GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.735/01
Arrest van 7 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. S.W. van Zijll, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
Watersportvereniging De Lek,
gevestigd in Krimpen aan de Lek,
geïntimeerde,
advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en WSV De Lek.
1. De zaak in het kort
[appellant] vordert de vernietiging of herroeping van een tussen partijen gewezen arbitraal vonnis. In dat vonnis zijn de bezwaren van [appellant] tegen het besluit van het bestuur van WSV De Lek tot de beëindiging van zijn lidmaatschap van WSV De Lek afgewezen. Hieronder wordt ingegaan op de door [appellant] aangevoerde vernietigingsgronden en herroepingsgrond. De conclusie zal zijn dat die niet tot toewijzing van zijn vordering tot vernietiging of herroeping van het arbitraal vonnis kunnen leiden.
2. Procesverloop in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 20 september 2024 waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van de uitspraak van 21 juni 2024 van de arbitragecommissie WSV De Lek, met bijlagen;
de conclusie van antwoord van WSV De Lek, met bijlagen;
de conclusie van repliek van [appellant];
de conclusie van dupliek van WSV De Lek, met bijlagen;
productie 13 en 14 van [appellant];
productie 18 van WSV De Lek.
Op 22 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
3. Feitelijke achtergrond
WSV De Lek beheert en exploiteert een jachthaven.
Artikel 8 van de statuten van WSV De Lek bepaalt:
“Artikel 8. Beëindiging lidmaatschap en schorsing 1. Het lidmaatschap eindigt: […] e. door schriftelijke mededeling van ontzetting (royement) uit het lidmaatschap door het bestuur van het lid, dat handelt in strijd met de statuten, de reglementen, of de besluiten van de vereniging of anderszins de belangen van de vereniging en/of haar leden schaadt.”
[appellant] was lid van WSV De Lek. Hij woont in de buurt van de jachthaven en was tot april 2022 penningmeester van WSV De Lek.
Bij brief van 30 januari 2023 is [appellant] bericht dat het bestuur zijn lidmaatschap bij WSV De Lek beëindigt.
De advocaat van [appellant] heeft bij brief van 21 februari 2023 beroep aangetekend tegen de beëindiging van het lidmaatschap van [appellant].
Bij besluit van 22 mei 2023 heeft de arbitragecommissie van WSV De Lek, die uit drie leden van WSV De Lek bestaat die door de algemene ledenvergadering zijn benoemd (hierna: de Arbitragecommissie), [appellant] niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
Bij brief van 8 augustus 2023 heeft de advocaat van WSV De Lek, de advocaat van [appellant] bericht dat er geen rechtsgevolgen worden gebonden aan het royementsbesluit van 30 januari 2023, maar dat WSV De Lek voornemens is een nieuw royementsbesluit te nemen.
Op 8 september 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en bestuursleden van WSV De Lek, in het bijzijn van de advocaten van partijen.
Bij brief van 5 januari 2024 heeft WSV De Lek [appellant] bericht dat zijn lidmaatschap met ingang van de datum van dagtekening is beëindigd. Deze brief vermeldt:
“Tijdens het gesprek van 8 september jl. heb jij de kans tot wederhoor gekregen maar heb je het bestuur niet kunnen overtuigen dat er geen grond zou zijn voor ontzetting(royement)
Ook jouw reactie op de concept verslagen versterkt, zoals aangegeven, het vermoeden bij het bestuur dat jouw gedrag en handeling niet zal veranderen.
Samengevat:
Je weigert je te gedragen op een wijze die verwacht mag worden van een lid jegens het bestuur
Je kiest bewust voor stemmingmakerij binnen en buiten de vereniging en blijft ook na het gesprek op 8 september jl. leden en personen buiten de vereniging benaderen om je verhaal te doen
Je stelt de arbitragecommissie (commissieleden welke door de ALV gekozen zijn) in een negatief daglicht en stelt haar gezag bij voortduring ter discussie.
Je laat na om, ook nadat wij daar in het gesprek op 8 september jl. op de onwenselijkheid daarvan hebben gewezen, tegenover sommige (ere)leden je op een correcte wijze te gedragen
Je maakt bij voortduring door jouw gedrag duidelijk je niet te willen houden aan de reglementen en statuten en grondbeginselen van de vereniging en bepaalt je eigen regels
Het bestuur heeft er dan ook geen vertrouwen in dat de wijze waarop jij meent te kunnen communiceren en te handelen zowel binnen als buiten de vereniging verandert of zal veranderen.
Het bestuur heeft dan ook besloten om jouw lidmaatschap ingaande de datum van dit schrijven, op basis van de vigerende statuten in het bijzonder artikel 8 lid 1.e te beëindigen.
Zoals eerder aangegeven zal het bestuur een bijzondere ALV bijeenroepen waar zij haar besluit zal toelichten. Dit schrijven en de toebehorende stukken zullen de leden ter inzage worden aangeboden.”
[appellant] heeft op 14 februari 2024 beroep aangetekend tegen het besluit tot beëindiging van zijn lidmaatschap bij de Arbitragecommissie.
Op 21 juni 2024 heeft de Arbitragecommissie uitspraak (hierna: het arbitraal vonnis) gedaan en het beroep van [appellant] verworpen. De uitspraak vermeldt:
“13. Beoordeling Arbitragecommissie .
[…]
b. Concluderende:
1. Dat vele in dit geschil relevante personen zijn gehoord, ook medestanders of zij die zich betrokken voelen bij klager.
2. Dat alle gespreksverslagen van de hoorzittingen en de diverse correspondentie beoordeeld en in de behandeling verwerkt zijn.
14. Tenslotte concluderende:
Verwijzend naar de conclusie van punt 3.d.:
- Klager escaleert het geschil op diverse momenten.
- Klager spreekt en schrijft meermaals bezijden de waarheid.
- Klager zet de Arbcie voortdurend in een kwaad daglicht.
Verwijzend naar de conclusie van punt 4.c.:
- Klager weigert gesprek en slaat mogelijkheid tot normalisatie af.
- Klager dis[kw]alificeert het bestuur en escaleert daardoor verder.
Verwijzend naar de conclusie van punt 5.d.:
- Klager spreekt zichzelf tegen en wederom bezijden de waarheid.
- Klager zet de Arbcie in een zeer kwalijk daglicht.
Verwijzend naar de conclusie van punt 6.b.:
- Klager verstoort de ALV van 28 maar[t] 2023 in zeer ernstige mate.
- Klager heeft 2 leden*) van onjuiste informatie voorzien die mede leidden tot deze verstoring van de ALV.
- Klager voorziet in een even unieke als kwalijke verstoring van de ALV.
Verwijzend naar de conclusie van punt 7.b.:
- Klager wisselt diverse keren van mening waardoor 3 leden*) geen onderzoek naar de betreffende correspondentie kunnen doen.
Verwijzend naar de conclusie van punt 8.b.:
- Klager slaat een mogelijkheid tot normalisatie van de verhoudingen af door niet te handelen overeenkomstig de afspraak met de mediator*).
Vervolg ten slotte concluderende:
Verwijzend naar de conclusie van punt 10.a.9.:
- Klager negeert sommige leden*) hetgeen onwenselijk is.
Verwijzend naar de conclusie van punt 10.b.:
- Klager zal na het eventueel vernietigen van de beslissing tot het ontzetten uit het lidmaatschap de vuile was niet meer buiten hangen.
- Klager blijft voortdurend terugkomen op afgedane zaken.
Verwijzend naar de bloemlezing van punt 11.a.4. en de conclusie 11.b.:
- Klager spreekt uit naar derden het bestuur van de WSV te pakken en ze
financieel uit te kleden.
- Klager brengt weer het bestuur van de WSV en de Arbcie in diskrediet.
- Klager dreigt met juridische stappen wegens overtreding van de AVG en een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens waar hij zelf gedurende het hele geschil ongeremd de openbaarheid zocht.
- Klager biedt geen hoop op een gezamenlijke toekomst.
Verwijzend naar de conclusie van punt 12.c.:
- Klager wordt door leden*) - die stellen hem bij te staan - ten onrechte
voorgehouden dat hersenbeschadiging besproken werd tijdens de ALV
van 28 maart 2024 waardoor na een schrijven hierover van de advocaat
weer grote onrust binnen de vereniging ontstaat.
- Klager schrijft aangifte wegens smaad en laster tegen het bestuur te overwegen, excuses te eisen en behoudt juridische stappen voor.
Terzijde: Klager heeft bij de naastgelegen watersportvereniging een
vervangende ligplaats voor zijn schip gevonden. Coulancehalve zal de WSV
de door klager voldane facturen over 2023 per omgaande crediteren.
Eindconclusie.
De gronden aangevoerd door het bestuur van de WSV ter beëindiging van het
lidmaatschap zoals vervat in de samenvattende motivatie van 5 januari 2024
en vermeld in pt. 2. zijn juist. De door klager aangevoerde verdediging berust
overwegend op het aantasten en in diskrediet brengen van de WSV en haar bestuur waarbij beperkte zelfreflectie wordt getoond. Redelijkerwijs kan van de vereniging niet gevergd worden het lidmaatschap te laten voortduren.”
4. Bespreking van de door [appellant] aangevoerde vernietigingsgronden en herroepingsgrond
Bij de beoordeling wordt vooropgesteld dat op grond van art. 1065 lid 1 Rv het hof een arbitraal vonnis slechts kan vernietigen op een of meer van de navolgende gronden:a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt;b. het scheidsgerecht is in strijd met de daarvoor geldende regelen samengesteld;c. het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden;d. het vonnis is niet overeenkomstig het in art. 1057 Rv bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed;e. het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, is in strijd met de openbare orde.
De rechter mag een arbitraal vonnis in beginsel niet inhoudelijk toetsen. Een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis is in zoverre ook geen ‘gewoon’ hoger beroep.
Volgens [appellant] is het arbitraal vonnis tot stand gekomen op een wijze die in strijd is met de openbare orde (art. 1065 lid 1 sub e Rv). [appellant] voert daartoe drie grieven aan.
In grief 1 betoogt [appellant] dat de Arbitragecommissie niet onafhankelijk/onpartijdig heeft kunnen oordelen over het verwijt dat [appellant] de Arbitragecommissie in een negatief daglicht heeft gesteld en haar gezag bij voortduring ter discussie heeft gesteld, welk verwijt het bestuur mede ten grondslag heeft gelegd aan haar besluit tot beëindiging van zijn lidmaatschap. Over dit punt heeft de Arbitragecommissie niet volledig onafhankelijk en onpartijdig een uitspraak kunnen doen omdat dit haar eigen functioneren raakt. De Arbitragecommissie heeft dus over deze gedraging – jegens de Arbitragecommissie – zelf geen oordeel mogen vellen, aldus [appellant].
Bij de beoordeling van grief 1 wordt vooropgesteld dat een arbitraal vonnis kan worden vernietigd wegens strijd met de openbare orde indien sprake is geweest van een schending van fundamentele beginselen van procesrecht, zoals het beginsel van hoor en wederhoor of het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Wat [appellant] heeft aangevoerd is daartoe niet voldoende. Ter toelichting dient het volgende.
Het standpunt van [appellant] dat de Arbitragecommissie zich in dit geval op grond van art. 3 lid 1, laatste volzin, van het Reglement voor de Arbitragecommissie (hierna: het Reglement) onbevoegd had moeten verklaren, berust op een verkeerde lezing van het Reglement. Art. 2 van het Reglement bepaalt welke geschillen onderworpen kunnen worden aan het oordeel van de Arbitragecommissie en art. 3 lid 1, laatste volzin, van het Reglement ziet op de onbevoegdheid van de Arbitragecommissie in het geval sprake is van een geschil dat niet op grond van het Reglement is onderworpen aan haar oordeel. [appellant] heeft niet aangevoerd dat sprake is van een geschil dat buiten de reikwijdte van art. 2 van het Reglement valt.
Het hof volgt [appellant] ook niet in zijn standpunt dat de Arbitragecommissie zich had moeten verschonen, ‘gezien haar betrokkenheid in het besluit tot royement zelf’, omdat – kort gezegd – het bestuur in het royementsbesluit uitlatingen van [appellant] jegens de Arbitragecommissie had meegewogen en in zoverre geen onafhankelijk en onpartijdig oordeel meer kon worden gegeven door de Arbitragecommissie. Ter toelichting dient het volgende.
Vooropgesteld wordt dat indien [appellant] twijfels had over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van (leden van) de Arbitragecommissie, het op zijn weg heeft gelegen om de/deze leden van de Arbitragecommissie – nadat zij zijn verzoek om zich te verschonen niet honoreerden – te wraken (conform art. 4 van het Reglement). Bij verzuim dit tijdens de arbitrageprocedure te doen vervalt het recht om zich daarop later bij de rechter te beroepen (art. 1035 lid 8 Rv). De klachten van [appellant] over het gebrek aan onafhankelijkheid/partijdigheid van de leden van de Arbitragecommissie kunnen reeds om die reden niet meer tot vernietiging leiden.
Ook overigens is wat [appellant] naar voren heeft gebracht onvoldoende om aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de (leden van de) Arbitragecommissie te twijfelen. De enkele omstandigheid dat het bestuur [appellant] het verwijt maakt dat [appellant] zich negatief over de Arbitragecommissie heeft uitgelaten, maakt niet dat de Arbitragecommissie reeds daarom geacht kan worden ‘zelf een belang in het besluit’ te hebben ‘wat leidt tot een belangenverstrengeling’, zoals grief 1 aanvoert.
Terzijde wordt nog het volgende opgemerkt. Juist is dat de Arbitragecommissie onder meer heeft geoordeeld dat [appellant] voortdurend de Arbitragecommissie in een kwaad daglicht heeft gesteld (wat [appellant] overigens betwist). Dit oordeel kan evenwel niet los worden gezien van het verwijt dat [appellant] meer in het algemeen wordt gemaakt (door het bestuur): dat hij binnen de vereniging niet op een wijze communiceert (voldoende zorgvuldig en respectvol) zoals van hem als lid van WSV De Lek verwacht mag worden.
De kern van het verwijt dat [appellant] wordt gemaakt betreft dus zijn wijze van communicatie/zijn wijze van gedrag binnen de vereniging (in het bijzonder naar leden van het bestuur). De Arbitragecommissie heeft haar oordeel in dit verband op diverse gronden doen berusten. Tegen deze achtergrond is de omstandigheid dat de Arbitragecommissie ook heeft geoordeeld dat hij zich voortdurend negatief uitlaat over de Arbitragecommissie, van onvoldoende gewicht om aangemerkt te kunnen worden als een voldoende draagkrachtig argument om (op voorhand) aan de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de (leden van de) Arbitragecommissie te kunnen twijfelen.
Voor zover [appellant] tijdens de mondelinge behandeling nog heeft betoogd dat de leden van de Arbitragecommissie – gelet op hun aanwezigheid tijdens de algemene ledenvergadering als lid van WSV De Lek, waarbij is gesproken over onder meer de gezondheid van [appellant] – niet meer als onafhankelijk/onpartijdig kunnen worden aangemerkt, is dat standpunt ook niet van een toereikende onderbouwing voorzien. Hun aanwezigheid tijdens de algemene ledenvergadering – ook indien daar is gesproken over bijvoorbeeld de gezondheid van [appellant] en de omstandigheid dat een royementsbesluit was genomen, terwijl hij daar niet aanwezig was (en mocht zijn), is niet voldoende om aan hun onafhankelijkheid/onpartijdigheid te twijfelen. Gesteld, noch gebleken is dat één of meer leden van de Arbitragecommissie door te reageren op wat is gezegd over [appellant], ervan blijk heeft gegeven vooringenomen te zijn. Het enkel kennisnemen van enige mededelingen over [appellant] is niet voldoende om dat te kunnen aannemen.
Grief 1 faalt.
[appellant] klaagt in grief 2 dat niet op adequate wijze hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Na een royement hoort het bestuur middels een algemene ledenvergadering de leden te informeren. Daarbij hoort het geroyeerde lid toegang te krijgen tot de ledenvergadering om daar zijn verhaal te kunnen doen, welke gelegenheid hem ten onrechte is onthouden, aldus [appellant]. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] nog in meer algemene zin aangevoerd dat hem niet de gelegenheid is geboden zijn zienswijze aan de leden kenbaar te maken.
Ook deze grief faalt. [appellant] voert niet aan dat hem tijdens de arbitrageprocedure onvoldoende gelegenheid is geboden om zijn zienswijze naar voren te brengen. Ook de overgelegde stukken geven daarvoor geen aanwijzing. Voorafgaand aan het arbitraal vonnis heeft de Arbitragecommissie [appellant] gehoord waarbij hij is bijgestaan door zijn advocaat.
Voor zover op WSV De Lek een verplichting rustte de leden te informeren over het royement van [appellant] en/of de uitkomst van de arbitrageprocedure en voor zover WSV De Lek die verplichting niet (op een juiste wijze) heeft nageleefd, is dat geen toereikende grond voor vernietiging van het arbitraal vonnis.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] nog naar voren gebracht dat tijdens het gesprek van 8 september 2023 door het bestuur expliciet is aangegeven dat uitsluitend zou worden gekeken naar gedragingen ná het eerste royement, terwijl [appellant] wel verwijten werden gemaakt op de periode vóór dat royement. Voor zover [appellant] daarop wilde reageren werd hem gezegd dat dit niet ‘ter zake’ zou zijn.
Geen van deze klachten betreffen de gang van zaken bij de Arbitragecommissie. Zij kunnen dan ook niet tot vernietiging van het arbitraal vonnis leiden op de grond dat het beginsel van hoor en wederhoor door de Arbitragecommissie is geschonden.
Voor zover [appellant] wil betogen dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden omdat tijdens de ledenvergadering informatie over hem is gedeeld in het bijzijn van de leden van de Arbitragecommissie, geldt ook dat dit verwijt niet een voldoende reden vormt voor vernietiging. De verwijten die het bestuur [appellant] maakt, zijn met hem besproken, gemeld en vervolgens ook onderwerp van gesprek geweest tijdens de Arbitrageprocedure. [appellant] was dus bekend met de redenen die tot het besluit tot beëindiging van zijn lidmaatschap hebben geleid. [appellant] heeft tijdens de arbitrageprocedure daarop kunnen reageren. Voor zover [appellant] klaagt dat de Arbitragecommissie bij de beoordeling van zijn argumenten informatie heeft meegewogen – bijvoorbeeld over zijn gezondheid – die door het bestuur niet als redenen zijn vermeld in het besluit, heeft hij dit verwijt niet van een toereikende onderbouwing voorzien. [appellant] heeft niet in voldoende mate toegelicht over welke informatie/elementen die de Arbitragecommissie in haar beoordeling heeft betrokken, hij zich niet (of onvoldoende) heeft kunnen uitlaten/reageren (tijdens de arbitrageprocedure).
Ook grief 2 faalt.
In grief 3 beroept [appellant] zich op een aantal onjuistheden waarop het arbitraal vonnis zou zijn gebaseerd, op grond waarvan dat dient te worden herroepen (art. 1068 lid 1 sub b Rv).
Vooropgesteld wordt dat een arbitraal vonnis slechts vatbaar is voor ‘herroeping’ wanneer het vonnis geheel of gedeeltelijk berust op na de uitspraak ontdekt bedrog, het vonnis geheel of gedeeltelijk berust op stukken die na de uitspraak vals blijken te zijn en/of een partij na de uitspraak van belang zijnde stukken die door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden, in handen gekregen.
[appellant] voert in zijn toelichting op grief 3 verschillende voorbeelden aan van (volgens hem) onjuistheden/onwaarheden. Zo staan er in het gespreksverslag van 8 september 2023 diverse onjuistheden/discrepanties in vergelijking met de transcriptie van de geluidsopname van het gesprek.
Herroeping is alleen mogelijk als ná de uitspraak blijkt van het bestaan van bedrog dan wel valse of achtergehouden stukken. Daarvan is geen sprake, nu al in het beroepschrift van [appellant] – dat namens hem is ingediend bij de Arbitragecommissie – dezelfde onjuistheden/discrepanties zijn aangevoerd. Los daarvan heeft [appellant] niet toegelicht waarom de door hem geconstateerde onjuistheden in het gespreksverslag meebrengen dat sprake is geweest van gepleegd bedrog of van valselijk opgemaakte, dan wel bewust achtergehouden stukken. Een dergelijke toelichting had te meer op de weg van [appellant] gelegen omdat – ook indien ervan wordt uitgegaan dat de door [appellant] gesignaleerde onjuistheden inderdaad op de door hem toegelichte wijze afwijken van de transcriptie van de geluidsopname van het gesprek – deze afwijkingen details betreffen, waarbij (op voorhand) niet valt in te zien hoe die van belang zijn geweest bij de beoordeling van deze zaak door de Arbitragecommissie.
Ook grief 3 faalt.
Voor zover zijdens [appellant] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog is aangevoerd dat geen sprake is geweest van een (voldoende kenbare) redelijke en billijke afweging van belangen, is niet toegelicht waarom het beëindigen van het lidmaatschap in deze een proportionele maatregel zou zijn, de feiten onvoldoende zijn vastgesteld en de Arbitragecommissie ook overigens onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ‘bepaalde stellingen’ niet worden gevolgd dan wel verweren worden verworpen, kunnen ook al die argumenten niet tot vernietiging en/of herroeping leiden.
Deze verwijten miskennen dat het hof een arbitraal vonnis slechts kan vernietigen op de in art. 1065 lid 1 Rv genoemde gronden. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt, of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, mag de rechter dit vonnis vernietigen op de in art. 1065 lid 1, aanhef en onderdeel d Rv vermelde grond dat het arbitraal vonnis niet met redenen is omkleed (HR 22 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1593 (Kers/Rijpma)). Van een dergelijke situatie is geen sprake.
Conclusie en proceskosten
De slotsom is dat de vorderingen van [appellant] tot vernietiging of herroeping van het tussen partijen gewezen arbitrale vonnis dient te worden afgewezen. Aan bewijsvoering wordt niet toegekomen; de stellingen van [appellant] zijn gemotiveerd betwist en tegenover die betwisting niet voorzien van een toereikende onderbouwing. Bovendien voldoet het bewijsaanbod van [appellant] niet aan de daaraan te stellen eisen: het is onvoldoende gespecificeerd.
[appellant] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dragen.
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van WSV De Lek op:
griffierecht € 2.175,-
salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II)
nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.234,-
Beslissing
Het hof:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding aan de zijde van WSV De Lek begroot op € 6.234,-;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, M.D. Ruizeveld en M. Holthuis en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.