Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-000342-24
Parketnummer: 09-267569-23
Datum uitspraak: 8 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van
29 januari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 5 oktober 2023 te 's-Gravenhage aan [het slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee, althans een of meer losse en/of beschadigde (voor)tanden, heeft toegebracht door die [het slachtoffer] een of meer vuistslag(en) in/tegen het gezicht te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 5 oktober 2023 te s`-Gravenhage [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer] een of meer vuistslag(en) in/tegen het gezicht te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer losse en/of beschadigde (voor)tanden ten gevolge heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de straf, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, waarvan 25 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Integrale vrijspraak primair tenlastegelegde
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Partiële vrijspraak ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zwaar lichamelijk letsel tot gevolg
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde oordeelt het hof met de advocaat-generaal en de verdediging dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het tenlastegelegde handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. De verdachte wordt derhalve ter zake van dat onderdeel vrijgesproken.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging, en dat daarom sprake is van een haar toekomend beroep op noodweer.
Het hof zal dit verweer alhier bespreken. Dit omdat een geslaagd beroep op noodweer zal moeten leiden tot vrijspraak van de verweten mishandeling.
Het hof gaat uit van de volgende, aan de wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
Op 5 oktober 2023 loopt de verdachte op enig moment in de avond uit de woning van haar buren de straat op. Zij loopt vervolgens scheldend in de richting van de aangeefster, waarna zij op een afstand van ongeveer 15 meter tot de aangeefster blijft staan. De verdachte scheldt de aangeefster op dat moment uit en zegt ook “kom maar hierheen” of woorden van gelijke strekking. Daarop is de aangeefster in de richting van de verdachte gelopen en heeft de verdachte een aantal stappen in de richting van de aangeefster gezet. Vervolgens slaat de verdachte tweemaal met gebalde vuist tegen het gezicht van de aangeefster.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van de aangeefster niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Immers, uit de gedragingen van de aangeefster blijkt niet dat zij de verdachte wilde aanvallen. De aangeefster is weliswaar enkele stappen richting de verdachte gelopen en is daarop stil blijven staan maar heeft verder geen aanstalten gemaakt de verdachte iets aan te willen doen. Het is de verdachte die daarop vervolgens opnieuw een aantal stappen naar de aangeefster heeft gezet en haar tot tweemaal toe heeft geslagen in het gezicht.
Evenmin was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Immers, de aangeefster had weliswaar enkele stappen richting de aangeefster gezet, maar het is de verdachte zelf geweest die de aangeefster daarna is genaderd om haar vervolgens te slaan.
Het verweer wordt daarom verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op of omstreeks 5 oktober 2023 te s`-Gravenhage [het slachtoffer] heeft mishandeld door die [het slachtoffer] een of meerdere vuistslag(en) in/tegen het gezicht te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te'weten een of meer losse en/of beschadigde (voor)tanden ten gevolge heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een vrouw door haar twee vuistslagen tegen het gezicht te geven, waarbij het slachtoffer letsel, waaronder schade aan het ondergebit, heeft opgelopen. De verdachte heeft met haar handelen ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat ze er spijt van heeft dat ze zich zo heeft laten gaan en dat ze de laatste jaren positiever in het leven is gaan staan.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [het slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.972,96.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.878,46, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens en door de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij – ook gelet op haar aanvullende aangifte, waarin zij spreekt over schade aan het ondergebit – aangetoond dat als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling tot een bedrag van € 632,63 materiële schade is geleden aan het ondergebit. Het betreft de kostenbegroting voor het vervangen van een voortand in het ondergebit die als gevolg van het bewezenverklaarde los is komen te zitten en door de tandarts is getrokken. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag van € 632,63 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde mishandeling tot een bedrag van € 495,83 materiële schade aan het bovengebit is geleden. De benadeelde partij heeft het bestaan van dit causaal verband tussen de wortelkanaalbehandeling en de bewezenverklaring niet nader onderbouwd. Nu dit deel van de gevorderde schade niet aannemelijk is geworden zal de vordering van de benadeelde partij in zoverre worden afgewezen.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek een benadeelde partij onder meer een vergoeding toekomt voor immateriële schade als sprake is van lichamelijk letsel. Het hof stelt op basis van het dossier en de gegeven onderbouwing door de benadeelde partij vast dat sprake is van lichamelijk letsel, zodat de grond voor immateriële schadevergoeding daarmee is gegeven.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.382,63 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] .
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 25 (vijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.382,63 (duizend driehonderdtweeëntachtig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 632,63 (zeshonderdtweeëndertig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 495,83 (vierhonderdvijfennegentig euro en drieëntachtig cent) aan materiële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [het slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.382,63 (duizend driehonderdtweeëntachtig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 632,63 (zeshonderdtweeëndertig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 13 (dertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 5 oktober 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, als voorzitter, mr. F.W. van Lottum en
mr. dr. A. Postma, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.L. Vollering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 september 2026.
Mr. dr. A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.