Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003176-25
Parketnummer: 09-374866-24
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 21 augustus 2024 te Zoetermeer zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij één of meer dieren, te weten één of meerdere katten, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door als eigenaar/houder van die katten, zich van die katten te ontdoen, door die katten in reisvervoersmanden op straat achter te laten; zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, nu het hof het vonnis waarvan beroep niet kan bevestigen omdat de bewijsmiddelen daarin niet zijn uitgewerkt en de verdachte geen bekennende verklaring heeft afgelegd. Voorts beslist het hof anders dan de rechtbank ten aanzien van de op te leggen straf.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 21 augustus 2024 te Zoetermeer zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij één of meer dieren, te weten één of meerdere katten, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door als eigenaar/houder van die katten, zich van die katten te ontdoen, door die katten in reisvervoersmanden op straat achter te laten; zijnde de terminologie gebezigd in deze tenlastelegging in de zin van de Wet dieren.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Daaruit blijkt dat de vijf aangetroffen katten toebehoorden aan de verdachte en dat deze op een paar honderd meter van haar woning op straat zijn achtergelaten in reisvervoersmanden die eerder in haar woning zijn gezien. De verdachte heeft voor deze feiten en omstandigheden, die redengevend zijn voor een bewezenverklaring, geen aannemelijke haar ontlastende verklaring gegeven.
De lezing dat zij de katten heeft meegegeven aan de getuige [getuige] is niet geloofwaardig, nu voor die lezing geen enkele steun is te vinden in het dossier en deze verklaring wordt tegengesproken door de genoemde getuige.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die haar katten in de genoemde reismanden heeft achtergelaten om zich aldus van haar katten te ontdoen.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet Dieren
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op 21 augustus 2024 schuldig gemaakt aan het benadelen van de
gezondheid en het welzijn van vijf katten, door die katten in afgesloten reisvervoersmanden onbeheerd op straat achter te laten. Verdachte heeft daardoor de beschikkingsmacht over de katten verloren en zich daarmee als eigenaar van die katten onttrokken aan haar verantwoordelijk voor het welzijn van deze dieren.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
De verdachte heeft bij het instellen van het hoger beroep op het grievenformulier verzocht de taakstraf om te zetten in een geldboete. De verdachte is, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting verschenen en heeft dit verzoek dus niet onderbouwd of verder toegelicht. Het hof acht een geldboete niet passend, gelet op de straffen die in dit soort zaken worden opgelegd en op de omstandigheid dat uit het dossier blijkt dat de verdachte onder bewind staat. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in samenhang bezien met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is het hof - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Het hof acht het, anders dan de politierechter, niet noodzakelijk aan de verdachte een maatregel als bedoeld in het tweede lid van artikel 8.11a Wet Dieren op te leggen. De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de in beslag genomen vijf katten al in 2024 zijn herplaatst en het hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat een houdverbod nodig is om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2.1 en 8.12 van de Wet dieren, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 34 (vierendertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 35 (vijfendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. G. Knobbout en mr. B.P. de Boer, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 augustus 2026.