ECLI:NL:GHDHA:2026:2739

ECLI:NL:GHDHA:2026:2739

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer 200.335.787/01
Rechtsgebied Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Databankrecht. Uitleg licentieovereenkomst. Databankrecht van een partij die substantieel investeert in de controle van een reeds bestaande, door een ander gecreëerde databank, strekt zich alleen uit tot de bij die controle aangebrachte wijzigingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.335.787/01Zaaknummer rechtbank : C/09/587291 / HA ZA 20-101

Arrest van 19 mei 2026

in de zaak van

JD Knowledge B.V.,

gevestigd in Kaag en Braassem,

appellante in principaal hoger beroep,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. Y. van den Winkel, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

1. Havenbedrijf Rotterdam N.V.,

gevestigd in Rotterdam,

advocaat: mr. D.J. Beenders, kantoorhoudend in Amsterdam,

2. Portbase B.V.,

gevestigd in Rotterdam,

advocaat: mr. D.B. Zieren, kantoorhoudend in Rotterdam,

verweersters in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep.

Het hof zal partijen hierna JDK, HbR en Portbase noemen. Verweersters gezamenlijk zullen HbR c.s. worden genoemd.

1. De zaak in het kort

JDH heeft in 2016 met HbR een overeenkomst gesloten over de aanlevering door JDK van telkens geactualiseerde digitale informatie over voorschriften voor gevaarlijke stoffen voor verschillende vervoersmodaliteiten. Vóór 2016 ontving HbR deze informatie van GDS, dat begin 2016 failliet is gegaan. In deze procedure verwijt JDK, aan wie de rechten van JDH zijn overgedragen, HbR en Portbase de schending van in 2016 overeengekomen gebruiksvoorwaarden en inbreuken op databankrechten. JDK vordert op die grondslagen (onder meer) schadevergoeding.

De rechtbank heeft de vorderingen van JDK jegens HbR afgewezen en jegens Portbase gedeeltelijk toegewezen. Het hof wijst de vorderingen van JDK af, zowel jegens HbR, als jegens Portbase.

2. Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 5 oktober 2023, waarmee JDK in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023;

de memorie van grieven van JDK;

de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in (voor HbR voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van HbR c.s., met bijlagen;

de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van JDK, met bijlagen;

de akte overlegging producties GP61 A tot en met C van HbR c.s.;

de bijlagen 100 t/m 112 die JDK ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.

Op 10 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3. Feitelijke achtergrond

De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 2.1 tot en met 2.29 feiten vastgesteld. Deze feitenvaststelling is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het hof zal hieronder niet alle feiten opnieuw weergeven, maar volstaan met een weergave van de voornaamste feiten, met enkele aanvullende feiten.

JDK is opgericht op 28 juni 2018 en drijft een onderneming die zich bezig houdt met de ontwikkeling en exploitatie van software en drukwerk op het gebied van gevaarlijke stoffen. Enig aandeelhouder van JDK is JD Holding B.V. (hierna: JDH), dat is opgericht in november 2015.

HbR beheert, exploiteert en ontwikkelt de Rotterdamse haven en draagt onder leiding van de Havenmeester zorg voor de veiligheid in de haven. Daarbij controleert zij het vervoer van gevaarlijke stoffen aan boord van schepen en beoordeelt de daarover gedane meldingen. HbR is wettelijk verplicht meldingen van gevaarlijke stoffen door te geven aan de Single Window voor maritiem en lucht (MSW), die de melding deelt met het Single Point of Contact van Nederland (SPOCNL), die de melding doorgeeft aan het Europe Safenet.

Portbase is in 2002 opgericht door HbR en heette tot 2009 Port Infolink B.V. Vanaf 2009 houdt HbR 75% en Havenbedrijf Amsterdam (hierna: HbA) 25% van de aandelen in Portbase. Portbase beheert en optimaliseert de digitale haveninfrastructuur en kernprocessen in de havens door middel van online informatie- en communicatiediensten. Portbase ontwikkelt en exploiteert hiertoe de online softwareapplicatie Port Community System (hierna: PCS), waarmee rederijen en transportbedrijven kunnen communiceren met havens. PCS biedt 43 services, waaronder de service Melding Gevaarlijke Stoffen, waarmee gebruikers van de haven aan de havenmeester melding kunnen doen van in- en uitgaande gevaarlijke stoffen.

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gelden internationale regels, die verschillen per vervoersmodaliteit. Voor elke vervoersmodaliteit worden de regels door afzonderlijke organisaties, meestal onderdeel van de Verenigde Naties (UN), vastgesteld, die regelmatig worden herzien. Op grond hiervan bestaan voor elke vervoersmodaliteit tabellen met gegevens en regels over het vervoer van verschillende gevaarlijke stoffen, ook wel ‘gevaarlijke stoffenlijsten’ genoemd. Deze lijsten bestaan uit ongeveer 3000 stoffen waaraan een UN-nummer is toegekend, met daarachter meerdere kolommen met informatie over de stof en regels die voor die stof gelden (zoals verpakkings- en vervoersinstructies).

Drukkerij/uitgeverij GDS Europe B.V. (hierna: GDS) gaf boeken uit met internationale regelgeving over het vervoer van gevaarlijke stoffen. In 2005 heeft GDS de gevaarlijke stoffenbestanden gedigitaliseerd, aanvankelijk op CD-Rom. Daarbij heeft GDS een zogenoemd GDS-nummer aan de tabellen toegevoegd, om stoffen met hetzelfde UN-nummer nader te rubriceren (uit te splitsen) in varianten binnen die stof. Voor de IMSBC-code (International Maritime Solid Bulk Cargoes Code), dat als enige regeling geen gevaarlijke stoffenlijst bevat, heeft GDS zelf een GDS-lijst gemaakt. De door GDS vervaardigde digitale bestanden van gevaarlijke stoffenlijsten en de IMSBC-lijst worden hierna samen de ‘GDS-lijsten’ genoemd.

Nadien heeft GDS ook de online softwareapplicatie DGPlus 2.0 (hierna: DGPlus) ontwikkeld, waarmee informatie en wetgeving kan worden geraadpleegd over het vervoer van gevaarlijke stoffen en per vervoersmodaliteit via de GDS-lijst gericht kan worden gezocht naar een bepaalde stof op basis van zoektermen, waarna alle relevante informatie in één scherm verschijnt en de bijbehorende wettelijke vervoersdocumenten kunnen worden aangemaakt. In DGPlus zijn de GDS-lijsten van alle vervoersmodaliteiten opgenomen, dus inclusief met de (nadere) uitsplitsingen per GDS-nummer.

De overeenkomst tussen GDS en HbR

Op 14 december 2005 hebben HbR en GDS een “Licentieovereenkomst database XML gevaarlijke stoffen’ gesloten. Die overeenkomst (hierna: de 2005-overeenkomst) luidt, voor zover van belang, als volgt.

“Art. 1. Definities Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt verstaan onder: Product: computerprogrammatuur, gegevensverzamelingen (databanken) en/of andere uitgaven, vastgelegd en/of opgenomen in elektronische gegevensdragers, zoals onder meer diskettes, CD-ROM- of CDI-schijven, tapes of andere elektronische gegevensdragers, dan wel anderszins langs elektronische weg of in enigerlei elektronische vorm door Opdrachtnemer aan Opdrachtgever ter beschikking gesteld of toegankelijk gemaakt, al dan niet online, een en ander in de meest ruime betekenis, zoals nader gespecificeerd in Bijlage 2. Voor wat betreft de omvang en de beperkingen van de licentie wordt onder Product mede begrepen Documentatie, Updates alsmede andere tussentijdse toevoegingen Product;

Art. 2. Onderwerp

Opdrachtnemer verleent hierbij voor de looptijd van de Overeenkomst aan Opdrachtgever een licentie voor het gebruik van Product. Opdrachtgever aanvaardt deze licentie, een en ander overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst.

Art. 3. Licentie/ Reikwijdte van het gebruiksrecht

De licentie omvat uitsluitend de bevoegdheden die in deze overeenkomst uitdrukkelijk zijn toegekend; daarbuiten is Opdrachtgever niet toegestaan Product op welke wijze dan ook geheel of gedeeltelijk openbaar te maken, te verveelvoudigen of te veranderen. De licentie is niet-exclusief, niet-overdraagbaar en omvat niet het recht tot het verlenen van sublicenties. Voorts worden de rechten hieronder steeds verleend onder de voorwaarde dat de opdrachtgever de overeengekomen vergoedingen steeds tijdig en volledig betaalt.

De licentie omvat de navolgende handelingen, welke uitsluitend mogen worden verricht door personen werkzaam binnen de organisatie van Opdrachtgever en ook overigens slechts binnen de beperkingen van de Overeenkomst:

het laden, in beeld brengen, raadplegen en laten functioneren van Product;

het printen van delen van informatie die uit Product zijn opgevraagd;

het overbrengen naar een tekstbestand van delen van informatie die uit Product zijn opgevraagd en het uitprinten van dat tekstbestand.

De in de licentie begrepen handelingen mogen uitsluitend worden verricht ten behoeve van eigen beroepsactiviteiten van Opdrachtgever, de 100% deelnemingen van de opdrachtgever inbegrepen, thans Port Info Link, doch nooit zodanig dat deze leiden of kunnen leiden tot enige vorm van - al dan niet commerciële - exploitatie van Product of enig gedeelte daarvan door Opdrachtgever of een derde.

Het is Opdrachtgever niet toegestaan Product of exemplaren daarvan, in welke vorm dan ook, af te geven of over te dragen aan of op welke wijze dan ook beschikbaar te maken voor enige derde, deze met enig beperkt recht te bezwaren of deze in te brengen in enige vennootschap of enig samenwerkingsverband, tenzij Opdrachtnemer daartoe vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven .”

Als bijlage 1 bij de 2005-overeenkomst is een offerte van 1 juli 2005 gevoegd, met de volgende tekst:

Naar aanleiding van uw verzoek van 30 juni jl. hebben wij een offerte gemaakt van de werkzaamheden en kosten voor het produceren van een database/XML-formaat. Het eindresultaat biedt de mogelijkheid om de gegevens in een dusdanig gestructureerde wijze (XML) aan te leveren aan het havenbedrijf, dat zij het in hun systeem kunnen inlezen.

Uit deze offerte blijkt verder dat de overeenkomst van 14 december 2005 op drie vervoersmodaliteiten ziet (IMDG en ADN regulier, in de overeenkomst aangeduid als ADNR, in twee talen en ADR in het Nederlands). De initiële kosten bedroegen in totaal € 87.500,-, en daarnaast € 25.000,- per jaar, waarbij partijen zijn overeengekomen dat als HbR het volgende jaar de modaliteiten uitbreidt, de kosten € 5.000,- per modaliteit per jaar zullen bedragen. Handgeschreven is vermeld: ‘ Int. Kosten in afkoop voor 5 jaar ’ en ‘ 3500,= p.jr. per modaliteit ’.

Op 19 februari 2016 hebben [bestuurder GDS] , (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van GDS (hierna: [bestuurder GDS] ), en zijn schoonzoon [bestuurder JDH] , werknemer van GDS en bestuurder en enig aandeelhouder van JDH (hierna: [bestuurder JDH] ) een bezoek gebracht aan HbR en HbA. Daarbij is onder meer gesproken over een offerte van 13 oktober 2015. Die offerte zag onder andere op een uitbreiding van de bestaande licentie ten behoeve van HbA. Op 19 februari 2016 is gesproken over een vervangende (hogere) offerte, waarover tussen partijen discussie is ontstaan. Bij e-mail van 22 februari 2016 heeft [bestuurder JDH] een voorstel gedaan voor betaling door HbA en HbR van in totaal ongeveer € 50.000,-.

De intentieovereenkomst uit 2011 en de samenwerkingsovereenkomst uit 2012

Op 22 juni 2011 zijn GDS en Portbase een intentieovereenkomst aangegaan, waarin onder meer is vermeld:

“In overweging nemende dat, (…)

c) Partijen de wens hebben om met elkaar samen te werken (…) op het vlak van informatievoorziening en ontsluiting (hierna te noemen “Oplossing”)

d) Partijen de wens hebben om de Samenwerking vast te leggen in een overeenkomst. (…)

De Oplossing behelst in grote lijnen: 1. Een gekoppelde applicatie via my Portbase te ontsluiten valt voor onze klanten. Het betreft een product van GDS dat we (zoals we het nu zien) als een white label product aan onze klanten willen aanbieden. 2. Gevalideerde referentiedata live (altijd up-to-date) tot onze beschikking binnen de Portbase services is. 3. Integratie van GDS services binnen de Portbase services met als doel een synergie tussen de 2 producten te creëren.

De verwachte positieve effecten van de oplossing zijn: 1. Verbreding van de Portbase dienstverlening voor bestaande en nieuwe klanten van Portbase. 2. One-stop shop voor planning (achterland)vervoer en informatie rondom gevaarlijke stoffen. Marktvergroting voor GDS. (…).

Artikel 2. (…) Deze intentieovereenkomst (…) zal eindigen op het moment dat de Samenwerkingsovereenkomst van kracht wordt. (…).”

Op 25 april 2012 zijn Portbase en GDS vervolgens een samenwerkingsovereenkomst aangegaan (hierna: de 2012-Samenwerkingsovereenkomst). Partijen beoogden met die overeenkomst samen te werken bij het aanbieden van DGPlus aan relaties van Portbase die gebruik maakten van PCS en via een portal van Portbase toegang zouden kunnen krijgen tot DGPlus. Aan de samenwerkingsovereenkomst is geen uitvoering gegeven. De tekst van de overeenkomst luidt onder meer:

“Diensten: de door GDS (…) aan Portbase te leveren diensten, waaronder maar niet uitsluitend Dangerous Goods Services 2.0 (hierna genoemd: DGPlus 2.0) opdat Portbase deze diensten aan haar relaties kan aanbieden.

Dangerous Goods Services: de door GDS aan Portbase te leveren informatievoorziening op het gebied van gevaarlijke stoffen en ontsluiting daarvan (…) opdat Portbase deze dienst aan haar Relaties kan aanbieden. (…)

verleent GDS aan Portbase onder de voorwaarden uit de Overeenkomst een niet-exclusief, niet overdraagbaar, niet sublicentieerbaar, recht om de Diensten voor de door van de Overeenkomst via het Portal aan haar Relaties ter beschikking te stellen.”

Faillissement GDS

Op 23 februari 2016 is GDS op haar verzoek in staat van faillissement verklaard. JDH heeft in een ‘overeenkomst tot verkoop van activa’ van 31 maart 2016 voor € 19.750,- de bedrijfsinventaris van GDS gekocht. Daarbij zijn geen databankrechten of andere IE-rechten van GDS naar JDH overgegaan.

Licentieovereenkomst(en) aangegaan door JDH

Tijdens het in 3.10 beschreven overleg op 19 februari 2016 – vlak voor het faillissement van GDS – hebben [bestuurder GDS] en [bestuurder JDH] aangekondigd dat GDS failliet zou gaan, maar dat JDH na een doorstart de dienstverlening zou kunnen voortzetten. In dit verband zijn de volgende e-mails verstuurd:

Op 22 februari 2016 om 14.29 uur van [naam 1] (HbA) aan [naam 2] (HbR):

“Net met [bestuurder JDH] gesproken.

(...) Hij gaf aan dat zij het contract op de zelfde voorwaarden over nemen als GDS had. Aangegeven dat ik van hem de voorwaarden graag ontvang om te kunnen zien of deze wel gelijkt zijn. […]”

Op 18 maart 2016 om 11.10 uur van [naam 2] (HbR) aan [bestuurder JDH] (JDH), [naam 3] en [bestuurder GDS] (GDS), met als onderwerp “Doorstart met JDKnowledge”:

“Goed nieuws: We hebben definitief besloten om met JD Knowledge op dezelfde voet verder te gaan zoals met GDS. Het is handig om ons nog even een aangepaste offerte te sturen waarin de 20% op de XML files én op de boeken helder vermeld staan. De rekening mag naar HbR. Wij hebben met HbA de kostenverdeling reeds afgestemd.

Ik begrijp dat je nog geen contact hebt gehad met [naam 4] (Inkoop) bij ons. Kun je dat alsnog doen anders loop je het risico dat er vertraging optreedt. In het contract moet uiteraard iets staan over het feit dat wij de data mogen doorleveren aan Amsterdam.”

Op 11 mei 2016 zijn JDH (‘Uitgever’) en HbR (‘Abonnee’) het volgende – voor zover hier van belang – overeengekomen in de ‘Algemene (Leverings) Voorwaarden Digitale Abonnee Havenbedrijf Rotterdam’ (hierna ook: de 2016-overeenkomst):

“Artikel 1) Definities

Gebruiksrecht: het door Uitgever aan Abonnee verleende recht om overeenkomstig de bepalingen van deze Algemene Voorwaarden de Producten in zijn organisatie (niet-commercieel) te doen gebruiken door het aantal gebruikers als vermeld in de Overeenkomst.

Overeenkomst: de Algemene Voorwaarden, alsmede het Formulier en/of enige andere conform de Algemene Voorwaarden rechtsgeldig op de rechtsverhouding tussen Partijen van toepassing verklaarde bepaling of uiting met betrekking tot de beschikbaarstelling van het Product en/of de Dienst.

Product: gegevensverzamelingen (databanken) waaronder mede begrepen Programmatuur langs elektronische weg of in elektronische vorm door Uitgever aan Abonnee ter beschikking gesteld of toegankelijk gemaakt.

Artikel 5) Totstandkoming Overeenkomst

Gebruikersnaam en Wachtwoord

a) Gebruikersnaam en wachtwoord zijn strikt persoonlijk. Het is Abonnee niet toegestaan deze code aan derden bekend te maken en/of deze door derden te laten gebruiken anders dan Havenbedrijf Amsterdam N.V., b) Indien een derde, anders dan Havenbedrijf Amsterdam N.V. de gebruikersnaam dan wel het wachtwoord van de Abonnee gebruikt is de Abonnee, ongeacht of hem dit kan warden toegerekend, aansprakelijk voor de nakoming van de Overeenkomst, in het bijzonder ook van financiële verplichtingen.

Artikel 8) Intellectuele Eigendomsrechten

De intellectuele Eigendomsrechten op alle Producten of Diensten die Uitgever in het kader van de Overeenkomst ter beschikking stelt, blijven berusten bij Uitgever of bij de derde van wie Uitgever het recht heeft verkregen (een onderdeel van) deze Producten of Diensten aan Abonnee ter beschikking te stellen. Uitgever verleent Abonnee met betrekking tot de Producten en Diensten hierbij, onder de opschortende voorwaarde van betaling door Abonnee van alle in het kader van de Overeenkomst door hem verschuldigde bedragen, slechts een Gebruiksrecht dat niet exclusief en niet overdraagbaar is, tenzij zulks in de Overeenkomst expliciet anders is bepaald. Buiten dit Gebruiksrecht is het Abonnee niet toegestaan de Producten en/of Diensten op welke wijze dan ook geheel of gedeeltelijk openbaar te maken en/of te verveelvoudigen. Het abonnee van de geleverde content van Uitgever alleen voor eigen gebruik toe te passen en is niet toegestaan deze aan haar klanten geheel, of gedeeltelijk te leveren. (...)

Behoudens voor zover dwingendrechtelijk toegestaan bij wet, mag Abonnee ter beschikking gestelde Producten en/of Programmatuur niet verveelvoudigen, decompileren of daarop reverse- engineering toepassen. Voorts is het niet toegestaan beveiligingen of technische (gebruiks-) beperkingen van de Producten en/of Programmatuur te verwijderen of te omzeilen. Het is Abonnee toegestaan van ter beschikking gestelde Producten en/of Programmatuur een back-up exemplaar te maken dat identiek is aan het origineel mits dit dezelfde aanduidingen van de rechthebbende met betrekking tot Intellectuele Eigendomsrechten en mededelingen over vertrouwelijkheid bevat als het originele exemplaar.

Artikel 9) Boete

Indien Abonnee in strijd met deze overeenkomst handelt door de door Uitgever geleverde producten en of diensten beschikbaar te stellen aan derden, anders dan Havenbedrijf Amsterdam N.V., welke daar conform de overeenkomst niet toe gerechtigd zijn, zal hij aan Uitgever zonder nadere waarschuwing of ingebrekestelling en zonder dat daartoe rechterlijke tussenkomst is vereist, een boete verbeuren van € 10.000,- per overtreding, en van € 1.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, een en ander onverminderd het recht van Uitgever om volledige schadevergoeding te vorderen. Deze boete zal worden verbeurt per individueel product opgenomen in de Overeenkomst waarmee in strijd is gehandeld.

(…)

Artikel 17) Varia, toepasselijk recht en bevoegde rechter

(…)

De bepalingen in de Algemene Voorwaarden en de Overeenkomst bepalen gezamenlijk de rechtsverhouding tussen partijen en komen in de plaats van alle eerder gemaakte afspraken of uitlatingen van Uitgever terzake van het onderwerp van de Overeenkomst en leveren daarvoor uitsluitend bewijs.

Behoudens voor zover zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zullen voor de uitleg van de Overeenkomst in eerste instantie de bewoordingen bepalend zijn. Indien de bewoordingen, ook in onderlinge samenhang bezien, niet tot een in de gegeven omstandigheden redelijke uitleg kunnen leiden, zullen de redelijke (commerciële) bedoelingen van Partijen als maatstaf gelden bij de uitleg. Tegenbewijs tegen prima facie onduidelijke bewoordingen, alsmede bewijs gericht op andere uitlegbronnen dan de redelijke (commerciële) bedoelingen van Partijen, is niet toegestaan. (…).”

In de factuur van 11 mei 2016 voor in totaal € 38.315,75 (incl. BTW), is opgenomen dat de overeenkomst van 11 mei 2016 ingaat op 23 februari 2016, dat “de data uitsluitend is te gebruiken door Port of Rotterdam en Port of Amsterdam”. In deze factuur is onder andere een Webservice abonnement van € 8.000 per modaliteit in rekening gebracht voor de modaliteiten IMDG UK, IBC UK en ADN NL.

In december 2017 zijn JDH en HbR in overleg geweest over het uitbreiden van de licentie met de vervoersmodaliteit IMSBC via de ‘webservice’. In dit verband zijn de volgende e-mails verstuurd:

Op 19 december 2017 om 16.30 uur van [bestuurder JDH] (JDH) aan [naam 2] en [naam 5] van HbR (hierna: [naam 5] ):

bijgevoegd de aangepaste offerte [d.d. 18 december 2017, hof] naar aanleiding van het gesprek met [naam 5] . De levering valt nu onder de eerdere gemaakte afspraken (de leveringsvoorwaarden zoals deze met HbR zijn overeengekomen). Ik was daar al wel vanuit gegaan maar zo staat het inderdaad beter op papier.

Op 19 december 2017 om 17.18 uur [naam 5] (HbR) aan [bestuurder JDH] (JDK):

Bijna goed, als je bij nummer 2 aangeeft “en voor het doen van meldingen aan deze havens” zodat we dit ook kunnen gebruiken bij Portbase om de agent de juiste stofnaam te laten kiezen ben ik helemaal gelukkig .”

Op 18 januari 2018 zijn JDH en HbR het volgende – voor zover hier van belang – overeengekomen in de door HbR geaccordeerde offerte van JDH van 18 december 2017:

“artikel: IMSBC Webservice Aanvulling op bestaande dienstverlening

1. Deze overeenkomst heeft een looptijd van twee jaar ingaande op de datum van bevestiging van deze offerte.

2. Data is uitsluitend te gebruiken door Port of Rotterdam en Port of Amsterdam en voor het doen van meldingen aan deze havens.

3. Op deze offerte zijn de algemene voorwaarden zoals overeengekomen met Port of Rotterdam van toepassing, zoals overeengekomen op 10 mei 2016.”

Overleg

Op 26 juni 2019 heeft een overleg plaatsgevonden tussen JDK ( [bestuurder JDH] en [bestuurder GDS] ) en HbR (dhr. [naam 2] en [naam 5] ) over het onderhavige geschil. Naar aanleiding van dit gesprek heeft op 8 juli 2019 een telefonisch gesprek plaatsgebonden tussen Portbase (mevr. [naam 6] ) en JDK ( [bestuurder JDH] ). Vervolgens heeft op 22 juli 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen JDK ( [bestuurder JDH] en dhr. [naam 7] ), HbR (dhr. [naam 2] en [naam 5] ) en Portbase (mevr. [naam 6] en dhr. [naam 8] ) waarbij Portbase inzage heeft gegeven in een aantal gebruikersaccounts van klanten van PCS. JDK heeft daarna verzocht om volledige inzage in PCS maar dit heeft Portbase niet gegeven.

Beslag en inzage; onderzoeksrapporten DigiJuris en Probatius

Op 24 september 2019 heeft JDK na daartoe verkregen verlof conservatoir bewijsbeslag laten leggen bij HbR en Portbase. De geselecteerde bewijsmiddelen en proces-verbaal met gedetailleerde beschrijving zijn in gerechtelijke bewaring gegeven bij DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris). HbR en Portbase hebben vrijwillig inzage gegeven in de beslagen bescheiden. In maart 2020 heeft DigiJuris onderzoek gedaan naar de broncode en logfiles van PCS op basis van door JDK en Portbase overeengekomen zoekvragen. DigiJuris heeft haar bevindingen neergelegd in het Rapport Broncode van 2 april 2020. In opdracht van HbR c.s. heeft [naam 9] , informatiedeskundige van Probatius, onderzoek gedaan naar het gebruik van de GDS-lijsten in PCS.

Exploitatiemodel JDK

JDK biedt licenties aan op DGPlus in de abonnementsvormen brons, zilver, goud en platinum. Abonnees krijgen door middel van een gebruikersnaam en een wachtwoord online toegang tot DGPlus en de data uit de daarin opgenomen GDS-lijsten. Bij het bronzen abonnement kan de gebruiker de wetgeving en de GDS-lijst(en) van de vervoersmodaliteit(en) naar keuze raadplegen. Bij zilver, goud en platinum kan de gebruiker daarnaast ook vervoersdocumenten generen, bepaalde berekeningen maken en controles uitvoeren. Ook is het mogelijk om, door het aanschaffen van de zogenoemde webservice, de functionaliteiten van DGPlus te integreren in het eigen softwaresysteem van een bedrijf of organisatie.

Cessie en overdracht van rechten van JDH aan JDK

Bij akte van cessie van 1 februari 2021 hebben JDH en DG Plus B.V. alle rechten voortvloeiende uit de overeenkomsten gesloten op 11 mei 2016 en 18 januari 2018 tussen HbR en JDH en het recht tot handhaving van de intellectuele eigendomsrechten van JDH en/of DG Plus B.V. met betrekking tot DGPlus en de GDS-lijsten, overgedragen aan JDK. Tevens hebben JDH en DG Plus B.V. bij akte van overdracht IE-rechten van 1 februari 2021 alle (intellectuele eigendoms-) rechten met betrekking tot DGPlus en de GDS-lijsten overgedragen aan JDK.

4. Procedure bij de rechtbank

JDK heeft HbR c.s. gedagvaard en - na eiswijziging - onder meer gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat HbR c.s. inbreuk maken op de databankrechten van JDK en HbR is tekortgeschoten in de nakoming van de met JDK gesloten overeenkomsten, een bevel tot staking van genoemde inbreuken en tekortkomingen, een bevel tot het verstrekken van een accountantsverklaring met betrekking tot inbreukmakende activiteiten, alsmede een voorschot op schadevergoeding en de veroordeling tot betaling van verbeurde contractuele boetes, een en ander met veroordeling van HbR c.s. in de volledige proceskosten als bedoeld in art. 1019h Rv.

HbR c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben betwist dat JDK databankrechten van het failliete GDS hebben verkregen en dat op grond van eigen investeringen van JDH en JDK een nieuw databankrecht is ontstaan. HbR heeft aangevoerd dat haar was toegestaan GDS-lijsten aan Portbase te verstrekken. Portbase heeft betwist inbreukmakend te hebben gehandeld.

De rechtbank heeft de vorderingen tegen HbR afgewezen en JDK in de kosten veroordeeld. De vorderingen tegen Portbase wees de rechtbank gedeeltelijk toe met veroordeling van Portbase in de proceskosten.

De rechtbank overwoog hiertoe – kort samengevat – als volgt. Onvoldoende is gebleken dat databankrechten van GDS na haar faillissement zijn overgedragen aan JDH, zodat JDH die ook niet aan JDK heeft kunnen overdragen (4.3). De GDS-lijsten zoals die door GDS zijn gemaakt vormen een databank in de zin van art. 1 lid 1 onder a Dw (4.11). De verschillende lijsten zijn daarbij aan te merken als één databank (4.12). De door JDK opgevoerde investeringen in het wijzigen en updaten van de GDS-lijsten en DGPlus na 21 maart 2016 zijn voldoende substantieel om nieuwe databankrechten te doen ontstaan (4.14). De investeringen van JDH zijn vanaf 1 januari 2017 voldoende substantieel om een nieuw recht te doen ontstaan (4.16). HbR c.s. mochten erop vertrouwen dat het HbR onder de nieuwe overeenkomst van 2016 nog steeds was toegestaan om de databank aan haar deelneming Portbase te verstrekken zoals zij voor februari 2016 had gedaan (4.27). HbR heeft niet in strijd met de licentieovereenkomst gehandeld (4.33). Het raadplegen door Portbase van de databank is gebruik dat valt onder de licentie om de databank intern te gebruiken (4.37). Portbase had echter toestemming nodig om externe gebruikers van PCS toegang te geven tot een substantieel deel van de inhoud van de databank (4.38-4.39). Portbase heeft inbreuk gemaakt op de databankrechten van JDK door de databank beschikbaar te stellen aan derden (4.41). Er is sprake van inbreuk op het databankrecht van JDK in de periode van 17 februari 2017 tot 7 april 2020 (4.42). JDK heeft hierdoor recht op schadevergoeding (4.45). Omdat op basis van de berekeningswijzen van partijen niet mogelijk is de schade te berekenen, bestaat aanleiding de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure (4.55).

5. Vorderingen in hoger beroep

JDK is in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens is met het vonnis. Zij heeft verschillende grieven tegen het vonnis aangevoerd en wil dat het hof haar – wat de hoogte van het gevorderde voorschot op de schadevergoeding betreft gewijzigde – vorderingen alsnog volledig toewijst. Daarnaast vordert zij dat het hof HbR veroordeelt om hetgeen JDK ter uitvoering van het vonnis aan HbR heeft voldaan, vermeerderd met rente, terug te betalen en het hof HbR c.s. hoofdelijk veroordeelt voor in de volledige proceskosten op de voet van art. 1019h Rv, althans voor 80% in die volledige kosten en voor 20 % in de conform het liquidatietarief te begroten proceskosten.

HbR c.s. vorderen in incidenteel hoger beroep dat het hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van JDK tegen Portbase alsnog zal afwijzen, met veroordeling van JDK in beide instanties in de volledige proceskosten.

6. Beoordeling in hoger beroep

In de onderhavige procedure baseert JDK haar vorderingen jegens HbR op de 2016-overeenkomst en op databankenrecht en jegens Portbase op databankenrecht.

De grieven in principaal en (voor HbR voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor, met uitzondering van het niet bestreden oordeel van de rechtbank dat JDK (via JDH) geen databankenrechten van GDS heeft verkregen. Het hof zal achtereenvolgens de door de grieven bestreken onderwerpen bespreken, waarbij het de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk zal behandelen.

De op contractuele grondslag gebaseerde vorderingen van JDK

Vast staat dat Portbase geen partij is bij de 2016-overeenkomst en JDK richt haar op die overeenkomst gebaseerde vorderingen dan ook alleen tegen HbR. JDK vordert op die grondslag jegens HbR schadevergoeding en betaling van contractuele boetes. Volgens JDK is HbR toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de 2016-overeenkomst doordat zij de GDS-lijsten aan Portbase ter beschikking heeft gesteld, waarmee HbR heeft gefaciliteerd dat Portbase deze weer aan derden ter beschikking heeft gesteld. De volgens JDK tekstueel uit te leggen en van een entire agreement-clause voorziene overeenkomst gaf alleen HbR het recht om de GDS-lijsten intern te gebruiken. Voor zover bij de uitleg de 2005-Overeenkomst zou moeten worden betrokken, was HbR nog steeds niet gerechtigd de GDS-lijsten aan Portbase ter beschikking te stellen, nu die overeenkomst HbR en haar deelnemingen alleen het recht gaf de GDS-lijsten intern te gebruiken, aldus JDK.

HbR betwist te zijn tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens JDK. Volgens HbR wist JDK dat Portbase de GDS-lijsten gebruikte, moet de ter formalisering van de doorstart van de samenwerking in 2016 gesloten overeenkomst worden uitgelegd in het licht van de 2005-overeenkomst en is het daarin verleende gebruiksrecht niet overschreden.

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is de inhoud van de in 2016 tussen hen schriftelijk gemaakte afspraken in geschil. Deze contractinhoud moet door uitleg worden bepaald. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over een weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De betekenis die aan een entire agreement clause moet worden toegekend, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, inhoud en strekking en mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden. Een dergelijke clausule staat niet zonder meer eraan in de weg dat voor de uitleg betekenis wordt toegekend aan verklaringen en gedragingen voorafgaand aan de overeenkomst (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 - Lundiform/Mexx). Verder kunnen ook gedragingen van partijen na de contractsluiting een aanwijzing vormen welke bedoeling partijen hadden bij het aangaan van de overeenkomst (HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572).

Vast staat dat in de (voorwaarden bij de) 2016-overeenkomst is bepaald dat HbR de GDS-lijsten in haar eigen organisatie (niet commercieel) mag gebruiken en dat daarin geen bepalingen zijn opgenomen over gebruik door Portbase of andere deelnemingen van HbR of HbA.

Wel had Portbase (toen: Port Info Link) op grond van de in 2005 met GDS-gesloten overeenkomst als (toen 100%-) deelneming van HbR de bevoegdheid om ‘ten behoeve van haar eigen beroepsactiviteiten’ het in licentie gegeven Product, waaronder de GDS-lijsten, te gebruiken. De samenwerking tussen GDS en HbR waarbij Portbase het genoemde gebruiksrecht had is als gevolg van het faillissement van GDS tussentijds geëindigd. Vlak voor dit faillissement hebben de directeur van GDS, [bestuurder GDS] , en diens schoonzoon [bestuurder JDH] HbR bezocht om te spreken over een verlenging en aanpassing van de contracten mede mede gezien de deelname van HvA. Na het op die bespreking aangekondigde faillissement van GDS is hierover tussen [bestuurder JDH] en HbR verder onderhandeld. Feitelijk was sprake van een doorstart na het faillissement van de activiteiten van GDS, zoals blijkt uit het gegeven dat HbR (en Portbase) na het faillissement van GDS ongewijzigd gebruik bleef maken van de database, partijen blijkens de onder 3.14 genoemde e-mails voor ogen stond de samenwerking nu onder de vlag van JDH voort te zetten en de (met terugwerkende kracht tot het faillissement van GDS) gekozen ingangsdatum van de 2016-overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat gedurende deze onderhandelingen, waarbij is gesproken over een uitbreiding van het gebruiksrecht tot HbA, voor JDH aanwijzingen bestonden dat Portbase geen belang meer zou hebben bij uitoefening van haar gebruiksbevoegdheid. Integendeel blijkt genoegzaam uit de onder 3.14 weergegeven e-mails dat het de – ook aan JDH kenbaar gemaakte – bedoeling van HbR was om de samenwerking ‘op de oude voet’ voort te zetten. Verder nam HbA inmiddels geruime tijd - sinds 2009 – naast HbR deel in Portbase.

Voor zover [bestuurder JDH] , zoals JDK stelt, er niet mee bekend zou zijn geweest dat Portbase op grond van de 2005-overeenkomst de GDS lijsten gebruikte, kan dat HbR in dit geval niet worden tegengeworpen. [bestuurder JDH] was voor het faillissement van GDS werknemer van GDS en is als gezegd voor het faillissement samen met de directeur van GDS [bestuurder GDS] bij HbR op bezoek geweest om over de voortzetting te spreken. HbR c.s. mochten ervan uitgaan dat [bestuurder JDH] bekend was met de oude situatie. Gezien de voor JDH kenbare bedoeling van HbR om de samenwerking op oude voet voort te zetten met uitbreiding naar HbA, mocht HbR er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de in 2005 ook voor Portbase gecreëerde gebruiksbevoegdheid niet (zonder meer) zou worden beëindigd of beperkt. Dit strookt bovendien met het feit dat de met JDH overeengekomen licentievergoedingen niet lager zijn dan de voordien met GDS overeengekomen licentievergoedingen, waarin het gebruiksrecht van Portbase was begrepen.

De opmerking van [bestuurder JDH] , in het kader van de discussie omtrent het door JDH gewenste boetebeding, dat hij ervan uitging dat het boetebeding nooit zal worden toegepast omdat de producten niet zonder meer aan andere partijen dan HbR en HbA worden geleverd, maakt dit niet anders. HbR en HbA behoefden daaruit tegen de hiervoor geschetste achtergrond redelijkerwijs nog niet te begrijpen dat JDH daarmee ook bedoelde dat hun (inmiddels tezamen) 100% deelneming Portbase, anders dan voorheen, geen gebruiksrecht meer had. Dat HbR zelf ervan uitging dat zij ook onder de 2016-overeenkomst de lijsten aan haar deelneming Portbase ter beschikking mocht stellen blijkt overigens nog uit de latere (hiervoor onder 3.17 weergegeven) e-mail van [naam 5] van 19 december 2017 aan [bestuurder JDH] en de door laatstgenoemde daarvoor verrichte aanpassing in de door JDK afgegeven offerte voor een aanvullende vervoersmodaliteit.

De conclusie is dat HbR c.s. in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten begrijpen dat zich ten aanzien van het gebruiksrecht van Portbase onder de 2016-overeenkomst geen wijzing had voorgedaan.

Dat de overeenkomst met juridische bijstand is gesloten en een entire agreement-clause bevat met uitlegbeding, maakt het voorgaande in dit geval niet anders. Uit de producties waarnaar JDK verwijst blijkt niet van méér juridische bijstand dan dat in een betrekkelijk laat stadium van de onderhandelingen een bij HbR werkzame jurist de overeenkomst mede heeft bekeken. Gesteld noch gebleken is dat (daarbij) de in art. 17.2 neergelegde entire agreement-clausule of het in art. 17.3 vervatte uitlegbeding, voorwerp van onderhandeling zijn geweest en daaraan bijzondere aandacht is besteed.

Mede gelet op de voor JDH redelijkerwijs kenbare bedoeling van HbR om de samenwerking na de (feitelijke) doorstart op oude voet voort te zetten heeft JDK ook niet voldoende toegelicht dat het voortduren van het gebruiksrecht van Portbase op grond van art. 17.3 in strijd zou zijn met de ‘redelijke commerciële bedoelingen van partijen’ of ‘prima facie’ tegen de betekenis van onduidelijke bewoordingen van de overeenkomst in zou gaan, zoals JDK aanvoert. De redelijke commerciële bedoelingen van HbR waren onder meer dat haar deelneming Portbase als voorheen van de GDS lijsten gebruik mocht blijven maken. Waarom het voortbestaan van een in 2005 gecreëerd gebruiksrecht voor Portbase in 2016 in strijd met de redelijke commerciële bedoelingen van partijen zou zijn, heeft JDK onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Zoals volgt uit hetgeen onder 6.10 is overwogen, moest de bedoelingen van HbR de samenwerking op oude voet voort te zetten door JDH redelijkerwijs bekend zijn. Evenmin valt in te zien dat zo’n voortdurend gebruiksrecht ‘prima facie’ tegen de betekenis van onduidelijke bewoordingen zou ingaan, te minder nu in de bewoordingen van de 2016-Overeenkomst geen aandacht is besteed aan de positie van Portbase.

Het voorgaande laat onverlet dat de inhoud van het al in 2005 gecreëerde gebruiksrecht van Portbase geacht moet worden te zijn onderworpen aan dezelfde beperkingen die in de overeenkomst uit 2005 waren neergelegd. Die beperkingen houden in dat Portbase het in licentie gegeven Product, waaronder de GDS-lijsten, alleen voor de in art. 3.2 van de 2005-Overeenkomst opgesomde handelingen mag gebruiken, uitsluitend ten behoeve van haar eigen beroepsactiviteiten maar nooit zodanig dat deze kunnen leiden tot (al dan niet commerciële) exploitatie van (een deel van) het Product (art. 3.3) en waarbij het niet is toegestaan het Product beschikbaar te maken voor enige derde (art. 3.4).

Voor zover Portbase haar hiervoor bedoelde gebruiksrecht zou hebben overschreden – waarop het hof hierna onder 6.35 e.v. zal ingaan – levert dat in dit geval nog geen tekortkoming van HbR in de nakoming van de met JDH gesloten 2016-overeenkomst op. HbR mocht op grond van de 2016-overeenkomst als gezegd nog steeds GDS-lijsten aan Portbase ter beschikking stellen. Noch de 2005- overeenkomst, noch de 2016-overeenkomst bepalen dat HbR diende te controleren of ervoor zou instaan dat Portbase de haar verleende bevoegdheid niet zal overschrijden. Feiten en omstandigheden waaruit een zodanige impliciete verplichting volgt, zijn gesteld noch gebleken.

Volgens JDK is onwaarschijnlijk dat HbR niet wist dat Portbase de GDS-lijsten in PCS aan derden ter beschikking stelde, omdat HbR meerderheidsaandeelhouder in Portbase is en de CFO van Portbase voorzitter van de RvC van HbR en de vice-president commercial van HbR lid is van de strategische adviesraad van Portbase. HbR heeft evenwel onweersproken aangevoerd dat onder PCS in totaal 43 services worden aangeboden en gemotiveerd bewist dat de door JDK genoemde personen bij HbR kennis hadden van het concrete gebruik van de GDS-lijsten één van deze vele services die PCS biedt en/of van de vraag voor welke specifieke gebruiksvormen al dan niet toestemming was gegeven. JDK heeft al met al onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen oordelen dat HbR wist of moest weten dat Portbase in strijd met het verleende gebruiksrecht handelde, zodat het hof aan deze stelling van JDK als onvoldoende onderbouwd voorbijgaat. Het hof voegt hieraan nog toe dat ook de eventuele wetenschap bij enkelen binnen HbR van het gebruik door Portbase niet zonder meer wanprestatie van HbR oplevert.

Het hof is, tot slot, met de rechtbank van oordeel dat HbR c.s. in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten begrijpen dat onder het in de 2016-overeenkomst toegestane recht om de het Product “in zijn organisatie (niet-commercieel) te doen gebruiken” ook viel het op grond van haar wettelijke taak door HbR – na eigen controle en bevestiging – via PCS doorsturen aan de autoriteiten MSW (Single Window voor Maritiem en Lucht) en SPOC NL (Single Point of Contact van Nederland) van enkele verplichte gegevens omtrent ingekomen gevaarlijke stoffenmeldingen. JDK heeft niet betwist dat deze handelingen behoren tot de wettelijke kerntaken van HbR (zie hiervoor, onder 3.3) en evenmin dat HbR mede hiervoor met GDS hebben gecontracteerd om digitale stoffenlijsten af te nemen. Ook is gesteld noch gebleken dat HbR c.s. een vergoeding ontvingen van MSW of SPOC NL voor deze wettelijk verplicht doorgegeven informatie en/of MSW of SPOC NL zelf potentiële licentienemers van JDK waren waardoor zij eventuele licentie-inkomsten zou hebben misgelopen.

De slotsom is dat de op overeenkomst gebaseerde vorderingen van JDK jegens HbR niet toewijsbaar zijn. Het hof voegt hieraan toe dat volgens de eigen stellingen van JDK (memorie van grieven, 60, pleitnota, 64) de contractuele vorderingen geheel strekken tot handhaving van haar IE-rechten (databankrechten) en de door JDK aan HbR verweten tekortkoming voor zover het de terbeschikkingstelling aan Portbase betreft, erin bestaat dat HbR in strijd met de met JDK gesloten licentieovereenkomst de databankrechtinbreuk door Portbase heeft laten ontstaan en laten voortduren. Zoals hierna wordt besproken, zijn de gestelde inbreuken door Portbase evenwel niet komen vast te staan. Ook hierom zijn de op contractbreukgebaseerde vorderingen van JDK jegens HbR niet toewijsbaar. Evenmin kan HbR zelf worden verweten databankinbreuk te hebben gepleegd door in strijd met de overeenkomst GDS lijsten aan Portbase ter beschikking te stellen, zoals JDK nog aanvoert. Grief 1 in principaal hoger beroep faalt.

De op inbreuk op databankrechten gebaseerde vorderingen.

Daarmee komt aan de orde of de, op databankenrecht gebaseerde, vorderingen van JDK tegen Portbase toewijsbaar zijn. Daarvoor moet allereerst worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, JDK databankrechten heeft verkregen op de door GDS gecreëerde en/of de nadien door JDH daarin vanaf 2016 aangebrachte wijzigingen.

De omvang van een eventueel databankrecht van JDK

Zoals hiervoor is overwogen, staat in hoger beroep onbestreden vast dat JDH en daarmee ook JDK geen databankrechten van GDS door overdracht uit de faillissementsboedel van GDS hebben verkregen.

JDK betoogt dat door na 2016 gedane substantiële investeringen en in de controle op juistheid en actualiteit van de integrale GDS-lijsten, niet alleen een databankrecht is ontstaan op de aangebrachte wijzigingen, maar ook op het overgrote ongewijzigd gebleven deel van de door GDS gecreëerde databank met de door GDS gecreëerde GDS-lijsten. HbR c.s. betwisten dit laatste en betogen dat in een situatie als de onderhavige, waarin de exploitatie van een bestaande databank feitelijk wordt voortgezet door een derde, in het geheel geen databankrecht ontstaat voor die derde, althans hooguit een databankrecht op door de derde in de databank aangebrachte wijzigingen.

Naar het oordeel van het hof heeft JDK slechts databankrechten kunnen verwerven op door haar na 2016 aangebrachte wijzigingen in de GDS-lijsten voor zover in de verkrijging, controle of presentatie van die wijzigingen substantieel is geïnvesteerd. Een zodanig databankrecht van JDK strekt zich niet uit over de (ongewijzigde) voordien door GDS gecreëerde databank, ook niet op grond van (substantiële investeringen in) de grondige controle daarvan. Het hof licht dit als volgt toe.

Op grond van art. 1 lid 1 sub a Dw is een databank een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering. De bescherming komt toe aan de producent van de databank, degene die het risico draagt van de voor de databank te maken investering (art. 2 jo. 1 lid 1 sub b Dw). Het databankrecht, waarvan de duur 15 jaar bedraagt, ontstaat op het moment waarop de databank is voltooid (art. 6 lid 1 Dw). Met elke in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantiële wijziging van de inhoud van de databank, met name door opeenvolgende toevoegingen, weglatingen of veranderingen, die in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een nieuwe substantiële investering, ontstaat een nieuw recht voor de door die investering ontstane databank (art. 6 lid 3 Dw). Het begrip investering in de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud van een databank moet algemeen worden opgevat als betrekking hebbend op de investering ten behoeve van het aanleggen (curs. hof) van deze databank als zodanig. Het begrip investering in de controle van de inhoud van een databank in de zin van art. 7 lid 1 van de richtlijn ziet op de middelen die worden aangewend voor de controle van de juistheid van de gezochte elementen, zowel bij de samenstelling van de databank als tijdens het functioneren ervan, teneinde betrouwbaarheid van de informatie in deze databank te waarborgen (HvJEU 9 november 2004, C-23/02, ECLI:EU:C:2004:695 – BHB/William Hill, rov. 30 en 42).

Vast staat dat een (eventuele) uit de GDS lijsten bestaande databank zoals die ten tijde van het faillissement van GDS in 2016 bestond, door GDS en met investeringen van GDS is aangelegd en niet door JDH of JDK en met hun investeringen. Vast staat dat zij geen databankrechten van GDS door overdracht hebben verkregen. Na 2016 gedane investeringen van JDH in de verkrijging, controle of presentatie hebben dus geen betrekking op het aanleggen van de databank zoals die in 2016 bestond.

Naar het oordeel van het hof hebben investeringen van JDH in de verkrijging, controle en presentatie van de GDS-lijsten alleen een databankrecht kunnen doen ontstaan voor de door haar aangelegde databank, bestaand in de door JDH op grond van substantiële investeringen vanaf 2016 aangebrachte wijzigingen en aanvullingen, zoals op grond van art. 10 lid 3 Databankenrichtlijn mogelijk is. Ook de nieuwe beschermingstermijn die overeenkomstig overweging 55 bij de Richtlijn ingaat na (een substantiële investering in) een grondige controle van de inhoud van de databank moet in een geval als het onderhavige worden geacht te zijn beperkt tot de ‘door die investering ontstane nieuwe databank’. Dat is hier uitsluitend de uit de (eventuele) door JDH aangelegde databank bestaand in de door haar aangebrachte substantiële wijzigingen.

Enig na 2016 ontstaan databankrecht strekt zich dus niet uit over het ongewijzigd gebleven deel van de door producent GDS tot 2016 gecreëerde en bijgehouden databank, waarvan JDK de databankrechten nimmer overgedragen heeft gekregen. Dit acht het hof met name aangewezen in een situatie als de onderhavige, waarin niet is komen vast te staan dat de beschermingstermijn van het oorspronkelijke databankrecht van het in 2016 gefailleerde GDS (15 jaar na voltooiing van de initiële databank & daaropvolgende verlengingen wegens de ook volgens JDK door GDS tot 2016 telkens aangebrachte substantiële wijzigingen) al is verlopen en waarin vaststaat dat de desbetreffende databankrechten niet zijn overgedragen aan JDH die de actualisering na 2016 feitelijk heeft voortgezet.

Daargelaten of de GDS nummering zelf – als gecreëerde informatie – voor databankrechtelijke bescherming in aanmerking komt zijn voor zover het gaat om de door GDS aangebrachte uitsplitsingen de eventueel daarop voor GDS ontstane databankrechten niet op JDH en JDK overgegaan. JDK beroept zich in deze procedure verder ook niet (langer) op enig auteursrecht op de structuur van de databank.

Een door JDK aangelegde databank bestaat kortom uitsluitend in de door haar na 2016 aangebrachte inhoudelijke wijzigingen in de GDS lijsten, voor zover de verkrijging, controle of de presentatie van de inhoud daarvan in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering (art. 1 lid 1 sub a Dw) en/of voor zover daarbij sprake is van een kwalitatief of kwantitatief substantiële wijziging (toevoeging, weglating of verandering) die in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een nieuwe substantiële investering (art. 6 lid 3 Dw).

Is door substantiële investeringen van JDH een databank op wijzigingen ontstaan?

Het begrip investering in de verkrijging, controle of de presentatie van de inhoud van een databank moet in het algemeen worden opgevat als betrekking hebbend op de investering ten behoeve van het aanleggen van de databank als zodanig. De investering die nodig is voor het creëren van in de databank verzamelde gegevens telt niet als een substantiële investering in de zin van de richtlijn. Het begrip investering in de controle van de inhoud van de databank ziet op de middelen die worden aangewend voor de controle van de juistheid van de gezochte elementen, teneinde de betrouwbaarheid van de informatie in de databank te waarborgen. De kwantitatieve beoordeling ziet op de middelen die te becijferen zijn en de kwalitatieve beoordeling op de niet-kwantificeerbare inspanningen, zoals intellectuele inspanning of energieverbruik (HvJEU 9 november 2004, ECLI:EU:C:2004:696, zaak C338/02 - Fixtures/Svenska Spel).

Naar het oordeel van het hof heeft JDK voldoende onderbouwd dat in ieder geval de controle en verkrijging van de inhoud van de databank bestaand in de door JDH aangebrachte wijzigingen in kwantitatief opzicht getuigen van een substantiële investering. Van belang hierbij is dat HbR c.s. in (incidenteel) hoger beroep niet hebben bestreden het oordeel van de rechtbank (rov. 4.12) dat de GDS-lijsten voor alle vervoersmodaliteiten één geheel vormen en investeringen in bepaalde delen van de databank (dat wil zeggen ten aanzien van één vervoersmodaliteit) moeten worden aangezien als investeringen in de gehele alle vervoersmodaliteiten omvattende databank. Op basis van dit onbestreden uitgangspunt moeten daarom ook investeringen in updates voor niet door HbR afgenomen en aan Portbase verstrekte (GDS-lijsten voor) vervoersmodaliteiten worden meegenomen bij de beoordeling van de vraag of de door JDK na 2016 aangebrachte wijzigingen getuigen van een kwalitatief of kwantitatief substantiële investering.

Ook indien de door JDK opgevoerde loonkosten buiten beschouwing zouden worden gelaten, blijkt reeds uit de overgelegde facturen van de externe consultants die voor actualisatie van alle GDS-lijsten werden ingeschakeld, van een in kwantitatief opzicht substantiële investering.

Bovendien is ook in kwalitatief opzicht voldaan aan het vereiste van een substantiële investering. Zoals ook de rechtbank onbestreden heeft overwogen, ontleent een databank op het gebied van gevaarlijke stoffen zijn waarde aan het actueel, accuraat en betrouwbaar zijn. JDK heeft, met haar productie EP19 en de als producties EP 67 tot en met 72 overgelegde verklaringen van de ingeschakelde deskundigen, voldoende onderbouwd dat substantiële controle- en redactiewerkzaamheden zijn verricht ten behoeve van de tussen 2016 en 2020 voor alle vervoersmodaliteiten verrichte controlewerkzaamheden en daaruit voortgevloeide updates, welke inspanningen getuigen van een (nieuwe) substantiële kwalitatieve investering.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat schattenderwijs tenminste vanaf 1 januari 2017 in kwalitatief en kwantitatief opzicht sprake is van voldoende substantiële investeringen ten aanzien van met name de controle en verkrijging van de inhoud van de databank die bestaat in de als gevolg van de controlewerkzaamheden voor de diverse vervoersmodaliteiten daarin aangebrachte wijzigingen.

Heeft Portbase inbreuk gemaakt op het databankrecht van JDK?

Daarmee is aan de orde of Portbase inbreuk heeft gemaakt op databankrechten van JDK die zijn ontstaan door vanaf 2016 gedane investeringen in wijzigingen van de oorspronkelijke databank. In hoger beroep staat vast dat aan Portbase in ieder geval de stoffenlijsten IMDG, IMSBC en IBC zijn verstrekt en daarin door JDH tussen 2016 en 2020 alleen in de IMDG- en IBC-stoffenlijsten wijzigingen zijn aangebracht. Zoals door de rechtbank onder 4.15 onder verwijzing naar het eerste rapport Probatius onbestreden is vastgesteld, gaat het daarbij om 57 wijzigingen voor IMDG en 39 wijzigingen voor IBC.

JDK heeft haar stelling, dat HbR ook de ADN lijsten aan Portbase zal hebben verstrekt die deze in PCS zal hebben verwerkt, enkel gebaseerd op een vermoeden en niet verder met concrete feiten of stukken onderbouwd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat zich geen inbreuk op databankrechten op (wijzigingen in) de ADN-stoffenlijst heeft voorgedaan. Van databankrechtinbreuk door Portbase kan derhalve alleen sprake zijn voor zover het gaat om de hiervoor bedoelde inhoudelijke wijzigingen in de IMDG- en IBC-stoffenlijsten.

De door JDK gestelde inbreuken komen erop neer dat de GDS-lijsten zonder toestemming in PCS aan derde-gebruikers ter beschikking zijn gesteld, die zelf met gebruik van de lijsten meldingen gevaarlijke stoffen hebben gedaan. Hiervoor is al geoordeeld dat Portbase (via HbR) toestemming had om de lijsten voor de in art. 3.2 van de 2005-Overeenkomst opgesomde handelingen te gebruiken, onder de voorwaarde dat dit uitsluitend ten behoeve van haar eigen beroepsactiviteiten zou geschieden maar nooit zodanig dat deze kunnen leiden tot (al dan niet commerciële) exploitatie van (een deel van) het Product (art. 3.3) en waarbij het niet is toegestaan het Product beschikbaar te maken voor enige derde (art. 3.4). Het gebruiksrecht van Portbase strekte zich niet uit tot via PCS databankrechtelijk relevant opvragen door derden en hergebruik van de door JDH aangebrachte de wijzigingen in de stoffenlijsten.

Voor zover JDK HbR c.s. verwijt de GDS-lijsten met een eigen nummering te hebben overgeschreven, zijn haar vorderingen niet toewijsbaar (zie hiervoor, 6.27). Als gezegd beroept JDK zich in deze procedure niet (langer) op auteursrecht op de structuur van de databank. Ook voor zover zij HbR c.s. verwijt de (door GDS aangebrachte) logica van de stoffenlijsten te hebben overgenomen, valt daarin, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen inbreuk op enig databankrecht van JDK te herkennen.

Ook overigens heeft JDK onvoldoende onderbouwd dat sprake is geweest van inbreuk op haar – naar hiervoor is geoordeeld – tot enkel de door haar aangebrachte wijzigingen beperkte databankrecht. Het hof licht dit als volgt toe.

Vast staat dat derden via PCS slechts toegang hadden tot een beperkt aantal kolommen. Voor zover voor de vermeende inbreuken relevant, gaat het daarbij om 5 van de 18 kolommen voor IMDG en 5 van de 15 kolommen voor IBC.

Volgens HbR c.s. heeft JDK niet aangetoond welke wijzigingen zijn aangebracht en of deze wijzingen door Portbase zijn (her)gebruikt of door agenten zijn geselecteerd. Hierop heeft JDK slechts gereageerd met haar algemene – door het hof hiervoor verworpen – standpunt dat door de (investeringen in) de actualisering een recht op de databank als geheel ontstaat. Het kennelijke betoog van JDK dat niet relevant is of de wijzigingen als zodanig zijn opgevraagd of hergebruikt, stuit af op het hiervoor gegeven oordeel dat JDK hooguit een databankrecht kan hebben verworven op de door haar aangebrachte wijzigingen.

Voor het overige heeft JDK – hoewel het debat gelet op de door HbR c.s. ingenomen stellingen hiertoe wel aanleiding gaf – niet toegelicht en onderbouwd of en zo ja in hoeverre binnen de beperkt aantal voor derden zichtbare kolommen in IMDG en IBC sprake is geweest van via PCS hergebruik of opvragen door derden van de alleen uit door JDK aangebrachte wijzigingen bestaande databank. Evenmin heeft JDK op dit punt een (voldoende gespecificeerd) bewijsaanbod gedaan. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat Portbase inbreuk heeft gemaakt op databankrechten van JDK.

Daarbij komt nog het volgende. Op grond van het arrest CV-online (HvJEU 3 juni 2021, C-762/19, ECLI:EU:C:2021:434) strekt het databankrecht slechts zover als de verweten handelingen schade berokkenen aan de investering van de fabrikant van de databank in de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud van de databank, dat wil zeggen het risico meebrengen dat deze investering niet met een normale exploitatie van de betrokken databank kan worden terugverdiend. Voor zover JDK Portbase verwijt dat zij agenten in de gelegenheid heeft gesteld via PCS meldingen te doen, hebben HbR c.s. gesteld dat agenten voor die meldingen nimmer een licentie bij JDK zouden hebben afgesloten zodat JDK daardoor geen licentie-inkomsten kan hebben gemist. JDK heeft dit niet (voldoende) weersproken en ook overigens onvoldoende toegelicht of onderbouwd dat, doordat Portbase deze derden toegang gaf tot de (beperkt zichtbare) GDS-lijsten, het risico bestaat dat de investering niet met een normale exploitatie kan worden terugverdiend. Waar het de terbeschikkingstelling door Portbase aan de havens betreft, hebben HbR c.s. al in eerste aanleg gemotiveerd betwist dat deze gebruik maken van de gevaarlijke stoffenlijsten (Port of Harlingen en Scheveningen), danwel (Groningen Seaport) op inbreukmakende wijze daarvan via PCS gebruik hebben gemaakt. Hiertegenover heeft JDK onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat het handelen van Portbase het risico meebrengt dat de investering van JDK niet met een normale exploitatie kan worden terugverdiend. Voor zover JDK Portbase verwijt deze havens in de gelegenheid te hebben gesteld te communiceren met de GDS-nummers, levert dit zonder nadere toelichting, die ontbreekt, nog geen inbreuk op (zie hiervoor, 6.27 en 6.39). Al met al is – mede in aanmerking nemend dat JDK licentie-inkomsten voor het door Portbase gemaakte gebruik heeft ontvangen (zie rov. 2.17 vonnis) – door JDK onvoldoende onderbouwd dat door het handelen van Portbase het risico is teweeggebracht dat zij haar investering niet met een normale exploitatie kan terugverdienen.

Het hof voegt, voor zover JDK Portbase verwijt inbreuk te hebben gemaakt als bedoeld in art. 2 lid 1 onder a Dw, hieraan nog het volgende toe. Volgens deze bepaling moet als inbreuk op het databankrecht wordt aangemerkt het zonder toestemming opvragen of hergebruiken van ‘het geheel of een in kwalitatief of kwantitatief substantieel deel (curs. hof) van de inhoud van de databank’. Haar stelling, dat is voldaan aan het vereiste van opvragen of hergebruik van een substantieel deel van de inhoud van de databank, baseert JDK wederom, naar het hof begrijpt, geheel op haar standpunt dat zij een databankrecht heeft op de integrale GDS-lijsten en niet slechts op de daarin door haar aangebrachte wijzigingen. Nu JDK heeft nagelaten te concretiseren welke wijzigingen zij na 2016 heeft aangebracht en welk deel daarvan in het beperkt aantal voor derden ter beschikking gestelde kolommen konden worden geraadpleegd of opgevraagd, kan niet worden vastgesteld of een deel van de wijzigingen zichtbaar waren, laat staan dat het daarbij om een substantieel deel gaat, zoals art. 2 lid 1 sub a Dw voor databankrechtinbreuk eist.

De gestelde databankrechtinbreuken zijn in deze procedure dus niet komen vast te staan en de daarop gebaseerde vorderingen zijn niet toewijsbaar. Daarmee behoeft het debat omtrent de duur van het gebruik door Portbase, de beweerde schadeomvang en het beroep op de exceptie van art. 5 lid 1 sub c Dw geen bespreking meer.

Slotsom en proceskosten

De vorderingen van JDK jegens HbR en Portbase zijn niet toewijsbaar. JDK moet als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure dragen, zowel wat betreft het exhibitie-incident als de hoofdzaak in beide instanties. De grieven in principaal hoger beroep falen. In het incidenteel hoger beroep slagen de grieven 2 en 3 gedeeltelijk en grief 7 geheel en behoeven de overige grieven geen verdere bespreking.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank in het incident en de hoofdzaken vernietigen, de vorderingen van JDK in de hoofdzaken alsnog afwijzen en JDK jegens zowel HbR als Portbase als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het exhibitie-incident en in de hoofdzaak van beide instanties. Het hof zal hierbij uitgaan van het voor een complexe zaak toepasselijke indicatietarief.

7. Beslissing

Het hof:

- vernietigt het in de incidenten en hoofdzaken tussen JDK en HBR en JDK en Portbase gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juli 2023 en opnieuw recht doende:

- wijst de vorderingen van JDK jegens HbR en Portbase af;

- veroordeelt JDK in de kosten van HbR en Portbase in het exhibitie-incident en in beide instanties in de hoofdzaak, aan de zijde van HbR en Portbase telkens begroot op (€ 5.000 + 40.000 + 48.000 = ) € 93.000 aan salaris overeenkomstig het indicatietarief en € 11.379,- voor griffierecht, alsmede € 189,- aan nasalaris, te verhogen met € 98,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en nasalaris vanaf veertien dagen na vandaag, respectievelijk, wat het bedrag van € 98,- betreft, na de datum van betekening;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Lenselink, M.Y. Bonneur en R.S. Le Poole en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand