Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003356-25
Parketnummers: 10-163135-22 en 10-297198-23
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
ter zitting opgegeven adres: [woonadres] , [woonplaats]
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 1, 2 en 4 en het in de zaak met parketnummer 10-297198-23 onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 3 tenlastegelegde is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Tevens zijn er beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en het beslag, zoals nader uiteengezet in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-163135-22: 1.hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 21 september 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
telkens opzettelijk en wederrechtelijk in (een gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de servers waarop de klantomgeving van Robeco (MijnRobeco) worden gehost en/of de servers waarop de software van Robeco draait/zich bevindt, is binnengedrongen
waarbij hij en/of zijn mededaders zich de toegang tot dat geautomatiseerde werk heeft/hebben verschaft met behulp van valse sleutels of een valse sleutel en/of het aannemen van een valse hoedanigheid, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders de (gestolen/onrechtmatig gekopieerde) gegevens van verschillende rechtmatige gebruikers van de digitale omgeving van Robeco (MijnRobeco) –niet zijnde verdachte en/of zijn mededaders- gebruikt om in die omgeving in te loggen, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich in strijd met de waarheid hebben/heeft voorgedaan als de rechtmatige gebruiker(s) van deze gegevens
en dat hij en/of zijn mededaders telkens vervolgens de gegevens van de rechtmatige gebruikers, die waren opgeslagen op voornoemd geautomatiseerd werk en/of door middel van voornoemd geautomatiseerd werk werden verwerkt en/of overgedragen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk in dat geautomatiseerd werk bevonden, voor zichzelf/hunzelf en/of een ander heeft/hebben overgenomen, afgetapt en/of opgenomen.
2.Hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 21 september 2021 te Rotterdam, althans Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door:
- het aannemen van een valse naam en/of van een valse identiteit en/of
- een valse hoedanigheid en/of
- door een of meer listige kunstgrepen en/of
- door een samenweefsel van verdichtsels,
Robeco heeft bewogen tot:
- afgifte van (een) goed en/of
- tot het verlenen van een dienst en/of
- tot het ter beschikking stellen van gegevens,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- voornoemd bedrijf bewogen tot afgifte van een of meer geldbedragen, te weten in totaal ongeveer 274.297,53 euro
door zich voor te doen als de rechtmatige klant van Robeco , niet zijnde de verdachte en/of zijn mededader(s), door (onder meer):
- in te loggen op de MijnRobeco omgeving van Robeco klanten en/of
- tegenrekeningen te wijzigen van Robeco klanten en/of
- zich bij Robeco telefonisch en/of via email voor te doen als klant en/of
- geld uit te boeken van aangever [ [aangever 1] ] en/of [ [aangever 2] ] en/of aangever [ [aangever 3] ]
- fonds(en) te verkopen van aangever [ [aangever 4] ] en/of van aangever [ [aangever 5] ] en/of van aangeefster [ [aangever 6] ]
- rekening(en) te laten opheffen van aangever [ [aangever 3] ] en/of aangever [ [aangever 2] ] en/of aangever [ [aangever 5] ]
waarna Robeco een of meer geldbedrag(en) heeft overgemaakt.
3.Hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 23 augustus 2022 te Rotterdam, althans Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, gegevens, te weten lijsten met inloggegevens en wachtwoorden van MijnRobeco heeft vervaardigd en/of ontvangen en/of overgedragen en/of voorhanden gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van het in artikel 231b Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
4.Hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 21 september 2021 te
Amsterdam en/of Rotterdam, althans Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met
(een) ander(en). althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) anderen)
wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een of meer geldbedrag(en). in elk geval
enig goed, geheel of ten del toebehorende aan
- [aangever 2] en/of
- [aangever 5] en/of
- [aangever 1] en/of
- [aangever 7] en/of
- [aangever 3] en/of
- [aangever 4]
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s). waarbij
verdachte zich de toegang tot de plaats(en) van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of
die/dat weg te nemen geldbedrag(en). althans enig goed, onder zijn/hun bereik heeft/hebben
gebracht door middel van een (of meer) valse sleutel(s). te weten door het gebruiken van
onrechtmatig verworven inloggegevens tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd
was.
Zaak met parketnummer 10-297198-23:
Hij in of omstreeks van 28 juli 2018 tot en met 4 april 2023 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen een computerwachtwoord, toegangscode en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd, door op de website Genesis Market toegang tot ongeveer 377 bots (zijnde van client ID [nummer] ) te (doen) verwerven, bevattende (een) gebruikersna(a)m(en) en/of wachtwoord(en) en/of browsercookie(s) en/of browser fingerprint(s) toebehorende aan (een) andere perso(o)n(en) (dan verdachte en/of zijn mededader(s)) waarmee toegang kan worden verkregen tot (een) geautomatiseerd werk(en) of een deel daarvan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 1, 2, 3 en 4 en in het de zaak met parketnummer 10-297198-23 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 10-297198-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-163135-22:
1.hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 21 september 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen
telkens opzettelijk en wederrechtelijk in (een gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten de servers waarop de klantomgeving van Robeco (MijnRobeco) worden gehost en/of de servers waarop de software van Robeco draait/zich bevindt, is binnengedrongen
waarbij hij en/of zijn mededaders zich de toegang tot dat geautomatiseerde werk heeft/hebben verschaft met behulp van valse sleutels of een valse sleutel en/of het aannemen van een valse hoedanigheid, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders de (gestolen/onrechtmatig gekopieerde) gegevens van verschillende rechtmatige gebruikers van de digitale omgeving van Robeco (MijnRobeco) – niet zijnde verdachte en/of zijn mededaders – gebruikt om in die omgeving in te loggen, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich in strijd met de waarheid hebben/heeft voorgedaan als de rechtmatige gebruiker(s) van deze gegevens
en dat hij en/of zijn mededaders telkens vervolgens de gegevens van de rechtmatige gebruikers, die waren opgeslagen op voornoemd geautomatiseerd werk en/of door middel van voornoemd geautomatiseerd werk werden verwerkt en/of overgedragen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk in dat geautomatiseerd werk bevonden, voor zichzelf/hunzelf en/of een ander heeft/hebben overgenomen, afgetapt en/of opgenomen.
2.hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 21 september 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door:
- het aannemen van een valse naam en/of van een valse identiteit en/of
- een valse hoedanigheid en/of
- door een of meer listige kunstgrepen en/of
- door een samenweefsel van verdichtsels,
Robeco heeft bewogen tot:
- afgifte van (een) goed en/of
- tot het verlenen van een dienst en/of
- tot het ter beschikking stellen van gegevens,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)
- voornoemd bedrijf bewogen tot afgifte van een of meer geldbedragen, te weten in totaal ongeveer 274.297,53 eurodoor zich voor te doen als de rechtmatige klant van Robeco , niet zijnde de verdachte en/of zijn mededader(s), door (onder meer):
- in te loggen op de MijnRobeco omgeving van Robeco klanten en/of
- tegenrekeningen te wijzigen van Robeco klanten en/of
- zich bij Robeco telefonisch en/of via email voor te doen als klant en/of
- geld uit te boeken van aangever [ [aangever 1] ] en/of [ [aangever 2] ] en/of aangever [ [aangever 3] ]
- fonds(en) te verkopen van aangever [ [aangever 4] ] en/of van aangever [ [aangever 5] ] en/of van aangeefster [ [aangever 6] ]
- rekening(en) te laten opheffen van aangever [ [aangever 3] ] en/of aangever [ [aangever 2] ] en/of aangever [ [aangever 5] ]
waarna Robeco een of meer geldbedrag(en) heeft overgemaakt.
3.hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 23 augustus 2022 te Rotterdam, althans in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, gegevens, te weten lijsten met inloggegevens en wachtwoorden van MijnRobeco heeft vervaardigd en/of ontvangen en/of overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van het in artikel 231b Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
4.hij in of omstreeks de periode van 20 december 2019 tot en met 21 september 2021 te
Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met (een) ander(en). althans alleen, (telkens) geldbedragen met het oogmerk om die zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijke toe-eigening toe te eigenen, - heeft weggenomen, een of meer geldbedrag(en). in elk geval enig goed, geheel of ten del toebehorende aan
- [aangever 2] en/of
- [aangever 5] en/of
- [aangever 1] en/of
- [aangever 7] en/of
- [aangever 3] en/of
- [aangever 4]
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s). waarbij
verdachte en of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats(en) van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en), althans enig goed, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een (of meer) valse sleutel(s), te weten door het gebruiken van onrechtmatig verworven inloggegevens tot het gebruik waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren.
Zaak met parketnummer 10-297198-23: hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2018 tot en met 4 april 2023 te Amsterdam en/of Rotterdam, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen een computerwachtwoord, toegangscode en/of daarmee vergelijkbaar gegeven, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van Strafrecht werd gepleegd, door op de website Genesis Market toegang tot ongeveer 377 bots (zijnde van client ID [nummer] ) te (doen) verwerven, bevattende (een) gebruikersna(a)m(en) en/of wachtwoord(en) en/of browsercookie(s) en/of browser fingerprint(s) toebehorende aan (een) andere perso(o)n(en) (dan verdachte en/of zijn mededader(s)) waarmee toegang kan worden verkregen tot (een) geautomatiseerd werk(en) of een deel daarvan, te verwerven.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere overwegingen omtrent het bewijs
Landeck: vormverzuim 359a Wetboek van Strafvordering.
In eerste aanleg is door de raadsvrouw bepleit dat er zich een onherstelbaar vormverzuim heeft voorgedaan bij het onderzoek aan de inbeslaggenomen gegevensdragers, nu er is nagelaten toestemming van de rechter-commissaris te verkrijgen om de gegevensdragers te onderzoeken. De raadsvrouw heeft bepleit dat het daarbij niet van belang is of de gegevensdragers handmatig of met behulp van een technisch hulpmiddel zijn doorzocht, nu in beide gevallen een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van de gegevensdragers wordt gemaakt.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het handmatig onderzoeken van een gegevensdrager niet per se een beperkte inbreuk op de privacy oplevert, en er op gewezen dat juist geautomatiseerd zoeken het mogelijk maakt om meer gericht, en dus met een beperktere inbreuk op de privacy van de verdachte, onderzoek aan een gegevensdrager te verrichten.
Het hof stelt vast dat voor het onderzoek aan de gegevensdragers geen toestemming is verleend door de rechter-commissaris, en dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert. Het hof wijst daarbij op hetgeen is bepaald in de zogenoemde Landeck-jurisprudentie, recentelijk nog aangescherpt in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:585 (zie met name r.o. 114 t/m 117). Opsporingsdiensten moeten (ongeacht de aard en ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte) voorafgaand aan het veiligstellen van op gegevensdragers – waaronder moeten worden verstaan alle gegevensdragers, dus niet alleen smartphones, die (ook) voor privédoeleinden kunnen zijn gebruikt – aanwezige gegevens en vóór het raadplegen daarvan toestemming van een rechter (of een andere onafhankelijke autoriteit) verkrijgen. Dit brengt met zich dat de sinds het wijzen van het Landeck-arrest ontstane praktijk waarin gegevensdragers worden uitgelezen zonder toestemming van een rechter-commissaris, en waarin de daardoor beschikbaar gekomen gegevens pas voor onderzoeksteams van opsporingsdiensten beschikbaar komen na daartoe verleende toestemming van een rechter-commissaris, naar het zich laat aanzien niet met deze rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in overeenstemming is.
Bij de beantwoording van de vraag of aan deze schending ook enig rechtsgevolg moet worden verbonden, moet het hof onder andere beoordelen of het aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending heeft ondervonden. In dit kader overweegt het hof dat in beginsel ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte een voldoende concreet nadeel kan opleveren.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat meerdere personen toegang hadden tot en regelmatig gebruik maakten van de in beslag genomen gegevensdragers. Daarnaast is er noch door de verdachte noch door de raadsvrouw in eerste aanleg en in hoger beroep enig (ander) concreet belang aangevoerd waarin de verdachte persoonlijk zou zijn geraakt door het vormverzuim. Het hof is van oordeel dat de verdachte derhalve onvoldoende in zijn persoonlijke belangen is geschaad om aan het vormverzuim enig rechtsgevolg te verbinden.
Het hof is derhalve van oordeel dat kan worden volstaan met constatering van het vormverzuim.
Verhouding diefstal met valse sleutels en oplichting
Aan de verdachte zijn meerdere strafbare feiten tenlastegelegd, waaronder enerzijds oplichting van de bank ( Robeco , feit 2) en anderzijds diefstal met valse sleutels van meerdere klanten van deze bank (feit 4). Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de oplichting van Robeco enerzijds en de diefstal met valse sleutels van het geld dat op bankrekeningen bij Robeco stond anderzijds, tegelijkertijd bewezen kunnen worden verklaard. Het hof is van oordeel dat dit wel het geval is indien uit feit 2 het bewegen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) wordt ‘weggestreept’.
Robeco is door de verdachte en zijn mededaders door middel van meerdere oplichtingsmiddelen bewogen tot het verlenen van diensten, bestaande uit het verkopen van fondsen toebehorend aan Robeco -klanten, het opheffen van rekeningen van Robeco -klanten en het overmaken van meerdere geldbedragen. Deze handelingen leveren een voltooide oplichting op, die het hof bewezen acht.
Het gevolg van deze door Robeco verleende diensten is dat het geld van aangevers van hun rekening is afgeboekt, en zij de beschikkingsmacht daarover zijn verloren. Daarmee is het geld, dat op de bankrekeningen van aangevers stond, door middel van valse sleutels, namelijk door het onbevoegde gebruik van hun inloggegevens, gestolen.
Hoewel het geld dus is gestolen van rekeningen beheerd door Robeco , zijn de handelingen waartoe Robeco is bewogen van een andere aard dan het wegnemen van een geldbedrag. Het hof is van oordeel dat beide feiten bewezen kunnen worden verklaard.
Bewezenverklaring en kwalificatie feit 3
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde feit ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het bewezenverklaarde feit naar het oordeel van de rechtbank niet kon worden gekwalificeerd als enig strafbaar feit.
Het hof is van oordeel dat, hoewel de steller van de tenlastelegging in de originele dagvaarding onder de tekst van het tenlastegelegde feit 3 verwijst naar artikel 139d lid 2 aanhef en sub b Wetboek van Strafrecht, uit de tekst van het tenlastegelegde feit niet blijkt dat de steller van de tenlastelegging daarmee een wezenlijk ander feit heeft bedoeld dan door het hof bewezen zal worden verklaard. De aanduiding van een artikel in de dagvaarding is immers geen dwingend kader op basis waarvan de tenlastelegging moet worden beoordeeld. Slechts de tekst van de tenlastelegging zelf is dwingend van aard, en biedt het kader waarbinnen het hof dient te oordelen. De door het hof bewezenverklaarde handelingen zijn te kwalificeren als overtreding van artikel 234 Wetboek van Strafrecht, en leveren dus een strafbaar feit op.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt.
Het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gegevens voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
Het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 4 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 10-297198-23 bewezenverklaarde levert op:
met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebben, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting, diefstal door middel van valse sleutels, computervredebreuk en het voorhanden hebben van zogenoemde ‘bots’. De verdachte heeft hierdoor, tezamen en in vereniging met zijn mededaders, de volledige online identiteit van de aangevers overgenomen. Niet alleen heeft de verdachte daarmee grote financiële schade toegebracht aan de aangevers, hij heeft hen een gevoel van onveiligheid bezorgd dat vele malen verder gaat dan een ‘regulier’ geval van computervredebreuk. Zij waren de volledige controle over hun digitale omgeving kwijt. Door gebruik van bots konden de verdachte en zijn mededaders bovendien toegang blijven houden tot de getroffen accounts, ook wanneer de aangevers hun wachtwoorden wijzigden.
De verdachte heeft dit weliswaar niet alleen gedaan, maar hij heeft in alle handelingen wel een wezenlijk aandeel gehad. Hoewel de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een (deels) bekennende verklaring heeft afgelegd, die er in de kern op neerkomt dat hij alleen een ander heeft gewezen op de beschikbaarheid van geschikte bots op Genesis Market en dat hij daar nooit een tegenprestatie voor heeft ontvangen, is het hof van oordeel dat zijn rol niet zo beperkt is geweest als hij ter zitting heeft willen doen geloven. Dat blijkt met name uit de inhoud van de door hem gebruikte digitale apparaten.
Het hof heeft tevens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Het hof overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is op 23 augustus 2022 in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 vonnis gewezen.
Daarmee is de redelijke termijn aanzienlijk, namelijk met meer dan een jaar, overschreden in eerste aanleg.
Hoewel het hoger beroep voortvarend is afgedaan, waardoor de procedure als geheel binnen vier jaren is afgerond, is het hof van oordeel dat deze overschrijding in eerste aanleg matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.
Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormt op de bewezenverklaarde gedragingen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]
In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 11.736,99, bestaande uit € 10.000 aan immateriële schade, € 74,75 aan materiële schade voor het vervangen van een paspoort en € 1.662,24 aan advocaatkosten.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 11.736,99 .
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.074,75, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 74,75 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf tot aan de dag der algehele voldoening.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering voor zover zij ziet op de advocaatkosten ter hoogte van € 1.662,24 niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze kosten zijn niet onderbouwd met een factuur en in de aangeleverde bankafschriften staan verschillende declaratienummers, waardoor niet duidelijk is waarvoor deze kosten precies gemaakt zijn.
Het hof is tot slot van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Hoewel het voorstelbaar is dat de benadeelde partij gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren als gevolg van de tenlastegelegde feiten, voldoet de door hem gegeven onderbouwing niet aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten. Daarnaast is de aard van de normschending ook niet van dien aard dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggend zijn, dat zonder nadere onderbouwing kan worden gesproken van aantasting in de persoon op ander wijze.
De benadeelde partij dient derhalve voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 74,75 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] .
Vordering tot schadevergoeding Robeco Nederland B.V.
In het onderhavige strafproces heeft Robeco Nederland B.V. zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € € 263.519,08, bestaande uit € 245.978,57 aan materiële schade en € 17.540,51 aan proceskosten.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 263.519,08. Ten aanzien van de post proceskosten wordt een aanvullend bedrag van € 896,00 gevorderd voor de werkzaamheden van de advocaat in hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 201.394,14, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 191.946,67 aan materiële schade is geleden, te weten het totaal van de vergoede schade van € 50.185,61 ter zake van [aangever 3] , een bedrag van € 67.339,40 ter zake van [aangever 2] en een bedrag van € 74.421,66 ter zake van [aangever 5] .
Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. Dit betreft de aan de gedupeerde vergoede schade, zonder de door de benadeelde partij gevorderde waardestijgingen of rentes. Het hof heeft aansluiting gezocht bij de daadwerkelijk ontvreemde bedragen, nu dit de schade is die als gevolg van de tenlastegelegde feiten is ontstaan. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. De kosten voor het inschakelen van extern recherchebureau Hoffman zijn onvoldoende onderbouwd. Om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen de vordering te onderbouwen, levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dat door Robeco kosten zijn gemaakt voor rechtsbijstand is voldoende onderbouwd. Deze
kosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. Het tarief wordt vastgesteld op
Tarief VI (zaken van een geldswaarde van € 195.000,- tot € 390.000,-). Het aantal punten is in eerste aanleg vastgesteld op twee. Ieder punt is gewaardeerd op € 2.714,-. In totaal wordt € 5.428,- toegewezen voor de werkzaamheden in eerste aanleg.
Ook in hoger beroep heeft Robeco zich laten bijstaan door een advocaat. Deze kosten zijn genoegzaam onderbouwd. Het hof zal de kosten, evenals de rechtbank, vaststellen conform het liquidatietarief. Het tarief wordt vastgesteld op Tarief VI (zaken van een geldswaarde van € 195.000,- tot € 390.000,-). Het hof stelt het aantal punten vast op één. Ieder punt is gewaardeerd op € 2.885,-.
In totaal wordt ter vergoeding van de geleverde rechtsbijstand € 8.313,- toegewezen.
Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Robeco Nederland B.V.
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 191.946,67 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Robeco Nederland B.V.
In de omstandigheid dat het hier gaat om een bank, ziet het hof geen reden om af te zien van het opleggen van deze betalingsverplichting aan de Staat. Het hof acht het onwenselijk dat de bank, die haar gedupeerde klanten uit coulance schadeloos heeft gesteld, met het incassorisico belast zou worden. Hierbij betrekt het hof dat de advocaat van de bank ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht dat inning door het CJIB vaker leidt tot betaling, en het ook voor financiële instellingen lastig is om vorderingen bij veroordeelden te incasseren.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 8.313,-, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 138ab, 139d, 234, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 10-297198-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 10-297198-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 74,75 (vierenzeventig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 74,75 (vierenzeventig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 juni 2021.
Vordering van de benadeelde partij Robeco Nederland B.V.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Robeco Nederland B.V. ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 2 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 191.946,67 (honderdeenennegentigduizend negenhonderdzesenveertig euro en zevenenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 8.313,00 (achtduizend driehonderddertien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Robeco Nederland B.V. , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-163135-22 onder 2 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 191.946,67 (honderdeenennegentigduizend negenhonderdzesenveertig euro en zevenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 359 (driehonderdnegenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade op - 11 mei 2021 over een bedrag van € 50.185,61 ter zake van [aangever 3] ; - 27 juli 2021 over een bedrag van € 67.339,40 ter zake van [aangever 2] ; - 6 oktober 2021 over een bedrag van € 74.421,66 ter zake van [aangever 5] .
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, als voorzitter, mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.P.L.M. Remmerswaal, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M.A. Schipper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 augustus 2026.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.