Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-002942-25
Parketnummer: 09-363467-24
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 9 mei 2024 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A20, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een te hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 151 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum heeft gereden en/of ten aanzien van de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden, en/of
- door het gebruik van haar telefoon was afgeleid, en/of - te dicht op haar voorganger is gaan rijden, en/of
- ( vervolgens om een botsing te voorkomen) een heftige stuurbeweging naar links heeft gemaakt, en/of
- ( daardoor) de linker vangrail heeft geschampt, en/of
- ( vervolgens) een heftige stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, en/of
- de macht over het stuur is verloren, en/of
- ( daardoor) in botsing is gekomen met de (rechter) vangrail, waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten
- twee botbreuken in het schaambeen of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 9 mei 2024 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A20, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden doordat de verdachte
- met een te hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 151 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum heeft gereden en/of ten aanzien van de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden, en/of
- door het gebruik van haar telefoon was afgeleid, en/of
- te dicht op haar voorganger is gaan rijden, en/of
- ( vervolgens om een botsing te voorkomen) een heftige stuurbeweging naar links heeft gemaakt, en/of
- ( daardoor) de linker vangrail heeft geschampt, en/of
- ( vervolgens) een heftige stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, en/of
- de macht over het stuur is verloren, en/of
- ( daardoor) in botsing is gekomen met de (rechter) vangrail, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 9 mei 2024 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A20,
- met een te hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 151 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum heeft gereden en/of ten aanzien van de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden, en/of
- door het gebruik van haar telefoon was afgeleid, en/of
- te dicht op haar voorganger is gaan rijden, en/of - (vervolgens om een botsing te voorkomen) een heftige stuurbeweging naar links heeft gemaakt, en/of
- ( daardoor) de linker vangrail heeft geschampt, en/of
- ( vervolgens) een heftige stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, en/of
- de macht over het stuur is verloren, en/of
- ( daardoor) in botsing is gekomen met de (rechter) vangrail, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.zij op of omstreeks 9 mei 2024 te Maasland, gemeente Midden-Delfland als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,34 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan haar voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop haar voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. primairzij op of omstreeks 9 mei 2024 te Maasland, gemeente Midden-Delfland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de A20, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met een te hoge snelheid, te weten een snelheid van ongeveer 1510 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum heeft gereden en/of ten aanzien van de verkeerssituatie ter plaatse te hoge snelheid heeft gereden, en/of
- door het gebruik van haar telefoon was afgeleid, en/of
- te dicht op haar voorganger is gaan rijden, en/of
- ( vervolgens om een botsing te voorkomen) een heftige stuurbeweging naar links heeft gemaakt, en/of
- ( daardoor) de linker vangrail heeft geschampt, en/of
- ( vervolgens) een heftige stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, en/of
- de macht over het stuur is verloren, en/of
- ( daardoor) in botsing is gekomen met de (rechter) vangrail,
waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten
-twee botbreuken in het schaambeen of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
2.zij op of omstreeks 9 mei 2024 te Maasland, gemeente Midden-Delfland als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,34 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan haar voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop zij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop haar voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging feit 1 primair
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, en dat daarbij als schuldvariant uitgegaan moet worden van roekeloosheid (als bedoeld in artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW).
De verdediging heeft in deze een partiele vrijspraak bepleit. Niet het verweten bestanddeel “roekeloosheid” kan worden bewezenverklaard, maar hoogstens de schuldvariant “aanmerkelijke schuld”. Voor het overige zijn geen verweren gevoerd ten aanzien van de bewijsvraag.
Het hof overweegt - deels overeenkomstig de rechtbank - als volgt.
Feiten
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 9 mei 2024 een personenauto, merk Ford, heeft bestuurd en dat zij omstreeks 22.30 uur betrokken is geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval op de A20 in Maasland.
De verdachte heeft voorafgaande aan het ongeval gereden met een snelheid van ongeveer 150 kilometer per uur, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur was toegestaan. Daarnaast had zij meer alcohol genuttigd dan voor haar als beginnend bestuurder was toegestaan, ook tijdens het autorijden heeft zij nog een slok alcohol gedronken. Tijdens het rijden hield zij bovendien haar mobiele telefoon in de hand en was deze aan het gebruiken, waardoor haar aandacht gedurende enige tijd niet op het verkeer was gericht. Als gevolg van deze combinatie van gedragingen heeft de verdachte het voor haar rijdende voertuig pas opgemerkt nadat zij daar door een andere inzittende op attent was gemaakt en was er op dat moment sprake van onvoldoende afstand tot dat voertuig. Zij heeft een botsing met het voor haar rijdende voertuig kunnen voorkomen door een krachtige stuurbeweging naar links te maken, waarbij zij de linker vangrail heeft geraakt. Daarna heeft zij met een krachtige stuurbeweging naar rechts gestuurd en de rechter vangrail geraakt en is het voertuig tot stilstand gekomen.
Zwaar lichamelijk letsel
De vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel dient te worden beantwoord aan de hand van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Eén van de passagiers in de auto van de verdachte, [het slachtoffer] , heeft als gevolg van
het verkeersongeval twee botbreuken in het schaambeen (bekken) en een breuk in het heiligbeen opgelopen. Uit het dossier volgt dat [het slachtoffer] van 9 mei 2024 tot 15 mei 2024 in het ziekenhuis is opgenomen geweest en de breuken na zes weken nog niet waren genezen. De politie heeft haar op 26 mei 2024 als getuige gehoord. Dit was bij haar thuis, vanwege haar letsel was zij kennelijk niet in staat om op het politiebureau een verklaring af te leggen. Tijdens dat verhoor verklaart zij heel veel pijn te hebben, dat door die pijn het opstaan zonder hulp niet lukt en uitsluitend op haar rug mag liggen (in bed). Zij geeft aan dat zij in elk geval zes weken niet op rechts mag staan en dat haar herstel nog een half jaar tot een jaar zal gaan duren.
Gelet op de aard en ernst van dit letsel zal het hof dit, evenals de rechtbank, aanmerken als zijnde zwaar lichamelijk letsel. Tegen een dergelijke duiding is overigens ook geen verweer gevoerd.
Schuld
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is.
Dit brengt in de eerste plaats mee dat er een causaal verband moet bestaan tussen het handelen van de verdachte en het ontstaan van het verkeersongeval. Naar het oordeel van het hof is daarvan sprake.
De verdachte heeft de ter plaatse geldende maximumsnelheid overschreden en was, terwijl zij een aanzienlijke snelheid van 150 km per uur had bereikt, intensief bezig met haar mobiele telefoon. Zij hield haar telefoon toen vast in haar rechterhand (en typte met diezelfde hand berichten op haar telefoon) terwijl zij met haar linkerhand de auto bestuurde. Dat heeft zij zelf verklaard, en wordt ook bevestigd door drie van de inzittenden. Zij was “heel druk” aan het typen. Volgens een van hen was zij druk aan het appen met een jongen.
Door deze combinatie van omstandigheden heeft zij onvoldoende afstand gehouden tot het voertuig dat voor haar reed en dit voertuig te laat opgemerkt. Zij heeft vervolgens moeten uitwijken, waarbij zij eerst de linker vangrail en daarna de rechter vangrail heeft geraakt. Haar voertuig is vervolgens met een klap tot stilstand gekomen. De verdachte zelf en de vijf inzittenden hebben hierbij letsel, pijn en ongemak opgelopen, variërend van spierpijn tot meerdere botbreuken.
Aannemelijk is ook dat het alcoholgebruik aan het plaatsvinden van het ongeval heeft bijgedragen, nu algemeen bekend is dat alcohol het inschattings- en reactievermogen vermindert en vaak ook leidt tot een overschatting van de eigen vaardigheden.
In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Het begrip ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW kent verschillende gradaties. Deze lopen uiteen van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid, waarbij roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld geldt. De mate van schuld moet worden vastgesteld aan de hand van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Roekeloosheid
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft
de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld om het toepassingsbereik daarvan te
verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Wanneer het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan haar schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, bestaat de schuld uit roekeloosheid.
De vraag is daarom of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden, (b) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en (c) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel, of het leven van anderen.
Schending van de verkeersregels
Het hof heeft reeds vastgesteld dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid met 20 kilometer per uur heeft overschreden, tijdens het rijden haar telefoon - intensief en gedurende enige tijd - heeft gebruikt, en onvoldoende afstand heeft gehouden tot de auto die voor haar reed. Deze gedragingen worden in artikel 5a, eerste lid, onder g, k en h, WVW uitdrukkelijk genoemd als voorbeelden van gevaarzettende verkeersgedragingen.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, WVW, zoals bedoeld in artikel 5a, tweede lid, WVW. Uit de verklaringen van de verdachte en de getuigen volgt bovendien dat de verdachte niet alleen voorafgaand aan de autorit alcohol had gebruikt, maar ook tijdens het besturen van de auto alcohol heeft gedronken.
Ten slotte heeft de verdachte een auto bestuurd waarin zich zes personen bevonden, terwijl de auto maximaal plaats bood aan vijf personen. Geen van deze personen droeg een autogordel. Op de bijrijdersstoel zaten twee personen, waarbij een vrouw op de schoot van een andere vrouw zat.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte meerdere verkeersregels heeft geschonden. Daarbij acht het hof van belang dat het niet gaat om een enkele verkeersfout of overtreding, maar om een samenstel van verkeersovertredingen die zich gelijktijdig hebben voorgedaan. Hoewel de betreffende verkeersovertredingen - en met name het gebruik van de telefoon tijdens het rijden - ieder op zich al ernstig zijn, maakt de combinatie van deze overtredingen dat sprake is van een grove schending van de verkeersregels. De afzonderlijke overtredingen versterken elkaar immers en hebben, in onderlinge samenhang bezien, het risico op een verkeersongeval - dat overigens heeft plaatsgevonden onder optimale externe weg- en weersomstandigheden - aanzienlijk vergroot.
Opzettelijke schending van de verkeersregels
Het opzet van de verdachte moet erop zijn gericht geweest de verkeersregels in ernstige mate te schenden.
Bij de vraag of daarvan sprake is, moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Uit deze omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in onderlinge samenhang bezien en naar hun uiterlijke verschijningsvorm, waren gericht op een opzettelijke en ernstige schending van de verkeersregels.
Het hof is van oordeel dat de hierboven vermelde gedragingen, gelet op de
omstandigheden waaronder die zijn begaan, niet anders dan opzettelijk kunnen worden
gedaan en dat deze - zeker in samenhang bezien - naar hun uiterlijke verschijningsvorm
gericht waren op een ernstige schending van de verkeersregels.
Gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
In algemene zin acht het hof het voorzienbaar dat het schenden van de hiervoor beschreven verkeersregels een zeer gevaarlijke verkeerssituatie in het leven kan roepen. De verdachte heeft immers een combinatie van verkeersregels - die van wezenlijk belang zijn voor de verkeersveiligheid - overtreden. Dat het gevaar niet alleen voorzienbaar was, maar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, blijkt uit het feit dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [het slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Conclusie
Al het bovenstaande, mede in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de verdachte zich buitengewoon onvoorzichtig in het verkeer heeft gedragen. Zo heeft zij meerdere verkeersregels in ernstige mate geschonden, waardoor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Een aantal van die verkeersgedragingen zijn expliciet genoemd in artikel 5a lid 1 WVW. Bij dit oordeel is, tot slot, betrokken dat de verdachte toen ook onder invloed was van alcohol.
De verdachte heeft zich daarom schuldig gemaakt aan een verkeersongeval, waarbij sprake is geweest van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid. Daarbij heeft een van de inzittenden zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Het onder 1 primair tenlastegelegde zal dienovereenkomstig worden bewezenverklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
feit 1 primair
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van deze wet;
en
feit 2
overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,34 microgram).
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto roekeloos gedragen in het verkeer. Zij reed allereerst te hard en ook nog eens onder invloed van alcohol. Op de snelweg was 130 kilometer per uur toegestaan, zij reed 150 kilometer per uur. Vervolgens was haar aandacht op enig moment zo goed als volledig gericht op haar mobiele telefoon. Zij hield deze vast in haar rechterhand, en was intensief aan het appen. Dit gedurende een zodanig lange tijd dat het haar medepassagiers begon op te vallen, en een van hen haar uiteindelijk waarschuwde voor een voorligger die zij inmiddels gevaarlijk dicht had benaderd. Pas toen merkte zij deze voorligger op en moest zij een noodgreep verrichten om de op handen zijnde aanrijding te voorkomen. Zij heeft krachtig naar links gestuurd, waarbij zij de linker vangrail heeft geraakt. Daarna heeft zij krachtig naar rechts gestuurd, waardoor zij ook de rechter vangrail heeft geraakt. Het voertuig is vervolgens tot stilstand gekomen.
Dat de verdachte op de betreffende avond lak heeft gehad aan verschillende verkeersregels, blijkt uit het voorgaande, maar ook uit de omstandigheid dat er zes personen in haar auto zaten, waarvan twee op de bijrijdersstoel, terwijl er in de auto maar plek was voor vijf personen. Geen van deze personen droeg een autogordel. Hoewel de inzittenden hierin nalatig zijn geweest, was het de verantwoordelijkheid van de verdachte, als bestuurder van de auto, om hier tegen op te treden, of om te besluiten deze personen niet in haar auto te vervoeren onder deze omstandigheden
Bij het verkeersongeval hebben verschillende passagiers letsel opgelopen, waarvan één van de passagiers zwaar lichamelijk letsel.
Het verkeersongeval had, gelet op de wijze waarop de verdachte heeft gereden, aanzienlijk ernstiger - en mogelijk zelfs met dodelijke slachtoffers - kunnen aflopen. Dat dit niet het geval is geweest, is een gelukkige omstandigheid die echter bepaald niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring volgt wat de
impact van het ongeval is (geweest) op het dagelijks leven van [het slachtoffer] en dat zij nog
steeds herstellende is van het letsel dat zij bij het ongeval heeft opgelopen en zelfs dat volledig herstel waarschijnlijk niet bereikt kan worden.
Het hof acht het ten slotte zeer kwalijk dat de verdachte kort na het ongeval wederom meerdere malen tijdens het rijden met haar telefoon bezig is geweest. Zij heeft als bestuurder filmpjes gemaakt terwijl zij met een auto over diverse snelwegen reed. Dit blijkt uit de zich in het dossier bevindende screenshots van het sociale media-account van de verdachte en haar eigen verklaring tijdens de terechtzitting in hoger beroep.
Deze gedragingen geven het hof aanleiding om in hoge mate te betwijfelen of de verdachte zich wel in voldoende mate bewust is geweest van de aard en ernst van het door haar veroorzaakte ongeval en de gevolgen daarvan. Dit gebrek aan inzicht en zelfreflectie baart zorgen voor de toekomst.
Dit wordt nog verstrekt door het feit dat uit verklaringen van de passagiers en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen dat de verdachte slechts in zeer beperkte mate heeft getracht na het ongeval in contact te komen met de slachtoffers, hetgeen - naar algemene ervaringsregels leren - voor slachtoffers van groot belang is voor de verwerking van een dergelijke traumatische ervaring. In tegendeel, de verdachte heeft het contact met de inzittenden verbroken.
Strafblad
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 augustus 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
Uit het reclasseringsadvies dat is opgemaakt over de verdachte van 26 augustus 2025 volgt dat geen sprake is van een delictpatroon. Er is sprake van een stabiele, persoonlijke situatie. Tot enkele jaren geleden woonde de verdachte bij haar vader, met wie zij een goede band heeft. Op dit moment woont de verdachte samen met haar partner in Gouda. In haar thuissituatie worden geen problemen ervaren en de relatie met haar partner wordt beschreven als positief en steunend. De verdachte is werkzaam in een verpleegtehuis, hetgeen zij met veel plezier doet en beschikt over voldoende inkomen.
De reclassering adviseert bij de veroordeling van de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag.
Echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot (wederom) het gebruik van de telefoon tijdens het rijden in de auto, zeer kort na een dergelijk ernstig ongeval, plaatst het hof forse vraagtekens bij die inschatting.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij de afgelopen maanden veel last heeft gehad van paniekaanvallen, waarvoor zij in behandeling is bij een psycholoog. Hierdoor is zij op dit moment voornamelijk thuis en werkt zij niet (volledig).
Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Dan gaat het om de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daar is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor overtreding van artikel 6
WVW. Daarin wordt gedifferentieerd naar de mate van schuld, de gevolgen voor het
slachtoffer en de vraag of, en zo ja. in welke mate sprake is van alcoholgebruik.
Daarbij merkt het hof op dat de oriëntatiepunten niet zien op gevallen waarin de schuld bestaat uit roekeloosheid. De hoogste mate van verwijtbaarheid die in de oriëntatiepunten is
vermeld is een “zeer hoge mate van schuld"', waarmee niet roekeloosheid wordt bedoeld.
Als uitgangspunt bij die zeer hoge mate van schuld is vermeld, bij een ongeval met zwaar
lichamelijk letsel tot gevolg waarbij sprake is van alcoholgebruik tot 570 ug/l. een
gevangenisstraf van acht maanden en een rijontzegging van drie jaar.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken voor overtreding van artikel 6 WVW worden opgelegd.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat bij roekeloos rijgedrag dat heeft geleid tot een verkeersongeval waarbij een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, doorgaans onder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Het hof ziet in de ernst van de bewezenverklaarde feiten en in het bijzonder in de vastgestelde roekeloosheid, aanleiding om bij de strafoplegging hierbij aan te sluiten. Ook heeft het hof hierbij acht geslagen op de beginselen van rechtseenheid, rechtszekerheid en voorspelbaarheid (waaronder voorzienbaarheid) dat met het gebruik van de LOVS-oriëntatiepunten wordt gediend.
Het hof ziet in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om hiervan af te wijken. De door en namens haar naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden maken dat niet anders. Daarbij weegt het hof mee dat roekeloosheid binnen de schuldgradatie van artikel 6 WVW de zwaarste vorm van schuld vormt. Alleen een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet naar het oordeel van het hof - mede vanuit het oogpunt van generale preventie - voldoende recht aan de ernst van de feiten.
Het voorwaardelijk strafdeel dient er mede toe te bewerkstelligen dat de verdachte zich niet opnieuw aan een soortelijk strafbaar feit schuldig zal maken.
Ten slotte zal het hof in het belang van de verkeersveiligheid ook een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren opleggen.
Conclusie
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en
mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. F.A. Janse.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 augustus 2026.