Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-003148-24
Parketnummer: 10-157735-24
Datum uitspraak: 2 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 13 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedatum] 1980,
adres: [adres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren, onder oplegging van bijzondere voorwaarden, inhoudende – kort gezegd – een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
De onderhavige strafzaak tegen de verdachte is op 6 maart 2025 door het hof inhoudelijk behandeld. Tijdens de beraadslaging in raadkamer bleek het hof dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig was geweest en achtte het hof het noodzakelijk om enkele getuigen te laten horen door de raadsheer-commissaris. Het hof heeft daartoe het onderzoek ter terechtzitting heropend, zoals beslist bij tussenarrest van 20 maart 2025.
Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 19 augustus 2026.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 mei 2024 te Zwijndrecht een kind over wie hij het gezag uitoefende, [het slachtoffer] , heeft mishandeld door die [het slachtoffer] in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans het lichaam te slaan.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt hiertoe het volgende.
De verbalisanten die op 10 mei 2024 ter plaatste waren gekomen op de [adres] te Zwijndrecht hebben geconstateerd dat de aanwezigen, te weten de dochter van de verdachte, [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ), haar broer, [naam broer] , en haar moeder, [naam moeder] , de Nederlandse taal gebrekkig beheersten. Van hetgeen zij tegenover de verbalisanten hebben verklaard, is geen woordelijke verklaring opgenomen. Evenmin is daarbij gebruik gemaakt van een tolk in een voor hen begrijpelijke taal. Een nader verhoor door de politie met behulp van een tolk heeft vervolgens niet plaatsgevonden. [het slachtoffer] en haar broer zijn uiteindelijk pas op 21 mei 2025 bij de raadsheer-commissaris met behulp van een tolk nader gehoord. Dit verhoor heeft echter ruim een jaar na het incident plaatsgevonden. In dit verhoor heeft [het slachtoffer] verklaard dat zij een klap van de deur heeft gekregen.
Voorts hebben de verbalisanten bij hun komst ter plaatse het letsel van [het slachtoffer] zelf waargenomen en daarvan een foto gemaakt alsmede een beschrijving opgenomen in het betreffende proces-verbaal van bevindingen. De aard van het op de foto zichtbare en beschreven letsel, te weten een brede, rechthoekige, rode striem aan de linkerzijde van het gezicht, biedt naar het oordeel van het hof echter onvoldoende steun voor de vaststelling dat de verdachte zijn dochter, [het slachtoffer] , daar heeft geslagen.
Het vorenstaande neemt niet weg dat het hof geenszins kan uitsluiten dat de verdachte zijn dochter op 10 mei 2024 heeft mishandeld. Het hof kan echter niet vaststellen dat deze mishandeling heeft plaatsgevonden op de wijze zoals aan de verdachte is ten laste gelegd, te weten door haar in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan.
Gelet op al het voorgaande, is naar het oordeel van het hof niet wettig bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Voorwaardelijk verzoek
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten verrichten van forensisch onderzoek naar (de toedracht van) het letsel van [het slachtoffer] .
Gelet op de beslissing tot vrijspraak is niet aan de aan het verzoek verbonden voorwaarde voldaan, zodat het hof niet toekomt aan een beoordeling van het verzoek.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. C.H.M. Royakkers, als voorzitter, en mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Karsters.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2026.