Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001376-25
Parketnummer: 10-321981-23
Datum uitspraak: 9 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 april 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 4 februari 2023 te Rotterdam, met [het slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat die [het slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het plaatsen en/of houden van zijn hand(en) op de borst(en) en op de vagina van die [het slachtoffer] , terwijl verdachte en die [het slachtoffer] (gedeeltelijk) onder een deken op een bank zaten;
1. subsidiairhij op of omstreeks 4 februari 2023 te Rotterdam, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, bij [naam zorgorganisatie] , locatie [locatie] , ontucht heeft gepleegd met [het slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door bij die [het slachtoffer] zijn, verdachtes, hand(en) te plaatsen op de borst(en) en op de vagina van die [het slachtoffer] , terwijl [het slachtoffer] en verdachte samen (gedeeltelijk) onder een deken op een bank bevonden.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de oplegging van de straf en de strafmotivering.
In dit opzicht zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve -behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.
Aanvullende bewijsoverweging
Op grond van het procesdossier en hetgeen behandeld ter terechtzitting kunnen de volgende feiten vastgesteld worden. Op 4 februari 2023 is verdachte naast het slachtoffer op de bank komen zitten. Het slachtoffer verklaart hierover in het Taxatierapport op pagina 17 e.v. in het procesdossier als volgt. Het slachtoffer lag onder een deken op de bank met een kruik op haar buik. De verdachte vroeg haar of hij naast haar op de bank mocht zitten, waarna de verdachte haar hoofd op zijn schoot duwde. Vervolgens zat hij aan haar borsten en in haar onderbroek. Hierna liepen twee werknemers binnen, op pagina 13 van het procesdossier stelt de aangeefster dat deze collega’s het slachtoffer met haar hoofd op de schoot van verdachte zagen liggen. Ze lagen onder een dekentje.
Het slachtoffer heeft niet specifiek genoemd dat de verdachte aan haar vagina heeft gezeten, ze verklaarde slechts dat hij met zijn hand in haar onderbroek zat. Het hof is van oordeel dat gelet op de locatie van het hoofd van het slachtoffer op de schoot van verdachte, het feit dat hij aan haar borsten heeft gezeten en dat zij een kruik op haar buik had liggen, het niet anders kan dat het slachtoffer op haar rug moet hebben gelegen toen de verdachte met zijn hand in haar onderbroek ging. Zijn hand is dus via de buikzijde (ventraal) de onderbroek ingegaan. Met de rechtbank is het hof daarmee van oordeel dat ook bewezenverklaard kan worden dat de verdachte zijn hand heeft geplaatst op de vagina van het slachtoffer.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde cliënt. Hij heeft daarmee misbruik gemaakt van de positie waarin hij zich verkeerde ten opzichte van een kwetsbaar persoon. Hij heeft zich als zorgverlener schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht. De relatie tussen verdachte als wooncoach en de aan zijn zorg toevertrouwde cliënt schept voor de verdachte een bijzondere verantwoordelijkheid. De verdachte had zich met zijn kennis van de beperkingen van het slachtoffer en gezien zijn werkervaring in de maatschappelijke zorg, van de kwetsbaarheid van het slachtoffer, die juist uitbehandeld was voor een eerder trauma, bewust moeten zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsrapport d.d. 2 april 2024, waarin de reclassering zorgen uit over het gedrag van de verdachte en het gebrek aan zicht op de problematiek van de verdachte. De reclassering stelt dat indien de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden er zonder toezicht geen zicht is op de tegenwoordige werkzaamheden van verdachte al dan niet met kwetsbare doelgroepen. De reclassering geeft daarom de overweging om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met een proeftijd en de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling en een verbod op het uitvoeren van werkzaamheden met kwetsbare doelgroepen.
Het hof houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting naar voren gebracht door zijn raadsman. De verdachte is op dit moment werkzaam is als facilitair medewerker in de zorg. Volgens de verdachte komt hij hiermee niet langer in aanraking met cliënten.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met enkel een taakstraf. Redengevend hiervoor is de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en het gegeven dat de verdachte tot op heden geen verantwoording neemt voor zijn gedrag. Daarnaast is het hof van oordeel dat het zorgelijk is dat de verdachte tot op heden werkzaam is in de zorg, ook al komt hij naar zeggen van zijn raadsman niet in contact met patiënten. Het hof volgt het reclasseringsrapport en zal de verdachte bij een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering opleggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde:
- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.
-dat de verdachte zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door ambulant behandelcentrum Fivoor of polikliniek De Waag te Rotterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
-dat de verdachte geen werkzaamheden verricht waarbij hij in contact komt met kwetsbare doelgroepen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, als voorzitter, mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier mr. S. Neven.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 september 2026.