ECLI:NL:GHDHA:2026:2905

ECLI:NL:GHDHA:2026:2905

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 22-002969-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verweer: niet kan worden vastgesteld dat aan de strikte waarborg van het recht op tegenonderzoek is voldaan, omdat brief tegenonderzoek niet aangetekend is verstuurd. Hof: geen wettelijk vereiste is dat een zodanige brief aangetekend moet worden verstuurd en voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat Post.nl brieven de dag na verzending of anders in ieder geval de daaropvolgende dag bezorgt, in uiterste gevallen gebeurt zulks met zekerheid binnen een week.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

enkelvoudige kamer voor strafzaken

Proces-verbaal

van de op 2 februari 2026 in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof.

Tegenwoordig zijn:

mr. A.S.I. van Delden, voorzitter,

en A. van der Schalk, griffier.

Voorts is aanwezig mr. I. Brink, advocaat-generaal.

De voorzitter begint het onderzoek door het doen uitroepen van de zaak tegen na te noemen verdachte.

De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. B. Tijsterman, advocaat te Tilburg.

Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.

De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en wijst erop dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van:

- een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 januari 2025, betreffende de verdachte;

- de stukken van het voorbereidend onderzoek en alle overige stukken van onderzoek.

De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

Ik heb de brief voor het tegenonderzoek te laat ontvangen. Ik had al een paar keer gebeld. Ze zeiden dat die brief automatisch aan mij zou worden toegezonden.

De raadsman deelt mede dat hij daarover in eerste aanleg ook verweer heeft gevoerd, zoals vermeld in zijn pleitnota eerste aanleg.

De raadsman deelt voorts mede dat de brief ook niet aangetekend wordt verstuurd. Op de brief staat vermeld dat het recht op tegenonderzoek na 4 weken vervalt.

De verdachte verklaart:

Ik kreeg een brief en moest daarvoor tekenen. Het was een uitnodiging voor een zitting en die moet wel worden betekend.

De voorzitter deelt mede dat dat juist is, maar dat die eis bij de brief voor het tegenonderzoek niet geldt.

De voorzitter deelt voorts mede dat de officier van justitie nog het voorstel heeft gedaan de zaak aan te houden om het uit te zoeken, maar dat de verdachte daar niet op is ingegaan.

De voorzitter deelt mede dat de politierechter heeft geoordeeld dat de strikte waarborgen niet zijn geschonden. De voorzitter deelt voorts mede dat de verdachte heeft bekend dat hij had gebruikt en dat het rijbewijs belangrijk is voor de verdachte, omdat hij vrachtwagenchauffeur is.

De verdachte verklaart:

Ik heb zelf een transportbedrijf en heb 15 vrachtwagens. Ik rij zelf ook. Ik ben vannacht thuis gekomen omdat er

een chauffeur ziek was. Ik heb de wekker gezet om vandaag hier op tijd te zijn.

U houdt mij voor dat het niet de eerste keer is dat ik onder invloed heb gereden.

Vorig jaar was ik ook aangehouden. Ik gebruikte medicijnen.

U houdt mij voor dat ik in deze zaak heb verklaard dat ik een gram had gebruikt.

Ik moet toch altijd eerlijk zijn, ik heb de waarheid verteld.

Ik gebruik bloedverdunners. Vorig jaar is blaaskanker bij mij geconstateerd. Ik heb toen een stoma gekregen.

Ik voel mij nu gezond.

De voorzitter vraagt aan de verdachte hoe hij haar kan overtuigen dat hij niet meer gebruikt.

De verdachte verklaart:

Ik zou mee willen werken aan een speekseltest.

De advocaat-generaal vraagt aan de verdachte of hij nu nog gebruikt.

De verdachte verklaart:

Ik gebruik niet meer. Ik heb de cursus van het CBR gevolgd. Ik ben vorig jaar ziek geworden. Ik heb na 2022 zo goed als niet meer gebruikt. Na het onderzoek door het CBR ben ik gestopt met gebruiken.

Ik heb in augustus 2023 de cursus gedaan. Ik heb nieuwe controles gehad en die waren in orde. Ik heb ervan geleerd.

De advocaat-generaal voert h nhj ierna het woord en draagt de vordering voor.

De advocaat-generaal vordert bevestiging van het vonnis waarvan beroep behoudens de beslissing met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging. De advocaat-generaal vordert afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging en

legt de schriftelijke vordering aan het gerechtshof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.

De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.

Aantekening mondeling arrest

als bedoeld in artikel 425, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024, gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van heden.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Dordrecht een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 81 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 20 mei 2023 te Dordrecht een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 81 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het

bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

1. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer 1] , pagina 's 9-11 hij het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] , inhoudende als

verklaring van de verdachte:

Zaterdag 20 mei 2023

Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornamen: [voornaam verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1975

P: Wat voor voertuig heeft u bestuurd?

V: Die witte Fiat, waar u mij bij heeft aangehouden.

P: Hoeveel drugs heeft u de afgelopen 48 uur gebruikt?

V: Half grammetje misschien.

2. Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer [proces-verbaalnummer 3] , pagina 's 5-8 bij het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] , inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] of van één van hen:

Zaterdag 20 mei 2023

Op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Laan der Verenigde Naties te Dordrecht.

Op bovengenoemde datum, tijd en plaats zagen wij, [naam verbalisant 1] , aspirant, dienstdoende bij Basisteam Drechtsteden Buiten, Eenheid Rotterdam en [naam verbalisant 2] , aspirant, dienstdoende bij Basisteam Drechtsteden Buiten, Eenheid Rotterdam, dat een persoon als bestuurder van een voertuig, bedrijfsauto (Bestelauto), Fiat Fiorino 1.3 Mj, Nederland, kenteken [kenteken] , dit bestuurde.

Met medewerking van de bestuurder heb ik, [naam verbalisant 1] , hem de speekseltest afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen speekseltester.

Als resultaat van deze test zag ik, [naam verbalisant 1] , dat de speekseltest een indicatie aangaf voor de volgende stof: cocaïne.

De verdachte gaf mij, [naam verbalisant 1] , op te zijn genaamd:

Achternaam: [achternaam verdachte]

Voornamen : [voornaam verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1975

Op zaterdag 20 mei 2023 om 20:29 uur, heeft de arts, [naam arts] in aanwezigheid van mij, [naam verbalisant 2] , de verdachte bloed afgenomen conform Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Opdrachtformulier Toxicologisch onderzoek voorzien van een genummerde en op naam gestelde SIN-sticker "Analyse" met het nummer [nummer] .

3. Een geschrift, te weten een opdracht ten behoeve van Toxicologisch onderzoek, pagina 's 20-21 bij het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 3] , inhoudende:

20/05/2023

Gegevens bloedgever

Naam: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum] -1975

SIN-sticker "Analyse" [nummer]

4. Een geschrift, te weten een rapport van het Maasstad zienhuis, pagina 's 22-23 bij het proces¬

verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] , inhoudende:

Datum aanvraag 20-05-2023

Naam bloedgever (geslacht) [verdachte]

Geboortedatum [geboortedatum] -1975

De eindresultaten van de analyse van de aangewezen stoffen (Wegenverkeerswet 1994, art 8, lid 5) staan hieronder vermeld

Tabel Resultaten onderzoek in bloed van [verdachte] met sporen identificatienummer [nummer]

Aangewezen stof: Cocaïne

Meetbare stof: Cocaïne

Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt: 50

Eindresultaat in bloed: 81

Rapportage eenheid: microgram per liter

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden als vermeld in de pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, nu niet kan worden vastgesteld dat aan de strikte waarborg van het recht op tegenonderzoek is voldaan, zodat er geen sprake is geweest van een ‘onderzoek’ in de zin artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de uitslag van het bloedonderzoek tijdig, te weten op 22 juni 2023, aan de verdachte is verzonden.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geen wettelijk vereiste is dat een zodanige brief aangetekend moet worden verstuurd en voorts dat het een feit van algemene bekendheid is dat Post.nl brieven de dag na verzending of anders in ieder geval de daaropvolgende dag bezorgt, in uiterste gevallen gebeurt zulks met zekerheid binnen een week. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat de verdachte de uitslag van het bloedonderzoek eerst meer dan vier weken na de dagtekening thuis heeft ontvangen. Het verweer is ook overigens niet nader onderbouwd met

stukken, zoals de envelop van verzending inhoudende de brief met de uitslag van het bloedonderzoek. Het voorgaande maakt dat het hof de grondslag van het verweer niet aannemelijk acht geworden en dat er daarmee voor het overige voorbij kan worden gegaan aan het verweer dat niet is voldaan aan het wettelijk systeem van de strikte waarborgen, of dat niet kan worden gesproken van een onderzoek in de zin van artikel 8 WVW 1994.

Het hof verwerpt het door en namens de verdachte gevoerde verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft onder invloed van drugs een bedrijfsauto bestuurd. Zodoende heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij onder invloed van drugs rijdt, terwijl hij van beroep vrachtwagenchauffeur is. Van een professional mag nog eens te meer worden verwacht worden dat diegene extra voorzichtig is in het verkeer en zich bewust is van het

feit dat rijden onder invloed van drugs gevaar oplevert voor de mede weggebruikers.

Anderzijds houdt het hof er rekening mee dat de verdachte als vrachtwagenchauffeur belang heeft bij het behoud van

zijn rijbewijs.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 januari 2026, is de verdachte al eerder veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte, gecombineerd met na te melden voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen een passende en geboden reactie vormen.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2022 onder parketnummer

96-075538-22 09-128766-22 is de verdachte – voor zover hier van belang - veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

6 maanden, met bevel dat die ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke veroordeling dient te worden afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Echter, nu de proeftijd van de hiervoor genoemde veroordeling reeds is geëindigd, zal het hof de vordering afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket Centrale Verwerking O.M. van 17 juni 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2022, parketnummer 96-075538-22, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

De voorzitter deelt mede, dat de verdachte uiterlijk veertien dagen na heden beroep in cassatie kan instellen.

Dit proces-verbaal is door de voorzitter en de griffier vastgesteld en bij ontstentenis van de griffier alleen door de voorzitter ondertekend.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand