ECLI:NL:GHDHA:2026:2771

ECLI:NL:GHDHA:2026:2771

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 22-003212-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling wegens huisvredebreuk (art. 138 Sr), vernieling (art. 350 Sr) en verzet bij aanhouding met letsel tot gevolg (art. 181 Sr). Voor de vraag of het verzet tijdens de aanhouding heeft plaatsgevonden, is van belang dat een aanhouding voortduurt gedurende het overbrengen van de aangehouden persoon naar een plaats van verhoor en de voorgeleiding aan de (hulp)officier van justitie en dus ook gedurende het naar de politieauto voeren van de verdachte ter overbrenging naar het bureau. Taakstraf van 100 uur ondanks dat verdachte geruime tijd in voorarrest heeft gezeten. Benadeelde partijen grotendeels niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Rolnummer: 22-003212-25

Parketnummer: 09-234177-25

Datum uitspraak: 2 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder feit 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres 1] en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, goederen en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan de [adres 1] en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] bij een ander, te weten bij [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

2.hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van een voordeur en/of de ruit van een balkondeur en/of de deur van een keukenkastje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [ambtenaar] , werkzaam als politieagent van de Eenheid Den Haag in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zich in tegengestelde richting te bewegen en/of met kracht zijn handen los te trekken, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten afgescheurde of gekneusde pezen in de duim bij die [ambtenaar] ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Het hof komt onder meer tot een iets andere bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten en zal ook een andere straf opleggen.

Vrijspraak feit 1, primair

Het hof stelt vast, evenals de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, dat het oogmerk van de verdachte om goederen uit de woningen weg te nemen niet kan worden bewezen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage in de woningen, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan de [adres 1] en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] bij een ander, te weten bij [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen;

2.hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de ruit van een voordeur en/of de ruit van een balkondeur en/of de deur van een keukenkastje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] , toebehoorden heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.hij op of omstreeks 6 september 2025 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [ambtenaar] , werkzaam als politieagent van de Eenheid Den Haag in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zich in tegengestelde richting te bewegen en/of met kracht zijn handen los te trekken, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten afgescheurde of gekneusde pezen in de duim, bij die [ambtenaar] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking bewijsverweer ten aanzien van feit 3

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Volgens de verdediging was geen sprake van verzet tijdens de aanhouding van de verdachte. Het verzet heeft eerst plaatsgevonden nadat de verdachte reeds was geboeid en zich op weg naar de transportwagen bevond. De aanhouding was op dat moment al voltooid, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voor de vraag of het verzet tijdens de aanhouding heeft plaatsgevonden, is van belang dat een aanhouding voortduurt gedurende het overbrengen van de aangehouden persoon naar een plaats van verhoor en de voorgeleiding aan de (hulp)officier van justitie en dus ook gedurende het naar de politieauto voeren van de verdachte ter overbrenging naar het bureau. Het hof vindt hiervoor steun in het arrest van de Hoge Raad van 23 november 1931, NJ 1932, p. 448. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat de aanhouding niet alleen omvat de mededeling aan de verdachte ‘dat hij is aangehouden’ of het aanvatten van zijn persoon. Zij duurt voort tijdens het vasthouden van de verdachte. Het enkele feit dat de verdachte in de onderhavige zaak reeds was geboeid, brengt derhalve niet mee dat de aanhouding was geëindigd. Het ten laste gelegde geweld/verzet heeft daarmee wel degelijk plaatsgevonden gedurende de aanhouding.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is in de nachtelijke uren binnengedrongen in drie woningen. Daarbij heeft hij de ruiten van een voordeur, de ruit van een balkondeur en de deur van een keukenkastje vernield. Het binnendringen van een woning, bij uitstek een plaats waar de bewoners zich veilig moeten kunnen voelen, kan een hevige angst bij hen teweegbrengen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid met letsel ten gevolge door te proberen zich aan zijn aanhouding te onttrekken. Als gevolg van zijn verzet is de verbalisant gevallen, waarbij zijn duim is dubbelgeklapt, hetgeen tot letsel heeft geleid. De verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op het gezag en de taakuitoefening van de politie en op de lichamelijke integriteit van de politieagent.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de feiten nog niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld en zijn destijds blanco strafblad en de overige omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, acht het hof – mede gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd – het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats. Dat de verdachte in deze zaak geruime tijd in voorarrest heeft gezeten maakt dat niet anders. Overigens ziet het hof geen aanleiding om in verband met het gegeven dat de verdachte kort voor zijn aanhouding is gebeten door een politiehond te komen tot strafvermindering, reeds omdat onvoldoende bekend is over de aard en ernst van de opgelopen verwonding.

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. – Deze taakstraf is - gelet op de gebruikelijke maatstaf voor de te hanteren aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht - gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 250,00. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, conform de beslissing van de politierechter, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij onder andere ten grondslag gelegd dat de ten laste gelegde feiten (in het bijzonder de vernieling van de ruit van de balkondeur) fysiek letsel tot gevolg hebben gehad. Als gevolg van de door de verdachte veroorzaakte vernieling van de ruit is de benadeelde in aanraking gekomen met het kapotte glas en heeft hij wondjes aan zijn been opgelopen, waarvan ook melding is gemaakt in de aangifte. Het hof is gelet op de gevolgen van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De immateriële schade is daarmee het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 september 2025, tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.804,07. In eerste aanleg is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 1.054,07. De vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, conform de beslissing van de politierechter, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, in die zin dat de raadsman heeft betoogd dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de hoogte en onderbouwing van de gevorderde materiële schade in verband met de werkzaamheden aan de deur.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van

€ 422,57 materiële schade is geleden. Deze schade heeft betrekking op het herstel van de glasschade en is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden zijn in voldoende mate komen vast te staan. Het hof wijst dit bedrag daarom in zijn geheel toe.

De verdere materiële schade die door de benadeelde partij is gevorderd betreft schade in verband met (schilder-)werkzaamheden aan de voordeur ad € 381,50. Voor deze post is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is het van het bewezenverklaarde. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat van schade aan de voordeur ten gevolge daarvan, anders dan de gebroken ruiten, geen melding is gemaakt in het dossier. Gelet op de betwisting van de raadsman van de verdachte en de beperkte onderbouwing, zal het hof de vordering in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij de vordering op dit punt nader te onderbouwen, levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De wettelijke rente in verband met het herstel van de glasschade wordt toegewezen vanaf 9 oktober 2025 – deze datum ligt twee weken na de datum van de offerte en het hof gaat ervan uit dat de ruiten van de voordeur in ieder geval niet later dan dat zijn vervangen – tot aan de dag der algehele voldoening.

Wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt. Artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien hij of zij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Van lichamelijk letsel of een aantasting in de eer of goede naam is in dit geval geen sprake.

Van aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij onder meer ten grondslag gelegd dat het gepleegde strafbare feit stressklachten, vermoeidheidsverschijnselen alsmede gevoelens van angst tot gevolg heeft gehad. Bij gebreke van nadere onderbouwing kan het hof niet naar objectieve maatstaven vaststellen dat genoemde klachten, verschijnselen en gevoelens zijn aan te merken als aantasting van de persoon ‘op andere wijze’. Nu ook niet is gebleken dat de aard en ernst van het bewezenverklaarde meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' sprake is, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit deel van de vordering tot schadevergoeding. Niet is komen vast te staan dat sprake is van immateriële schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 422,57 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [ambtenaar]

In onderhavig strafproces hebben [benadeelde partij 1] en [ambtenaar] zich pas na het vonnis van de politierechter gevoegd in dit strafproces als benadeelde partijen. [benadeelde partij 1] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 90,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft [ambtenaar] een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.047,95, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen, nu deze te laat zijn ingediend.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Het hof stelt vast dat, op grond van artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, de benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde, Sv, in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe onbevoegd in hoger beroep is.

Blijkens de verzoeken tot schadevergoeding zijn deze, nadat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van de politierechter op 22 oktober 2025 reeds was gesloten, bij de griffie binnengekomen. Het hof stelt vast dat de verzoeken tot schadevergoeding door [benadeelde partij 1] en [ambtenaar] respectievelijk zijn ondertekend op 24 oktober 2025 en 5 november 2025.

In het bestreden vonnis zijn dan ook geen beslissingen genomen op de vorderingen van deze benadeelde partijen.

Het voorgaande betekent dat de benadeelde partijen zich niet tijdig overeenkomstig artikel 51g, eerste en derde lid, Sv, in eerste aanleg hebben gevoegd. Op grond van artikel 421, eerste lid, Sv zijn zij niet bevoegd zich alsnog in hoger beroep te voegen. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 138, 180, 181 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, zodat na aftrek van het voorarrest geen uit te voeren taakstraf resteert.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 september 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 422,57 (vierhonderdtweeëntwintig euro en zevenenvijftig cent) ter zake van materiële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 422,57 (vierhonderdtweeëntwintig euro en zevenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 oktober 2025.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [ambtenaar] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. J.M. ten Voorde, leden, in bijzijn van de griffier mr. D. Teering.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2026.

Mr. J.M. ten Voorde en mr. D. Teering zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L.C. van Walree
  • mr. J.M. ten Voorde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand