde huilen en dat de verdachte naar [het slachtoffer] is gegaan waarna [het slachtoffer] vervolgens niet goed was. Deze verklaringen komen overeen met de eigen eerdere verklaringen van de verdachte inhoudende dat toen zij thuis waren gekomen na het park, hij [het slachtoffer] op enig moment hoorde huilen, hij naar [het slachtoffer] is toegegaan en een paar minuten alleen met [het slachtoffer] is geweest. Dit was kort voordat [het slachtoffer] in een medische noodtoestand kwam te verkeren.

Zowel de verdachte als [de moeder] beschrijven dat [het slachtoffer] niet goed was en vertellen dat hij helemaal slap was en moeite had met adem halen.

Conclusie omtrent de feitelijke gang van zaken en verdachtes rol

Uit het bovenstaande, mede in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat in de middag van 26 september 2021 de verdachte naar [het slachtoffer] toe is gegaan omdat [het slachtoffer] huilde. De verdachte is vervolgens enige tijd alleen geweest met [het slachtoffer] . Gedurende die tijd stopte [het slachtoffer] met normaal huilen, heeft hij nog een raar huiltje gemaakt en daarna geen normale geluiden meer gemaakt. Toen [de moeder] de slaapkamer binnen kwam, was [het slachtoffer] slap en had hij ademhalingsproblemen.

Nu uit de deskundigenrapporten en deskundigenverklaringen volgt dat [het slachtoffer] direct na de krachtsinwerking klinische verschijnselen moet hebben vertoond, zoals ademhalingsproblemen, slap worden en bewustzijnsverlies kan het naar het oordeel van het hof dan ook niet anders zijn dan dat de krachtsinwerking op [het slachtoffer] heeft plaatsgevonden gedurende de tijd dat de verdachte alleen met hem in de slaapkamer was. Vlak voordat de verdachte de slaapkamer binnenging, huilde [het slachtoffer] immers normaal en vertoonde hij geen klinische verschijnselen. Terwijl de verdachte met [het slachtoffer] alleen was, zijn de klinische verschijnselen zoals slapte en ademhalingsproblemen zich gaan voordoen. Dit betekent dat het letsel dat de oorzaak was van deze klinische verschijnselen, moet zijn ontstaan terwijl de verdachte met [het slachtoffer] alleen in de slaapkamer was. De krachtsinwerking op [het slachtoffer] , en dus het letsel, is veroorzaakt door de verdachte nu andere oorzaken zijn uitgesloten.

Omdat uit de verklaringen van de verdachte volgt dat hij meteen is gaan bellen nadat de moeder de slaapkamer binnenkwam, moet die krachtsinwerking op [het slachtoffer] door de verdachte vlak voor 17:07 uur op 26 september 2021 hebben plaatsgevonden.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat uit de rapportage van dr. Karst volgt dat op grond van de medische gegevens niet kan worden vastgesteld dat de verdachte, doordat hij als laatste bij [het slachtoffer] in de kamer aanwezig was, het letsel bij [het slachtoffer] moet hebben veroorzaakt. De verdediging wijst er op dat dr. Karst beschrijft dat een baby in de situatie waarin [het slachtoffer] verkeerde vanuit een reflex huilgeluiden heeft kunnen maken. De verdediging wijst er daarbij ook op dat [de moeder] heeft verklaard dat [het slachtoffer] “raar huilde”. De verklaring van [de moeder] dat [het slachtoffer] “raar huilde” op het moment dat de verdachte alleen was met [het slachtoffer] , ondersteunt naar het oordeel van het hof de conclusie dat het de verdachte is geweest die [het slachtoffer] in een medische noodtoestand heeft gebracht. Het huilen vanuit een reflex zoals beschreven door dr. Karst in zijn rapportage is, zo concludeert het hof, het moment dat [de moeder] [het slachtoffer] “raar hoorde huilen”. Enige ogenblikken nadat [het slachtoffer] “raar huilde” trof [de moeder] hem levenloos en slap aan.

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [het slachtoffer] ?

Om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde doodslag te komen, dient het hof te onderzoeken of het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – op de dood van [het slachtoffer] was gericht. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in casu de dood van [het slachtoffer] , is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou intreden, heeft aanvaard. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.

De deskundigen beschrijven de krachtsinwerking dat het hersenletsel kan veroorzaken zoals dat bij [het slachtoffer] is geconstateerd. Karst schrijft dat het schudden of de impact dat dergelijk letsel veroorzaakt, zo heftig is dat omstanders het direct als gevaarlijk zouden kwalificeren. Karst gebruikt ook de kwalificatie ‘gewelddadig’. Op de vraag een beschrijving te geven van de bewegingen die nodig zijn om het door [het slachtoffer] opgelopen letsel te veroorzaken, antwoordde Nijs dat er heel hard geschud moet worden, met heel veel kracht en een frequentie van ongeveer 2/3 keer per seconde. Nijs heeft verklaard dat het gaat om zeer heftige acceleratie, deceleratie en rotatie bewegingen van het hoofd gedurende een periode van minimaal 5 seconden. Het hoofd maakt dan slingerende en soms ook roterende bewegingen. Ook hij stelt dat als iemand anders het zou zien, diegene zou zeggen dat er mee gestopt moet worden.

Het hof concludeert op basis van de rapportages en verklaringen van de deskundigen dat de verdachte [het slachtoffer] heeft geschud en dat dit gezien het opgelopen letsel niet anders dan zeer krachtig moet zijn geweest. Nu de deskundigen beschrijven dat omstanders het direct als gevaarlijk zouden kwalificeren beschouwt het hof het als een feit van algemene bekendheid dat het heftig heen en weer schudden van een baby waarbij het hoofdje heen en weer beweegt en roteert een dodelijke afloop kan hebben. Het is aannemelijk dat ook de verdachte wist dat zijn gedrag zeer gevaarlijk was voor [het slachtoffer] . Dit betekent dat de verdachte wist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [het slachtoffer] ten gevolge van verdachtes handelingen zou overlijden. Nu uit het geconstateerde letsel blijkt dat het schudden zeer krachtig was, concludeert het hof dat, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm het gedrag van de verdachte dient te worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van [het slachtoffer] , dat het niet anders kan zijn dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van [het slachtoffer] heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. Het hof concludeert dat er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [het slachtoffer] .

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op [het slachtoffer] .

Heeft de verdachte [het slachtoffer] in hulpeloze toestand gebracht en gelaten? (feit 2)

Het in hulpeloze toestand brengen

Zoals reeds overwogen gaat het hof ervan uit dat de verdachte [het slachtoffer] opzettelijk in een hulpeloze toestand heeft gebracht door hem zeer krachtig te schudden, en hem daardoor in een medische noodtoestand te brengen.

Het in hulpeloze toestand laten: partiële vrijspraak

Voor het onderdeel in hulpeloze toestand “laten”, bevat het dossier naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs. Zowel de verklaring van verdachte als de verklaring van [de moeder] passen bij de tijdslijn die op grond van de telefoongegevens is gemaakt. Daarmee ontbreekt doorslaggevend bewijs voor verwijtbaar handelen inzake het in hulpeloze toestand laten van [het slachtoffer] .

Heeft de verdachte zijn partner mishandeld? (feit 3)

Bij het uitluisteren van een OVC-gesprek van 2 oktober 2021 ( [nummer 2] ) tussen [de moeder] en de verdachte heeft een verbalisant een handklap/klap gehoord, gevolgd door een huilende [de moeder] . Op dat moment waren de verdachte en [de moeder] samen in hun woning in Leiden. Later die dag spraken [de moeder] en de verdachte over de ruzie en de wond aan haar gezicht en zochten zij naar een oplossing zodat de wond niet zichtbaar zou worden. Op 3 oktober 2021 ( [nummer 3] ) vroeg de verdachte aan [de moeder] hoe zij aan die stempel op haar oog kwam, waarop [de moeder] antwoordde: ‘van jouw slaan’. De verdachte heeft verder in een telefoongesprek op 29 januari 2022 tegen zijn zus [voornaam zus] gezegd: “ja, ik heb haar geslagen”.

[de moeder] heeft op 23 mei 2023 tegenover de politie verklaard dat de verdachte op die datum de telefoon uit haar handen heeft gepakt en tegen haar oog sloeg, waardoor zij een verwonding aan haar oog opliep.

Conclusie

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zijn echtgenote op 2 oktober 2021 heeft mishandeld door met een telefoon tegen haar gezicht te slaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op één en of meerdere tijdstippen in de periode van 25 26 september 2021 en 28 27 september 2021 te Leiden zijn zoon [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2021) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [het slachtoffer] vast te pakken en/of (vervolgens)te schudden althans heen en weer te bewegen (waarbij het hoofdje van die [het slachtoffer] voor en achterwaartse en/of draaiende bewegingen maakte);

2.hij op één en of meerdere tijdstippen in de periode tussen 25 september 2021 en 28 26 september 2021 te Leiden, opzettelijk zijn zoon [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2021) tot wier onderhoud, verpleging en verzorging hij (als ouder) krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft verdachte nagelaten om onverwijld (medische) hulp/verzorging in te roepen en/of die [het slachtoffer] aan zijn lot overgelaten en/of hem adequate lichamelijke verzorging en/of (onverwijlde) medische hulp/verzorging onthouden tengevolge waarvan [het slachtoffer] is overleden;

3.hij op of omstreeks 2 oktober 2021 te Leiden, zijn echtgenoot/echtgenote, [de moeder] , heeft mishandeld door haar met een telefoon tegen het gezicht te slaan en/of die telefoon tegen haar gezicht te gooien en/of tegen haar rug te slaan/stompen;.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van doodslag en het opzettelijk iemand tot wiens verzorging hij krachtens wet verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen welk feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van zijn zoon [het slachtoffer] , een baby van 14 weken oud, door hem zo krachtig te schudden dat [het slachtoffer] daarbij onomkeerbaar hersenletsel heeft opgelopen als gevolg waarvan hij is overleden. Op basis van het letsel staat vast dat de verdachte (zeer) krachtig geweld heeft toegepast. De verdachte heeft zijn eigen zoontje, die toen een weerloze baby was, op een gewelddadige wijze het leven en de kans op een toekomst ontnomen. Doodslag behoort tot de ernstigste delicten die de samenleving kent.

Door aldus te handelen heeft de verdachte ook anderen veel leed en verdriet toegebracht. Met name bij de moeder is onvoorstelbaar veel leed en verdriet teweeggebracht, zoals ook blijkt uit haar slachtofferverklaring. Niet alleen in de naaste omgeving van het gezin, maar in de hele maatschappij brengt dit soort feiten gevoelens van verdriet en verontwaardiging teweeg.

Ook de verdachte zelf zal moeten leven met het verlies van zijn zoon.

Tevens heeft de verdachte zijn partner op bewezenverklaarde wijze mishandeld en daarmee een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage over de verdachte d.d. 25 mei 2023. De psycholoog die de verdachte heeft onderzocht, heeft geen aanwijzingen gevonden voor een (psychische) stoornis bij de verdachte.

De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en, integendeel, in de laatste fase van de procedure zelfs gesuggereerd dat de moeder van [het slachtoffer] de oorzaak van diens overlijden is geweest. Het is het goed recht van de verdachte zijn schuld te ontkennen met de middelen die hem adequaat voorkomen, maar het tegen beter weten in de moeder beschuldigen neemt het hof de verdachte kwalijk. Het hof verbindt aan dit ‘kwalijk nemen’ overigens geen gevolgen voor de straf.

Het hof heeft in ogenschouw genomen straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

De verdediging heeft verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis. Gelet op de hierna opgenomen beslissingen ziet het hof daarvoor geen aanleiding en wijst het hof het verzoek af.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2 (de moeder)]

In het onderhavige strafproces heeft de moeder van [het slachtoffer] , [de moeder] , zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 150.000,00 (bestaande uit € 105.000,00 immateriële schade, € 25.000,00 shockschade en € 20.000,00 affectieschade).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 52.325,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is slechts aangevoerd dat hij niet gehouden is tot het vergoeden van deze schade, omdat hij moet worden vrijgesproken. De vordering van de benadeelde partij is verder niet door of namens de verdachte (inhoudelijk) betwist.

Affectieschade

Het hof stelt vast dat het overlijden van [het slachtoffer] het gevolg is van het handelen van de verdachte. Het hof stelt voorts vast dat de benadeelde partij, de moeder van [het slachtoffer] , tot de kring van gerechtigden behoort en aldus een wettelijk recht heeft op vergoeding van affectieschade. Hiermee is de grond voor vergoeding naar billijkheid van affectieschade gegeven. Kortheidshalve wijst het hof in deze op het bepaalde in artikel 6:108 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof zal, overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade, het gevorderde bedrag van € 20.000,- aan affectieschade dan ook toewijzen, alsmede de wettelijke rente daarover vanaf 27 september 2021.

Schokschade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij schokschade heeft geleden. De benadeelde partij is immers getuige geweest van het in een medische noodtoestand bevinden van haar zoon in de woning en daarna van het overlijden van haar zoon, dit alles door het handelen van de verdachte, haar toenmalige echtgenoot. Uit de bij de vordering gevoegde stukken blijkt dat de benadeelde partij onder behandeling is van een psycholoog als gevolg van de gebeurtenissen. Het hof acht het gevorderde bedrag van € 25.000,00 aan schokschade in het licht van het gebeurde redelijk en zal daarom het bedrag van € 25.000,00 aan schokschade toewijzen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 25.000,00 aan schokschade “verhoogd” naar € 27.325,00, dit aan de hand van de rekenmodule “indexering huren”. Volgens de gemachtigde dient het bedrag van € 25.000,00 geïndexeerd te worden en dient daarnaast de wettelijke rente vanaf 26 september 2021 over het bedrag te worden toegewezen.

Het hof volgt de gemachtigde hierin niet. Zoals is bevestigd door de Hoge Raad in het arrest van 12 juni 2025, ECLI:NL:HR:2015:1520, is de wettelijke rente een zogenaamd fixum. Dat betekent dat de schuldeiser, in dit geval de benadeelde partij, naast de wettelijke rente niet nog eens apart een vergoeding kan vorderen in verband met de schade die zij heeft geleden door vertraging in de betaling van de verschuldigde som. Dit betekent dat in deze zaak niet én de indexering én de wettelijke rente kan worden toegewezen. Het hof wijst dan ook toe het origineel gevorderde bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2021.

Immateriële schade mishandeling

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit 3, zijnde de mishandeling. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,00.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 26 september 2021 over het bedrag van € 25.000,- , met ingang van 27 september 2021 over het bedrag van € 20.000,- en met ingang van 2 oktober 2021 voor het bedrag van € 500,00, omdat vast is komen te staan dat de schades vanaf die data zijn ontstaan.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2 (de moeder)]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 45.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [de moeder] .

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 55, 57, 255, 257, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2 (de moeder)]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [de moeder] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 45.500,00 (vijfenveertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [de moeder] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 45.500,00 (vijfenveertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 210 (tweehonderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op - 26 september 2021 over een bedrag van € 25.000,00

- 27 september 2021 over een bedrag van € 20.000,00- 2 oktober 2021 over een bedrag van € 500,00.

Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, voorzitter, mr. R. van der Hoeven en

mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2026.

mr. L. Knoop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Koole
  • mr. R. van der Hoeven
  • mr. M.E.L. Hendriks

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2026-0388
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand