Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003031-25
Parketnummer: 10-099961-22
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 5 maart 2020 te Dordrecht, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het (meermalen)
- ( tong)zoenen van haar en/of
- betasten van en/of wrijven over haar schaamstreek en/of
- betasten van en/of knijpen in haar borst(en) en/of
- plaatsen/duwen van zijn penis/schaamstreek tegen haar billen en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (onverhoeds)
- benaderen van haar en/of zich opdringen aan haar en/of
- voorbij gaan aan haar (verbale en/of non-verbale) protesten en/of
- feit dat er sprake was van een fysiek overwicht en/of
- duwen tegen haar lichaam en/of
- op de bank duwen/positioneren van haar en/of naast haar gaan liggen, zodat zij geen weerstand kon bieden en/of niet weg kon en/of
- op haar gaan en/of blijven zitten en/of liggen
- draaien van haar arm op haar rug en/of
- zeggen tegen haar:
o "Geef mij een zoen" en/of
o "Je kan tegenstribbelen, maar dat heeft toch geen nut/win je toch niet", althans woorden van gelijke (dreigende/intimiderende) aard/strekking, en/of
- plaatsen van zijn hand onder haar kleding en/of verplaatsen van kleding en/of
- plaatsen van zijn hand op haar mond en/of keel en/of
- feit dat hij (aldus) een voor haar dreigende situatie heeft doen ontstaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens de vordering van de benadeelde partij.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 5 maart 2020 te Dordrecht, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het (meermalen)
- ( tong)zoenen van haar en/of
- betasten van en/of wrijven over haar schaamstreek en/of
- betasten van en/of knijpen in haar borst(en) en/of
- plaatsen/duwen van zijn penis/schaamstreek tegen haar billen en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het (onverhoeds)
- benaderen van haar en/of zich opdringen aan haar en/of
- voorbij gaan aan haar (verbale en/of non-verbale) protesten en/of
- het feit dat er sprake was van een fysiek overwicht en/of
- duwen tegen haar lichaam en/of
- op de bank duwen/positioneren van haar en/of naast haar gaan liggen, zodat zij geen weerstand kon bieden en/of niet weg kon en/of
- op haar gaan en/of blijven zitten en/of liggen
- draaien van haar arm op haar rug en/of
- zeggen tegen haar:
o "Geef mij een zoen" en/of
o "Je kan tegenstribbelen, maar dat heeft toch geen nut/win je toch niet", althans woorden van gelijke (dreigende/intimiderende) aard/strekking, en/of
- plaatsen van zijn hand onder haar kleding en/of verplaatsen van kleding en/of
- plaatsen van zijn hand op haar mond en/of keel en/of
- het feit dat hij (aldus) een voor haar dreigende situatie heeft doen ontstaan.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde. Hiertoe stelt de verdediging dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is. Tevens kan het DNA op de beha van de aangeefster door verplaatsing daar zijn gekomen en mag niet als steunbewijs worden gebruikt.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte en aangeefster op 5 maart 2020 samen in de woning van de verdachte waren. Hun kinderen waren in de woning met elkaar aan het spelen. Op een gegeven moment heeft aangeefster de woning verlaten. Volgens de verdachte was zij gepikeerd door iets wat hij tegen haar zei en voelde zij zich mogelijk afgewezen omdat de verdachte geen relatie met haar wilde. Aangeefster verklaart echter dat de verdachte haar heeft aangerand in zijn woning.
Het hof acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar nu deze gedetailleerd, nauwkeurig en coherent is. Aangeefster is ook consistent in haar verklaring. Voorts worden verschillende onderdelen van haar verklaring ondersteund door getuigen aan wie zij onmiddellijk na het incident daarover heeft verteld en een voicebericht van aangeefster aan een vriendin, een dag nadat onderhavig feit was gebeurd.
Er is voorts steunbewijs in de vorm van een whatsappgesprek dat aangeefster met de verdachte heeft gehad, twee dagen na het feit. De verdachte stuurde een bericht aan aangeefster dat zij “geluk” heeft gehad. Als aangeefster vraagt wat hij daarmee bedoelt, zegt de verdachte: “was wel lekker”. Als aangeefster zegt “dat ik weg ben gegaan” bericht de verdachte “spreek je wel een keer als je niet ongesteld bent”. Aangeefster bericht vervolgens “dat wat er afgelopen donderdag gebeurde is gewoon echt niet oké. Ik wil dan ook ieder contact verbreken.” Hierop heeft de verdachte niet meer gereageerd.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het woord “lekker” mogelijk ging over wat zij hadden gegeten en gedronken en dat de berichten verder slaan op de stemming van aangeefster en dat zij mogelijk gepikeerd was door iets wat hij tegen haar in de woning heeft gezegd. Hij had gezegd dat hij geen relatie met aangeefster wilde terwijl zij dat wel wilde. De whatsappberichten passen echter naar het oordeel van het hof bij de verklaring van aangeefster; de verklaring van de verdachte over deze berichten is niet logisch en coherent.
Nu het hof het resultaat van de DNA-test niet voor het bewijs gebruikt, behoeft dat verweer geen nadere bespreking.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan aanranding van aangeefster. Dit heeft plaatsgevonden in de woning van de verdachte. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. Dit heeft bij het slachtoffer diepe sporen nagelaten.
Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte veel negatieve gevolgen ondervindt vanwege onderhavige zaak. Zo is zijn VOG-aanvraag afgewezen wat nadelige gevolgen heeft voor de toekomst van zijn rijschool en overige werkzaamheden.
Het hof is van oordeel dat gelet op de wetsgeschiedenis het taakstrafverbod ex artikel 22b Wetboek van strafrecht in deze zaak niet van toepassing is. Gelet op de wijze waarop het strafbaar feit is begaan kan in juridische zin niet gesproken worden van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit die – in de bedoeling van de wetgever – een taakstraf in de weg staat. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren in beginsel een passende en geboden sanctie is.
Overschrijding van de redelijke termijn
Het hof neemt echter in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de berechting in eerste aanleg is overschreden met bijna 3 jaar, nu de verdachte op 26 oktober 2020 in verzekering is gesteld en de rechtbank op 8 oktober 2025 uitspraak heeft gedaan. Gelet hierop zal het hof in plaats daarvan een lagere taakstraf voor de duur van 60 uren opleggen.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.500,00.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.
Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit volgt uit de door de namens benadeelde partij toegezonden brief van psychiater drs. M.A. Ahiyevets d.d. 8 december 2022 waarin hij refereert aan EMDR-therapie welke aangeefster heeft gehad vanwege een aanranding. De gemachtigde van benadeelde partij heeft verklaard dat dit betrekking heeft op het onderhavige feit en het hof acht het geestelijk letsel hiermee aangetoond.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding voor de benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard en de ernst van het aan de verdachte gemaakte verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogenoemde “Rotterdamse schaal”, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen (categorie b “ernstig” onder aanranding (art. 246 Sr oud)).
De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf
5 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 maart 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter, mr. M. Koole en mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. L. Knoop.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 augustus 2026.
mr. L. Knoop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.