Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001093-25
Parketnummer: 10-074688-23
Datum uitspraak: 3 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2022 tot en met 27 januari 2023 te Dordrecht en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [het slachtoffer] , door (vanuit de penitentiaire inrichting):
- ( veelvuldig) telefonisch contact op te nemen en/of
- ( veelvuldig) brieven te sturen
met het oogmerk die [het slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Nadere overwegingen ten aanzien van de bewijsvraag
De raadsvrouw van de verdachte heeft – op de gronden die worden genoemd in de door haar op de terechtzitting overgelegde pleitnota – vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde belaging. Zij heeft daartoe betoogd dat er geen of ontoereikend bewijs is voor de delictsbestanddelen opzet, wederrechtelijkheid en stelselmatigheid en ook niet voor het bijkomend oogmerk.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De aangeefster is de ex-partner van de verdachte. Zij hebben tot 2018 een relatie gehad en hebben samen twee kinderen. Op 25 mei 2020 is de verdachte door de rechtbank Rotterdam onder meer wegens belaging van de aangeefster in de periode van 1 februari 2018 tot en met 31 juli 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. De verdachte is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen en hij is bij arrest van dit hof van 9 maart 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren. Deze veroordeling is sinds 16 januari 2024 onherroepelijk. Op 20 juli 2022 is de verdachte vanuit de penitentiaire inrichting (hierna: P.I.) [naam penitentiaire inrichting 2] overgeplaatst naar de [naam penitentiaire inrichting 3] .
Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken is het hof van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte vanaf 20 juli 2022 vanuit de [naam penitentiaire inrichting 3] de aangeefster veelvuldig heeft gebeld en brieven heeft gestuurd. Vanaf september 2022 belde hij de aangeefster zes of zeven keer per dag en soms vijftien keer op een dag, waarop de aangeefster regelmatig tegen de verdachte heeft gezegd dat hij haar niet zo vaak moest bellen, zo volgt uit haar aangifte. Op 24 oktober 2022 heeft zij, naar aanleiding van een fout gelopen bezoek met de kinderen aan de P.I. op 23 oktober 2022, het telefoonnummer van de P.I., waarmee de verdachte haar telkens belde, geblokkeerd. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij hiervan op de hoogte was en haar daarna niet meer telefonisch kon bereiken. Op 5 december 2022 heeft de politie een zogenaamd ‘stopgesprek’ met de verdachte gevoerd, waarin hem onder meer is verteld dat hij moest stoppen met het veelvuldig contact opnemen met de aangeefster door middel van bellen en brieven schrijven en dat er aangifte van stalking tegen hem was gedaan. De verdachte is vervolgens doorgegaan met het versturen van een aanzienlijke hoeveelheid brieven naar het adres van de aangeefster. Zo bevinden zich in het dossier tientallen brieven die hij in de maanden december 2022 en januari 2023 aan haar adres heeft gestuurd en hebben zowel de aangeefster als de verdachte verklaard dat het wekelijks om ongeveer zeven brieven ging. In dat verband heeft de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard: “Niemand houdt mij tegen”.
Opzet
Bij de vraag of bewijsbaar is dat de verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde pleegperiode met zijn gedragingen opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster acht het hof van belang dat de verdachte gedurende die gehele periode gedetineerd was en dat daardoor zijn contact met anderen beperkt was tot bezoek, correspondentie en de telefoon. Dat de verdachte de aangeefster (veel) schreef en (vaak) belde zegt daarom op zichzelf weinig over het eventueel inbreukmakend karakter van die wijze van communiceren en over het op dat karakter betrekking hebbende opzet. Daarbij komt bovendien dat het dossier slechts een beperkt beeld geeft van de inhoud van de communicatie tijdens de periode van 1 juli 2022 tot en met 4 december 2022. Evenmin is duidelijk wat de aangeefster toen zelf in de richting van de verdachte heeft gedaan om hem te laten weten dat zij zijn handelingen als inbreukmakend ervoer, behalve dat zij op 24 oktober 2022 zijn nummer heeft geblokkeerd. Uit de beperkte beschikbare correspondentie in het dossier blijkt immers dat zij zijn brieven beantwoordde, terwijl uit die berichten niet blijkt dat zij in het geheel geen contact met de verdachte wenste. Hoewel het hof wil aannemen dat ook de veelvuldige contacten vóór het stopgesprek zeer belastend voor de aangeefster zijn geweest – mede gelet op de eerdere belaging in 2018 – is het hof van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte op dat moment wist, of moest begrijpen, dat de aangeefster op geen enkele wijze contact met hem wenste. Om die reden acht het hof niet bewezen dat de verdachte zich in voornoemde periode schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, omdat voor die periode genoegzaam bewijs voor het opzet ontbreekt. In zoverre zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Het hof acht echter wel bewezen dat ná het stopgesprek van 5 december 2022 de verdachte zich tot en met 27 januari 2023 schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging. Vanaf het stopgesprek was het hem immers bekend dat de aangeefster geen verdere contacten met hem wilde en dat het een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer zou zijn als hij onverminderd, dus met dezelfde frequentie, zou doorgaan met het verzenden van brieven aan haar adres. Dat hij dat toch heeft gedaan getuigt van opzet aan zijn kant.
Stelselmatigheid
De raadsvrouw heeft betwist dat er sprake is geweest van de vereiste stelselmatigheid.
Bij de beoordeling van de vraag of van stelselmatigheid sprake is, zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Geen van deze beoordelingsfactoren is als zodanig doorslaggevend. Het gaat om het totaalbeeld dat uit de gedragingen van de verdachte naar voren komt. Als vuistregel kan gelden dat naarmate het gedrag vaker voorkomt er eerder van stelselmatigheid kan worden gesproken, terwijl een relatief korte duur van de gedragingen het bestaan van ‘stelselmatigheid’ niet uitsluit. Hierboven is reeds uiteengezet dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode zo goed als iedere dag een brief naar het adres van de aangeefster heeft verzonden. Door de bijkomende omstandigheden, zoals de voorgeschiedenis tussen de aangeefster en de verdachte, is naar het oordeel van het hof – ook door het enkele zenden van veel brieven gedurende een relatief korte periode van ruwweg twee maanden – sprake geweest van het stelselmatig maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster.
Wederrechtelijkheid
Door de verdachte en zijn raadsvrouw is naar voren gebracht dat zijn handelen er enkel op was gericht om normaal vader-kindcontact te onderhouden met zijn dochter (toen 7 jaar oud) en zijn zoon (toen 5 jaar oud). De brieven werden weliswaar verzonden aan het adres van de aangeefster, maar waren gericht aan de kinderen.
In de eerste plaats stelt het hof hiertegenover dat de verdachte zich realiseerde dat de aangeefster niet volledig buiten dit contact gelaten kon worden. De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij ervan uitging dat de aangeefster de brieven van de verdachte aan de kinderen zou voorlezen. In hoger beroep heeft de verdachte ter zitting bovendien verklaard dat gedeelten van de brieven voor de aangeefster bestemd waren. In de tweede plaats geldt, meer in het algemeen, het volgende. Enerzijds kan een situatie als de onderhavige, waarin de aangeefster noodgedwongen een tussenstation was tussen de verdachte en de kinderen, voor haar betekenen dat zij een ‘enigszins ingeperkte privacyverwachting’ mocht hebben. Anderzijds levert zo’n situatie voor de verdachte ‘geen vrijbrief’ op om, ingaand tegen haar verklaarde wil, de aangeefster te blijven bestoken met brieven, ook al waren die geadresseerd aan de kinderen. Hoewel de verdachte de bevoegdheid had om zijn recht op familie- en gezinsleven uit te oefenen, had hij ervoor moeten – en ondanks de detentie ook voor kunnen – kiezen om dat op een manier te doen die voor de aangeefster aanzienlijk minder impactvol was. Maar dat heeft de verdachte willens en wetens niet gedaan. In hoger beroep heeft hij immers verklaard: “Dat zij het te veel vond daar veeg ik mijn kont mee af. Ik heb niets met haar te maken”.
Bijkomend oogmerk
De verdediging heeft eveneens betwist dat bij de verdachte het bijkomend oogmerk heeft bestaan om de aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. Hij wilde slechts vader-kindcontact.
Het hof acht bewezen dat de verdachte het oogmerk had om de aangeefster te dwingen iets te dulden. De lat voor het bewijs van dat oogmerk ligt in de rechtspraak niet hoog. De Hoge Raad heeft in een vergelijkbaar geval overwogen:
“Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte, nadat het slachtoffer hem te verstaan had gegeven geen contact met hem te willen, de in de (…) bewezenverklaring vermelde handelingen heeft verricht. Daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer geen keuze heeft gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de verdachte en deze daarmee feitelijk heeft gedwongen te dulden dat de verdachte onder meer stelselmatig contact met haar zocht en aldus inbreuk werd gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.”
(HR 31 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7080, r.o. 4.2).
Een en ander is in het geval van de verdachte in de kern niet anders. Voor het bijkomend oogmerk (iemand te dwingen iets te dulden) is in zijn geval dus wel degelijk bewijs. Dat de verdachte daarnaast ook de bedoeling heeft gehad om contact met zijn kinderen te leggen, maakt dit niet anders.
Slotsom
Het bovenstaande betekent dat het verweer van de verdediging, voor zover betrekking hebbend op het ontbreken van opzet, deels wordt gehonoreerd, hetgeen leidt tot een deelvrijspraak voor de periode van 1 juli 2022 tot en met 4 december 2022. Voor het overige worden de verweren verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2022 5 december 2022 tot en met 27 januari 2023 te Dordrecht en/of Alphen aan den Rijn, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [het slachtoffer] , door (vanuit de penitentiaire inrichting):
- (veelvuldig) telefonisch contact op te nemen en/of
- (veelvuldig) brieven te sturen
met het oogmerk die [het slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in een periode van bijna twee maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner, tevens de moeder van zijn kinderen, door op de bewezenverklaarde wijze contact met haar te blijven zoeken. Hiermee heeft hij herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, hetgeen een grote impact op het slachtoffer heeft gehad. De verdachte heeft op geen enkele manier rekening gehouden met de belangen van de aangeefster.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het onderhavige delict niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit.
Het hof is – alles afwegende en gelet op de omstandigheid dat het hof, anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank, een kortere pleegperiode bewezen acht en mede gelet op de omstandigheid dat bij het voornoemde arrest van dit hof van 9 maart 2023 reeds een contactverbod voor de duur van vijf jaren is opgelegd – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Dit arrest is gewezen door mr. G.C. Haverkate, als voorzitter, mr. L.A. Pit en mr. N.M. Boersma, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 september 2026.
Mr. G.C. Haverkate is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.