GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.345.881/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/640825 / HA ZA 22-518
Arrest van 8 september 2026
in de zaak van
1. Viterra Magdeburg GmbH,
gevestigd in Magdeburg, Duitsland
2. Viterra B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
3. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd in Den Haag,
4. HDI Global SE,
gevestigd in Hannover, Duitsland,
5. AXA Versicherung,
gevestigd in Keulen, Duitsland,
6. XL Insurance Company SE,
gevestigd in Dublin, Ierland,
7. Baloise Belgium N.V.,
gevestigd in Antwerpen, België,
appellanten,
advocaat: mr. V.R. Pool, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1] GmbH,
gevestigd in [vestigingsplaats] , Duitsland,
2. [geïntimeerde 2] MBH,
gevestigd in [vestigingsplaats] , Duitsland,
geïntimeerden
advocaat: mr. H.W. ten Katen, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt hierna appellant sub 1 ‘Viterra Magdeburg’, appellant sub 2 ‘Viterra Rotterdam’ en appellanten sub 3-7 ‘de Verzekeraars’. Het hof zal appellanten samen aanduiden als Viterra c.s. Geïntimeerden noemt het hof hierna afzonderlijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en samen [geïntimeerde 1] c.s.
1. De zaak in het kort
In een landtank op de terminal van Vopak bij de Botlek Noord in Rotterdam blijkt het product RME gecontamineerd door water. Viterra Rotterdam is eigenaar van de RME in die landtank. De vraag is of [geïntimeerde 1] c.s., die daags voordat de contaminatie van de RME in de landtank is geconstateerd een lading RME vanaf hun schip heeft gelost bestemd voor die landtank, voor de schade als gevolg van de contaminatie aansprakelijk is.
[geïntimeerde 1] c.s. kunnen alleen aansprakelijk worden gehouden voor de schade als gevolg van de contaminatie als komt vast te staan dat de contaminatie is ontstaan door water afkomstig van hun schip. Het hof komt tot het oordeel dat dat niet kan worden vastgesteld, omdat er een aannemelijke alternatieve oorzaak is aan te wijzen voor de contaminatie en bekrachtigt het vonnis waarin de vorderingen van Viterra c.s. zijn afgewezen.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 11 april 2024, waarmee Viterra c.s. in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 17 januari 2024 (hierna: het vonnis);
de memorie van grieven van Viterra c.s.;
de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] c.s., met bijlagen.
Op 24 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3. Feitelijke achtergrond
[geïntimeerde 2] was eigenares van het binnenvaartschip “EILTANK 121”. Het schip had twaalf ladingtanks en was uitgerust met twee separate leidingstelsels.
Viterra Magdeburg en Viterra Rotterdam zijn onderdeel van het Viterra-concern, een handelsonderneming die zich toelegt op de handel in grondstoffen, waaronder biodiesel.
De Verzekeraars zijn de schadeverzekeraars van Viterra Magdeburg en Viterra Rotterdam.
Bij reisbevrachtingsovereenkomst van 6 augustus 2019 heeft [geïntimeerde 1] “EILTANK 121” vervracht aan (de rechtsvoorgangster van) Viterra Magdeburg voor het vervoer van 1250-1400 MT FAME (Fatty Acid Methyl Esters) van laadhaven Magdeburg, Duitsland, naar loshaven ARA (Amsterdam/Rotterdam/Antwerpen). De waarde van de vracht is € 21.450,-.
Op 26 augustus 2019 zijn vijf cognossementen afgegeven in verband met het vervoer van 1.251.144 mton (1.416.924 L) Rape Methyl Ester (hierna: RME) van Magdeburg, naar Rotterdam.
RME wordt gebruikt in biodiesel. Eigenschappen van RME zijn onder meer dat het lichter is dan water en dat het schuimt. Volgens de commerciële specificaties van RME mag het watergehalte maximaal 300 ppm (parts per million) zijn.
Voorafgaand aan het vervoer heeft de schipper van “EILTANK 121” voor het passeren van een brug in het Dortmund-Eems kanaal in twee ladingtanks (de ladingtanks S2 en P5) water geladen om als ballast te dienen.
Viterra Rotterdam is eigenaar van de RME in landtank 2935 op de terminal van Koninklijke Vopak N.V. (hierna: Vopak) bij de Botlek Noord in Rotterdam. De landtank (met toebehoren) is eigendom van Vopak.
Op de Vopak-terminal worden twee separate landleidingen (Bio 1 en 2) gebruikt voor de overslag van goederen. Bio 1 wordt gebruikt voor het lossen van scheepsladingen in landtanks en Bio 2 voor het beladen van schepen vanuit landtanks. Bio 1 en 2 zijn aangesloten op dezelfde laadarm (de verbinding tussen de landleidingen en het scheepsmanifold) die op de steiger staat. Bio 1 en 2 worden structureel gevuld gehouden met product en worden tussen de reguliere laad- en losoperaties niet gereinigd met water.
Op 25 augustus 2019 is de inhoud van landtank 2935 bemonsterd en bleek het watergehalte 160 ppm.
Het schip “BLACKBEAR” heeft op 26 augustus 2019 via Bio 1 RME gelost die bestemd was voor landtank 2936. Landtank 2936 kan net als landtank 2935 worden gekoppeld aan Bio 1 en 2. De lading van “BLACKBEAR” had bij een verzamelmonster een watergehalte van 320 ppm.
Op 29 augustus 2019 is 1.019 mton RME via Bio 2 vanuit landtank 2935 geladen in de binnenvaarttanker “SONJA”. Tijdens de belading heeft monstername plaatsgevonden en het watergehalte was 200 ppm.
Op 30 augustus 2019 is 2.548 mton RME via Bio 2 vanuit landtank 2935 geladen in de binnenvaarttanker “ARUBA”. Ook tijdens deze belading vond bemonstering plaats. Het watergehalte was 200 ppm.
Op 30 en 31 augustus 2019 is via Bio 1 1.252.465 mton (1.419.110 L) RME gelost vanuit de (ladingtanks van) “EILTANK 121”. Die RME was bestemd voor landtank 2935. Voorafgaand aan de lossing is de RME in de ladingtanks van “EILTANK 121” bemonsterd door Saybolt Nederland B.V. (hierna: Saybolt). Uit die monsters is een watergehalte gebleken van 240-260 ppm.
Op 31 augustus 2019, nadat “EILTANK 121” de RME had gelost, heeft Saybolt de inhoud van landtank 2935 bemonsterd. Uit de genomen (upper/middle/lower/dead bottom) monsters blijkt een watergehalte van (ruim) 1.200 ppm. Tussen 31 augustus 2019 en 3 september 2019 is het bemonsterde watergehalte in de RME in landtank 2935 afgenomen van 1.200 ppm naar 750 ppm.
Op 3 september 2019 is geconstateerd dat de inhoud van landtank 2935 (ongeveer 5.000 mton RME) gecontamineerd was geraakt met water. Het gemiddelde watergehalte dat door Saybolt op 3 september 2019 is gemeten, bedraagt 750 ppm. Verder is zogenaamd ‘vrij’ water aangetroffen op de bodem van landtank 2935.
In het door Saybolt op 9 september 2019 opgemaakte ‘report of analyses’ staat onder meer het volgende vermeld:
Het ‘discharge summary report’ van Saybolt van 1 september 2019 vermeldt een ‘outturn' (de in landtank 2935 ontvangen RME) van 1.419.110 L. Dat is 2.594 liters/15°C meer dan voor lossing in de ladingtanks van “EILTANK 121” aanwezig was. Dit volume (1.419.110 L) blijkt uit de tankmeetrapporten van Vopak. De hoeveelheid lading die voor lossing is aangeboden is 1.416.516 L. Dat volume 1.416.516 L is volgens het ‘ullage report before discharge’ van Saybolt aan boord van “EILTANK 121” vastgesteld op 30 augustus 2019 om 22:45 uur en komt ook (vrijwel) overeen met het volume dat op de cognossementen vermeld staat.
In landtank 2936 is geen contaminatie van de zich daarin bevindende RME met water geconstateerd.
[geïntimeerde 1] c.s. worden op 9 september 2019 aansprakelijk gesteld voor de door Viterra c.s. geleden schade.
Deskundigen van partijen en Vopak hebben landtank 2935 op 27 september 2019 gezamenlijk geïnspecteerd en bemonsterd.
Op 1 oktober 2019 hebben deskundigen van partijen en Vopak gezamenlijk “EILTANK 121” geïnspecteerd. Daarbij werd in de als ballasttank in gebruik genomen ladingtank S2 23 cm water en in de als ballasttank in gebruik genomen ladingtank P5 25 cm water aangetroffen en werd vastgesteld dat deze beide ballasttanks elk met in ieder geval één klep/afsluiter gescheiden zijn van respectievelijk ladingtanks P2 en S5. Ten tijde van de inspectie waren deze afsluiters afdoende gesloten.
De heer [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) van [naam bedrijf] is als deskundige opgetreden namens Viterra c.s. Hij heeft een rapport opgemaakt op 18 maart 2020. De heer [deskundige 2] van [naam bedrijf] is opgetreden als deskundige voor [geïntimeerde 1] c.s. Hij heeft een rapport opgemaakt op 13 juli 2020. Namens Vopak is de heer [deskundige 3] van [naam bedrijf] (Nederland) B.V. opgetreden als deskundige. Op 5 juni 2020 heeft hij een deskundigenrapport opgemaakt.
[geïntimeerde 1] c.s. zijn op 25 juni 2020 nogmaals aansprakelijk gesteld voor de gestelde schade als gevolg van de contaminatie van de RME in landtank 2935.
4. Procedure bij de rechtbank
Viterra c.s. hebben [geïntimeerde 1] c.s. gedagvaard en gevorderd, zakelijk weergegeven, betaling van USD 201.078,60 en de expertisekosten van € 18.695,-, te vermeerderen met wettelijke rente en de proceskosten.
Volgens Viterra c.s. zijn [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk voor de schade geleden als gevolg van de aflevering en lossing van de gecontamineerde RME. Zij stellen dat de contaminatie is veroorzaakt doordat RME (op het schip) vermengd is geraakt met ballastwater. De schade bestaat uit ladingsschade en schade aan de RME in landtank 2935.
[geïntimeerde 1] c.s. hebben betwist aansprakelijk te zijn voor de schade als gevolg van de contaminatie, omdat de contaminatie niet het gevolg is van het ballastwater van “EILTANK 121”. Het schip had gezonde lading RME aan boord. Er was geen sprake van lekkende of openslaande afsluiters aan boord van “EILTANK 121” en er miste ook geen water uit de ballasttanks. Het staat niet vast dat de schipper exact 0,3 m ballastwater heeft ingenomen en er zijn alternatieve oorzaken van de contaminatie aan te wijzen. Zij wijzen daarbij ten eerste op de ladingoperaties van andere schepen in combinatie met de momenten waarop de landtank 2935 is bemonsterd. Ten tweede wijzen zij erop dat de contaminatie kan zijn veroorzaakt doordat in het leidingstelsel van de Vopak-terminal 3,6 m³ water kan hebben gezeten, bijvoorbeeld afkomstig van “BLACKBEAR”, waarna dit water bij het lossen van “EILTANK 121” de landtank 2935 kan hebben bereikt. Ten slotte kan ook een fout van de Vopak-terminal of weersinvloeden hebben geleid tot de contaminatie. Ook is er het nodige aan te merken op de (berekeningen en meetgegevens die Viterra c.s. leiden tot haar) constatering dat de landtank 2935 2-3 m³ zou hebben bevat en dat dat alleen kan worden verklaard uit het ballastwater van “EILTANK 121”.
De rechtbank heeft de vordering van Viterra c.s. afgewezen en Viterra c.s. in de proceskosten veroordeeld. Aan dat oordeel heeft de rechtbank het volgende ten grondslag gelegd:
Op Viterra c.s. rust de bewijslast dat de contaminatie is te wijten aan “EILTANK 121” (r.o. 4.11 van het vonnis).
Uit de deskundigenrapporten volgt dat de oorzaak van de contaminatie niet is komen vast te staan (r.o. 4.9 van het vonnis).
Er zijn geen samples genomen van het aangetroffen vrije water in de ladingtank 2935 en van het ballastwater in de ladingtanks van “EILTANK 121”, zodat niet met zekerheid valt te zeggen dat het in de landtank 2935 aangetroffen water daadwerkelijk ballastwater uit “EILTANK 121” is (r.o. 4.10 van het vonnis).
Onduidelijk is hoe het ballastwater in de tanks S2 en P5 van de “EILTANK 121” (waarvan veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat er exact 30 cm is ingenomen) in de landtank 2935 heeft kunnen komen. De deskundigen zijn het er immers over eens dat de kleppen van de leidingen die op de tanks S2 en P5 waren aangesloten op de juiste wijze gesloten waren en de deskundigen hebben gezien dat de afsluiters al lange tijd dicht hebben gestaan (r.o. 4.10 van het vonnis).
De geconstateerde hogere ‘outturn’ kan ook anders worden verklaard dan dat er naast RME ook ballastwater mee is gelost uit “EILTANK 121”. De ‘outturn’ laat zich moeilijk exact vaststellen bij een product dat kan schuimen. De reële mogelijkheid bestaat dat het product dat tot contaminatie heeft geleid uit de landleidingen van Vopak afkomstig is, omdat vast is komen te staan dat het laatste product van het binnenschip “BLACKBEARD” na lossing in de landleidingen van de Vopak-terminal is blijven staan. De landleidingen zijn niet bemonsterd na het ontdekken van de contaminatie (r.o. 4.10 van het vonnis).
Gelet op de onzekerheden en onduidelijkheden over de feitelijke gang van zaken die door Viterra c.s. niet zijn opgehelderd, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht en worden zij ook niet in de gelegenheid gesteld tot levering van bewijs (r.o. 4.11 van het vonnis).
5. Vordering in hoger beroep
Viterra c.s. vorderen hetzelfde als bij de rechtbank.
[geïntimeerde 1] c.s. concluderen tot bekrachtiging van het vonnis.
6. Beoordeling in hoger beroep
Geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.11 van het vonnis dat op Viterra c.s. de bewijslast rust dat de contaminatie is te wijten aan “EILTANK 121”. Het hof zal dan ook moeten beoordelen of Viterra c.s. aan de op hun rustende bewijslast hebben voldaan. Bij die beoordeling is van belang dat [geïntimeerde 1] c.s. hebben gewezen op alternatieve oorzaken die de contaminatie van RME met water in landtank 2935 kan hebben veroorzaakt.
Het hof zal eerst onderzoeken of het water dat de contaminatie van landtank 2935 heeft veroorzaakt van “EILTANK 121” afkomstig kan zijn.
“EILTANK 121”
De geconstateerde contaminatie van landtank 2935 moet volgens Viterra c.s. zijn veroorzaakt door een hoeveelheid water van 2,6-3 m³. [geïntimeerde 1] c.s. betwisten die hoeveelheid water, kort gezegd door erop te wijzen dat het ijkrapport van landtank 2935 niet is overgelegd, dat er geen uitleg wordt gegeven over hoe de karakteristieken van RME van invloed zijn op de metingen van de landtank en de boekhoudkundige correcties van de inhoud van de landtank. Naar het oordeel van het hof kan gelet op die betwisting dan ook niet worden aangenomen dat de inhoud van landtank 2935 met die door Viterra c.s. gestelde hoeveelheid water is toegenomen.
Het hof hoeft ook niet vast te stellen met welke hoeveelheid water de inhoud van landtank 2935 precies is toegenomen. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de inhoud van landtank 2935 gecontamineerd is met een hoeveelheid water die ervoor heeft gezorgd dat deze na meting op 3 september 2019 niet meer ‘on spec’ was. Het gaat hier om een meting met een resultaat van 1200 ppm (terwijl 300 ppm is toegestaan) en de voorafgaande meting op 25 augustus 2019 die 160 ppm als resultaat had. Om een dergelijke toename te bereiken (ook al kan over de nauwkeurigheid van de metingen het nodige worden opgemerkt) moet het gaan om een aanzienlijke hoeveelheid water die tussen 25 augustus 2019 en 3 september 2019 in landtank 2935 is gekomen. [geïntimeerde 1] c.s. betwisten dat ook niet. Voldoende is dat het gaat om aanzienlijke hoeveelheid water én dat die afkomstig kan zijn van “EILTANK 121”.
“EILTANK 121” was uitgerust met twee leidingsystemen. Eén ervan werd niet gebruikt en was, zo is tussen partijen ook niet in geschil, afdoende afgesloten. Via dat systeem kan dus geen ballastwater van “EILTANK 121” zijn gelost. Het in gebruik zijnde (tweede) leidingsysteem was verbonden met zowel de ladingtanks waarin RME werd vervoerd, als de als ballasttanks in gebruik genomen ladingtanks S2 en P5 met het ballastwater. Deze ballasttanks konden worden afgesloten van de andere tanks (respectievelijk tanks S5 en P2) met (enkele) afsluiters die handmatig moesten worden omgezet.
Dat bij de monstername bij lossing van “EILTANK 121” bleek dat het resultaat ‘on spec’ was, is bij de beoordeling van vraag of het water dat landtank 2935 heeft gecontamineerd afkomstig is van “EILTANK 121” niet relevant. De monstername heeft logischerwijs geen betrekking op de ballasttanks. Het is daarmee niet uitgesloten dat (een deel van) het ballastwater samen met de RME van het schip is gelost. Dit kan als de afsluiters waarmee de ballasttanks konden worden afgesloten van de andere ladingtanks niet afdoende gesloten waren. In dat geval is sprake van een open verbinding tussen de tanks, die ballastwater in zich hadden, en de ladingtanks, die waren gevuld met RME, en kan (een deel van) het ballastwater bij het lossen van RME (al of niet gelijkmatig en gelijktijdig met die RME) zijn meegezogen.
Bij de gezamenlijke inspectie van “EILTANK 121” op 1 oktober 2019 werd geconstateerd dat de afsluiters dicht stonden. Dit sluit echter niet uit dat die afsluiters ten tijde van de lossing op 30/31 augustus 2019 open hebben gestaan. Of sprake was van één of enkele afsluiters waarmee de verbinding tussen de verschillende tanks kon worden afgesloten – dit houdt partijen verdeeld – doet niet ter zake, omdat zowel in het ene als in het andere geval sprake kan zijn geweest van een open verbinding als de afsluiters niet afdoende gesloten waren.
[geïntimeerde 1] c.s. voeren nog aan dat de afsluiters dicht hebben moeten staan, omdat, als zij open hadden gestaan, dat zou hebben geleid tot het lopen van RME in de tanks S2 en P5 totdat alle tanks een gelijk vloeistofniveau zouden hebben (wet van Pascal/leer van de communicerende vaten). Viterra c.s. hebben op de mondelinge behandeling hiertegen ingebracht dat de afsluiters zich op dekniveau bevonden, naar het hof begrijpt dus boven het ladingoppervlak (of ballastwateroppervlak) in de tanks; de wet van Pascal gaat dan niet op. Als de ladingtanks dan worden leeggezogen en de afsluiters op de leidingen naar de tanks met ballastwater staan (onbedoeld) (enigszins) open, dan is het mogelijk dat bij dat opzuigen van lading uit de tanks met lading ook ballastwater uit de tanks met ballastwater wordt meegezogen, aldus Viterra c.s.
Het voorgaande leidt ertoe dat als er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de hier bedoelde beschrijving van Viterra c.s. klopt, het scenario dat het water dat de contaminatie van landtank 2935 heeft veroorzaakt van “EILTANK 121” afkomstig is, niet kan worden uitgesloten.
Het hof komt vervolgens toe aan de beoordeling van de vraag of er alternatieve oorzaken zijn aan te wijzen voor de contaminatie van de inhoud van landtank 2935 met water, en hoe aannemelijk die zijn.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] c.s. in hoger beroep enkel het scenario van “BLACKBEAR” voldoende hebben toegelicht, zodat het hof alleen dat scenario zal behandelen.
“BLACKBEAR”
De lading RME uit “BLACKBEAR” was bestemd voor landtank 2936. Uitgangspunt is dat bij monstername van landtank 2936, deze na lossing van “BLACKBEAR” ‘on spec’ was, met andere woorden: het watergehalte in die tank was na lossing van “BLACKBEAR” binnen de toegestane marge.
Uit het tankmeetrapport van Vopak van 31 augustus 2019 volgt dat het leidingsysteem van Vopak (“infrastructure owned by storage unit”) een capaciteit heeft van 69.817 liter in totaal. De capaciteit van leiding Bio 1 is, daar zijn partijen het ook over eens, in ieder geval meer dan 20.000 liter (20 m³).
Niet uitgesloten kan worden dat het water dat de contaminatie heeft veroorzaakt afkomstig is van “BLACKBEAR”. Gelet op de capaciteit van Bio 1 kan een hoeveelheid water (van een omvang van circa 3 m³ zoals door Viterra c.s. gesteld, vgl. hiervoor onder 6.3) ná lossing van “BLACKBEAR” geheel in Bio 1 zijn blijven staan (zonder landtank 2936 te hebben bereikt) en vervolgens, nadat “EILTANK 121” is gaan lossen via Bio 1, geheel in landtank 2935 terecht zijn gekomen (omdat de RME van “EILTANK121” was bestemd voor landtank 2935, Bio 1 daarom op landtank 2935 werd aangesloten, en de RME uit “EILTANK 121” het uit “BLACKBEAR” afkomstige water in Bio 1 dan in landtank 2935 heeft gedrukt).
De premisse bij dit scenario is dat het water in de eindfase van het lossen uit de ladingtanks van “BLACKBEAR” is gelost. Zou dit anders zijn, dan zou het water immers niet (geheel) in Bio 1 zijn achtergebleven na lossing, maar ook (deels) in landtank 2936 zijn terechtgekomen (waarna de inhoud van 2936 na lossing van “BLACKBEAR” niet ‘on spec’ zou zijn geweest).
Wat betreft het lossen van schepen als “EILTANK 121” en “BLACKBEAR” hebben [geïntimeerde 1] c.s. het volgende toegelicht. Die schepen worden in het algemeen eerst gelost met de primaire losleiding (de grote zuigleiding), die een grote diameter heeft. Deze grote zuigleiding reikt – om een optimale werking te hebben – niet tot de bodem van de tank. Als de tank bijna leeg is, stopt het lossen met de grote losleiding en schakelt men over naar de veel dunnere leiding. Deze stripleiding heeft een kleinere diameter (waardoor veel langzamer gelost wordt), zit veel lager in de tank, maar haalt daardoor wel de laatste ladingresten uit de tank, die met de grote zuiger niet worden bereikt. Viterra c.s. hebben een en ander niet (voldoende) weersproken.
Deze manier van lossing onderschrijft dat de premisse als bedoeld in 6.15 – de hoeveelheid water die de contaminatie in landtank 2935 heeft veroorzaakt is in de eindfase van het lossen uit de ladingtanks van “BLACKBEAR” gezogen – zich (ook) kan hebben voorgedaan. Immers, RME is lichter dan water en een hoeveelheid water in een ladingtank met RME zal naar beneden zakken en zich op de bodem van de tank verzamelen. Bij het zuigen met de grote zuigleiding zal de bodem van de tank niet worden bereikt en een aanzienlijke hoeveelheid water dus ook niet – vermengd met RME – worden gelost. Daardoor kan de situatie zich hebben voorgedaan dat toen met de stripleiding de ladingtank compleet werd leeggezogen, het water in zijn geheel uit het schip werd gelost en in Bio 1 terecht is gekomen, waar het na het einde van de lossing van “BLACKBEAR” is gebleven tot “EILTANK 121” haar lading RME via Bio 1 is gaan lossen waardoor dit water in landtank 2935 is terechtgekomen.
Het verzamelmonster bij lossing van “BLACKBEAR” toonde een watergehalte van 320 ppm. Volgens [geïntimeerde 1] c.s. volgt daaruit dat er in de afzonderlijk genomen monsters – die nodig zijn voor een verzamelmonster – sowieso uitschieters in het watergehalte moeten hebben gezeten. Ook het hof is van oordeel dat aan dat verzamelmonster geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, mede vanwege de hierboven beschreven wijze waarop schepen met RME worden gelost: het resultaat van een verzamelmonster zegt immers niets over de hoeveelheid water die op enig moment in (één van) de tanks heeft gezeten en waar dit water zich op dat moment precies bevond. Het is ook niet duidelijk hoe de monstername op “BLACKBEAR” tot stand is gekomen. Zo is niet duidelijk of bij de monstername rekening is gehouden met eventueel vrij water onderin de tanks en hoe dat dan is gemeten, zodat het hof er ook geen conclusies ten gunste van Viterra c.s. aan kan verbinden. Viterra c.s. hebben ook geen bewijs aangeboden dat er geen vrij water heeft gezeten in één of de laatste ladingtank(s) van “BLACKBEAR”.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben Viterra c.s. wel het aanbod gedaan om via het horen van [deskundige 1] als getuige te bewijzen dat de RME die na lossing van “BLACKBEAR” uit landtank 2936 werd geladen in een volgend schip ‘on spec’ was en dat de lossing van “BLACKBEAR” niet de hoeveelheid water had kunnen meebrengen dat die de contaminatie in landtank 2935 heeft kunnen veroorzaken.
Viterra c.s. hebben, gelet op wat [geïntimeerde 1] c.s. daarover naar voren hebben gebracht, over de omstandigheden rondom de lossing van “BLACKBEAR” en de gedane metingen echter onvoldoende opgehelderd om tot het leveren van bewijs te worden toegelaten. Daar komt bij dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend is. Aan het ‘on spec’ zijn van landtank 2936 na lossing van “BLACKBEAR” komt namelijk geen doorslaggevende betekenis toe, nu Bio 1 een grote hoeveelheid water afkomstig van “BLACKBEAR” in zich kan hebben gehouden die landtank 2936 nooit heeft bereikt. Uit de aannemelijkheid van het scenario dat de contaminatie in landtank 2935 is veroorzaakt door water gelost uit “BLACKBEAR” volgt al dat hierdoor, dat wil zeggen door het lossen, de contaminatie in landtank 2935 is veroorzaakt. Tegen die achtergrond is het door Viterra c.s. gedane bewijsaanbod onvoldoende specifiek. In elk geval staat tussen partijen vast dat de contaminatie door veel minder dan 20.000 liter water kan worden verklaard (Viterra c.s. verklaren de contaminatie met afgerond 3 m³ (3.000 L) water (vgl. hiervoor 6.3).)
Viterra c.s. hebben het door [geïntimeerde 1] c.s. gepresenteerde scenario dat het water dat de contaminatie van landtank 2935 heeft veroorzaakt afkomstig is van “BLACKBEAR” niet met kracht van argumenten weten uit te sluiten en dit scenario komt het hof ook niet onaannemelijk voor. Het hof kan dit scenario dan ook niet uitsluiten als oorzaak van de schade. Dit leidt ertoe dat [geïntimeerde 1] c.s. voor die schade niet aansprakelijk kunnen worden gehouden.
Conclusie en proceskosten
Gelet op het voorgaande behoeven de grieven van Viterra c.s. geen afzonderlijke bespreking. De conclusie is dat het hoger beroep van Viterra c.s. faalt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal Viterra c.s. als de in het ongelijk gestelde partijen veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. op:
griffierecht € 6.561,-
salaris advocaat € 8.754,- (3 punten × € 2.855,- (tarief IV) + € 189 nakosten)
Totaal €15.305,-
7. Beslissing
Het hof:
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, I. Brand en W. van de Velde en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.