Onderzoek van de zaak
Rolnummer: 22-001527-24
Parketnummers: 09-024498-23 & 09-295869-21 (TUL)
Datum uitspraak: 11 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 april 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1995,
thans gedetineerd in [naam penitentiaire inrichting] .
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en is gelast dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Voorts is de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen en is het inbeslaggenomen voorwerp verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 januari 2023 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [het slachtoffer] met een mes, althans een voorwerp, met kracht op het hoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 januari 2023 te 's-Gravenhage [het slachtoffer] heeft mishandeld door [het slachtoffer] met een mes, althans een (hard) voorwerp, met kracht op het hoofd te slaan/stompen;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het primair tenlastegelegde zal worden bewezenverklaard, dat de verdachte te dier zake zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het hof komt weliswaar grotendeels tot dezelfde beslissingen als de rechter in eerste aanleg, maar op grond van een andere bewijsvoering en een andere motivering. Dit heeft onder meer te maken met de gewijzigde proceshouding van de verdachte en de in hoger beroep uitgebrachte pro-Justitiarapportage. Ook komt het hof tot een andere beslissing op het beslag. Het deels bevestigen van het vonnis met aanvulling en verbetering van gronden zou een te weinig overzichtelijk samenstel aan beslissingen en motiveringen genereren.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 19 januari 2023 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [het slachtoffer] met een mes, althans een voorwerp, met kracht op het hoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De verdachte heeft in een rijdende tram de aangeefster, [het slachtoffer] , onverhoeds met een hakmes tegen het hoofd geslagen. Dit terwijl zij op een stoeltje zat en hij tegenover haar stond. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte dat – anders dan in eerste aanleg – bekend en bevestigd dat het gaat om het in beslag genomen hakmes.
Het hof ziet zich – ambtshalve – gesteld voor de vraag of de verdachte met zijn handelen opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster.
Het incident is vastgelegd op camerabeelden. Verbalisant [naam verbalisant] heeft gerelateerd wat daarop te zien is. De aangeefster zit en de verdachte gaat tegenover haar staan. Vlak voordat de tram stopt bij een halte haalt hij een voorwerp uit zijn binnenzak. Met zijn rechterarm zwaait hij met het voorwerp naar achteren en slaat vervolgens de aangeefster met kracht op haar hoofd. Direct daarna verlaat hij de tram bij de halte. Uit de beelden blijkt volgens de verbalisant dat het voorwerp een hakmes was. Dat het om een hakmes gaat komt overeen met hetgeen de verdachte hierover ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.
De kracht waarmee de verdachte de aangeefster sloeg met het mes was aanzienlijk. De getuige [naam getuige 1] heeft immers een harde klap gehoord, terwijl de getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij een enorm heftige klap hoorde, deze was “kei- en keihard”.
Het aldus met kracht op het hoofd slaan met een hakmes, levert naar het oordeel van het hof een aanmerkelijke kans op dat de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Indien het mes of de aangeefster enigszins zou zijn gedraaid of bewogen, wat zonder meer had kunnen gebeuren in de situatie waarin de aangeefster en de verdachte zich bevonden (een rijdende tram), dan had het scherpe gedeelte van het lemmet bijvoorbeeld een diepe snijwond in haar hoofd kunnen veroorzaken. Ook is allerminst ondenkbaar dat die scherpe kant haar hals had kunnen raken. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de over de persoon van de verdachte opgemaakte pro-Justitiarapportages.
Na plaatsing van de verdachte in het Pieter Baan Centrum is op 15 september 2023 door de psychiater C.A.M. van der Meijs en de psycholoog I. Schilperoord een pro-Justitiarapportage opgemaakt. In hoger beroep is door dezelfde gedragsdeskundigen een aanvullend klinisch onderzoek met een drieweekse opname uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan hebben zij op 26 februari 2026 een aanvullende pro-Justitiarapportage uitgebracht.
De gedragsdeskundigen stellen in hun rapportages vast dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis, tenminste matig van ernst (in remissie gedurende detentie). De deskundigen stellen vast dat deze stoornissen bij de verdachte reeds aanwezig waren ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit. Blijkens de rapportages weten de deskundigen niet wat er zich intern bij de verdachte heeft afgespeeld, maar stellen zij dat hij gehandeld kan hebben vanuit imperatieve hallucinaties, sterke waangedachten en/of ten gevolge van een driftmatige impuls. Vanwege de ernst van de schizofrenie en de desorganisatie van het denken van de verdachte dient te worden uitgegaan van een direct causaal verband tussen de schizofrenie en het bewezenverklaarde. Zij stellen dat er geen gedragskundig ‘gezond’ scenario denkbaar is op grond waarvan de verdachte zijn handelen als de gemiddelde mens in vrije wil richting heeft gegeven. De verdachte had ten gevolge van de schizofrene stoornis geen reflectie of corrigerend vermogen. Hij was geheel in de ban van zijn stoornis en daarmee wilsonvrij om tot gezonder gedrag te komen, dan wel van dit gedrag af te kunnen zien. De deskundigen adviseren dan ook het bewezenverklaarde feit in zijn geheel niet aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid van de verdachte over en maakt die tot de zijne. Dit betekent dat het hof, net als de rechtbank, van oordeel is dat het bewezenverklaarde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend, zodat hij ten aanzien van het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Motivering van de maatregel
Dat de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is, brengt mee dat aan hem geen straf kan worden opgelegd. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of aan de verdachte de tbs-maatregel moet worden opgelegd, al dan niet met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna ook: dwangverpleging).
Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de voormelde pro-Justitiarapportages en op de nadere toelichting op deze rapportages gegeven ter terechtzitting in hoger beroep door de deskundige Schilperoord.
Het hof leidt daaruit af dat het op dit moment relatief goed gaat met de verdachte, hetgeen ook blijkt uit de stukken van de penitentiaire inrichting die door de verdediging in hoger beroep zijn overgelegd. De verdachte is vrijwillig ingesteld op anti-psychotische medicatie, waardoor de psychotische symptomen in remissie zijn gekomen. De gedragsdeskundigen stellen dat zolang de verdachte zijn medicatie neemt en geen cannabis gebruikt, hij relatief stabiel kan functioneren.
Uit de rapportages en de toelichting daarop volgt evenwel dat de schizofrenie voor een blijvende instabiliteit in het psychisch functioneren van de verdachte zorgt. De gewelddadige risico’s ontstaan immers als de verdachte in psychotische toestand verkeert. Als hij psychotisch is, heeft hij geen remming meer: hij is gedesorganiseerd in doen en denken, kan hallucinaties en wanen ervaren en ontwikkelt daarbij een algemene neiging om gedrag van anderen op een achterdochtige wijze te interpreteren, waarbij ernstige agressieve impulsdoorbraken kunnen optreden. In psychotische toestand blijkt de verdachte ook versterkt te reageren op seksuele prikkels, waarbij decorumverlies optreedt. Deze factoren maken dat de kans groot is dat er tijdens een psychotische toestand ernstige delicten plaatsvinden. Zowel de klinische inschatting van de deskundigen als de risicotaxatie-instrumenten wijzen op een hoog recidiverisico voor (ernstig) geweld wanneer het externe kader weg zal vallen. De deskundigen stellen dat een extern risicomanagement blijvend noodzakelijk is om tijdig te kunnen ingrijpen als de verdachte weer psychotisch wordt. Bij de behandeling dient forensische scherpte in acht te worden genomen om tijdig te signaleren wanneer hij psychotisch en daardoor gevaarlijk wordt. Met een stevig extern kader is het risico op recidive laag, maar als een dergelijk kader wegvalt en de verdachte stopt met medicatie en/of weer gaat blowen dan zal het risico oplopen naar hoog (met risico op ernstig geweld).
Daar komt bij dat het de verdachte volledig ontbreekt aan ziektebesef en -inzicht, waardoor de kans dat hij zich voor langere duur zal (kunnen) houden aan voorwaarden gering is. Ook wanneer de verdachte zich wel bereid toont zich aan voorwaarden te houden, zoals hij nu doet, wordt de kans van slagen gering geacht. De deskundigen concluderen dat de verdachte in de toekomst altijd een extern kader nodig zal hebben en dat een voorwaardelijk kader, met als voorwaarden depotmedicatie of medicatie onder toezicht, naar hun inschatting niet afdoende zal zijn. De resocialisatie dient gefaseerd en gecontroleerd plaats te vinden, wat alleen verantwoord gedaan kan worden binnen het kader van tbs met dwangverpleging.
Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof onderschrijft deze bevindingen en de getrokken conclusies.
Het hof constateert dat is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan het opleggen van een tbs-maatregel. Bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychotische stoornis in de vorm van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Het hof stelt voorts vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren of meer op is gesteld. Het betreft bovendien een ernstig feit, waarmee inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van een willekeurig slachtoffer en dat heeft bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het hof stelt –op grond van de conclusies van de deskundigen in voormelde rapportages – vast dat er een hoog recidiverisico bestaat zodra het externe kader wegvalt. Er is derhalve sprake van gevaar voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Naar het oordeel van het hof eist die veiligheid de terbeschikkingstelling van de verdachte.
Anders dan door de raadsman is bepleit, is het hof voorts van oordeel dat die veiligheid ook eist dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Hoewel het nu relatief goed gaat met de verdachte en hij zich bereid heeft verklaard zich aan voorwaarden te houden, deelt het hof de door de deskundigen naar voren gebrachte twijfels of de verdachte in staat zal zijn zich langere tijd aan voorwaarden te houden binnen een minder gestructureerde omgeving. In het bijzonder gaat het dan om het blijven innemen van antipsychotische medicatie. Juist het niet langer innemen van die medicatie heeft immers in korte tijd (ongeveer twintig dagen na het stoppen met die medicatie) geleid tot het bewezenverklaarde feit. Ook gaat het dan om het abstinent blijven van cannabis, waarbij het hof opmerkt dat de verdachte dit geregeld gebruikte, terwijl uit de rapportages blijkt dat cannabis over het algemeen vaak een averechtse werking heeft op psychotische symptomen en deze kan luxeren. Daarbij weegt het hof mee dat de verdachte nog altijd geen ziekte-inzicht heeft en hij ook niet ten volle het van belang van het blijven innemen van die medicatie en het abstinent blijven van cannabis lijkt te zijn doordrongen. Het hof acht het niet verantwoord om de verdachte het voordeel van de twijfel te geven, gelet op het hoge recidiverisico en het risico op ernstig geweld (zoals het bewezenverklaarde feit). Tbs met voorwaarden acht het hof dus niet afdoende om het gevaar dat de verdachte vormt terug te dringen.
Het hof zal dan ook gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
De tbs met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De totale duur van de tbs met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid tot het opleggen van tbs met voorwaarden, indien het hof overweegt tbs met dwangverpleging op te leggen.
Het hof acht zich ten aanzien van de persoon van de verdachte voldoende voorgelicht gelet op de reeds opgemaakte rapportages en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. Derhalve ziet het hof geen noodzaak nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid van het opleggen van tbs met voorwaarden. Het hof wijst het verzoek af.
Beslag
Het hof zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten het hakmes, onttrekken aan het verkeer. Het hof overweegt hiertoe dat teruggave van dit specifieke mes, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, waarbij de verdachte zich met dit mes in zijn binnenzak in een tram met passagiers heeft begeven en de manier waarop het mes door de verdachte bij het plegen van het feit is gebruikt, maakt dat het ongecontroleerde bezit van dat mes in strijd is met het algemeen belang.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De verdachte is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 19 april 2022 onder parketnummer 0929586921 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.
Het hof overweegt dat niet vast is komen te staan dat de verdachte de algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht niet heeft nageleefd. Die voorwaarde houdt in dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Nu de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar wordt geacht en hij ten aanzien van het bewezenverklaarde feit dus niet strafbaar is, kan niet worden vastgesteld dat hij zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Hakmes.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 30 maart 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 19 april 2022, parketnummer 09-295869-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Dit arrest is gewezen door mr. C. Fetter, als voorzitter, mr. F.W. van Lottum en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 september 2026.
Mr. F.W. van Lottum is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.